Bestemmingsplan Vroonacker IV (9v Bijlage 20 bij toelichting Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling)
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling en planm.e.r.-beoordeling Vroonackers IV, Diessen Datum: Aan: Van: Project: Projectnr.: Betreft:
1.1
oktober 2025 Gemeente Hilvarenbeek Ordito BV Vroonackers IV, Diessen 22073 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Aanleiding
Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling door de initiatiefnemer moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit in het kader van de besluitvorming omtrent de bestemmingsplanherziening. Deze aanmeldnotitie betreft het verzoek tot het nemen van een besluit door de gemeente Hilvarenbeek (bevoegd gezag) om al dan niet een milieueffectrapportage op te stellen. Voorliggende notitie is opgesteld om gemotiveerd een beslissing te nemen. Het bevoegd gezag dient binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Daarnaast geldt vanwege een uitspraak van de Raad van State op 18 december 2024 (de ‘Rendacuitspraak’) dat het toepassen van intern salderen in een stikstofberekening gezien dient te worden als mitigerende maatregel. Vanuit wetgeving en jurisprudentie dient bij het toepassen van mitigerende maatregelen een plan of een project Passend Beoordeeld te worden en is een natuurvergunning benodigd op het moment dat er op projectniveau intern gesaldeerd wordt.
Op planniveau geldt ingevolge artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (thans opgenomen in artikel 16.53c Ow) bij toepassing van intern salderen dat er een Passende Beoordeling opgesteld dient te worden. In de Wet milieubeheer (Wm) is in artikel 7.2a lid 1 bepaald dat een plan-m.e.r. opgemaakt moet worden als er bij een plan een Passende Beoordeling is opgesteld; artikel 7.2a lid 2 is bepaald dat bij AMvB hier uitzonderingen op gemaakt kunnen worden. Dit laatste is uitgewerkt in artikel 3, eerste lid sub a van het Besluit milieueffectrapportage: er kan volstaan worden met een zogenoemde plan-m.e.r.-beoordeling indien: 1. voor dat plan een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; 2. de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is, en; 3. het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling of wijziging van dat plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
In onderhavig geval ikan worden gesteld dat aan voorwaarde 2 (een in verhouding klein plangebied) wordt voldaan als het plan 1% of minder van het gemeentelijk grondgebied bedraagt. Hier wordt ruim aan voldaan. Derhalve kan geconcludeerd worden dat voor onderhavig plan een plan-m.e.r.-beoordeling kan volstaan. De inhoud en vorm van een plan-m.e.r.-beoordeling zijn gelijk aan de inhoud van een projectme.r.-beoordeling. Onderhavig aanmeldnotitie geeft dan ook een integrale beschouwing van mogelijke gevolgen voor het milieu bezien vanuit zowel plan-m.e.r.- als project-m.e.r.-perspectief.
1.2
Ontwikkeling
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om ten westen van de kern Diessen de woonwijk Vroonacker IV te realiseren. Hilvarenbeek wil bouwen voor haar inwoners. Ook in Diessen, als tweede grote vraag naar woningen. Vroonacker wordt gezien als een logische plek voor een uitbreiding die al lange tijd op het netvlies staat. Ter plaatse zijn woningbouwontwikkelingen op erven voorzien, met daartussen groen en/of hobbymatig agrarisch gebruik. De wijk zal bestaan uit een gevarieerd woningaanbod, met zowel vrijstaande woningen en rijtjeswoningen als appartementen en patiowoningen, geschikt voor starters senioren en doorstromers. Momenteel zijn de percelen grotendeels in gebruik ten behoeve van agrarisch grondgebruik met ter plaatse van het perceel Westerwijk 4 nog een intensieve veehouderij. Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” kent het plangebied dan ook de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met enkel ter plaatse van de intensieve veehouderij een bouwvlak. Woningbouw is op basis van het vigerend bestemmingsplan niet mogelijk. Het bestemmingsplan “Vroonackers IV, Diessen” biedt het benodigde juridisch-planologische kader om de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk te maken.
1.3
Kader – Besluit milieueffectrapportage
Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan, dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die – ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden – aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Activiteit en drempelwaarden In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D.11.2) opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De woningbouwontwikkeling blijft ruimschoots onder de drempelwaarden van 100 hectare en/of 2000 woningen. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, is er wel sprake van vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.
Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.
Pagina 2 van 10
Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
2.
Effecten op het milieu
Inleiding In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project •
omvang van het project
•
verkeersaantrekkende werking
•
cumulatie met andere projecten
•
gebruik van natuurlijke grondstoffen
•
productie van afvalstoffen
•
verontreiniging en hinder
•
risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project •
bestaand grondgebruik
•
relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
•
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebied), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect •
bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
•
grensoverschrijdende karakter van het effect
•
waarschijnlijkheid van het effect
•
duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Pagina 3 van 10
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het ruimtelijke plan. In de onderstaande tabellen vindt de beoordeling/toets plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied bestaat als het ware uit twee delen: het agrarische bouwperceel Westerwijk 4 en de onbebouwde agrarische gronden. Tezamen kent het plangebied een oppervlakte van circa 8,2 hectare. De beoogde woningbouwontwikkeling biedt ruimte voor 195 woningen in verschillende woningtypologie. De opgaven bestaat uit 20% sociale huur en 20% sociale koop. Naast woningbouw worden ter plaatse ook de bijbehorende wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op basis van een verkeersonderzoek is bepaald dat de wijk op twee punten wordt ontsloten. Ten noorden sluit de nieuwe wijk aan op de bestaande wijk Vroonacker, waar via Schorseneer en Meiraap de rotonde op de N395 wordt bereikt. Aan de zuidzijde is een aansluiting op de Deusonelaan het meest efficiënt. Dit ontsluitingspunt ligt in het verlengde van de Veltackerstraat.
Verkeersaantrekkende werking
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Productie van afvalstoffen
Deze twee ontsluitingspunten worden verbonden door een weg die zich in zijn ligging en vorm voegt in de stedenbouwkundiglandschappelijke opzet van de nieuwe wijk. Groot voordeel van de ontsluiting via de Deusonelaan is dat de landschappelijke zone tussen de nieuwe woonwijk en de Westerwijk niet wordt doorsneden. Er zijn voor zover bekend geen projecten in de omgeving van het plangebied welke kunnen leiden tot cumulatieve effecten voor de (milieu) aspecten. Doordat er woningbouw mogelijk wordt gemaakt zullen er permanente natuurlijke bronnen worden gebruikt. Op woningniveau zal, uiteraard, duurzaam gebouwd gaan worden met nul op de meter woningen. Ook circulair bouwen zal worden aangemoedigd. Naast het regulier afval van de woningen en overige functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. De afvalstoffen worden naar erkende verwerkers afgevoerd en worden tevens via deze partijen gerecycled c.q. verantwoord verwerkt.
Pagina 4 van 10
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats ten westen van de kern Diessen. Tijdens de aanlegfase is mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden. De woningen zullen tijdens de gebruiksfase geen verontreiniging en hinder veroorzaken buiten de reguliere effecten van woningen.
Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering
Het voorgenomen bouwprogramma en de landschappelijke inpassing leiden niet tot grotere kansen op ongevallen of rampen, dan in de huidige situatie. Het is dan ook niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling een effect heeft op eventuele ongevallen en/of rampen. Het is niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling een bijdragen heeft op het klimaat
Risico’s voor de menselijke gezondheid Het voorgenomen bouwprogramma en de landschappelijke inpassing kunnen mogelijk tijdelijk leiden tot een hogere geluidbelasting of een hogere waarden van Fijnstof of Stikstofdioxide (luchtkwaliteit). Het is echter niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling risico’s oplevert voor de menselijke gezondheid. Sterker nog, door de sanering van de intensive veehouderij Westerwijk 4 verbeterd het woon- en leefklimaat in Diessen. Plaats van het project Plaats van het project Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Het plangebied bestaat als het ware uit twee delen: het agrarische bouwperceel Westerwijk 4 en de onbebouwde, agrarische gronden. Op het Westerwijk 4 waren een viertal agrarische bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een schapenstal en een bedrijfswoning aanwezig. De agrarische bedrijfsbebouwing is inmiddels gesloopt en ter plaatse resteert enkel nog de voormalige bedrijfswoning en de schapenstal. In het plangebied zijn geen specifieke noemenswaardige natuurlijke hulpbronnen aanwezig anders dan grond. Indien grond vrijkomt in het gebied tijdens de uitvoering, dan wordt deze zoveel mogelijk hergebruikt binnen het projectgebied.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Pagina 5 van 10
Het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: •
gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitaten Vogelrichtlijngebieden)
•
gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
•
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
•
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
•
het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Het plangebied ligt op 725 meter van het Natura 2000- gebied Kempenland-West.
•
Uit het stikstofdepositie onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor de kwalificerende soorten en habitattypen in Natura 2000gebieden. Zie voor een verder onderbouwing onder ‘verontreiniging en hinder’. Verder ligt het plangebied en haar directe omgeving ligt niet binnen wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken. Het plangebied ligt niet in de omgeving van gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden.
•
•
Het plangebied ligt niet in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid.
•
Archeologie: Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een (deels) intacte enkeerdgrond of een AC-bodemprofiel. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De bodemopbouw ter plaatse van Type II-boringen bestaat uit een AC-profiel. Er zijn geen sporen aangetroffen van een oorspronkelijk podzolbodem. Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie voorafgaand aan de ontginning van het gebied of als gevolg van opname in het bovenliggend dek door ploegen van de akker. De overgangen naar de natuurlijke ondergrond is veelal Pagina 6 van 10
scherp. Op basis hiervan blijft de (middel)hoge verwachting voor de periode neolithicum – nieuwe tijd gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen ter plaatse van Type I en II – boringen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. •
•
•
Op basis van de bodemkundige gesteldheid blijft de (middel)hoge archeologische verwachting ter plaatse van Type I en II – boringen voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum – nieuwe tijd gehandhaafd. Archeologische resten kunnen onder de humus houdende bovengrond (0 – 30 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn. Wanneer graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op basis hiervan wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Om de intactheid van de bodem te waarborgen totdat archeologisch vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden (bij voorkeur in de vorm van proefsleuvenonderzoek), is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen.
Pagina 7 van 10
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Er is geen sprake van een beschermd natuurmonument.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Habitat of vogelrichtlijngebied.
Watergebied van internationale betekenis
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een watergebied van internationale betekenis.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van negatieve effecten op het NNN. Er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied.
Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvedère-gebied
Er is geen sprake van een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied zijn geen beschermde monumenten aanwezig. Het plangebied betreft geen Belvedère-gebied.
Pagina 8 van 10
Kenmerken van het potentiële effect Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking).
Momenteel zijn de percelen grotendeels in gebruik ten behoeve van agrarisch grondgebruik met ter plaatse van het perceel Westerwijk 4 nog een intensieve veehouderij. Op de locatie wordt een woningbouwontwikkeling beoogd. De effecten van de aanleg zijn beperkt tot de locatie zelf. De effecten zijn daarmee beperkt.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is geen sprake van een grensoverschrijdend effect. Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake. Er is sprake van de bouw van woningen. de effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande zijn deze effecten niet van dien aard dat er sprake is van een onevenredige aantasting.
Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
3.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Gelet op het bovenstaande wordt voorgesteld om te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport voor de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 9 van 10