Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19 (4 Regels ontwerp-bestemmingsplan)
Tekst van het document
f.
detailhandel uitsluitend is toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2; g. de gezamenlijke vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 40% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen en niet meer dan 500 m2, met uitzondering van: 1. de oppervlakte die nodig is voor statische opslag; 2. de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping h. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; i. de overtollige bebouwing wordt gesloopt; j. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; k. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; l. er op eigen terrein dient te worden voorzien in de parkeerbehoefte; m. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogt te beschermen.
3.5.2 Huisvesting van tijdelijke werknemers Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.4.1 onder f ten behoeve van huisvesting van tijdelijke werknemers op zowel tijdelijke als structurele arbeidsplaatsen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de huisvesting vindt plaats ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. de huisvesting betreft uitsluitend werknemers die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn werkzaamheden verrichten; c. de huisvesting vindt enkel plaats binnen de bestaande bebouwing; d. indien de huisvesting plaatsvindt in een bedrijfsgebouw, dan gelden de volgende bepalingen: 1. de huisvesting van werknemers is noodzakelijk vanwege een seizoensgebonden arbeidsbehoefte; e. indien de huisvesting plaatsvindt binnen de bedrijfswoning, dan gelden de volgende bepalingen: 1. de huisvesting van werknemers is noodzakelijk vanwege een niet seizoensgebonden arbeidsbehoefte 2. de huisvesting mag het gehele kalenderjaar plaatsvinden; 3. het aantal werknemers dat in de bedrijfswoning wordt gehuisvest, bedraagt niet meer dan 6 personen; f. de omgevingsvergunning wordt verleend voor de duur dat de arbeidsbehoefte bestaat; g. de gebruiksvloeroppervlakte, die wordt aangewend voor de huisvesting van tijdelijke werknemers mag niet meer bedragen dan 500 m2; h.
er mogen geen zelfstandige wooneenheden ontstaan; i. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; j. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; k. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogt te beschermen.
3.5.3 Mantelzorg in afhankelijke woonruimte Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.4.1 onder c voor het gebruik van een bijgebouw behorende bij een bedrijfswoning als afhankelijke woonruimte, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:
a. er is aangetoond dat er sprake is van een zorgbehoefte, bijvoorbeeld uit een zorgindicatie of verklaring van een arts; b. het gebruik blijft beperkt tot de in de bouwregels genoemde bouwmogelijkheden voor bijgebouwen, met een maximale oppervlakte van 80 m2; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; d. bij het verlenen van de omgevingsvergunning wordt bepaald dat indien de mantelzorgsituatie is beëindigd het bevoegd gezag ambtshalve tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning overgaat; e. binnen één maand na beëindiging van het gebruik van het (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg dient hiervan schriftelijk melding te worden gemaakt.
3.5.4 Aan huis verbonden bedrijf Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde in sublid 3.4.1 onder e teneinde een aan huis verbonden bedrijf toe te staan, mits: a. het ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf in gebruik te nemen bedrijfsvloeroppervlak niet meer bedraagt dan 25% van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning en de bijbehorende bijgebouwen, met dien verstande dat de woonfunctie van de bedrijfswoning primair en in ruimtelijke zin gehandhaafd blijft; b. het aan huis verbonden bedrijf voorkomt in de milieucategorie 1 of 2 van de in Bijlage 2 opgenomen bedrijfsactiviteiten of kan, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijkgesteld worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën; c. het gebruik geen onevenredige afbreuk veroorzaakt op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans; d. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf; e. de aard en de activiteiten van het bedrijf niet leiden tot een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
3.5.5 Gebruik dat is vergunningplichtig is op basis van artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.4.1 onder k voor het gebruik van gronden en gebouwen dat vergunningplichtig is krachtens het bepaalde in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998, indien is aangetoond dat geen aantasting plaatsvindt van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura2000-gebied.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid 3.6.1 Wijziging ten behoeve van het vergroten of wijzigen van het bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van het vergroten of het veranderen van de vorm van de aanduiding 'bouwvlak', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekgebied watersystemen' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische verbindingszone, alsmede het toekomstig herstel van het natuurlijk watersysteem, niet worden geschaad; b. er dient sprake te zijn van een reëel agrarisch bedrijf danwel een te ontwikkelen reëel agrarisch bedrijf; c. de vergroting en/of vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling waaronder tevens begrepen het kunnen plaatsen van
permanente teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de op te nemen aanduiding 'bouwvlak'; d. de vergroting en/of vormverandering van de aanduiding 'bouwvlak' mag uitsluitend als volgt plaatsvinden: 1. voor agrarische bedrijven, inclusief paardenhouderijen, en overige nietgrondgebonden bedrijven is vergroting tot een totale omvang van 1,5 ha toegestaan; 2. op de gronden welke niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone bebouwingsconcentratie' en 'overige zone - groenblauwe mantel' is ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen bovenop de maximaal toegestane omvang van de aanduiding 'bouwvlak' een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' toegestaan ten behoeve van de situering van permanente teeltondersteunende voorzieningen met een omvang van maximaal 2 ha; hier zijn geen gebouwen toegestaan. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' dient noodzakelijk te zijn voor de bedrijfsvoering en de noodzaak hiervan dient te worden getoetst door de AAB; ▪ de bouwhoogte van hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 3 m; ▪ de bouwhoogte van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 1,5 m; 3.
voor glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' is vergroting tot een omvang van 4 ha toegestaan, waarvan maximaal 3 ha met kassen mag worden bebouwd, uitsluitend wanneer er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische kwaliteiten van het gebied. Ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - bebouwingsconcentratie' en 'overige zone groenblauwe mantel' is een vergroting ten behoeve van glastuinbouwbedrijven niet toegestaan; 4. de omvang van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' telt mee bij het bepalen van de omvang van de aanduiding 'bouwvlak'; e. ten behoeve van de vergroting en/of vormverandering van de aanduiding 'bouwvlak' gelden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - overige veehouderijen' en 'intensieve veehouderij' gelden de navolgende aanvullende voorwaarden: 1. er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, welke zijn opgenomen in de nadere regels ter uitvoering van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, die zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Verordening ruimte Noord - Brabant; 2.
op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderijen' is uitsluitend een grondgebonden veehouderij toegestaan, met dien verstande dat deze grondgebonden veehouderij voldoet aan de nadere regels ter uitvoering van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, die zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Verordening ruimte Noord - Brabant; 3. indien de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' is een intensieve veehouderij niet toegestaan; 4. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het verlenen van de omgevingsvergunning; 5. er is aangetoond dat de geurhinder, voorgrond en achtergrond belasting afzonderlijk beschouwd, op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er – indien blijkt dat de
achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 6. er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³; f. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1. Landschappelijke inpassing: er is aangetoond dat binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake zal zijn van een goede landschappelijke inpassing alsmede de instandhouding daarvan, welke tenminste 10% van de omvang van het bouwvlak omvat en welke is gelegen binnen het bouwvlak dan wel dat er sprake is van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd landschapsontwikkelingsplan; 2. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. 3.
Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt, met dien verstande dat de oppervlakte aan bebouwing die wordt gesloopt niet minder mag bedragen dan de oppervlakte aan bebouwing die nieuw wordt gebouwd.; 4. de bebouwing is passend binnen de omgeving waarbij rekening is gehouden met de volksgezondheid en de effecten op het milieu; 5. Parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden; 6. er is sprake van een goede verkeersafwikkeling; 7. indien toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' leidt tot een bouwvlak van meer dan 1 ha, vindt er over het meerdere van deze oppervlakte kwaliteitsverbetering plaats; g. bij het vergroten van de aanduiding 'bouwvlak' dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; i. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' geldt dat er sprake moet zijn van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden van de groenblauwe mantel; j.
de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 10, beogen te beschermen; k. er is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie.
3.6.2 Wijziging naar niet-agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen in Bedrijf, teneinde een niet-agrarisch bedrijf toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voor de functie gelden de volgende specifieke bepalingen: 1. de bebouwde oppervlakte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 1000 m2 dan wel niet meer dan de bestaande bebouwde oppervlakte indien deze minder bedraagt dan 1000 m2;
2. detailhandel is uitsluitend in ondergeschikte en in ondersteunende vorm toegestaan; de verkoopvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan 100 m2; 3. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 5000 m2; 4. de bedrijfsactiviteit behoort tot milieucategorie 1 of 2 van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijvenlijst, alsmede naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten; b. voor statische opslag gelden de volgende specifieke bepalingen: 1. de activiteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de activiteit plaats; 2. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen; 3. de vloeroppervlakte van de bebouwing, die wordt aangewend voor deze activiteit, mag niet meer bedragen dan 1000 m2; 4. detailhandel ten behoeve van de nevenactiviteit is niet toegestaan; 5. de beoogde activiteit leidt niet tot een grootschalige ontwikkeling; c. op de locatie is geen sprake geweest van een sloopregeling van bedrijfsgebouwen zoals de regeling “Ruimte-voor-ruimte” of RBV; d. er dient een, door de gemeente goed te keuren, bedrijfsplan te worden overlegd; e. het hergebruik moet naar aard en omvang passen in de omgeving; f. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1.
Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. 2. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt, met dien verstande dat de oppervlakte aan bebouwing die wordt gesloopt niet minder mag bedragen dan de oppervlakte aan bebouwing die nieuw wordt gebouwd; 3. Parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden. 4. Het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en op een afstand van minimaal 15 vanuit de as van de weg. g. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; i. bij toename van verharding van meer dan 500 m2 dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; j. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; k.
de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; l. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 10, beogen te beschermen; m. de regels van Artikel 4 Bedrijf uit het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ worden van overeenkomstige toepassing verklaard; n. de goot- en bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m en 10 m.
3.6.3 Wijziging naar Wonen Burgemeester en wethouders kunnen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen teneinde deze aanduiding te laten vervallen en de bestemming deels te wijzigen in de bestemming Wonen, waarbij na bedrijfsbeëindiging de herbouw van een voormalige bedrijfswoning of voormalig (woon)boerderijpand voor woondoeleinden kan worden toegestaan. Een en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Algemene voorwaarden: a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; b. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; c. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; d. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 1500 m2; e. ten aanzien van kwaliteitsverbetering geldt het volgende: 1.
indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 30% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak, dan is geen specifieke kwaliteitsverbetering vereist; 2. indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 40% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak dient de herinrichting van het erf landschappelijk wordt ingepast in welk kader een landschappelijk inpassingsplan dient te worden opgesteld; 3. in de overige gevallen vindt er kwaliteitsverbetering plaats; f. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 10, beogen te beschermen; g. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; h. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; i. de regels van Artikel 16 Wonen uit het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ worden van overeenkomstige toepassing verklaard; Specifieke voorwaarden voor wijziging in woondoeleinden: j. de bebouwde oppervlakte en inhoud van de voormalige bedrijfswoning (inclusief de inpandige stal/ het inpandig deel) mag niet worden vergroot, met dien verstande dat: 1. vergroting is toegestaan indien er per 50 m3 vergroting van de woning telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing wordt gesloopt; 2.
de uiteindelijke inhoud niet meer bedraagt dan 1000 m 3; 3. de bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m2 per woning; de overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) dient te worden gesloopt; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3. mag de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 200 m2 bedragen, indien het surplus (alle aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen en bijgebouwen boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m2) in één keer wordt gesloopt, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en deze sloop is als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden;
k.
l.
5. uitsluitend de sloop van legaal gebouwde gebouwen komen in aanmerking voor deze sloopbonusregeling; de sloopbonusregeling als bedoeld onder j is niet van toepassing indien: 1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop heeft plaatsgevonden of kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voorruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. of de sloop al op andere wijze is verzekerd; de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen;
3.6.4 Wijziging naar Recreatie Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en/of de daaraan grenzende gronden wijzigen in Recreatie, teneinde hergebruik van de bebouwing toe te staan met de daarbij behorende gronden voor extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theetuin, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen en exposities, bed en breakfastvoorzieningen in een grotere omvang e.d., toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de activiteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; b. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 5000 m2; c. voor verblijfsrecreatieve voorzieningen geldt het volgende: 1. verblijfsrecreatieve activiteiten zijn toegestaan in de vorm van vakantieappartementen, bed & breakfast, kampeermiddelen e.d.; 2. bij groepsaccommodatie zijn maximaal 250 bedden toegestaan; 3.
voor kampeermiddelen gelden de bepalingen: ▪ kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming Wonen van derden; ▪ uitsluitend kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan; ▪ er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per camping toegestaan, uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; ▪ 15% van het nieuwe bestemmingsvlak bestaat uit een robuuste landschappelijke inpassing; d. ten aanzien van de functies in het algemeen, geldt het volgende: 1. de bebouwde oppervlakte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 1000 m2 dan wel niet meer dan de bestaande bebouwde oppervlakte indien deze minder bedraagt dan 1000 m2; 2. maneges zijn niet toegestaan; 3. hotels, conferentievoorzieningen en wellness zijn niet toegestaan; 4. ten behoeve van de activiteit is ondergeschikte en ondersteunende routegebonden horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.; de verkoopvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan 100 m2; 5. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de recreatieactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan 100 m2; e. er dient een, door de gemeente goed te keuren, bedrijfsplan te worden overlegd; f.
er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
1. Landschappelijke inpassing: er is aangetoond dat binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake zal zijn van een goede landschappelijke inpassing alsmede de instandhouding daarvan, welke tenminste 10% van de omvang van het bouwvlak omvat en welke is gelegen binnen het bouwvlak dan wel dat er sprake is van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd landschapsontwikkelingsplan; 2. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. 3. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt., met dien verstande dat de oppervlakte aan bebouwing die wordt gesloopt niet minder mag bedragen dan de oppervlakte aan bebouwing die nieuw wordt gebouwd; 4. Parkeren dient binnen het nieuwe bestemmingsvlak plaats te vinden. g. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; i. bij toename van verharding van meer dan 500 m2 dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; j.
de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; k. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; l. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 10, beogen te beschermen; m. de beoogde activiteit leidt niet tot een grootschalige ontwikkeling; n. de regels van Artikel 11 Recreatie uit het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ worden van overeenkomstige toepassing verklaard; o. de goot- en bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m en 10 m.
3.6.5 Wijziging naar zorg (Maatschappelijk) Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen in de bestemming Maatschappelijk, teneinde hergebruik van de bebouwing toe te staan met de daarbij behorende gronden voor zorg, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de activiteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; b. indien de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zonebebouwingsconcentratie' is uitsluitend een zorgboerderij toegestaan; c. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 5000 m2; d. ten aanzien van de functies in het algemeen, geldt het volgende:
1. de bebouwde oppervlakte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 1000 m2 dan wel niet meer dan de bestaande bebouwde oppervlakte indien deze minder bedraagt dan 1000 m2; 2. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de zorgactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan 100 m2; e. op de locatie heeft geen sloop van bedrijfsgebouwen plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling “Ruimte-voor-ruimte”; f. er dient een, door de gemeente goed te keuren, bedrijfsplan te worden overlegd; g. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1. Landschappelijke inpassing: er is aangetoond dat binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake zal zijn van een goede landschappelijke inpassing alsmede de instandhouding daarvan, welke tenminste 10% van de omvang van het bouwvlak omvat en welke is gelegen binnen het bouwvlak dan wel dat er sprake is van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd landschapsontwikkelingsplan; 2. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. 3.
Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt, met dien verstande dat de oppervlakte aan bebouwing die wordt gesloopt niet minder mag bedragen dan de oppervlakte aan bebouwing die nieuw wordt gebouwd. 4. Parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden. h. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; i. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; j. bij toename van verharding van meer dan 500 m2 dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; k. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; l. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; m.
de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 10, beogen te beschermen; n. de regels van Artikel 9 Maatschappelijk uit het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ worden van overeenkomstige toepassing verklaard; o. de goot- en bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m en 10 m.
3.6.6 Wijzigingsbevoegdheid plattelandswoning Burgemeester en wethouders kunnen binnen de aanduiding 'bouwvlak' de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' opnemen teneinde de huidige bedrijfswoning door een derde te laten bewonen en deze aan te merken als plattelandswoning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de woning is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
b. de landbouwinrichting ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is in werking; c. de woning ondervindt geen onevenredige milieubelemmeringen op de aspecten, geluid, trilling, fijnstof en/of verkeer van de op het eigen 'bouwvlak' gevestigde landbouwinrichting; d. de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving; e. deze plattelandswoning blijft als bedrijfswoning tellen; toevoeging van een bedrijfswoning is niet toegestaan.
Artikel 4 Groen 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het groen/landschapselement ten behoeve van landschappelijke inpassing; b. kleinschalig kweken van inheemse tuinplanten; c. onverharde paden, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ halfverharde paden zijn toegestaan; d. water en waterhuishoudkundige doeleinden; e. extensief recreatief medegebruik en de daarbij behorende voorzieningen; f. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – voedsel en beleeflandschap’, agrarisch medegebruik in de vorm van agrarische teelt (waaronder voedselbos) en de daarbij behorende voorzieningen;
4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Het bouwen van gebouwen of bouwwerken is niet toegestaan.
4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor: a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; b. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben; c. het betreden met en beproeven van, racen of crossen met motoren of overige motorvoertuigen (lawaaisporten); d. verblijfsrecreatieve doeleinden zoals lig- en/of speelweide, staanplaats voor onderkomens of kamperen; e. als wedstrijd- of sportterrein en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport; f. het beproeven en in gebruik hebben van geluidsapparaten en toestellen; g. winnen van bosstrooisel of mos.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. Het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of dieper dan 0,40 meter wordt gewijzigd of waarbij maaiveldniveaus (steilranden) worden gewijzigd. b. Het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,40 meter onder maaiveld.
c. Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem. d. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels. e. Het verlagen van de waterstand anders dan door sloten/greppels of drainage m.u.v. grondwateronttrekkingen. f. Het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden. g. Het verwijderen van natuur- en landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren en de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in de voorwaardelijke verplichting uit artikel 4. h. Het verwijderen van perceelsindelingen, paden en onverharde wegen. i. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m² per perceel, anders dan conform aanduiding “ontsluiting”.
4.4.2 Uitzonderingen Het in 3.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn. b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. c. verband houden met de aanleg van de landschappelijke inpassing en het ontwerp zoals opgenomen in bijlage 3 van de regels.
4.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.
Artikel 5 Natuur 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels; b. behoud, herstel en ontwikkeling van de biotopen van flora en fauna; c. het als zondanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten; d. behoud en bescherming van aardkundige waarden; e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landgoed' het behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het landgoed; g. de functies als bedoeld in de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Water', voor zover de gronden zijn gelegen binnen 10 m van de bestemming 'Water'; h. extensief recreatief medegebruik en de daarbij behorende voorzieningen, zoals informatievoorzieningen; i. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer; j. doeleinden van openbaar nut; een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals (on)verharde paden.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming.
5.2.2 Nutsvoorzieningen In afwijking van het voorgaande zijn ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' nutsvoorzieningen toegestaan, uitsluitend met de bestaande goot- en bouwhoogte als maximum.
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende maatvoeringseisen: a. de bouwhoogte voor erfafscheidingen bedraagt maximaal 1 m.
5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Voederberging Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 ten behoeve van de bouw of het plaatsen van een voederberging en/of voederruif voor wild, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen: a. dit bouwwerk is noodzakelijk voor de instandhouding van het wild; b. de inhoud bedraagt niet meer dan 10 m³; c. de hoogte bedraagt niet meer dan 3 m; d. de aanwezigheid van dit bouwwerk schaadt de andere dan op het behoud van de wildstand gerichte belangen niet in onevenredige mate; e. de afstand tot de as van een openbare weg bedraagt niet minder dan 15 m; f. het bouwwerk betreft niet een aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voertuig.
5.4 Specifieke gebruiksregels 5.4.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen: a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten, (chemisch) afval en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en/ of opstallen; b. verblijfsrecreatieve doeleinden zoals lig- en/of speelweide, staanplaats voor onderkomens of kamperen; c. voor agrarische doeleinden; d. voor het winnen van bosstrooisel of mos; e. het aanleggen van drainage; f. voor militaire doeleinden; g. het betreden met en beproeven van of racen of crossen met motoren of motorvoertuigen (lawaaisporten); h. als wedstrijd- of sportterrein en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport; i. het beproeven en in gebruik hebben van geluidsapparaten en toestellen.
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.5.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden op en in de in lid 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' de verplichting tevens geldt bij de aanleg van oppervlakteverhardingen kleiner dan 100 m2; b. aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen; c. afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; d. diepploegen en diepwoelen van de bodem; e. dempen van poelen, sloten en greppels; f. vellen of rooien van houtgewas; g. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
5.5.2 Beoordelingscriteria Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 5.5.1 alleen indien door de in sublid 5.5.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
5.5.3 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 5.5.1 is vereist voor: a. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden; c. werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
Artikel 6 Water 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en waterhuishoudkundige doeleinden; b. water met ecologische waarden; c. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; d. waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken; e. beheer en onderhoud van de watergang, waaronder schouwpaden; f. beeldende kunstwerken; g. vijvers; h. behoud, beheer en bescherming van natuurwaarden; één en ander met de bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, bermen, paden, beschoeiingen e.d.
6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen aan het volgende te voldoen: a. de bouwhoogte van bruggen en licht- en andere masten bedraagt niet meer dan 6 m; b. de bouwhoogte overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2 m.
Artikel 7 Leiding – Gas 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een gastransportleiding met de bestaande druk en diameter als maximum; één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
7.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van deze dubbelbestemming.
7.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad en er geen kwetsbaar object wordt toegelaten; dienaangaande wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op en in de in lid 6.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; c. diepploegen en diepwoelen van de bodem; d. aanleggen van drainage; e. beplanten van gronden met houtgewas; f. vellen of rooien van houtgewas; g. het permanent opslaan van goederen; h. het indrijven van voorwerpen in de bodem.
7.4.2 Beoordelingscriteria Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 7.4.1 alleen indien door de in sublid 7.4.1 genoemde werken of werkzaamheden, de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad en er geen kwetsbaar object wordt toegelaten, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Voorafgaande aan het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 7.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
7.4.3 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 7.4.1 is vereist voor: a. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt onder gebruik strijdig met het plan in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen: a. ten behoeve van het boren naar gas.
Artikel 10 Algemene aanduidingsregels 10.1 overige zone - kampenlandschap Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kampenlandschap' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van het kleinschalig, besloten karakter en het behoud en herstel van kleine landschapselementen. Ook de aanwezige bolle maaiveldligging dient beschermd te worden.
10.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.2.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op en in de hierna genoemde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: Aanduidingen/ Activiteiten
a
b
c
d
e
f
g
h
i
j
overige zone - kampenlandschap
+
-
+
+
-
-
-
-
+
-
+ omgevingsvergunning vereist - toegestaan (zonder omgevingsvergunning) a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2; b. aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen; c. afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; d. diepploegen en diepwoelen van de bodem; e. dempen van poelen, sloten en greppels; f. aanleggen van drainage; g. verlagen van de waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties; h. beplanten van gronden met houtgewas hoger dan 1,3 meter; i. vellen of rooien van houtgewas; j. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
10.2.2 Beoordelingscriteria
Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 10.2.1 alleen indien door de in sublid 10.2.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
10.2.3 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 10.2.1 is vereist voor: a. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden; c. werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning; d. werken en werkzaamheden die uitgevoerd worden binnen het bouwvlak.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 11.1 Omgevingsvergunning kleine windmolens Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels ten behoeve van een windmolen, geen gebouw zijnde, tot een maximale bouwhoogte van 15m, onder de volgende voorwaarden: a. Per bestemmingsvlak/bouwvlak is één windmolen, gericht op individueel gebruik, toegestaan. b. De afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 100 m. c. De hoogte van de windmolen mag niet meer bedragen dan 15 m. d. De windmolens mag niet worden gerealiseerd binnen een afstand van 100 m van gronden met de bestemming ‘Bos’ en ‘Natuur’. e. De belangen van derden worden niet onevenredig geschaad. f. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. g. Er moet sprake zijn van een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels 12.1 Wijziging bebouwingsconcentraties Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde de aanduiding 'overige zone bebouwingsconcentratie' op de verbeelding op te nemen, indien uit onderzoek blijkt dat ter plaatse sprake is van een bebouwingsconcentratie.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken 13.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
13.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in 13.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 13.1.1 met maximaal 10%.
13.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 13.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik 13.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
13.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 13.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
13.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 13.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
13.2.4 Strijd met voorheen geldend bestemmingsplan Het bepaalde in 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Klein Westerwijksestraat 19 Biest Houtakker'.