CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bopa Willibrordusstraat 8-10 (3 Concept onderbouwing BOPA)

commissie Ruimte 22 januari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: OORDEELSVORMEN: Raadsvoorstel Bopa Willibrordusstraat 8-10.29.706 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 57 van 101

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. De keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.

In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. b. c. d.

het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x Gevoeligheidsfactor x 0,06.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 58 van 101

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Waterschapsverordening Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen: onze leefomgeving. Deze regels staan in één digitale verordening: de waterschapsverordening. Voorheen stonden deze regels in het waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur en de bijbehorende algemene regels. Met de komst van de Omgevingswet zijn deze regels vervangen door de waterschapsverordening. Artikel 2.2 lid 5 schrijft onder meer voor dat het verboden is om zonder omgevingsvergunningaanvraag water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam.

Dit verbod geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek (Riool- en Waterprogramma 2022-2026 (met bijlage Hemel- en Grondwaterbeleid) De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de voormalige Keur van het waterschap. Waar binnen de voormalige Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken.

Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt het volgende verstaan: ‘oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken’. Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 59 van 101

Figuur 30: Uitsnede kaart compensatiefactor (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Vanwege de ligging van de planlocatie binnen een gebied met een compensatiefactor 1 is een compenserende waterberging van 60 mm nodig voor de toename van het verharde oppervlak c.q. het nieuwe verharde oppervlak. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het gemeentelijk waterbeleid het niet toestaat om het te slopen of reeds gesloopte verhard oppervlak van het te compenseren oppervlak af te trekken. In het onderstaande vindt een nadere uitwerking van de watertoets plaats. Onderzoek Huidige situatie Algemeen - Ligging plangebied - Bebouwd/onbebouwd en verhard/onverhard oppervlak - Ligging nabij waterlichamen Bodem en grondwater De planlocatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Hierdoor geven relevante kaarten geen inzicht in de bodemsoort, de grondwatertrap, de gemiddelde hoogste grondwaterstand en de gemiddelde laagste grondwaterstand. Waterkwantiteit Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 60 van 101

Op alle watergangen en sloten binnen het plangebied, die zijn opgenomen in de legger, is de Waterschapsverordening van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen A-waterlopen met bijbehorende beschermingszone gelegen die zijn opgenomen in de legger van het waterschap. Ook zijn binnen de planlocatie en in de directe omgeving geen B-watergangen gelegen. In het onderstaande is een uitsnede uit de legger van het waterschap opgenomen ter illustratie.

Figuur 31: Uitsnede kaart Legger Waterschap De Dommel (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 61 van 101

Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Afvalwaterketen en stelseltypen riolering Ter plaatse van de ontwikkeling is in de huidige situatie een gemengd rioolsysteem aanwezig waarop kan worden aangesloten. Verder zal ter plaatse een gescheiden schoonwater en vuilwatersysteem worden aangelegd. Toekomstige situatie Algemeen Zoals hiervoor reeds is aangegeven, geldt op grond van het gemeentelijk waterbeleid dat hemelwater op eigen perceel dient te worden verwerkt. Gemeentelijk waterbeleid gaat hierbij uit van nieuw verhard oppervlak. Dit wil zeggen oppervlak wat wordt ontwikkeld, herbouwd of opnieuw wordt aangelegd. Het te slopen of reeds gesloopt oppervlak mag niet van het te compenseren oppervlak worden afgetrokken. Het nieuw verhard oppervlak bestaat in het onderhavige geval uit de volgende plandelen: -

Twee woongebouwen met een gezamenlijk oppervlak van 418 m2 (ieder woongebouw 209 m2); Een overdekte recreatieruimte met een oppervlakte van circa 79 m2; Acht bergingen met een oppervlakte van circa 94 m2; Circa 500 m2 aan erfverharding (worst-case benadering).

Gelet hierop wordt vanuit een worst-case benadering tot een totaal nieuw verhard oppervlak van 1.091 m2 gekomen. De vereiste compensatie kan berekend worden door het “nieuwe verharde oppervlak” te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,006 (m) De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 1.091 x 1 x 0,06 = 65,46 m3. Binnen de planlocatie zal voorzien worden in een retentievoorziening met een minimale capaciteit van 65,46 m3 boven GHG. Hierbij kan gedacht worden aan ondergrondse elementen in de hoedanigheid van bijvoorbeeld infiltratiekratten onder de beoogde erfverharding en parkeerplaatsen. Voor de eventuele infiltratiekratten is indicatief een zone ingetekend met een oppervlakte van circa 330 m2. Met een krathoogte van circa 0,5 meter wordt hiermee namelijk ruimschoots toegekomen aan de benodigde compensatie. De wijze waarop binnen het plangebied voorzien zal worden in waterberging zal bij een verdere planvorming voorzien worden van een nadere uitwerking. Ook zal bij een verdere planvorming nader inzicht gegeven worden in zaken als een leegloopberekening en een overloop in het geval van extreme regenval.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat het denkbaar is dat een gedeelte van de verharding ten behoeve van de erfdienstbaarheid of ten behoeve van de parkeerplaatsen zal uitgevoerd worden als halfverharding. Hierdoor zal de benodigde omvang van de waterbergende voorziening mogelijkerwijs lager uitvallen dan hierboven is beschreven. Ter illustratie is een en ander op onderstaande afbeelding indicatief weergegeven met de duiding van zogenaamde zoekgebieden.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 62 van 101

Zoekgebied voor infiltratiekratten

Figuur 32: Indicatieve mogelijkheden waterberging

Aangezien de realisatie van een bergingsvoorziening met een minimale capaciteit van 65,46 m3 als voorwaarde wordt gesteld in de beschikking van de onderhavige omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is verzekerd dat een en ander wordt aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 63 van 101

en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. In casu wordt met het beoogde bouwplan rekening gehouden met het vorenstaande. Conclusie Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Enkel wordt een bijgebouw met aangebouwde carport en een zwembad zonder cultuurhistorische betekenis gesloopt. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 64 van 101

Figuur 33 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, herziening 2024 (CHW) (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel)

De planlocatie bevindt zich binnen de regio de Kempen, hetgeen is aangemerkt als een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang en binnen het cultuurhistorisch landschap de Kempen. Het cultuurhistorisch belang van de Kempen als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang wordt als volgt beschreven (in cursief): ‘De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland’. De beoogde ontwikkeling doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de Kempen als regio van cultuurhistorisch belang. Immers, de beoogde ontwikkeling is aan de orde ter plaatse van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied en ter plaatse van een bestaand bouwperceel. Vanwege de beperkte schaal en de ligging van het planvoornemen binnen

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 65 van 101

bestaand stedelijk gebied, kan geconcludeerd worden dat cultuurhistorische waarden hierdoor niet in het geding komen. Verder is de Willibrordusstraat aangemerkt als een lijn van redelijk hoge waarde (historische geografie). Met betrekking tot deze lijn van redelijk hoge waarde dient opgemerkt te worden dat met de beoogde ontwikkeling het karakteristieke voormalige kantoorpand die reeds is vergund tot vijf woningen aan de overwegend oostelijke zijde van het plangebied blijft behouden. Nu dit karakteristieke voormalige kantoorpand evenwijdig aan de Willibrordusstraat is gesitueerd en nagenoeg over de gehele breedte van het plangebied reikt, is het voormalige kantoorpand die reeds is vergund tot vijf woningen aan de oostelijke zijde van het plangebied bepalend voor het aldaar heersende straatbeeld. Aangezien dit karakteristieke voormalige kantoorpand met karakteristieke elementen blijft behouden, blijft het heersende straatbeeld van de Willibrordusstraat als lijn van redelijk hoge waarde ongewijzigd. Immers, de beoogde woongebouwen worden gesitueerd op het achtererf en zijn hierdoor vanuit de Willibrordusstraat niet of nauwelijks zichtbaar. Tot slot dient opgemerkt te worden dat het pand aan de Willibrordusstraat 12 is aangemerkt als een Rijksmonument.

Echter, gelet op de aard en schaal van het planvoornemen en de afstand van het plangebied tot het pand aan de Willibrordusstraat 12, doet de beoogde ontwikkeling geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde ter plaatse van het Rijksmonument aan de Willibrordusstraat 12 te Diessen. Te meer nu de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ruimtelijke structuur en geen afbreuk doet aan het heersende straatbeeld. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart.

In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan (nu Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek) het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart Hilvarenbeek.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 66 van 101

Figuur 34 Uitsnede archeologische beleidskaart Hilvarenbeek (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

De planlocatie is op grond van de archeologische beleidskaart Hilvarenbeek grotendeels aangeduid als ‘historische kern’ (categorie 2) en deels als ‘middelhoge/onbekende archeologische verwachting’ (categorie 6). De archeologische beleidskaart laat zien dat ter plaatse van het plangebied vanwege de aanduiding als ‘historische kern’ (categorie 2) restricties ten aanzien van bodemingrepen gelden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en met een diepte van meer dan 0,4 meter. Ter plaatse van de gronden die zijn aangeduid als ‘middelhoge/onbekende archeologische verwachting’ (categorie 6) gelden restricties voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en met een diepte van meer dan 0,5 meter. Verder is aan het grootste deel van het plangebied op grond van het geldende planologische kader de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” toegekend. Binnen voornoemde dubbelbestemming gelden restricties ten aanzien van bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 50 m2 en met

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 67 van 101

een diepte van meer dan 0,4 meter. Wanneer voornoemde oppervlakte of diepte met een bouwplan wordt overschreden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Met de beoogde ontwikkeling wordt de ondergrens voor bodemingrepen overschreden. Immers, er wordt op het achtererf van een voormalige kantoorruimte die reeds is vergund tot vijf woningen voorzien in de komst van een tweetal woongebouwen met ieder een oppervlakte van circa 209 m2. Ook wordt voorzien in de realisatie van acht bergingen met een oppervlakte van circa 94 m 2 en een gemeenschappelijke ruimte met een oppervlakte van circa 79 m2. Dit maakt dat aan de hand van een archeologisch onderzoek aangetoond dient te worden dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat eventueel voorkomende archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad. Derhalve is een archeologisch bureau- en vooronderzoek uitgevoerd. Het complete bodemonderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De conclusies (het advies) worden in het onderstaande (in cursief) weergegeven. In het westen van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Dit deel van het plangebied kan daarom worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. In het oosten van het plangebied zijn wel diverse potentiële archeologische niveaus aangetroffen.

De meest ondiepe hiervan is de erflaag uit de Nieuwe tijd in boring 5, op 85 cm onder het maaiveld. Om de verstoring van eventuele archeologische waarden zoveel mogelijk te voorkomen wordt in het oosten van het plangebied een maximale verstoringsdiepte van 55 cm onder het maaiveld geadviseerd. Als dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om na te gaan of in dit deel van het plangebied ter plaatse van de diepe graafwerkzaamheden archeologische waarden te verwachten zijn. Dit kan door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP). Voor dit onderzoek is een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Hilvarenbeek) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Conclusie Het aspect archeologie staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.6 Natuur Toetsingskader Natuur/stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving.

Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan de Wnb. De Wnb is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 68 van 101

jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Kempenland-West op een kortste afstand van circa 380 meter in overwegend zuidoostelijke richting, waarbij stikstofgevoelige delen op een kortste afstand van circa 3.430 meter in overwegend zuidelijke/zuidwestelijke richting zijn gelegen. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Circa 380 m.

Figuur 35: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel)

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 69 van 101

bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan in beginsel met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is, indien nodig, een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. Aanlegfase Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Hierbij is uitgegaan van de navolgende verkeersbewegingen (vanuit een worst-case benadering zijn alle verkeersbewegingen in alle richtingen opgevoerd): 224 lichte verkeersbewegingen (bestelbussen/personeel/aannemer); 224 middelzware verkeersbewegingen (bakwagens/bodediensten); 56 zware verkeersbewegingen (vrachtwagens/betonstorters, etc.).

Bij het transport met de zware vrachtwagens is het aannemelijk dat zij bij stilstand nog stationair draaien zoals bijvoorbeeld het laden en lossen van de bouwmaterialen, optrekken containers etc. Zoals eerder beschreven zijn er 56 bezoeken met zware vrachtwagens. Het laden/lossen duurt circa 0,3 uur per bezoek. De totale bedrijfstijd stationair draaien bedraagt daarmee: 0,3 x 56 = 16,8 uur per jaar. Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024’ heeft een stationair draaiende vrachtwagen (2025) een emissie van 0,8976 gr. NH3 en 92,4864 gr. NOX per uur. Dit resulteert in: 16,8 x 0,0008976 kg = 0,0143 kg NH3 per jaar 16,8 x 0,0924864 kg = 1,5537 kg NOx per jaar Verder dient tevens rekening gehouden te worden met koude starts als gevolg van licht verkeer gedurende de aanlegfase. Het gaat hierbij om in totaal 448 koude starts per jaar. Een en ander gebaseerd op 224 lichte verkeersbewegingen gedurende de bouwfase met twee koude starts per dag. Inzet mobiele werktuigen De inzet van onderstaande mobiele werktuigen:

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 70 van 101

Figuur 36: Ingevoerde parameters mobiele bronnen

De inzet van onderstaande mobiele werktuigen kan worden onderverdeeld in een aantal fasen. Het gaat hierbij om: de sloop, het bouwrijp maken, de bouwfase en de woonrijpfase. Per fase wordt in het onderstaande de ureninzet illustratief en kort benoemd. Een en ander zal bij een verdere planvorming voorzien worden van een nadere uitwerking. Sloop (2 weken): - Sloop-mobiele kraan: 80 uur; - Hijskranen: 4 uur; - Verreikers: 4 uur; Bouwrijp maken (2 weken): - Graafmachine: 28 uur; Bouwfase (10 maanden): - Betonstorters/pompen: 18 uur; - Hijskranen: 18 uur; - Verreikers: 76 uur; Woonrijpfase (1 maand): - Minigravers: 56 uur. Brandstofverbruik Ten aanzien van de inzet van mobiele werktuigen is vanuit een worst-case benadering uitgegaan van de inzet van graafmachines, betonstorters/-pompen, minigravers, hijskranen, verreikers en een Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 71 van 101

mobiele kraan. De berekening van het brandstofverbruik is gebaseerd op relevante kengetallen van het TNO. Bij het bepalen van de ureninzet, het brandstofverbruik en de bouwtijd is rekening gehouden met de omstandigheid dat in beperkte mate tevens sprake is van sloop van bestaande bebouwing, alsook met de brutovloeroppervlakte van de totale bebouwing van 418 m2. Voor wat betreft de bouwtijd wordt uitgegaan van de omstandigheid dat een en ander één jaar in beslag zal nemen, zoals hiervoor reeds is aangegeven. In onderstaande afbeeldingen is een gebruikelijke formule weergegeven.

Figuur 37: Gehanteerde formule brandstofverbruik

Inzet van Adblue De inzet van Adblue is bepaald aan de hand van het normale (gemiddelde) AdBlueverbruik dat in het AUB rapport van TNO staat. Dit aangezien de exacte gegevens van het AdBlueverbruik niet bekend zijn. Voor de mobiele werktuigen geldt 6% van het dieselverbruik. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Gebruiksfase Ook is voor wat betreft de gebruiksfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierbij zijn ten aanzien van de gebruiksfase de volgende aannames gedaan: - Beoogde acht woningen gasloos; - Bestaande/vergunde vijf woningen gasloos; - 94 lichte verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van een worst-case scenario in alle richtingen); - 39 koude starts per dag als gevolg van licht verkeer. Gebaseerd op 13 woningen met elk 2 koude starts per dag en 13 parkeerplaatsen met elk 1 koude start per dag gelet op eventuele bezoekers. Conclusie Het aspect natuur staat niet in de weg aan het planvoornemen. Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 72 van 101

4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Artikel 4.38 van de Omgevingswet bevat de Rijksregels voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten: 1. De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen. Op grond van het voorgestelde gewijzigde artikel 4.3, derde lid, onder d, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, kunnen algemene rijksregels worden gesteld over flora- en faunaactiviteiten. In beginsel is voorzien in een vergunningplicht (voorgesteld gewijzigd artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet), maar het kan nodig zijn om in aanvulling daarop algemene regels te stellen ter bescherming van diersoorten of plantensoorten die als gevolg van onttrekking aan de natuur of exploitatie in hun staat van instandhouding worden bedreigd. Dit geschiedt ter uitvoering van artikel 14 van de Habitatrichtlijn.

Verwezen wordt naar de paragrafen 4.2.1, onderdeel b, onder 2, en 4.2.3, onderdeel a, onder 2, van deze memorie van toelichting. Op grond van artikel 4.4, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, van de Omgevingswet kan een meldingsplicht worden ingevoerd voor activiteiten die nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor dieren of planten van soorten die worden beschermd op basis van nationaal beleid. Beoordeling Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en binnen bestaand stedelijk gebied. De gronden behorende tot en rondom het plangebied worden in de huidige planologische situatie reeds intensief gebruikt. De gronden behorende tot het plangebied kunnen in de huidige planologische situatie in hoofdzaak reeds gebruikt worden ten behoeve van het wonen binnen een voormalige kantoorruimte met tuin en aanhorigheden. Dit intensieve gebruik en de ligging binnen bestaand stedelijk gebied maakt dat de aanwezigheid van beschermde soorten in zijn algemeenheid niet te verwachten is. Wel dient hierbij in ogenschouw genomen te worden dat met het planvoornemen een bijgebouw met aangebouwde carport en een zwembad worden gesloopt. Ook is de beoogde ontwikkeling deels aan de orde ter plaatse van gronden die op grond van het huidige planologische regime een groenfunctie kennen.

Ook al is het voorkomen van beschermde soorten aldaar vanwege de ligging binnen bestaand stedelijk gebied niet te verwachten, is vanwege onder meer de sloop van bebouwing een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Immers, op voorhand is niet uit te sluiten dat ter plaatse sprake is van de aanwezigheid van bijvoorbeeld verblijfs- of rustplaatsen van beschermde soorten. De complete quickscan flora en fauna is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De conclusies worden hieronder weergegeven (in cursief): De omgevingswet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 73 van 101

Om de vogels te beschermen is het verstandig om houtopstanden, struiken en de overhangende klimop te verwijderen in de winter zodat broedende vogels niet worden verstoord. Let op: ook vogelhuisjes en overkappingen kunnen ervoor zorgen dat vogels nestgelegenheid vinden. Waardoor deze of verwijderd dienen te worden buiten de proefperiode, of afgesloten dienen te worden om broeden te voorkomen. Wanneer deze voorzorgsmaatregelen worden genomen zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten en de geplande werkzaamheden hebben dan ook geen invloed op de aanwezige soorten. Om de amfibieën te ontzien is het verstandig om de losse stenen die aanwezig zijn op het perceel in de voortplantingsperiode te verwijderen. Dat wil zeggen in de zomer. Amfibieën hoeven zich dan niet terug te trekken en zullen andere mogelijkheden gaan zoeken in bijvoorbeeld het naastgelegen park. Wanneer deze maatregelen worden genomen zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten en de geplande werkzaamheden hebben dan ook geen invloed op de aanwezige soorten. Voor de houtopstanden op het perceel is geen melding nodig. Wel is het verstandig om op te letten met de bomen die naast het perceel staan. Ze staan dicht tegen de te verwijderen bebouwing aan. En kunnen ook met de bouw voor problemen zorgen. De bomen in het park kunnen beschadigd raken door sloop- en/of bouwwerkzaamheden.

Er zijn geen invasieve exoten aangetroffen op het perceel. Hier hoeft dan ook geen actie voor genomen worden. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ staat het planvoornemen dan ook, gelet op bovenstaande conclusies, niet in de weg. 4.8 Geluid/(weg)verkeerslawaai Toetsingskader

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 74 van 101

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Beoordeling In paragraaf 4.9 vindt een nadere toetsing plaats aan geluid afkomstig vanuit industrieterreinen en andere bedrijvigheid. Verder bevindt het plangebied zich op dermate ruime afstand van een spoorweg dat van enige geluidhinder afkomstig vanuit spoorwegen geen sprake is. Dit maakt dat in deze paragraaf enkel inzicht wordt gegeven in het aspect wegverkeerslawaai. De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van een geluidsgevoelig gebouw. Derhalve dient inzicht gegeven te worden in het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie gelet op het aspect wegverkeerslawaai. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de planlocatie is gelegen binnen een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt. De voormalige Wet geluidhinder was niet van toepassing voor 30 km/u wegen, omdat hier geen zones gelden. Onder de voormalige Wet geluidhinder was nader inzicht in de akoestische situatie dan ook niet noodzakelijk. Dit omdat dergelijke 30 km/u wegen in beginsel geen geluidsbelastingen tot gevolg hebben boven de voormalige voorkeusgrenswaarde van 48 dB. Echter, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben 30 km/u wegen geen specifieke status meer. Ook in het geval sprake is van 30 km/u wegen is een geluidaandachtsgebied van 100 meter van toepassing. De planlocatie bevindt zich binnen voornoemd geluidsaandachtsgebied.

Dit betekent dat de geluidsbelasting langs deze beoordeeld moet worden volgens de algemene regels. Derhalve dient inzicht gegeven te worden in de geluidsbelasting binnen de planlocatie gelet op het aspect wegverkeerslawaai. Echter, in het geval van wegen waarbij sprake is van minder dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal kan per definitie kan worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit omdat 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal als ondergrens geldt wanneer een geluidproductieplafond noodzakelijk is. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de Willibrordusstraat ter hoogte van het plangebied geen drukke doorgaande verkeersroute is, maar een lokale ontsluitingsweg betreft met een beperkt aantal verkeersbewegingen. Hierdoor bedraagt het aantal verkeersbewegingen ter plaatse nadrukkelijk minder dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit wordt tevens bevestigd door de provinciale viewer: Intensiteiten van het wegennetwerk1 die laat zien dat het aantal

1

https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=1827a5df85a14b74be6c0f2d582753cc

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 75 van 101

verkeersbewegingen per etmaal op de Willibrordusstraat ter hoogte van het plangebied beduidend minder dan 1.000 bedraagt, te weten circa 414 verkeersbewegingen per etmaal. Zie onderstaande afbeelding.

Figuur 38: Verkeersintensiteit ter plaatse van de Johanna van Brabantlaan op korte afstand van het plangebied (viewer provincie Noord-Brabant: Intensiteiten van het wegennetwerk) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Ondanks vorenstaande uiteenzetting en gelet op de ligging nabij de Julianastraat, dient opgemerkt te worden dat het woon- en leefklimaat gelet op het aspect wegverkeerslawaai binnen de planlocatie reeds inzichtelijk is gemaakt aan de hand van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Het complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief): Uit de resultaten blijkt, dat de geluidsbelasting in 2033, ter hoogte van de planlocatie niet voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder, voor wat betreft de geluidsbelasting van de Julianastraat. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Een hogere waarde besluit is nodig om het noordelijke nieuwe woongebouw te kunnen realiseren. De Wet geluidhinder staat de realisatie van het overige deel van het plan niet in de weg, omdat hier de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren ondervinden bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Op basis van dit akoestisch onderzoek en de ruimtelijke onderbouwing, is voldoende informatie aanwezig om ambtshalve een hogere waarde besluit te kunnen nemen.

Ondanks de omstandigheid dat het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nog is uitgevoerd onder de voormalige Wet geluidhinder, zijn de conclusies nog altijd bruikbaar voor de beoogde Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 76 van 101

ontwikkeling. Immers, een en ander laat zien dat de voormalige voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van het meest zuidelijk gesitueerde woongebouw niet wordt overschreden. Aan de hand hiervan kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de standaardwaarde van 53 dB die conform het Bkl van toepassing is voor gemeentewegen aldaar nadrukkelijk niet wordt overschreden. Ter plaatse van het meest noordelijk gesitueerde woongebouw laat het uitgevoerde akoestische onderzoek wegverkeerslawaai zien dat de maximale geluidsbelasting enkel aan de noordzijde op de 2e verdieping de standaardwaarde van 53 dB overschrijdt aangezien de geluidsbelasting aldaar 54 dB bedraagt. Ter plaatse van overige delen wordt de standaardwaarde van 53 dB niet overschreden. Met de huidige bouwstijlen (gasloos) en de standaard gevelwering zal hier in ruime mate aan het vereiste binnenniveau van 33 dB kunnen worden voldaan. Een en ander, zoals wordt aangegeven in het uitgevoerde akoestische onderzoek. In het onderstaande wordt ten overvloede een passage uit het uitgevoerde akoestische onderzoek wegverkeerslawaai (in cursief) weergegeven. ‘Ter hoogte van de 2 nieuwe woongebouwen ligt de ongecorrigeerde geluidsbelasting in algemeenheid lager dan 53 dB. Enkel aan de noordzijde op de 2e verdieping van het nieuwe noordelijke woongebouw is de geluidsbelasting 54 dB.

Met de huidige bouwstijlen (gasloos bouwen) zal hier in ruime mate aan het vereist binnenniveau van 33 dB kunnen worden voldaan’. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’.

Beoordeling Beoordeling omgevingstype De omgeving van de planlocatie laat zich omschrijven als een gemengde omgeving nabij de centrale verbindingsweg (de Julianastraat) die door de kern Diessen loopt. Binnen de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich uiteenlopende functies, waaronder gronden met een horecafunctie, een detailhandelsfunctie, een gemengde functie en een dienstverlenende functie. Gelet hierop bevinden zich binnen de directe nabijheid van de planlocatie diverse uiteenlopende centrumfuncties. Verder komen in de nabijheid van het plangebied tevens meerdere woonfuncties voor, alsook enkele bedrijfsfuncties. Vanwege de sterke mate van functiemenging en vanwege de ligging nabij een drukke verbindingsweg, kan geconcludeerd worden dat de ligging van de planlocatie zich laat typeren als gelegen in een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsmaat verlaagd mogen worden. Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 77 van 101

Gevoelig object De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van acht gevoelige gebouwen. Er is geen sprake van milieubelastende activiteiten binnen de planlocatie. Dit maakt dat het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk gemaakt dient te worden aan de geldende richtafstanden en beoordeeld dient te worden in hoeverre de beoogde ontwikkeling een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres

Type bedrijvigheid

Milieucategorie 1

Grootste richtafstand 0 meter

Feitelijke afstand 16 meter

Willibrordusstraat 2

Detailhandel

Willibrordusstraat 4

Detailhandel

1

0 meter

19 meter

Julianastraat 31

Horeca tot en met categorie 4 Detailhandel

2

10 meter

75 meter

1

0 meter

75 meter

2

10 meter

60 meter

Julianastraat 30

Gemengd, waaronder kantoren, dienstverlening, detailhandel en bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 2 Detailhandel

1

0 meter

30 meter

Willibrordusstraat 1

Detailhandel

1

0 meter

30 meter

Willibrordusstraat 12

Kantoor

1

0 meter

22 meter

Julianastraat 33 Julianastraat 36-42

In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan “Kern Baarschot, Diessen en Haghorst” (nu Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek) waarop de omliggende bedrijvigheid is aangeduid.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 78 van 101

Ontwikkeld naar wonen

Horeca Detailhandel

Detailhandel Detailhandel Herbestemd naar gemengd

Kantoor

Figuur 39: Ligging planlocatie ten opzicht van bedrijvigheid in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Beoordeling woon- en leefklimaat/beperking ontwikkelingsmogelijkheden Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 79 van 101

wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandeisen; Randvoorwaarden. Gemeentelijk beleid In casu is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Hilvarenbeek 2023’ van toepassing.

Conform voornoemde verordening bevindt de planlocatie zich binnen de bebouwde kom. Hierbinnen geldt als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geurgevoelige objecten: 2 ouE/m³. 4.10.1 Geurgevoelige gebouwen De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van acht geurgevoelige gebouwen. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat gelet op het aspect geur en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. 4.10.2 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Het planvoornemen gaat, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, gepaard met de toevoeging van acht geurgevoelige gebouwen, waardoor de beoogde ontwikkeling in beginsel een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen tot gevolg kan hebben. Binnen de directe omgeving van de planlocatie komen echter geen veehouderijen voor. Omliggende veehouderijen bevinden zich namelijk op forse afstand van het plangebied. Vanwege de omstandigheid dat er zich reeds meerdere geurgevoelige objecten op kortere afstand van veehouderijen in de directe omgeving zijn gesitueerd dan het plangebied zijn deze bestaande geurgevoelige objecten reeds maatgevend voor diens ontwikkelingsmogelijkheden.

Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling met zekerheid geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen tot gevolg. 4.10.3 Woon- en leefklimaat In de Handreiking bij de voormalige Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 80 van 101

geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25

Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform voormalige Wgv

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Op basis van de meest recente geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de ODZOB valt op te maken dat binnen de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting tussen de 0-3 ouE/m3, zijnde ‘zeer goed’. Gelet hierop is binnen de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande afbeelding is de achtergrondbelasting weergegeven.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 81 van 101

Figuur 40: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur ODZOB (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Er bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden. Dit maakt dat een toetsing aan de voorgrondbelasting voor onderhavig planvoornemen niet aan de orde is. De meest dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden, bevindt zich namelijk op een kortste afstand van circa 550 meter van de planlocatie. Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’. 4.11 Volksgezondheid Toetsingskader Beschermen van de gezondheid en van het milieu is geregeld in paragraaf 5.1.4 van het Bkl. Beoordeling De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van acht gevoelige gebouwen. Derhalve is het woon- en leefklimaat in het kader van volksgezondheid relevant.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)

Pagina 82 van 101

Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen), geitenhouderijen en spuitzones. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld.

Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16486155/1