CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Beverakkers V (Bijlage 11 bij toelichting - kwalitatieve voortoets stikstof)

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Beverakkers V.13.644 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Tot op het moment van schrijven van het beheerplan zijn de gevolgen daarvan merkbaar in de vorm van goed ontwikkelde oeverkruidgemeenschappen. De KDW van het habitattype H3130 van 571 mol N/ha/jr wordt wederom minimaal overschreden. Het habitattype H3160 Zure vennen komt volgens de habitattypenkaart verspreid voor op de Kampina & Oisterwijkse Vennen. Met name in de Huisvennen, in het noorden van Kampina, is een relatief groot oppervlakte aanwezig. De huidige kwaliteit van de zure vennen op de Regte Heide & Riels Laag is als matig beoordeeld en de trend als negatief door verdroging en stikstofdepositie. De aanwezigheid van zure vennen in KempenlandWest is gedurende het beheerplanproces naar boven gekomen. Over oppervlakte, kwaliteit en trends is beperkt informatie beschikbaar. De kwaliteit en trend lopen van de zure vennen loopt sterk uiteen. De KDW van het habitattype H3160 van 714 mol N/ha/jr ligt hoger dan de zwakgebufferde vennen. Zodoende blijft ook hier de depositie onder de significantiegrens. In het oosten en midden van Kampina en in het Beerzedal liggen grotere, aaneengesloten gebieden van dit habitatstype. De huidige kwaliteit van de vochtige heiden op de Regte Heide & Riels Laag is als matig beoordeeld over grotere delen, omdat het habitattype H4010A

21

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Droge heiden

Hoog, zandbodem

Hoog

Nee

Blauwgraslanden

Gemiddeld, staat vaak op basenhoudende bodems met enige buffercapaciteit

Hoog

Nee

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

hier sterk vergrast is door verdroging en stikstofdepositie. Plaatselijk wordt het habitattype als goed beoordeeld. De trend is negatief. Vochtige heiden komen in alle gebieden van Kempenland-West voor. Evenals de droge heiden en de stuifzandheiden staat de kwaliteit van de vochtige heide onder druk door stikstofdepositie. Deze depositie is sinds de jaren '90 merkbaar afgenomen, waardoor de kwaliteit van de heide, mede als gevolg van intensief beheer is verbeterd. De KDW van het habitattype H4010A is 1.214 mol N/ha/jr. Evenals bij de zandverstuivingen is de mobiliteit van stikstof hoog in een zandbodem, waardoor de geringe toename van een honderdduizendste van de veilige grenswaarde geen negatieve effecten op zullen leveren Volgens de meest recente habitattypekaart komt het habitattype H4030 Droge heiden alleen voor aan de oostkant van de Drunense Heide. Het habitattype H4030 Droge heiden komt volgens de habitattypenkaart met name voor in Kampina en Banisveld, een klein oppervlakte is gelegen in Oisterwijkse Vennen. In het centrale deel van de Kampina is het habitattype in een groot, aaneengesloten oppervlakte aanwezig. Het grootste oppervlak van de Regte Heide bestaat uit het habitattype H4030 Droge heiden. Door plaggen van vergraste delen is de oppervlakte die voldoet aan de criteria voor het habitattype de laatste decennia toegenomen.

De trend is nu stabiel, Niet de totale droge heide kon tot het habitattype H4030 worden gerekend. Delen van de Regte Heide waren zeer vergrast met pijpenstrootje. Door een intensivering van beheer van de droge heide binnen Kempenland-West is de afname deels gestopt. Toch zijn nog grote delen van de droge heiden vergrast. De KDW van het habitattype H4030 is 1.071 mol N/ha/jr. Dit is een van de habitatstype die rond grenzen van beide Natura 2000-gebieden voorkomt. Echter blijft de tijdelijke uitstoot een dermate gering onderdeel van de toegestane uitstoot tot de kritische depositiewaarde dat negatieve effecten op voorhand uit te sluiten zijn. Het habitattype H6410 Blauwgraslanden komt, volgens de meest recente habitattypenkaart voor op één locatie in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De totale oppervlakte is bijna verwaarloosbaar klein (0,01 ha), maar er wordt gepoogd dit uit te breiden (Provincie NoordBrabant, 2017). Op de Kampina & Oisterwijkse Vennen is het voor nu beter gesteld met de blauwgraslanden. Deze komen voor in deelgebied Beerzedal en de totale oppervlakte is 2,31 ha, echter is de trend mede door verbossing negatief. Het habitattype komt met een beperkte oppervlakte voor. Het komt voor bij Papenmoeren en aan de rand van het Riels Laag, in het beekdal van de Leij.

22

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Actieve hoogvenen (heideveentjes)

Laag, veel organisch materiaal en weinig tot geen mobiel water.

Hoog

Nee

Pioniervegetaties met snavelbiezen

Gemiddeld, komt voor op zandbodems, maar voornamelijk in gestagneerd regenwater

Hoog

Nee

Galigaanmoerassen

Laag, veel organisch

Gemiddeld

Nee

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

De blauwgraslanden in Kempenland-West betreffen een drietal percelen in het Beersbroek. In 2010 zijn deze percelen gekarteerd. De trend was sindsdien negatief; de percelen waren zeer nat en belangrijke soorten zijn verdwenen. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk een dijkje dat aan één kant van de percelen is aangelegd in het kader van waterberging. Als gevolg van beekherstel in het dal van de Groote Beerze worden de omstandigheden voor blauwgraslanden verbeterd. Ter plekke van blauwgrasland blijft de gemiddelde grondwaterstand ongeveer gelijk aan de huidige situatie. Het dempen van sloten en greppels zorgt voor een minimale stijging, het zal vooral bijdragen aan het vasthouden van een constanter grondwaterpeil. De doelrealisatie van blauwgraslanden zal toenemen. De KDW van het habitattype H6410 Blauwgraslanden is 786 mol N/ha/jr. Dit is vergelijkbaar met de KDW van de zure vennen en hier worden eveneens geen negatieve effecten verwacht. Het habitattype H7110B* Actieve hoogvenen (heideveentjes) komt volgens de habitattypenkaart alleen in het noordelijke deel van de Kampina voor. De totale oppervlakte is 1,76 ha. De KDW van het habitatstype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) bedraagt 714 mol N/ha/jr. De afstand tussen het plangebied en dit habitatstype bedraagt ongeveer 8 kilometer.

Deze afstand is bijna twee keer zo groot als de afstand tot de grens van de Kampina & Oisterwijkse Vennen. Het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen komt volgens de habitattypenkaart verspreid voor op de Kampina & Oisterwijkse Vennen, maar met name in het centrale deel van de Kampina. In de deelgebieden Oisterwijkse Vennen en Beerzedal liggen vooral kleine versnipperde oppervlaktes, naast twee relatief grote, aaneengesloten stukken zoekgebied van dit habitattype in het Beerzedal. Dit type komt op de Regte Heide & Riels Laag voor op plagplekken waar uiteindelijke vochtige heide zal ontwikkelen. Deze pioniervegetatie is verspreid over het Natura 2000-gebied gevonden. De trend in omvang is stabiel. In Kempenland-West zijn op grote schaal pioniervegetaties met snavelbiezen aanwezig. De grootste oppervlakten zijn ontstaan door het plaggen van vochtige heide. Omdat dit habitattype vooral voorkomt op plagplekken in vochtige heide is het afhankelijk van steeds opnieuw plaggen van andere plekken. Het habitatstype ontwikkelt zich echter iedere keer goed op deze plagplekken. De KDW van het habitattype H7150 is 1071 mol N/ha/jr. Deze wat hogere tolerantie voor stikstofdepositie weegt af tegen een lagere mate van uitspoeling, waardoor de kleine, tijdelijke depositie geen negatief effect zal hebben.

Het habitattype H7210* Galigaanmoerassen komt volgens de habitattypenkaart alleen in de Kampina

23

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 materiaal en weinig tot geen mobiel water.

Beukeneikenbossen met hulst.

Hoog, komt voor op hogere zandgronden

Hoog

Nee

Eikenhaagbeukbossen (hogere zandgronden)

Hoog, komt voor op hogere zandgronden

Gemiddeld

Nee

Oude eikenbossen

Hoog, komt voor op zandgronden

Hoog

Nee

Hoogveenbossen

Laag, het habitatstype houdt vrij veel organisch

Gemiddeld

Nee

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

voor, in en rond het Winkelsven. De totale oppervlakte is 1,69 ha. De trend is stabiel. De KDW van het habitattype H7150 is 1.429 mol N/ha/jr. Ook voor dit habitatstype weegt de hogere tolerantie voor stikstofdepositie af tegen een lagere mate van uitspoeling, waardoor de kleine depositie geen negatief effect zal hebben. Het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst komen, volgens de meest recente habitattypenkaart voor de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen alleen voor in De Brand. Het habitattype H9120 Beuken- eikenbossen met hulst komt op de Kampina & Oisterwijkse Vennen voor in het Beerzedal en een klein oppervlakte voor in Oisterwijkse Vennen. De trend van dit habitatstype in Kempenland-West in zowel omvang als kwaliteit is beoordeeld als afnemend. Met name in de grotere locaties zijn er mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering. De KDW van het habitattype H9120 is 1071 mol N/ha/jr. Mede door de hogere mate aan uitspoeling, worden er geen negatieve effecten verwacht. Het habitattype H9160A Eiken-haagbeukbossen van hogere zandgronden komt , volgens de meest recente habitattypenkaart van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, voor langs de zuidoostrand van De Brand. De totale oppervlakte is 13,7 ha. Het habitattype komt niet aaneengesloten voor, maar in snippers die op afstand van elkaar liggen.

De huidige trend van dit habitatstype in Kempenland-West is in oppervlakte afnemend en de trend in kwaliteit neutraal. De KDW van het habitatstype H9160A Eikenhaagbeukbossen (subtype A) bedraagt 1429 mol N/ha/jr. Hiermee is het een van de minder gevoelige habitatstypes. Met de geringe stikstofdepositie worden geen negatieve effecten verwacht. Het habitattype H9190 Oude eikenbossen komen, volgens de meest recente habitattypenkaart voor in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Het habitattype omringt het stuifzand en is ook tussen het stuifzand en heide gelegen. De totale oppervlakte is 162,5 ha. in de Kampina & Oisterwijkse Vennen komt het habitattype aanzienlijk minder voor. De huidige trend van dit habitatstype in Kempenland-West is in oppervlakte afnemend en de trend in kwaliteit neutraal. De KDW voor H9190 Oude eikenbossen bedraagt 1071 mol N/ha/jr. Evenals bij de beukeneikenbossen met hulst wordt er wegens de hoge mate aan uitspoeling en relatief hogere tolerantie geen negatieve effecten verwacht. Het habitattype H91D0* Hoogveenbossen komt volgens de habitattypenkaart verspreid op de Kampina & Oisterwijkse Vennen voor, maar met name in het westelijke deel van de Kampina. Ook

24

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 materiaal en water vast

Beekbegeleidende bossen

Zeer hoog, de beken voeren constant vers water aan en nemen overtollige voedingsstoffen mee

Gemiddeld

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Nee

liggen kleinere gebieden met dit habitattype in het Beerzedal en het noordoosten van de Oisterwijkse Vennen. In Kempenland-West is De trend in kwaliteit afnemend, met name veroorzaakt door de recente droge jaren in 2018 en 2019. Ook de trend in oppervlakte is aangeduid als afnemend (Provincie Noord-Brabant, 2019), naar verwachting mede als gevolg van afnemende kwaliteit en het mogelijk niet meer kwalificeren als habitattype. De KDW van H91D0 Hoogveenbossen is 1786 mol N/ha/jr. Het is hiermee het op één na meest stikstoftolerante habitatstype in beide Natura 2000-gebieden waardoor er geen negatieve effecten worden verwacht. Het habitattype H91E0C Beekbegeleidende bossen komt, volgens de meest recente habitattypenkaart van de Loonse & Drunense Duinen voor in verschillende delen van De Brand. De totale oppervlakte is 118,9 ha. Op de Kampina & Oisterwijkse Vennen komt het habitatstype in drie deelgebieden voor. Langs de Beerze, de Rosep en de Reusel. De totale oppervlakte is 26,35 ha, zie Tabel 5-78. Langs de Beerze gaat het hier om een groot, aaneengesloten gebied. Het bostype komt voor in het zuidelijke deel van het Riels Laag. Het betreft een oppervlakte van 3,35 ha en de trend is stabiel. Als gevolg van inrichtingsmaatregelen in het beekdal van de Oude Leij zal de omvang van het habitattype verder kunnen toenemen.

De geconstateerde trend van de beekbegeleidende bossen in Kempenland-West is in zowel oppervlakte als kwaliteit negatief. Dit hangt voor wat betreft kwaliteit onder meer samen met de aanwezigheid van invasieve exoten en de recreatiedruk De KDW van H91E0C Vochtige alluviale bossen (Beekbegeleidende bossen) is 1857 mol N/ha/jr. Daarmee is het meest stikstoftolerante habitatstype in de Natura 2000-gebieden. Daarnaast voert het habitatstype stikstof makkelijk af, waardoor er zeker geen negatieve effecten te verwachten zijn met een dermate kleine toename in stikstofdepositie.

25

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

3.1.3 Bouwsteen 3: kleine en tijdelijke deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling. Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeeld relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen ten opzichte van minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, maar ook leefgebieden, en op den duur zelfs voor areaalverlies. Vermesting en verzuring zijn processen die met elkaar in verband staan. De verzurende werking van stikstofdepositie zorgt ervoor dat de buffercapaciteit afneemt waardoor stikstof gemakkelijker wordt opgenomen en concurrentieverhoudingen veranderen. In de 'Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities versie 2024’ wordt het volgende rekenvoorbeeld aangedragen; “ • Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare. • De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2000 en 6000 kg droge stof/ha/jaar.

• Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten. • Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30-90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 2150-6400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). • Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,02-0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. ” De uitgevoerde berekening is voor 1 mol n/ha. De stikuitstoot die plaats zal vinden tijdens de werkzaamheden betreft een uitstoot die een factor van 50 lager is dan de uitstoot in het rekenvoorbeeld. Dit zou overeenkomen met 0,0004% - 0,001% van de jaarlijkse benodigde hoefveelheid stikstof voor natuurlijke habitats.

Zodoende is de totale uitstoot zeer gering en worden er geen negatieve effecten verwacht. Om een ander rekenvoorbeeld aan te dragen op basis van de gegevens van W.H. Bussink en G.L. Velthof van het Wageningen Nutriënten Management Instituut (NMI). In diens onderzoek stellen zij dat gemaaid grasland gemakkelijk 400-600 kg N per ha uit kunstmest opnemen zonder minerale stikstof na te laten in de bodem in het najaar. Zoals reeds beschreven komt bij de ontwikkeling maximaal 0.02 mol N/ha/jr, ofwel minder dan een gram stikstof per hectare vrij. Dit voorbeeld betreft dan wel een gemaaid grasland, maar wederom kan hier gesteld worden dan het gaat om een insignificante fractie van de totale capaciteit van een hectare begroeide bodem. In dit voorbeeld is de 0.02 mol N uitstoot ongeveer 1 op 1.2 miljoenste deel van de totale opname capaciteit.

3.1.4 Bouwsteen 4: kleine en tijdelijke deposities vormen een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie. De Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen van LTO-Nederland geeft voor productiegrasland het advies een jaarlijkse mestgift te doen van 359-382 kg N per hectare productiegrasland. Dit is ca. 26.000 keer zoveel stikstof als bij 1 mol N/ha eenmalige depositie. Weliswaar gaat het hierbij uiteraard niet om een natuurlijk habitat maar om productiegrasland, maar dit zet de omvang van de eenmalige depositie van 1 mol op natuurlijke systemen wel in perspectief. De laagst gemeten achtergronddepositie voor Natura 2000-gebied Loonse & Drunense Duinen is onder de 700 mol N/ha/jr ten westen van het centrum van het Natura 2000-gebied. Op de zuidelijke grens, welke zich Brabant Eco; ecologische dienstverlening

26

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 het dichts bij het plangebied bevindt zelf wordt de depositie aangegeven alszijnde rond de 1600 - 2200 mol N/ha/jr.

Achtergrond depositie stikstof in mol/ha/jr in 2020. Bron: Natura 2000 beheerplan door Provincie Noord-Brabant.

De laagst gemeten achtergronddepositie voor Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen is tussen de 700-1000 mol N/ha/jr. In de buurt van Oisterwijk zelf wordt de depositie aangegeven alszijnde rond de 1300 - 1900 mol N/ha/jr.

Achtergrond depositie stikstof in mol/ha/jr in 2020. Bron: Natura 2000 beheerplan door Provincie Noord-Brabant.

De laagst gemeten achtergronddepositie voor Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag is tussen de 928,59-1214,31 mol N/ha/jr. In het noordoosten van het Natura 2000-gebied, richting Goirle, ligt de hoogste achtergronddepositie, namelijk meer dan 2285,76 mol N/ha/jr.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

27

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Achtergrond depositie stikstof in mol/ha/jr in 2020. Bron: Natuurdoelanalyse Regte Heide & Riels Laag door Anthea Groep.

De laagst gemeten achtergronddepositie voor Natura 2000-gebied Kempenland-West is tussen de 928,591214,31 mol N/ha/jr. In het westen van het Natura 2000-gebied, richting Beverakkers, ligt de hoogste achtergronddepositie, namelijk meer dan 2285,76 mol N/ha/jr.

Achtergrond depositie stikstof in mol/ha/jr in 2020. Bron: Natuurdoelanalyse Kempenland-West door Anthea Groep.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

28

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 De ontwikkeling zou een depositie van maximaal 0.02 mol stikstof opleveren. Dit is, in verhouding tot de laagste KDW-waarde in de Natura 2000-gebieden (zeer zwak gebufferde vennen met een KDW-waarde van 429 mol N/ha/jr) een toename van iets minder dan een veertigduizendste van deze grenswaarde. Hiermee worden geen negatieve effecten verwacht.

3.1.5 Bouwsteen 5: kleine en tijdelijke deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen. Atmosferische depositie is niet de enige bron van stikstof in het leefmilieu van planten. Ook via andere mechanismen en routes komt stikstof beschikbaar. De twee belangrijkste bronnen van niet-atmosferische depositie zijn toestroming en mineralisatie. Onderstaand zijn twee uitgewerkte voorbeelden om wederom de (in)significantie van 0.02 mol N/ha/jr te illustreren. Toestroming Via grond- en oppervlaktewater. Van nature zijn oppervlaktewateren en (met name) grondwater relatief arm aan stikstofverbindingen. Door menselijke invloeden (bemesting, afvalwaterlozing) bevatten grond- en oppervlaktewater in Nederland momenteel echter aanzienlijk meer stikstofverbindingen, zowel nitraat als ammonium. In habitattypen die onder invloed staan van toestromend grondwater (kwel) of overstroming met oppervlaktewater (beek- en rivierbegeleidende habitattypen) kunnen op deze wijze een verhoogde aanvoer van stikstof ondergaan. Bij overstroming kan daarbij ook voedselrijk slib nog een rol spelen. Een voorbeeld hiervan is het Natura 2000-gebied Bunder- en Elsloërbos. Hier is de gemiddelde belasting van het grondwater ca. 75 mg/l nitraat, wat overeenkomt met ca. 17 mg N/l. De afvoer van een gemiddelde bron in het Bunderbos is ca. 1 m3 /uur.

Het gebied heeft ruim 150 van deze bronnen. Via de bronnen komt daardoor ruim 8000 mol N/ha/jaar het gebied binnen. Daarnaast komt er ook grondwater buiten de bronnen aan de oppervlakte. Een aanzienlijk deel van deze stikstof zal ook weer het gebied verlaten via de afvoer van het water door de beken, maar een deel van de stikstof wordt opgenomen in de bodem en in de vegetatie. Mineralisatie. In organisch materiaal in de bodem is stikstof geaccumuleerd die niet direct ter beschikking is voor levende planten. Door mineralisatie, waarbij bodemmicroben de immobiele stikstof omzetten naar vrij beschikbare stikstofverbindingen, komt deze geaccumuleerde stikstof weer vrij, in eerste instantie in de vorm van ammoniak. Via nitrificatie moet ammoniak eerst omgezet worden in nitraat, alvorens de stikstof beschikbaar is voor planten. Mineralisatie en nitrificatie zijn natuurlijke processen, maar kunnen versneld worden in situaties waar veel zuurstof beschikbaar is. Dit gebeurt o.a. in habitattypen waar veel organische stof aanwezig is in de bodem, en waar de beluchting van de bodem toeneemt als gevolg van verdroging (verlaging van de grondwaterstand).

3.1.6 Bouwsteen 6: effecten van kleine en tijdelijke deposities zijn uitgesloten op grond van ecologische systeemanalyse. Een ecologische systeemanalyse bestaat uit vier stappen: Een beoordeling van de overschrijding kritische depositiewaarde, een ruimtelijke uitwerking van het gebied waarin de stikstofdepositie van de ingreep effect kan hebben, de analyse van de systemen binnen de effectradius welke de kritische depositiewaarde overschrijden en een effecten beoordeling.

Beoordeling overschrijding kritische depositiewaarde Uit de gegevens van de Natuurdoel Analyses van de Natura 2000-gebieden blijkt dat de KDW vrijwel overal wordt overschreden door de achtergronddepositie. Een effect op de kwaliteit van het leefgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten, de overige stappen van een systeemanalyse zijn noodzakelijk.

Ruimtelijke uitwerking Om een grens van het effectbereik van de stikstofdepostie bij de ingreep te bepalen is gebruik gemaakt van de gegevens van de Verkenning afstandsgrens project-specifieke depositieberekeningen van het RIVM. De huidige afstand waarop een significante stikstofdepositie is aangetoond is maximaal 10.6 kilometer. Bij een verdubbeling van de afstand 10.000 -> 20.000 meter blijft ongeveer één derde van de ammoniak en de helft

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

29

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 van de stikstofoxides over. Op basis van deze gegevens wordt aangenomen dat er, in de worst-case scenario, een maximale effectafstand is van 20 km rondom het plangebied. Voor de volledigheid zullen dan ook alle doelsoorten individueel worden beschreven. Habitatstypes zijn beschreven in bouwsteen 2.

Depositie van stikstof in relatie tot afstand. Bron: Verkenning afstandsgrens project-specifieke depositieberekeningen, RIVM.

Systeemanalyse & effectbeoordeling Vogelrichtlijn De volgende vogellijnsoorten voor het beschermde vogelrichtlijngebied op de Kampina & Oisterwijkse Vennen vallen binnen de maximale effectradius van de werkzaamheden. Concreet betreft dit twee soorten, de dodaars en de roodborsttapuit. Voor beide soorten biedt het vogelrichtlijngebied niet voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. Dodaars De voornaamste habitatskenmerken van de dodaars zijn ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een rijke oevervegetatie en onderwaterplanten. Typische broedbiotopen zijn vennen, duinplassen, wielen, oude kleiputten en kreken. Rustbiotopen liggen nabij voedselbiotopen in beschutte wateren zonder stroming, zoals bij oevervegetaties of steigers. De belangrijkste bedreigingen voor de dodaars zijn slechte waterkwaliteit door vervuiling, vertroebeling en inspoeling van meststoffen, verstoring door recreatie op land en water (zoals wandelaars, boten en kano's) vooral nabij het nest, onnatuurlijk waterpeilbeheer (bijvoorbeeld laag water in de winter en hoog water in de zomer) dat leidt tot afname van geschikte broedgelegenheden, en verstoring van de oevervegetatie die essentieel is voor nestbescherming.

Met de uitstoot van maximaal 0.02 mol N/ha/jr op de Kampina & Oisterwijkse Vennen wordt geen significante verandering van de vegetatiesamenstelling verwacht (bouwsteen 1 & 2). Ook zijn er geen directe toxische effecten (bouwsteen 1), waardoor er geen afname zal zijn van de waterkwaliteit door vervuiling. De overige bedreigingen, zoals verstoring door recreatie en waterbeheer, worden niet beïnvloed door de werkzaamheden aan de Beverakkers V. Roodborsttapuit De roodborsttapuit heeft een gevarieerd habitat dat voornamelijk bestaat uit open en halfopen gebieden met ruige vegetatie. Zo wordt hij vaak gezien in heidevelden, duinen, ruige boerenlanden, extensieve graslanden, zandgronden, en natuurgebieden zoals duinen en hoogveen. In Nederland broedt de soort vooral op hoge zandgronden, langs de kustlijn, inclusief de Waddeneilanden en de Zeeuwse Delta, en wordt hij aangetroffen in gebieden met een combinatie van open zandgebieden, struikjes, helmgras, venen en waterpartijen zoals vennen. De voornaamste bedreiging voor de roodborsttapuit bestaat uit habitatsverlies, wat op meerdere manieren plaatsvindt. Met betrekking tot stikstofdepositie is het voornaamste probleem de bemesting van de heidevelden, waardoor vergrassing plaatsvindt. Graslanden die door enkele soorten gedomineerd worden bieden niet voldoende schuil- en foerageermogelijkheden voor deze soort.

Wederom wordt er geen significante verandering in de vegetatiesamenstelling verwacht. Zodoende zal er geen negatief effect zijn op deze soort.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

30

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 Habitatrichtlijn De volgende habitatrichtlijnsoorten voor het beschermde habitatrichtlijngebied vallen binnen de maximale effectradius van de werkzaamheden. Concreet kan worden gesteld dat mogelijke effecten op de amfibieën kamsalamander op vaatplanten drijvende waterweegbree, op de vissoorten kleine modderkruiper en rivierdonderpad en de ongewervelden gevlekte witsnuitlibel en gestreepte waterroofkever. Amfibieën Kamsalamander De kamsalamander is een amfibie met een verborgen levenswijze die vooral ’s nachts actief is. Ze leven in bosrijke gebieden met kleinschalige landschappen, vaak nabij stilstaande, voedselrijke tot matig voedselrijke wateren zoals poelen, vijvers en leemputten, waarin ze zich voortplanten. Volwassen kamsalamanders zijn zowel in het water als op het land actief en eten een breed scala aan kleine ongewervelde dieren, waaronder insectenlarven en kreeftachtigen. Ze zijn gebonden aan een geschikt leefgebied met voldoende water en voldoende beschutte plekken zoals houtwallen, heggen en bosranden. Kamsalamanders leggen meestal geen grote afstanden af, waardoor ze kwetsbaar zijn voor versnippering van hun leefgebied en voor barrières in het landschap.

Belangrijke bedreigingen voor de kamsalamander zijn habitatverlies door drooglegging, waterverontreiniging en verdroging van voortplantingspoelen, verstoring van de landhabitat, en versnippering van het landschap die migratie en genetische uitwisseling belemmert. De werkzaamheden hebben geen directe effecten op het habitat van de kamsalamander, er worden dan ook geen negatieve effecten verwacht ten opzichte van deze soort. Vaatplanten Drijvende waterweegbree De drijvende waterweegbree is een waterplant die voorkomt in stilstaande of zwak stromende, voedselarme tot matig voedselrijke wateren zoals heide- en veenplassen, duinplassen, meren, vijvers, sloten en kanalen. De plant groeit ondergedoken, maar kan ook op tijdelijk droogvallende oevers voorkomen. Waterweegbree groeit het beste in helder, voedselarm, zwak zuur tot licht basisch water met een minerale bodem en weinig bladinval van omliggende vegetatie. IJzerrijk grondwater kan gunstig zijn door fosforbinding in de bodem. Belangrijke bedreigingen voor de waterweegbree zijn eutrofiëring van het water door nutriëntenaanvoer (vooral fosfaat), verdroging, veranderingen in de waterkwaliteit en habitatverlies door baggeren of intensief beheer. Open, verstoorbare plekken zijn essentieel om dichtgroei en verdringing door concurrenten tegen te gaan.

Zoals reeds beschreven worden er geen negatieve effecten, zoals eutrofiëring verwacht ten gevolge van de zeer geringe stikstofdepositie. Vissen Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper is een kleine vis die voorkomt in stilstaande tot langzaam stromende wateren met een voorkeur voor ondiepe, plantenrijke habitats zoals sloten, vaarten, kanalen, beken, plassen en meren. Deze vis is voornamelijk nachtactief en zoekt overdag beschutting in de bodem, onder stenen of tussen waterplanten. Belangrijke bedreigingen zijn watervervuiling, vermesting, en het verlies van vegetatie door intensief baggeren en beheer van watergangen waarbij de vegetatie verdwijnt. Ook verzuring en het ontbreken van geschikte oever- en bodemstructuren kunnen negatieve effecten hebben. Ondanks dat de kleine modderkruiper vrij algemeen is in Nederland, kan lokale habitatverstoring leiden tot populatieafname. Er is geen sprake van directe effecten op het leefgebied van de kleine modderkruiper. Rivierdonderpad De rivierdonderpad is een nachtelijke, bodemgebonden vis die overdag schuilt onder stenen, boomwortels of dood hout. Hij komt pas bij duisternis of bij donker bewolkt weer tevoorschijn en jaagt dan opportunistisch op ongewervelde bodemdieren zoals vlokreeftjes, waterpissebedden, muggenlarven en andere insectenlarven.

De rivierdonderpad heeft een relatief geringe mobiliteit en een sterke binding aan een vaste schuilplaats, maar kan zich bij gebrek aan geschikt habitat ook over korte afstanden verplaatsen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

31

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 Wat bedreigingen betreft, is de rivierdonderpad zeer gevoelig voor organische vervuiling die kan leiden tot zuurstofgebrek. Habitatvernietiging, waterverontreiniging, verstoring van de waterhuishouding en belemmeringen in migratieroutes (zoals vistrappen die niet geschikt zijn) vormen belangrijke bedreigingen. Zoals beschreven in bouwsteen 3 leidt de kleine en tijdelijke depositie van stikstof niet tot een meetbare verandering in groeisnelheid dan wel vegetatiesamenstelling. Zodoende heeft de 0.01 – 0.02 mol N/ha/jr die gedurende enkele jaren uitgestoten zal worden geen negatief effect op de rivierdonderpad. Ongewervelden Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel is een libellensoort die voorkomt in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen, vooral in verlandingszones met helder, ondiep en matig voedselrijk water. De gevlekte witsnuitlibel heeft sterke voorkeur voor wateren met een gevarieerde en niet te dichte water- en oevervegetatie, met planten zoals riet, lisdodde, krabbenscheer en ondergedoken soorten zoals kransvederkruid. De soort vermijdt zowel geheel open als dichtgegroeide wateren en heeft schuilmogelijkheden nodig voor larven, die gevoelig zijn voor predatie.

Belangrijke bedreigingen voor de soort zijn het verlies en de achteruitgang van laagveengebieden door veranderde waterstanden, eutrofiëring, verdroging, en vermesting. Er worden geen negatieve effecten ten opzichte van de habitattypes verwacht en er is geen sprake van directe verstoring. Zodoende worden er geen negatieve effecten verwacht ten opzichte van de gevlekte witsnuitlibel. Gestreepte waterroofkever De gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus) is een zeldzame waterkeversoort die vooral voorkomt in laagveengebieden met onvervuild, voedselarm tot matig voedselrijk stilstaand water zoals sloten, kanalen, petgaten en plassen. De larven leven aan het wateroppervlak en verpoppen zich op het land onder mos, takjes of stenen. De soort is kwetsbaar door habitatverlies en verslechtering van waterkwaliteit als gevolg van vervuiling, vermesting en verzuring. De achteruitgang in Nederland is aanzienlijk, met sterke afname van vindplaatsen door verdwijnen van geschikt leefgebied en verslechterde waterkwaliteit. Populaties zijn vooral geconcentreerd in grote laagveengebieden zoals de Nieuwkoopse Plassen, Oostelijke Vechtplassen en de Weerribben. De trend voor de geschikte habitattypes op de Kampina & Oisterwijkse Vennen is stabiel of gunstig. De werkzaamheden hebben, zoals beschreven, naar verwachting geen negatieve invloed op deze trends.

Zodoende zal de gestreepte waterroofkever geen negatieve effecten ondervinden ten gevolge van de ontwikkeling.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

32

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

4. CONCLUSIE In deze Voortoets is de volgende hoofdvraag beantwoord: “Is er een kans op een negatief effect op de Natura 2000-gebieden “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag” door de stikstofuitstoot ten gevolge van de nieuwbouw van 72 woningen voor de ontwikkeling van Beverakkers 5?” Op basis van de bovenstaande bouwstenen kan geconcludeerd worden dat de bouw van de 72 nieuwe woningen horend bij de ontwikkeling van Beverakkers 5 te Biest-Houtakker geen negatief effect zal hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag”. Effectbeoordeling: Alle vier de Natura-2000 gebieden staan reeds onder druk door stikstof. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven zijn de negatieve effecten van overmatige stikstof in de verschillende habitatstypes divers. Het rapport van Sweco gaat uit van een worst-case, waarin alle werkzaamheden, inclusief de beheer en onderhoud werkzaamheden, zijn meegenomen. Echter, de depositie is van tijdelijke aard en is naar verhouding van de achtergronddepositie zeer klein. Verder kan een deel van de habitatstypes, met name op zandgronden, kleine en tijdelijke toenames aan stikstof uit te spoelen.

Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat de al kleine stikstof uitstoot bij het worst case scenario een significant effect zal hebben op de Natura-2000 gebieden. Aanbevelingen: Om de uitstoot van stikstof te minderen zou het gebruik van elektrische werk- en voertuigen een oplossing kunnen bieden. De voornaamste bron van stikstof bij het project betreft het verbranden van fossiele brandstoffen. De toename is klein, zelfs met enkel het gebruik van elektrische graafmachines en persoonsvervoer is het mogelijk dat de uitstoot van stikstof onder de significantie grens komt. Dit zou verder gestaafd kunnen worden door middel van een aanvullende AERIUS-berekening. De zorgplicht geldt te allen tijde en voor alle flora en fauna, ongeacht eventuele beschermingsstatus en verkregen ontheffingen. De zorgplicht stelt dat ‘iedereen, indien redelijkerwijs mogelijk, voldoende zorg in acht moet nemen voor alle planten en dieren en hun leefomgeving’. Waar noodzakelijk dient men de hulp van een deskundige in te roepen; bij beschermde soorten altijd.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

33

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

5. BRONNEN

Websites www.atlasleefomgeving.nl www.kaartbankbrabant.nl www.brabant.nl www.waarneming.nl www.floron.nl www.natuurmonumenten.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.natura2000.nl www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.wikipedia.nl Andere bronnen Bossen en hun groeiplaats, A. de Schrijver, L. de Keersmaeker & J. Mertens, 2023 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ’De uitspoeling van het stikstofoverschot naar gronden oppervlaktewater op landbouwbedrijven.’ 2012 Uitspoeling stikstof : Hoe verhoudt kunstmest zich ten opzichte van dierlijke mest, Bussink, W.H.; Velthof, G.L. Wageningen : Nutriënten Management Instituut (NMI), 2022 Natuurdoelanalyse Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Natuurdoelanalyse Kampina & Oisterwijkse Vennen Natuurdoelanalyse Regte Heide & Riels Laag Natuurdoelanalyse Kempenland-West

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16821545/1