Bindend Advies Bopa Tilburgseweg 25 (8 Concept onderbouwing BOPA)
Tekst van het document
4.12 Geur van veehouderijen Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden en fokken van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur).
Pagina 38 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Beoordeling Voorgrondbelasting Geur van veehouderijen wordt getoetst aan de gemeentelijke geurverordening uit 2023 die onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In de omgeving van het besluitgebied zijn enkele veehouderijen gelegen. Deze liggen echter op ruimte afstand van het besluitgebied, namelijk buiten de richtafstand van de VNG behorend aan veehouderijen. Ook voor veehouderijen met een geurnorm kan gesteld worden dat de geurcontour van 7 ouE/m3 niet wordt overschreden. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.13 van deze ruimtelijke motivering. De voorgrondbelasting hoeft derhalve niet berekend te worden. Achtergrondbelasting Het besluitgebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een goed woon- en leefklimaat, het meest westelijk deel is volgens deze kaart te kenmerken als redelijk goed. Gezien er in de nabije omgeving slechts beperkt veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3 . De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is goed (0-3 ouE/m3 ).
Gelet op de kwalificatie van het woonen leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Conclusie Er kan derhalve gesteld worden dat het aspect geur geen belemmering zal zijn voor het initiatief.
Pagina 39 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
4.13 Gezondheid en geitenhouderijen Toetsingskader Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Beoordeling Binnen 2 kilometer bevinden zich twee geitenhouderijen. • •
Kleine Voort 12 (op circa 290 meter afstand); Oude Tilburgseweg 2 (op circa 390 meter afstand).
Gemeenten hebben vrijheid bij de ruimtelijke afweging van belangen, blijkt uit uitspraken van de Raad van State. Indien het belang van volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen is afgewogen, maar een zwaarwegender belang is bij de realisatie van woningbouw, dan kan een gemeenteraad een bestemmingsplan vaststellen (o.a. 7 oktober 2020, Bernheze/Vorstenbosch, ECLI:NL:RVS:2020:2491, r.o. 4.3 en 4.4). De gemeente Hilvarenbeek kan in dit geval omwille verscheidene redenen afwijken van de 2 kilometer-richtlijn vanuit het Bkl. 1.
De Roever Omgevingsadvies heeft in 2018 voorgrondbelastingberekeningen gedaan voor de woningen aan de Biedonk 1 t/m 15 [bestemmingsplan Hilvarenbeek Noord – Westzijde, bijlage 11 van die toelichting]. Uit de voorgrondbelastingberekening van de Oude Tilburgseweg 5 op deze woningen is gebleken dat het plangebied buiten de geurcontour van 2 ouE/m3 ligt. De woningen aan de Tilburgseweg 25 en de nieuwe op te richten woningen aan de Tilburgseweg 23 E liggen binnen de geurcontour van 2 ouE/m3. Dit wil echter niet per definitie zeggen dat geen sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat. Uit jurisprudentie (uitspraak ABRvS 200900801/1/R3 van 7 oktober 2009) blijkt dat als de individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit latere jurisprudentie blijkt wel dat hierbij ook de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) moet worden betrokken. De hoogste geurbelasting op een te realiseren geurgevoelig object bedraagt ongeveer 2,5 ouE/m3. Het woon- en verblijfsklimaat is volgens de VNG-richtlijnen op zijn minst ‘goed’ te bevinden.
Pagina 40 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
De achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen bedraagt 3-7 ouE/m3 (zie paragraaf 4.12). Daarmee is sprake van een goed woon- en verblijfsklimaat. 3. Er is al sprake van geurgevoelige objecten in de bestaande situatie (horeca, bed & breakfast, cafetaria en indoorspeeltuin). Daar komen dagelijks bezoekers op af. In de nieuwe situatie wordt er gewoond. Het aantal geurgehinderden en personen dat blootgesteld wordt aan de gezondheidsrisico’s zal aldus min of meer gelijk blijven. 4. Er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals genoemd in de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ voor het “fokken en houden van overige graasdieren” (geur 50 meter / fijn stof 30 meter en geluid 30 meter). Zware, permanente blootstelling aan geluid, geur en fijn stof is hiermee uitgesloten. 5. Er zijn de afgelopen 10 jaar nieuwe woonplannen vastgesteld door de gemeenteraad van Hilvarenbeek, welke dichter bij de geitenhouderijen liggen. Dit zijn de plannen “Hilvarenbeek Noord – Oostzijde” (2018), “Hilvarenbeek Noord – Westzijde” (2018), en “Hilvarenbeek Noord, Roodloop – Tilburgseweg” (2023). Dit schept een precedent voor nieuwe woningbouwplannen die verder weg gelegen zijn dan de noordelijke bebouwingsrand van het dorp – ten opzichte van de veehouderijen. 6. Eén van de instructieregels uit het Bkl bevat een regeling voor bestaande veehouderijen in een met geur overbelaste situatie.
Deze veehouderijen kunnen groeien in dieraantallen als wordt voldaan aan de zogenaamde 50% regeling. De 50% regeling staat in artikel 5.109a van het Bkl. Bij een uitbreiding in dieren moet de totale geurbelasting met 50 % afnemen ten opzichte van de normoverschrijdingen. Oftewel: de toegestane geurbelasting bij het uitbreiden van de veehouderij is het gemiddelde van de bestaande geurbelasting en de norm voor de geurbelasting. Bijvoorbeeld: De bestaande geurbelasting op een woning is 20 ouE/m3 De norm, de opgenomen waarde in het omgevingsplan, is 14 ouE/m3. Dan mag de geurbelasting op die woning na uitbreiding maximaal 17 ouE/m3 zijn. Er zijn een aantal voorwaarden: • Er moet een geur reducerende maatregel worden genomen. Het kan gaan om bijvoorbeeld technische maatregelen zoals bijvoorbeeld een luchtwasser of een geuremissiearm stalsysteem, dieren wegdoen of het emissiepunt verplaatsen of verhogen. • De bestaande geurbelasting moet rechtmatig zijn, ofwel eerder vergund of gemeld en toegestaan in algemene regels. De woongebieden aan de noordzijde van Hilvarenbeek zijn al overbelast door de veehouderij aan de Kleine Voort 12. De veehouderijen ten noorden van Hilvarenbeek zijn overbelast. Aldus kan hieruit geconcludeerd worden dat de gezondheidssituatie in ieder geval niet zal verslechteren. 7.
Uit het ‘Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)’ blijkt dat de kans op vermindering van de longfunctie, luchtwegklachten en het mogelijk optreden van longontstekingen voornamelijk optreden bij mensen die woonachtig zijn nabij 15 veehouderijen of meer (binnen een straal van een kilometer). Het gaat 2.
Pagina 41 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. dan dus om concentratiegebieden van veehouderijen. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake, het plangebied is gelegen in de bestaande kom van Hilvarenbeek. Conclusie Er kan gesteld worden dat het aspect gezondheid en geitenhouderijen geen belemmering zal zijn voor het initiatief.
4.14 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Pagina 42 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Uit inventarisatie van eventuele risicobronnen op basis van de Atlas Leefomgeving volgt dat het besluitgebied zich niet bevindt binnen een aandachtsgebied (van risicovolle milieubelastende activiteiten, transportroutes of buisleidingen) of voorschriftengebied. Een nadere verantwoordingsplicht voor deze aspecten ten aanzien van het externe veiligheidsrisico is derhalve niet aan de orde.
Figuur 3. Uitsnede kaartbeeld risicovolle milieubelastende activiteiten, transportroutes en buisleidingen met het besluitgebied aangeduid met gele ster. Bron: atlasleefomgeving.nl, 2024.
De afstand tot een brandkraan is in het kader van omgevingsveiligheid idealiter niet groter dan 200 meter tot het besluitgebied. Doordat het besluitgebied gelegen is tussen nieuwe woningbouwontwikkelingen in het noorden en zuiden en tevens bestaande bebouwing aan de Tilburgseweg bevat kan verondersteld worden dat er reeds voldoende brandkranen binnen gewenste afstand van het besluitgebied aanwezig zijn. Deze zullen in ieder geval voldoende dekking bieden. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Pagina 43 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
4.15 Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader In de Omgevingswet staat het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ centraal (afgekort: ETFAL). Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies. Voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten dient te worden voorkomen ten behoeve van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Bij het beoordelen of sprake is van balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies werd tot 1 januari 2024 veelvuldig gebruik gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Er wordt gewerkt aan een opvolger van deze handreiking, maar deze is momenteel nog niet beschikbaar. Uitgangspunt van de systematiek van activiteiten en milieuzonering is dat voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies leidt tot balans tussen deze verschillende functies binnen een gebied. Op deze manier kan gestreefd worden naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omdat de opvolger van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ momenteel nog niet beschikbaar is, kan voor de beoordeling gebruik worden gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze handreiking zijn richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen opgesteld welke aanvaardbaar worden geacht ten opzichte van milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals woningen), waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijf)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In de handreiking zijn bedrijven ingedeeld in verschillende milieu categorieën, waarbij geldt: hoe hoger de milieucategorie, hoe zwaarder de milieubelasting. De richtafstanden tussen bedrijven en milieuhinder gevoelige bestemmingen nemen dus toe naarmate een bedrijf in een hogere milieucategorie wordt ingedeeld. Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het besluitgebied kan worden gekenmerkt als ‘gemengd gebied’. Naast de woonfunctie is hier immers sprake van bedrijvigheid, sportvoorzieningen en een ontsluitingsweg, waarmee sprake is van functiemenging van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstrap verlaagd worden.
Het voorgenomen initiatief maakt het gebruik ten behoeve van wonen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het besluitgebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende milieubelastende functies. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Hierbij is gemeten vanaf de grens van het besluitgebied tot de bestemmingsgrens van de milieubelastende functie. Bedrijf – Instelling (benaming cf. VNGhandreiking) ‘FIS Automotive’, Slibbroek 44 SBI-code 452 Gespecialiseerde reparatie van auto’s ‘Skin Support’, Tilburgseweg 21
Categorie 2
Richtafstand VNG-handreiking gemengd gebied 10 meter
Werkelijke afstand 70 meter
1
0 meter
97 meter
Pagina 44 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. SBI-code 9609 Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten ‘Sportaccommodatie De Roodloop’, Uranusstraat 1 SBI-code 931 Sporthal ‘Hockeyclub Hilvarenbeek’, Roodloop 1, SBI-code 931 Veldsportcomplex ‘Maatschap Bruurs-Akkermans’, Goirlesedijk 2 SBI-code 0143 Paardenfokkerij ‘A.J.C. van Eijk Hilvarenbeek’, Oude Tilburgseweg 2 SBI-code 0141 Fokken en houden van rundvee
3.1
30 meter
60 meter
3.1
30 meter
60 meter
3.1
30 meter
270 meter
3.2
50 meter
220 meter
Uit de tabel kan worden afgelezen dat voor alle omliggende milieubelastende functies aan de richtwaarde kan worden voldaan. Het realiseren van de beoogde verkaveling (zie paragraaf 2.2) blijft hiermee mogelijk. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen binnen het besluitgebied is daarmee gewaarborgd. Omgekeerd betekent dit ook dat onderhavige ontwikkeling omliggende milieubelastende activiteiten niet in hun bedrijvigheid belemmert. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Het initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
4.16 Trillingen Toetsingskader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In het Bkl is het onderwerp geregeld in paragraaf 5.1.4.4. Het omgevingsplan moet voldoen aan de bepalingen van het Bkl. In de Bruidsschat is het onderdeel trillingen geregeld in paragraaf 22.3.5. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Trillinggevoelige gebouwen of een gedeelte van een gebouw zijn gebouwen met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied in een gebouw. Het betreffen dezelfde functies als hiervoor genoemd. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen.
De Omgevingswet en de Bkl leggen vast welke meet- en rekenbepalingen gelden voor trillingen. Deze zijn vastgelegd in een ministeriële regeling.
Pagina 45 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Beoordeling en conclusie In het omgevingsplan kunnen regels opgenomen worden voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Hiermee kan worden vastgelegd welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. De SBR-richtlijn vormt een belangrijk hulpmiddel voor het meten en beoordelen van trillingen. Met deze richtlijn kunnen trillingbronnen worden getoetst om te bepalen of deze voldoen aan de wettelijke normen. De gemeente Hilvarenbeek heeft geen aanvullende regels ten aanzien van trilllingen vastgelegd in het omgevingsplan. In onderhavig geval betreffen bronnen van trillingen voornamelijk verkeer over de weg en (tijdelijke) bouwactiviteiten. Gelet op de aard en omvang van het initiatief en de ligging van het besluitgebied in een rustige woonbuurt wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan als gevolg van trillingen.
4.17 Welstand Toetsingskader Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan (artikel 4.19 Omgevingswet). In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Als de regels over het uiterlijk van de bouwwerken uitleg nodig hebben, moet de gemeenteraad beleidsregels vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan de regels voldoet. In het omgevingsplan kan vervolgens naar deze beleidsregels verwezen worden. Artikel 22.29 lid 1 onder b van de bruidsschat bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Beoordeling en conclusie Ten aanzien van de beeldkwaliteit voor het initiatief zal worden aangesloten bij de algemene welstandseisen en de beeldkwaliteit van het plan ‘Roodloop – Tilburgseweg’ (zie ook paragraaf 3.5.4). Bij onderhavige aanvraag voor een BOPA omgevingsvergunning ontstaan overigens nog geen bouwmogelijkheden.
Hiervoor dient een opvolgende BOPA doorlopen te worden voor de bouw van de woningen waar welstand een grotere rol bij zal spelen (zie ook paragraaf 1.3 ten aanzien van de procedure).
4.18 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten (zoveel mogelijk in de bodem) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
Pagina 46 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Beoordeling Archeologie De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 de gemeentelijke archeologische beleidskaart met bijbehorende beleidsuitgangspunten vastgesteld. Voor de bescherming van de archeologische waarden kent de gemeente diverse dubbelbestemmingen toe. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft voorliggend besluitgebied een hoge als een middelhoge archeologische verwachting. Als ondergrens wordt voor deze categorieën een oppervlakte aangehouden van 500 m2 en een diepte van 50 centimeter. Ten behoeve van een ontwikkeling ten noorden van het besluitgebied behorend bij bestemmingsplan ‘Hilvarenbeek Noord – Westzijde’, vastgesteld op 17 mei 2018 heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. De voormalige archeologische dubbelbestemming is hierdoor te komen vervallen. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd. Cultuurhistorie De provincie Noord-Brabant heeft in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Hierop staan de bepalende elementen aangegeven. Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het besluitgebied niet gelegen is in een cultuurhistorische regio.
Ten noorden is van het besluitgebied is wel het cultuurhistorisch waardevolle gebied ‘Beekdalen Spruitenstroompje/Roodloop’ gelegen. Daarnaast is ten zuiden, op de Tilburgseweg 17, een cultuuren architectuurhistorisch monument gebouw gelegen. Het aspect zelf ligt dus niet binnen een cultuurhistorische waarde, gelet op de aard en omvang van het initiatief wordt geen afbreuk gedaan aan de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Figuur 4. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart herziening 2024
4.19 Bodem Toetsingskader Het beschermingsniveau voor de bodem blijft hetzelfde onder de Omgevingswet. De zorgplicht verplicht iedereen bij (dreigende) bodemverontreiniging of aantasting tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd. Dit gaat zowel om het voorkomen als het ongedaan maken van verontreinigingen en aantastingen. Met de komst van de Omgevingswet verandert dit niet.
Pagina 47 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. Deze basisvormen zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Beoordeling De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Derhalve is bodemonderzoek uitgevoerd door Aveco de Bondt (zie bijlage) om na te gaan of de bodemkwaliteit belemmerend is voor de herontwikkeling. Op het achterterrein bestaat de toplaag uit menggranulaat. Onder de klinkerverharde oprits is eveneens een laag menggranulaat aangetroffen. Heterogeen verspreid over de locatie zijn sporen tot matige bijmengingen waargenomen met baksteen en puin. Visueel is geen asbest waargenomen.
In de bodem zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen en wordt de interventiewaarde niet overschreden. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten. Het grondwater voldoet aan de signaleringsparameters en aan de voorkeurswaarden van provincie Noord Brabant. Met uitzondering van de toetsing op asbest in de bodem in het aanwezige menggranulaat en de puinhouden grond is de bodem geschikt voor de functie wonen. Bij de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit dient de initiatiefnemer derhalve een bodemonderzoek naar asbest in grond en puin aan te leveren. Daarnaast dient na het slopen van de oude bebouwing aangetoond te worden dat er geen vermenging van sloopmateriaal heeft plaatsgevonden met de ondergrond. Dit onderzoek zal tezamen met het onderzoek naar asbest worden uitgevoerd en dus bij een andere omgevingsvergunning aanvraag voor het initiatief worden toegestuurd. Conclusie Het verdient de aanbeveling de volgende voorschriften bij de vergunning voor afwijken van de regels voor de fysieke leefomgeving: •
Voor de start van de (bouw)werkzaamheden, maar ná de sloop, moet aangetoond worden dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond. Dit kan door: o Het uitvoeren van bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 naar de bovengrond (tot 1,0 m-mv), of door het aantonen dat de sloop plaatsvindt door een gecertificeerd bedrijf en het nemen van foto’s van het maaiveld tijdens en na de sloop;
Pagina 48 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan. o
•
Wanneer na sloop blijkt dat de bodem onder het gebouw verdacht is op bodemverontreiniging moet alsnog een bodemonderzoek worden uitgevoerd. De verdachtmaking kan bijvoorbeeld zijn het aantreffen van ongedefinieerd puin of andere zintuigelijke afwijkingen zoals kooldeeltjes, brandstofplekken e.d. o Deze aanvullende gegevens moeten ter goedkeuring voorgelegd worden aan de gemeente Hilvarenbeek. Voor het verlenen van de bouwvergunning, zal de gemeente vragen naar welke verwerker het puin/menggranulaat wordt afgevoerd. Indien tegen die tijd onduidelijk is welke verwerker het gaat worden, maakt de gemeente daar een voorschrift van.
4.20 Windhinder en bezonning Toetsingskader De aspecten windhinder en bezonning zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Hierdoor vormt het onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor deze aspecten van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Beoordeling en conclusie Gelet op de aard en omvang van het initiatief, de ruime opzet van de verkaveling, de afstand tot de omliggende bestaande woningen en de situering ervan binnen de directe omgeving zijn de aspecten windhinder en bezonning voor onderhavige ontwikkeling niet relevant en worden er geen eisen gesteld ten aanzien van het uitvoeren van een windhinderonderzoek of bezonningsstudie.
4.21 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling en conclusie Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig kan in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.
4.22 Beperkingsgebieden Toetsingskader Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden, of bestaan uit algemene regels. Beoordeling en conclusie Het besluitgebied is niet gelegen in een beperkingengebied waarvoor regels gelden die gevolgen hebben voor onderhavige ontwikkeling.
Pagina 49 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
5 5.1
Participatie Verplichte participatie
In het kader van de in voorbereiding zijnde omgevingsvergunning “Tilburgseweg 25 Hilvarenbeek” dient de maatschappelijke uitvoerbaarheid ervan te worden aangetoond met een omgevingsdialoog. Het betrekken van omwonenden heeft tot doel al in tijdig stadium van de planvorming maatschappelijk draagvlak voor het initiatief te verkrijgen. In februari 2025 hebben de bewoners rondom het besluitgebied (ongeveer 20 adressen) een brief gekregen inzake het woningbouwplan. In de brief is het stedenbouwkundig plan met het bijbehorende woningbouwprogramma gepresenteerd en is er ingegaan op parkeeroplossingen. Omwonenden zijn in de brief uitgenodigd voor een vrije inloopbijeenkomst op donderdag 27 februari tussen 19:00 en 20:00. Deze bijeenkomst vond plaats in het Gildehuis, Roodloop 3 Hilvarenbeek. Er zijn vier aanmeldingen gekomen op de informatieavond en uiteindelijk is de avond bezocht door 8 mensen. Tijdens de inloopbijeenkomst hebben Harrie van Dal (namens initiatiefnemer Peter van Dal Hilvarenbeek B.V.) en Toby van Baast (vanuit Aveco de Bondt) het stedenbouwkundig plan, het woningbouwprogramma, de aankleding met groen en de concept- architectonische uitwerking van de nieuwe woningen gepresenteerd. Tevens is een verwachting geschetst van het traject van de omgevingsvergunning, sloop van de bestaande bebouwing en realisatie van het bouwplan.
Bij binnenkomst hebben de gasten een presentielijst met contactgegevens ingevuld en na afloop heeft men reacties en suggesties op het plan achtergelaten. De gemeente Hilvarenbeek was niet aanwezig. Onderstaand worden de reacties en vragen behandeld die tijdens de avond de revue zijn gepasseerd. Dit verslag is na afloop gedeeld met de aanwezigen op de avond van de omgevingsdialoog. Hierop is een positieve reactie binnengekomen. Er wordt vanuit gegaan dat de overige aanwezigen het ook eens zijn met de verslaglegging van de omgevingsdialoog. Uitgebreide verslaglegging van de dialoog, met inbegrip van de uitnodiging, presentielijst en reactieformulieren, is toegevoegd als bijlage van de ruimtelijke onderbouwing.
5.2
Intaketafel/Omgevingstafel
Uit de Intaketafel van de gemeente Hilvarenbeek is reeds de wenselijkheid van de woningbouwontwikkeling gebleken. Vanuit de gemeente werd de ontwikkeling namelijk gedeeltelijk wenselijk geacht, diverse voorwaarden dienden verder uitgewerkt te worden. Dit is derhalve gebeurd en de vervolgstap was het opstellen van deze ruimtelijke motivering behorend bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zodat de haalbaarheid bepaald kan worden. De BOPA zal besproken worden aan de omgevingstafel, hieruit zal blijken of een vergunning voor het initiatief wordt afgegeven.
Pagina 50 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
6
Financiële haalbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer.
6.1
Kostenverhaal
Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Op basis van de “Verordening op de heffing en de invordering van leges Hilvarenbeek 2024” (Legesverordening). In artikel 2.6 lid 1 van de legesverordening staat dat de leges voor een omgevingsplanactiviteit waarbij sprake is van een bouwactiviteit dit is gebaseerd op basis van de hoogte van de bouwkosten. Indien er sprake is van een BOPA wordt dit bedrag vermeerderd met € 2.045,- zonder bindend advies. Indien wel sprake is van een bindend advies wordt het bedrag vermeerderd met € 16.206,05,-. Is er geen sprake van een bouwactiviteit, dan gelden enkel de leges van de BOPA (artikel 2.6 lid 4).
6.2
Bibob
Indien noodzakelijk wordt een Bibob onderzoek uitgevoerd conform de “Beleidsregels voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Hilvarenbeek”.
Pagina 51 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
7
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4. Het initiatief is bovendien niet strijdig met de geldende beleidskaders (hoofdstuk 3). Daarnaast is de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 5) en financiële haalbaarheid (hoofdstuk 6) van het plan aangetoond. Concluderend is met het plan sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is het mogelijk om het initiatief door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) te vergunnen.
Pagina 52 van 53
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.
8
Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan
De BOPA moet uiteindelijk opgenomen worden in het omgevingsplan. Het definitieve omgevingsplan van de gemeente Hilvarenbeek is nog in ontwikkeling. Afhankelijk van de gemeentelijke keuzes in het omgevingsplan ten aanzien van activiteiten, regels en werkingsgebieden kan pas een voorstel worden gedaan voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan. Onderstaand is een voorstel gedaan van regels en werkingsgebieden voor het plangebied. Daarbij worden de regels van het plan “Hilvarenbeek Noord, Roodloop – Tilburgseweg” van toepassing verklaard.
Bijlage: Onderzoeken
Pagina 53 van 53