CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Beverakkers V (Bijlage 11 bij toelichting - kwalitatieve voortoets stikstof)

commissie Ruimte 9 april 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Beverakkers V.13.644 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuur

VOORTOETS NATURA 2000 TOETSING STIKSTOF

Locatie: Beverakkers 5, Biest Houtakker Rapportnummer: 2025-BE-1626 In opdracht van: Van der Weegen Grondbank b.v. Kloosterstraat 4 5038VP Tilburg

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2025-BE-1626 Opdrachtgever Van der Weegen Grondbank b.v. Contactpersoon De heer M. Haans Locatie Beverakkers Biest Houtakker Auteur Freek Rovers Collegiale controle Frenk van de Wal Opleverdatum 14 november 2025 Aanpassingsdatum 8 december 2025

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Inhoudsopgave 1.

INLEIDING ..................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding................................................................................................................................. 3

2.

GEBIEDSBESCHERMING................................................................................................. 4 2.1 Natura 2000-gebieden waarop depositie plaatsvindt ........................................................ 4 2.2 Gebiedsbeschrijving en instandhoudingsdoelen................................................................ 5 2.2.1 Kampina & Oisterwijkse Vennen....................................................................................... 5 2.2.2 Habitatstypes Kampina & Oisterwijkse Vennen .............................................................. 6 2.2.3 Habitatrichtlijnsoorten Kampina & Oisterwijkse Vennen............................................... 8 2.2.4 Vogelrichtlijnsoorten Kampina & Oisterwijkse Vennen .................................................. 9 2.2.5 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen .................................................................... 10 2.2.6 Habitatstypes Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen ........................................... 10 2.2.7 Habitatrichtlijnsoorten Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen ............................ 12 2.2.8 Kempenland-West ........................................................................................................... 12 2.2.9 Habitatstypes Kempenland-West ...................................................................................

13 2.2.10 Habitatrichtlijnsoorten Kempenland-West ................................................................. 15 2.2.11 Regte Heide & Riels Laag ............................................................................................... 15 2.2.12 Habitatstypes Regte Heide & Riels Laag ...................................................................... 16 2.3 Mogelijke effecten .............................................................................................................. 17

3.

EFFECTANALYSE STIKSTOF .......................................................................................... 19 3.1.1 Bouwsteen 1: kleine en tijdelijke deposities leiden nooit tot schade aan planten ..... 19 3.1.2 Bouwsteen 2: niet alle stikstof komt altijd (direct) ter beschikking aan de vegetatie 19 3.1.3 Bouwsteen 3: kleine en tijdelijke deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling. .......................................................................... 26 3.1.4 Bouwsteen 4: kleine en tijdelijke deposities vormen een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie. ............................................................................................................ 26 3.1.5 Bouwsteen 5: kleine en tijdelijke deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen. ................................................ 29 3.1.6 Bouwsteen 6: effecten van kleine en tijdelijke deposities zijn uitgesloten op grond van ecologische systeemanalyse. ............................................................................................ 29

4.

CONCLUSIE .................................................................................................................. 33

5.

BRONNEN ................................................................................................................... 34

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

1. INLEIDING

1.1 Inleiding In Biest-Houtakker is de uitbreidingswijk Beverakkers in ontwikkeling. Het betreft een kleinschalige woonwijk die gefaseerd ontwikkeld wordt. Het voornemen bestaat om in navolging op fase 4 nu ook “Beverakkers 5” tot ontwikkeling te brengen. In dit nieuwe woongebied is plaats voor maximaal 72 woningen. Het plan is om in Beverakkers 5 een gevarieerd aanbod te realiseren met: • rijwoningen (sociale huur- en koopwoningen) • twee-onder-een-kap woningen • beneden-bovenwoningen • vrijstaande woningen Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het project kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd door Sweco (Rapport Onderzoek Stikstofdepositie Beverakkers V d.d. 4 december 2025). Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase niet onder de grenswaarde van 0.00 mol N/ha/jr blijft. Er is sprake van een uitstoot van 0.01 – 0.02 mol stikstof per hectare per jaar (mol N/ha/jr) op de volgende Natura 2000-gebieden: “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag” Op verzoek van Van der Weegen Grondbank b.v. is deze voortoets en ecologische beoordeling uitgevoerd voor de ontwikkelingen voor het realiseren van Beverakkers 5.

De bevindingen van dit vervolgonderzoek zijn beschreven in deze rapportage.

Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden. Bron: Rapport Onderzoek Stikstofdepositie Beverakkers V door Sweco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

2. GEBIEDSBESCHERMING

Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde (natuur)gebieden in de omgeving in een rapportage door Sweco (Rapport Onderzoek Stikstofdepositie Beverakkers V). De ligging van Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Als vervolg op de uitslag van de AERIUS-berekening is deze Voortoets ten aanzien van stikstof uitgevoerd. In Noord-Brabant is de Porthos regeling nog steeds van kracht. Onder deze regeling kan een individueel project zonder omgevingsvergunning plaatsvinden indien het voldoet aan drie voorwaarden; h • Een kleine, tijdelijke stikstofdepositie in de bouw- en verbouwfase (“aanlegfase”) veroorzaakt, én • Geen extra stikstofdepositie (0.00 mol N/ha/jaar) in de gebruiksfase veroorzaakt, én • Is onderbouwd met een voldoende gedegen ecologische voortoets en hierbinnen rekening is gehouden met de specifieke lokale omstandigheden Daarom zal deze Voortoets zich richten op de volgende hoofdvraag; “Is er een kans op een negatief effect op de Natura 2000-gebieden “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag” door de stikstofuitstoot ten gevolge van de nieuwbouw van 72 woningen voor de ontwikkeling van Beverakkers 5?”

2.1 Natura 2000-gebieden waarop depositie plaatsvindt Uit de AERIUS-berekening, uitgevoerd door Sweco in het Rapport Onderzoek Stikstofdepositie Beverakkers V (d.d. 4 december 2025), blijkt dat er een uitstoot van 0.01 – 0.02 mol/ha/jr plaats zal vinden gedurende de aanlegfase op de Natura 2000-gebieden “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag”. Gedurende de gebruiksfase zal geen stikstofdepositie plaatsvinden.

Resultaten van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase. Bron: Rapport Onderzoek Stikstofdepositie Beverakkers V door Sweco (04-12-2025).

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Ligging planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Rapport Onderzoek Stikstofdepositie Beverakkers V door Sweco (04-12-2025).

2.2 Gebiedsbeschrijving en instandhoudingsdoelen 2.2.1 Kampina & Oisterwijkse Vennen Kampina & Oisterwijkse Vennen behoort tot het Natura 2000-landschap “Hogere zandgronden”. Belangrijk is dat het gebied in twee delen in te delen is: de westelijk gelegen Oisterwijkse vennen (Oisterwijkse bossen wordt als synoniem gebruikt) en de oostelijk gelegen Kampina. Verder zijn met name de beken Reusel (of Achterste stroom), Rosep, Beerze en Essche stroom van belang, omdat deze een belangrijke invloed hebben op de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Hogere zandgronden (Ministerie van LNV, 2006) is: • Vergroten van interne samenhang van gebieden door:

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

• •

- Herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten. - Meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal.

2.2.2 Habitatstypes Kampina & Oisterwijkse Vennen Voor elke habitattype van de Kampina & Oisterwijkse Vennen wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Kampina & Oisterwijkse Vennen afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit (Ministerie van LNV, 2022). Habitattype

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H2330

Zandverstuivingen

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H3110

Zeer zwakgebufferde vennen

A1

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

H3130

Zwakgebufferde vennen

B1

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H3160

Zure vennen

B2

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Het habitattype stuifzandheiden met struikhei gaat door verbossing geleidelijk achteruit in oppervlakte en kwaliteit. Het habitattype verkeert landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding, uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit zijn daarom noodzakelijk. Het openhouden van het gebied is mede van belang met het oog op de aanwezige vennen (vermindering van verdamping en voldoende windwerking). Het habitattype zandverstuivingen is momenteel in geringe mate aanwezig. De afwisseling van (kleine) stuifzanden en habitattype stuifzandheiden met struikhei (H2310) is voor een groot aantal dieren belangrijk. Beide habitattypen komen lokaal in mozaïekvorm voor. Het habitattype zeer zwakgebufferde vennen komt alleen nog voor in het Staalbergven en is hier goed tot matig ontwikkeld. Dit type kwam vroeger in meerdere vennen voor; er zijn goede mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte. Het gebied levert een zeer grote bijdrage aan het landelijke doel voor het habitattype zwakgebufferde vennen. In het gebied bestaan nog diverse mogelijkheden om het type te herstellen. Voor een deel zijn de benodigde maatregelen hiertoe recent genomen, zoals in het Winkelsven. Het habitattype zure vennen komt voor in de vorm van jonge verlandingsstadia in geïsoleerde, zure vennen.

Kwaliteitsverbetering is in een aantal vennen noodzakelijk omdat deze zijn aangetast door atmosferische depositie. Een deel van de thans zure vennen is van oorsprong zwak gebufferd: herstel naar habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) wordt daar beoogd. Door verlanding van een ven kan ontwikkeling naar het

Code

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H4010

Vochtige heiden

B1

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

H4030

Droge heiden

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H6410

Blauwgras-landen

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

H7110B*

Actieve hoogvenen (heideveentjes)

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

B1

Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit

H7210

Galigaanmoerassen

B1

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

H9190

Oude eikenbossen

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

habitattype actieve hoogvenen, heideveentjes (H7110B) plaatsvinden. In een groot deel van Kampina is het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) vergrast; verbetering van de kwaliteit is hier mogelijk. Uitbreiding van het areaal vochtige heiden in het gebied is al in gang gezet Het openhouden van begroeiingen van het habitattype droge heiden is mede van belang met het oog op de aanwezige vennen (verbetering van het inzijggebied en creëren van voldoende windwerking). De blauwgraslanden in dit gebied behoren tot de beste voorbeelden van NoordBrabant. Het voorkomen is verdeeld over enkele percelen. Op enkele plekken zijn echter zowel de oppervlakte als kwaliteit achteruitgegaan. In enkele vennen komt het habitattype actieve hoogvenen, heideveentjes (subtype B) voor. Uitbreiding zal plaatsvinden door autonome ontwikkelingen in deze vennen; het habitattype kan bovendien in andere vennen ontstaan. De kwaliteit is matig. Het habitattype verkeert landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding, herstel is daarom noodzakelijk. Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komt veel voor op plagplekken, die voor een groot deel zullen ontwikkelen tot habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A).

Voor behoud van de soortensamenstelling is het van belang her en der in het terrein pionierplekken te behouden, maar daarnaast zal een gedeelte ook op een natuurlijkerwijze in stand gehouden kunnen worden in natte laagten. De kwaliteit van het habitattype in dit gebied is goed. Het habitattype galigaanmoerassen komt voor in het Winkelsven, waar het zich in het verleden – door inlaat van gebufferd water – heeft uitgebreid ten koste van zwakgebufferde vennen (H3130). Door isolatie van het ven is het type verarmd. Uitbreiding is niet ten doel gesteld, omdat dit ten koste zou gaan van het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130). Het habitattype komt, met wisselende kwaliteit, met name voor op de wat hoger gelegen delen in deelgebied Smalbroeken (Kampina) en lokaal in deelgebied Oisterwijkse Vennen. Het gaat om bos op oude bosgroeiplaatsen (de bosopstanden zelf zijn jonger). Behoud is voldoende, omdat de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering in de vrij kleine, verspreid liggende locaties beperkt zijn. Het habitattype oude eikenbossen komt voor als oude bosgroeiplaatsen op kleine

7

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H91D0

Hoogveenbossen

C

Behoud van oppervlakte en kwaliteit

H91E0C

Beekbegeleidende bossen

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

zandkoppen. Het habitattype verkeert niet in een gunstige staat van instandhouding, verbetering kwaliteit is mogelijk en wenselijk. Het habitattype komt, in beperkte mate en met zowel goede als matige kwaliteit, voor op enkele locaties in deelgebied Kampina (bij de Moddervelden, het Belversven en in Smalbroeken). Behoud is voldoende, omdat er weinig mogelijkheden zijn voor uitbreiding (zonder dat dat ten koste zou gaan van uitbreidingsdoelstellingen voor vennen en heide) en kwaliteitsverbetering. Het habitattype vochtige alluviale bossen komt in het gebied over een kleine oppervlakte voor in de vorm van beekbegeleidende bossen (subtype C). De kwaliteit kan verbeterd worden.

Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Kampina & Oisterwijkse Vennen voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%, B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2013; Ministerie van LNV, 2022.

2.2.3 Habitatrichtlijnsoorten Kampina & Oisterwijkse Vennen In de onderstaande tabel zijn de doelen voor habitatsoorten samengevat. Voor elke Habitatrichtlijnsoort van de Kampina & Oisterwijkse Vennen wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Kampina & Oisterwijkse Vennen afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken. Alle in de tabel gepresenteerde informatie is afkomstig uit het aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en deze informatie kan daarom ook verouderd zijn. Code1

Soort

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit2

H1042

Gevlekte witsnuitlibel

C

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

H2083

Gestreepte waterroofkever

B1

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

De gevlekte witsnuitlibel heeft zich in 2006 in het gebied ge(her)vestigd en wordt sindsdien verspreid in deelgebied Kampina (inclusief het Winkelsven, het Klokketorenven, en langs de Heiloop) waargenomen. Vanwege de beoogde uitbreiding en kwaliteitsverbetering van zwakgebufferde vennen (H3130) mag worden verwacht dat het leefgebied van hogere kwaliteit zal worden en zich zal uitbreiden, waardoor de populatie zal groeien. De gestreepte waterroofkever heeft een zeer ongunstige staat van instandhouding en is vrijwel geheel beperkt tot laagveenmoerassen. De populatie in dit gebied vormt echter de enige overgebleven vennenpopulatie in Nederland. Het betreft een kleine populatie die zich waarschijnlijk al lang handhaaft. De soort is ter plekke waarschijnlijk afhankelijk van de inlaat van gebufferd water. De gestreepte waterroofkever profiteert van maatregelen ter verbetering van de

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

8

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H1149

Kleine modderkruiper

-

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

H1163

Rivierdonderpad

-

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

H1166

Kamsalamander

H1831

Drijvende waterweegbree

-

B1

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop voor uitbreiding populatie.

kwaliteit van het ven, onder andere ten behoeve van het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130). De kleine modderkruiper komt in Nederland algemeen en wijdverspreid voor. Landelijk gezien verkeert de soort in een gunstige staat van instandhouding. De soort komt op verschillende locaties verspreid over het gebied voor, met name in langzaamstromende beken. De rivierdonderpad komt voor in de Beerze en in de Heiloop in het deelgebied Smalbroeken. De populatie is waarschijnlijk niet groot. De kamsalamander is in Noord-Brabant sterk achteruitgegaan en komt ook in dit gebied nog maar spaarzaam voor, al lijken de waarnemingen recentelijk weer toe te nemen. De kamsalamander komt op een aantal locaties in het gebied voor. Binnen het gebied zijn goede mogelijkheden voor uitbreiding van het leefgebied. Verder bevinden zich meerdere relictpopulaties in het gebied. Voor versterking van de populatie is verbinding met deze relictpopulaties van belang. De drijvende waterweegbree is in het gebied duurzaam aanwezig. De soort komt in meerdere vennen voor, maar is minder verspreid aanwezig dan in het verleden. Herstel van de biotoop is mogelijk (middels herstel van de zwakgebufferde vennen (H3130)), waarbij uitbreiding van de populatie gerealiseerd kan worden. Het gebied is landelijk van zeer groot belang.

Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijnsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Kampina & Oisterwijkse Vennen voor deze soorten binnen Nederland, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezi g was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2013.

2.2.4 Vogelrichtlijnsoorten Kampina & Oisterwijkse Vennen Voor elke broedvogelsoort van de Kampina & Oisterwijkse Vennen wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Kampina & Oisterwijkse Vennen afgezet tegen de betekenis van de andere Vogelrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013). Code A004

Habitattype

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

Dodaars

C

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren.

Van oudsher is de dodaars broedvogel van de vennen. Inventarisatiegegevens in dit gebied zijn schaars. In de jaren zestig broedden circa 10 paren in dit gebied en in 1999 werden 29 paren geteld. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

9

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

A039

Taigarietgans

Nietbroedvogel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 100 vogels (seizoensmaximum).

A276

Roodborsttapuit

C

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 35 paren

draagkracht in de regio Midden-Brabant ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Aantallen taigarietganzen zijn van nationale betekenis. Dit gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Het gebied levert als slaapplaats de grootste bijdrage binnen het Natura 2000-netwerk in Nederland. De beschikbare gegevens zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Van oudsher is de roodborsttapuit broedvogel van de heidevelden. Inventarisatiegegevens zijn schaars. In 1999 werden in dit gebied 34 paren geteld. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio MiddenBrabant ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

Instandhoudingsdoelstellingen broedvogelsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Kampina & Oisterwijkse Vennen voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. Bron: Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013).

2.2.5 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen is onderdeel van het Natura 2000-landschap Hogere zandgronden zoals vastgesteld in het doelendocument van het ministerie van LNV (2006). De opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Hogere zandgronden (Natura 2000 doelendocument, Ministerie LNV, 2006) is als volgt: Hogere zandgronden: – Vergroten van interne samenhang van gebieden door: • herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. • Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. • Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal. Beekdalen: • Versterken van de functionele samenhang van de Natura 2000 gebieden met hun omgeving ten behoeve van duurzame instandhouding en ter vergroting van de algemene biodiversiteit. Onder andere door herstel natuurlijke waterstromen en –standen, zowel grondwater als oppervlaktewater van goede kwaliteit, en op termijn herstel van overstromingsdynamiek.

• Binnen de Natura 2000 gebieden herstel van gradiënten en mozaïeken van verschillende onderdelen met name t.b.v. kalkmoerassen, blauwgraslanden en vochtige alluviale bossen.

2.2.6 Habitatstypes Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Voor elke habitattype van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit (Ministerie van LNV, 2022).

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

10

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 Habitattype

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

B1

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H2330

Zandverstuivingen

A1

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H3130

Zwakgebufferde vennen

B1

Behoud oppervlakte en kwaliteit

H4030

Droge heiden

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H6410

Blauwgraslanden

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H9160A

Eiken-haagbeukbossen (hogere zandgronden)

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit eikenhaagbeukenbossen, hogere zandgronden (subtype A).

H9190

Oude eikenbossen

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Het habitattype stuifzandheiden met struikhei komt voor binnen het stuifzandgebied en op enkele geïsoleerd gelegen heideterreintjes, te midden van de naaldbossen. Ten behoeve van duurzame instandhouding en verbetering van de kwaliteit voor de fauna wordt gestreefd naar een groter aaneengesloten oppervlakte. Kwaliteitsverbetering van het habitattype zandverstuivingen is noodzakelijk in de soortensamenstelling: de overgangszone tussen open zand enerzijds en heide en bos anderzijds ontbreekt vrijwel, waardoor veel karakteristieke en bedreigde soorten broedvogels en insecten onder druk staan of reeds zijn verdwenen. Voldoende wind is een belangrijke randvoorwaarde voor de realisering van gevarieerde zandverstuivingen met overgangen naar droge heiden en bossen. Samen met de Veluwe is het gebied van groot belang voor het realiseren van het landelijk doel. In de Leemkuilen is het habitattype goed ontwikkeld aanwezig. In een aantal andere vennen in het gebied is de kwaliteit matig maar zijn de mogelijkheden voor verbetering onzeker. Uit de vennen van De Brand is de medicinale bloedzuiger bekend. Het habitattype komt met een beperkte oppervlakte op verschillende locaties voor in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Het gaat om restanten van de buiten het stuifzandlandschap gelegen Drunense Heide en Helvoirtsche Heide.

Uitbreiding en kwaliteitsverbetering kan plaatsvinden door de voorgenomen verwijdering van heidebebossingen en door vermindering van de vergrassing op bestaande locaties. Het habitattype blauwgraslanden komt met een geringe oppervlakte in matige kwaliteit voor in het gebied. Er is potentie om het type hier uit te breiden en te herstellen. Het habitattype komt, met wisselende kwaliteit, verspreid voor in de deelgebieden De Brand en Nieuwe, Oude en Hoornmanker Tiend. Het gaat om bos op oude bosgroeiplaatsen (soms betreft het tevens een oude bosopstand). Er zijn mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering. Het habitattype komt voor over een relatief klein gedeelte van het gebied. Dit subtype komt voor in een nat gedeelte, waar het op iets drogere plekken naast het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (H91E0C) voorkomt. Het habitattype oude eikenbossen komt voor in de vorm van kleine eikenbosjes in het stuifzandgebied. Daarnaast komt het ook voor als beplante houtwallen langs het

Code

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

11

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H91E0C

Beekbegeleidende bossen

C

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C).

stuifzand. Hier zijn enkele zeer oude eikenstoven aanwezig met een doorsnede van meer dan 10 meter Het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C) komt voor in de vorm van Elzenbroekbossen. De kwaliteit kan verbeterd worden en de oppervlakte sterk worden uitgebreid waarmee het gebied in de toekomst een zeer grote bijdrage aan het landelijke doel voor het habitattype kan gaan leveren.

Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%, B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. Bron: Ministerie van EZ, 2013; Ministerie van LNV, 2022.

2.2.7 Habitatrichtlijnsoorten Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen In de onderstaande tabel zijn de doelen voor habitatsoorten samengevat. Voor elke Habitatrichtlijnsoort van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken. Alle in de tabel gepresenteerde informatie is afkomstig uit het aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en deze informatie kan daarom ook verouderd zijn. Code1

Soort

H1166

Kamsalamander

H1831

Drijvende waterweegbree

Relatieve bijdrage -

C

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit2

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

De kamsalamander komt voor in De Brand en in de Leemkuilen. In De Brand komt een omvangrijke populatie voor met enkele tientallen voortplantingswateren die min of meer geregeld gebruikt worden. In de Leemkuilen komt een populatie voor in het westen van dit deelgebied. Binnen het gebied zijn goede mogelijkheden voor uitbreiding van het leefgebied. Verbetering van de kwaliteit leefgebied omvat tevens verbetering van de verbinding tussen populaties onderling. Daarnaast is verbinding met de nabijgelegen populaties van groot belang. De drijvende waterweegbree is zowel het noordwesten van het gebied als recentelijk in het deelgebied Leemkuilen waargenomen.

Behoud omvang en kwaliteit biotoop voor behoud populatie.

Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijnsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen zijn voor deze soorten binnen Nederland, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2013.

2.2.8 Kempenland-West Het Natura 2000-gebied Kempenland-West is toegedeeld aan het landschap Hogere zandgronden, tevens is het landschap Beekdalen relevant (Natura 2000-doelendocument bron: Ministerie van LNV, 2006). Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Hogere zandgronden (Natura 2000 doelendocument): • Vergroten van interne samenhang van gebieden door herstel van evenwichtige verdeling van

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

12

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 open en gesloten met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. • Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. • Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal. Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Beekdalen (Natura 2000 doelendocument): • Versterken van de functionele samenhang van de Natura 2000 gebieden met hun omgeving ten behoeve van duurzame instandhouding en ter vergroting van de algemene biodiversiteit. Onder andere door herstel natuurlijke waterstromen en –standen, zowel grondwater als oppervlaktewater van goede kwaliteit, en op termijn herstel van overstromingsdynamiek. • Binnen de Natura 2000 gebieden herstel van gradiënten en mozaïeken van verschillende onderdelen met name t.b.v. kalkmoerassen, blauwgraslanden en vochtige alluviale bossen.

2.2.9 Habitatstypes Kempenland-West Voor elke habitattype van het Kempenland-West wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Kempenland-West afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit (Ministerie van LNV, 2022). Habitattype

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H3130

Zwakgebufferde vennen

B1

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H3160

Zure vennen

B1

H3260A

Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)

B

Behoud oppervlakte en kwaliteit. Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

Een aanzienlijk deel van het habitattype stuifzandheiden met struikhei is vergrast met pijpenstrootje en bochtige smele. De droge heide in het gebied behoort deels tot habitattype stuifzandheiden met struikhei (op landduinen) (H2310) en deels tot habitattype droge heiden (op dekzand) (H4030) Het habitattype zwakgebufferde vennen komt matig tot goed ontwikkeld voor. Bij herstel van de waterhuishouding en het schonen van gedegradeerde vennen zijn er goede mogelijkheden voor het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande vennen Het habitattype zure vennen komt in het gebied voor. De kwaliteit van het habitattype beken en rivieren met waterplanten, waterranonkels (subtype A) is door eutrofiëring en “normalisatie” van de laaglandbeken achteruitgegaan. Het gebied kent echter nog steeds goede mogelijkheden voor herstel van dit zeer ernstig bedreigde type. Voor de uitvoering van beekherstelprojecten is tijdelijke achteruitgang van dit habitattype toegestaan binnen de huidige begrenzing van het Natura 2000-gebied tot het moment dat de begrenzing is aangepast aan de nieuw ontstane situatie middels een wijzigingsbesluit. Binnen de nieuwe begrenzing dient dan ten minste geen achteruitgang meer te zijn van dit habitattype ten opzichte van de situatie ten

Code

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

13

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H4010

Vochtige heiden

B1

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A).

H4030

Droge heiden

C

Behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

H6410

Blauwgraslanden

C

Behoud van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit.

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

B1

Behoud van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit.

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

H9160

Eikenhaagbeukenbossen

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit eikenhaagbeukenbossen, hogere zandgronden (subtype A).

H9190

Oude eikenbossen

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

H91D0

Hoogveenbossen

C

Behoud van oppervlakte en kwaliteit

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

tijde van vaststelling van het huidige aanwijzingsbesluit Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) komt met een aanzienlijke oppervlakte voor en is vooral matig ontwikkeld en slechts plaatselijk goed ontwikkeld aanwezig. Een aanzienlijk deel is vergrast met pijpenstrootje. Bij herstel van de waterhuishouding en een goed beheer zijn de potenties voor verbetering van de kwaliteit groot Een aanzienlijk deel van de heide van het habitattype droge heiden is vergrast met pijpenstrootje en bochtige smele. De droge heide in het gebied behoort deels tot habitattype stuifzandheiden met struikhei (H2310, op landduinen) en deels tot habitattype droge heiden (H4030, op dekzand) In dit gebied komt het habitattype blauwgraslanden met een kleine oppervlakte voor. Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komt veel voor op plagplekken, en zal voor een groot deel weer omvormen tot habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A). Voor behoud van de soortensamenstelling is het van belang her en der in het terrein pionierplekken te behouden Het habitattype komt, met wisselende kwaliteit, verspreid voor langs de Reusel en lokaal langs de Groote Beerze. Het gaat om bos op oude bosgroeiplaatsen (en ten dele ook om oude bosopstanden).

Met name in de grotere locaties zijn er mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering Het habitattype eiken-haagbeukenbossen, hogere zandgronden (subtype A) komt voor op twee locaties langs de Reusel, in afwisseling met H9120 en H91E0C. De mogelijkheden voor uitbreiding lijken beperkt, maar de verwachting is dat er wel kwaliteitsverbetering mogelijk is, in samenhang met het verbeterdoel voor H91E0C Het habitattype komt met een beperkte oppervlakte, maar wel met drie verschillende subassociaties, voor op de flanken van het beekdal van de Groote Beerze, ter hoogte van Grijze Steen. Het gaat om bos op oude bosgroeiplaatsen (de bosopstanden zelf zijn jonger). Behoud is voldoende, omdat de mogelijkheden voor uitbreiding en kwaliteitsverbetering beperkt zijn Het habitattype komt op vrij veel locaties voor: verspreid langs vennen op de Mispeleindsche Heide, in Het Goor en langs de Groote Beerze (ter hoogte van Grijze Steen). In alle deelgebieden betreft het zowel goede als matige kwaliteit. Behoud is voldoende, omdat de mogelijkheden voor

14

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H91E0C

Beekbegeleidende bossen

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C).

uitbreiding en kwaliteitsverbetering beperkt zijn Het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C) is over een kleine oppervlakte aanwezig in het gebied. Kwaliteitsverbetering van het habitattype is mogelijk

Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van het Kempenland-West voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%, B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2013; Ministerie van LNV, 2022.

2.2.10 Habitatrichtlijnsoorten Kempenland-West In de onderstaande tabel zijn de doelen voor habitatsoorten samengevat. Voor elke Habitatrichtlijnsoort van de Kempenland-West wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Kempenland-West afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken. Alle in de tabel gepresenteerde informatie is afkomstig uit het aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en deze informatie kan daarom ook verouderd zijn. Code1

Soort

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit2

H1149

Kleine modderkruiper

-

Behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied voor behoud van de populatie.

H1831

Drijvende waterweegbree

B1

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

De kleine modderkruiper is veelvuldig in het gebied waargenomen in een beperkt deel van de Reusel. Het is niet duidelijk of de soort ook in andere delen van het gebied voorkomt. De drijvende waterweegbree komt verspreid voor in diverse beken in het gebied. Het betreft hier de rijkste groeiplaatsen van de drijvende waterweegbree in ons land. Het gebied is daarom landelijk van zeer groot belang. Voor de uitvoering van beekherstelprojecten is tijdelijke achteruitgang van de soort toegestaan binnen de huidige begrenzing van het Natura 2000- gebied tot het moment dat de begrenzing is aangepast aan de nieuw ontstane situatie middels een wijzigingsbesluit. Binnen de nieuwe begrenzing dient dan geen achteruitgang meer te zijn van de soort ten opzichte van de situatie ten tijde van vaststelling van het huidige aanwijzingsbesluit.

Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijnsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van het Kempenland-West voor deze soorten binnen Nederland, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2013.

2.2.11 Regte Heide & Riels Laag Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag is onderdeel van het Natura 2000-landschap Hogere zandgronden zoals vastgesteld in het doelendocument van het ministerie van LNV (2006). Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Hogere zandgronden (Natura 2000 doelendocument):

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

15

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 • Vergroten van interne samenhang van gebieden door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. • Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. • Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal.

2.2.12 Habitatstypes Regte Heide & Riels Laag Voor elke habitattype van het Regte Heide & Riels Laag wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Regte Heide & Riels Laag afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit (Ministerie van LNV, 2022). Habitattype

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

C

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H3130

Zwakgebufferde vennen

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

H3160

Zure vennen

C

Behoud van de oppervlakte en verbetering van kwaliteit.

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

C

Behoud van de oppervlakte en verbetering van kwaliteit.

H4030

Droge heiden

C

Behoud van de oppervlakte en verbetering van kwaliteit.

H6410

Blauwgraslanden

C

Behoud van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit.

H7140A

Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

De heide in het gebied behoort deels tot het habitattype stuifzandheiden met struikhei (op landduinen) en deels tot het habitattype droge heiden (H4030; op dekzand). De heide is vergrast. De afwisseling van zand en hei is voor een groot aantal dieren belangrijk. Verbetering van de kwaliteit is hiervoor van belang. Uitbreiding wordt niet mogelijk geacht omdat de oppervlakte waar het habitattype voor kan komen reeds benut is Het habitattype zwakgebufferde vennen heeft zich goed ontwikkeld in een natuurontwikkelingsgebied langs de Lei De zure vennen in het gebied hebben grotendeels een matige kwaliteit. Kwaliteitsverbetering is hier mogelijk. Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) is plaatselijk goed ontwikkeld, een groot gedeelte is echter vergrast. Het gebied lijdt onder verdroging De droge heide in dit gebied betreft merendeels dit habitattype (H4030) en voor een klein deel stuifzandheiden met struikhei (H2310). Omdat een deel van de droge heiden zijn vergrast, wordt verbetering van de kwaliteit nagestreefd Het habitattype komt, met een vrij beperkte oppervlakte en met een deels goede, deels matige kwaliteit, voor bij Papenmoeren en aan de rand van het Riels Laag, in het beekdal van de Oude Leij.

Gezien het feit dat onbekend is of er mogelijkheden zijn voor verdere uitbreiding en kwaliteitsverbetering, is voorzichtigheidshalve gekozen voor een behoudsdoel Het habitattype komt met een beperkte oppervlakte voor aan de randen van het Riels Laag. De kwaliteit is op zich goed, maar nog eenzijdig ontwikkeld.

Code

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

16

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

C

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Gezien het feit dat onbekend is of er mogelijkheden zijn voor verdere uitbreiding en kwaliteitsverbetering, is voorzichtigheidshalve gekozen voor een behoudsdoel Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komt veel voor op plagplekken, het type zal echter voor een groot deel weer omvormen tot habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A). Daarnaast komt het type ook in natuurlijke laagten voor, bijvoorbeeld rond vennen. Er is in dit gebied weinig potentie om de oppervlakte uit te breiden of de kwaliteit te verbeteren Het habitattype vochtige alluviale bossen komt in het gebied over een klein oppervlakte voor in de vorm van een elzenzegge-elzenbroekbos behorende tot het subtype beekbegeleidende bossen

Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van het Regte Heide & Riels Laag voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%, B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2013; Ministerie van LNV, 2022.

2.3 Mogelijke effecten Doordat het plangebied buiten de Natura 2000-gebieden ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Kempenland-West”, op ongeveer 1.5 kilometer afstand. De andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op 4.5 kilometer (Oisterwijkse Vennen & Kampina), 7.8 kilometer (Regte Heide & Riels Laag) en 10.6 kilometer (Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen) afstand van het plangebied. Effecten ten gevolge van directe verstoring zoals versnippering, geluid en licht kunnen gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, op voorhand worden uitgesloten. Uit de Aerius-berekening blijkt dat de werkzaamheden een toename van stikstof van 0.01 – 0.02 mol/ha/jr zullen veroorzaken op de Natura 2000-gebieden “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag” Concreet zijn er twee processen waarmee een toename aan stikstof een negatief effect kan hebben op een Natura 2000-gebied: vermesting en verzuring. Vermesting leidt tot een overmaat aan beschikbare stikstof in een ecosysteem.

Dat is vooral in natuurgebieden een probleem, omdat die van nature veel stikstofarmer zijn. Dit komt doordat Nederland al eeuwen een overschot aan regen heeft. Deze schone neerslag heeft veel natuur, zoals bijvoorbeeld de duinen, langdurig `schoongespoeld’, waardoor op deze groeiplaatsen maar weinig voedingsstoffen, waaronder stikstof, achterbleven. Bufferstoffen zoals kalk en ijzer kwamen nog wel voor, zij het beperkt. De toename van stikstofneerslag betekent dat onze natuur veel stikstofrijker is geworden. Vanwege het verzurende effect van luchtvervuiling op de bodem zijn er minder bufferstoffen aanwezig. De opstapeling van voedsel zorgt ervoor dat sommige planten als brandnetels, sommige grassoorten en braam erg snel gaan groeien. Zij verdrukken daarmee andere planten die het al moeilijk hebben omdat zij voedselarme grond nodig hebben. Daarmee verdwijnen ook dieren die van die zeldzame planten leven. De biodiversiteit neemt zo af door de uitstoot van stikstof. Verzuring ontstaat als gevolg van verontreiniging van de lucht met de stoffen zwaveldioxide, ammoniak en stikstofoxiden. Deze gassen reageren met elkaar en worden omgezet in onder andere salpeterzuur en zwavelzuur. Deze stoffen kunnen leiden tot verzuring van bodem en water en kunnen planten en materialen aantasten. Landbouw, verkeer en de industrie zijn de belangrijkste bronnen van verzurende stoffen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

17

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 Verzuring is een langetermijnproces waardoor de bodem geleidelijk zijn bufferende werking verliest waarna belangrijke micronutriënten voor planten, zoals kalium, calcium en magnesium uitgespoeld worden. Hierdoor ontstaan er gebrek verschijnselen in deze planten. Door deze afname kan dezelfde onbalans ontstaan in grazend wild, zoals konijn, haas en ree. In sterk verzuurde gronden kan er zelfs een mobilisatie van giftige metalen ontstaan, zoals aluminium en cadmium. Dergelijke mobilisatie vergt een lage pH van minder dan 4. Met name graslanden zijn kwetsbaar voor verzuring, aangezien de natuurlijke pH in de bodem rond de 4.8 en 5.5 ligt.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

18

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

3. EFFECTANALYSE STIKSTOF

In dit hoofdstuk worden potentiële effecten van de storingsfactoren beschreven, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bouwstenen uit de 'Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities versie 2024’. Gezien de afstand tussen de plangebieden en de Natura 2000-gebieden kunnen directe effecten zoals optische verstoring en versnippering op voorhand worden uitgesloten.

3.1.1 Bouwsteen 1: kleine en tijdelijke deposities leiden nooit tot schade aan planten Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH4 +) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten, waarop de overige bouwstenen zijn gebaseerd, treden de schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu (waarbij overigens ook giftige stoffen zoals aluminium kunnen ontstaan) en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme speelt daarom in Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol. De werkzaamheden vinden plaats op 1.5 tot 10.6 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde grenzen van de verschillende Natura 2000-gebieden. Gezien deze afstand is enkel atmosferische depositie van stikstof mogelijk. Daarnaast betreft de uitstoot van het plan maximaal 0.02 mol/ha/jr en zal er in de gebruiksfase geen toename meer zijn aan stikstofdepositie.

Zodoende is er geen sprake van directe schade aan de planten op de “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Kempenland-West” en “Regte Heide & Riels Laag”

3.1.2 Bouwsteen 2: niet alle stikstof komt altijd (direct) ter beschikking aan de vegetatie Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd aan bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. Vooral in bodem met een hoog aandeel kleideeltjes kan het aandeel gebonden ammonium hoog zijn. Het gebonden ammonium is voor een deel beschikbaar voor planten. Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is, en deze niet door planten worden opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn. De uitspoeling van nitraat naar het grondwater is in de loof- en naaldbossen van Europa sterk gerelateerd aan de totale stikstofdepositie die op en in het bos terechtkomt. Bij stikstofdeposities onder de 8-10 kg N/ha/jaar (571-714 mol N/ha/jaar) spoelt in bossen vrijwel geen nitraat uit naar het grondwater.

Daarboven neemt de uitspoeling met een toenemende stikstofdepositie significant toe. Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem, waarbij in zandgronden de meeste stikstof uitspoelt, en in veengrond het minste. In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden ook de grondwatertrap een belangrijke rol speelt. Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is. In natuurgebieden is de uitspoeling naar het grond- of oppervlaktewater niet het gevolg van bemesting maar als gevolg van atmosferische depositie en mineralisatie van organische stof. De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uitnatuurgebieden in zandgebieden varieert in de periode 2016-2030 tussen 4 en 16 kg N/ha/jaar bij

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

19

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626 een depositie van 33 (± 7) kg N/ha/jaar. In veengebieden spoelt in vergelijking slechts 5% van de stikstof uit, dit zijnde ongeveer 200 – 800 gr N/ha/jaar (RIVM 2012). Met de bouw van de woningen aan voor de ontwikkeling van Beverakkers 5 te Biest-Houtakker komt naar verwachting 0.01 – 0.02 mol N/ha/jr vrij. Dit betreft een belasting van minder dan een gram stikstof per hectare gedurende de jaren dat de werkzaamheden plaatsvinden. In de onderstaande tabel staat kwalitatief weergegeven of er negatieve effecten ten gevolge van deze extra depositie verwacht kunnen worden, aan de hand van de uitspoeling snelheid en de gevoeligheid van het habitatstype voor stikstofdepositie. Habitattype

Mate van uitspoeling van stikstof

Kwetsbaarheid voor stikstofdepositie

Negatief effect

Toelichting

Stuifzandheiden met struikhei

Hoog, zandbodem

Hoog

Nee

Het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei komen, volgens de meest recente habitattypenkaart, voor in het centrum van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De totale oppervlakte van 113,3 ha is versnipperd gelegen tussen de stuifzanden en droge heide. De oppervlakte gaat echter wellicht achteruit. Het perspectief voor de oppervlakte is gunstig vanwege de genomen maatregelen. De totale oppervlakte voor H2310 Stuifzanden met struikhei in de Kampina & Oisterwijkse Vennen is 20-30 ha. De trend is positief. De kwaliteit van het huidige areaal is verbeterd. In Kempenland-West ligt slechts een klein areaal van dit habitattype. Het komt voor op de Roovertsche Heide en de Landschotsche Heide, naast het habitattype Droge heiden. Kwantitatieve gegevens over de ontwikkeling ontbreken. Als gevolg van intensief beheer is de laatste decennia de kwaliteit van de droge heiden vooruitgegaan (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

Zandverstuivingen

Hoog, zandbodem

Hoog

Nee

Zeer zwakgebufferde vennen

Laag, veel organisch materiaal en geen mobiel water

Hoog

Nee

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

De kritische depositiewaarde (KDW) van het habitattype H2310 is 1.071 mol N/ha/jr. Een aanvoer van 0.01 – 0.02 mol N/ha/jr is slechts maximaal 1/50.000ste deel van de uitstoot die dit habitattype veilig zou kunnen verdragen. De totale oppervlakte aan zandverstuivingen is 146,7 ha en dat oppervlakte is versnipperd langs de randen van de heide gelegen en uitsluitend in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Voor H2330 Zandverstuivingen ligt de huidige oppervlakte in de Kampina & Oisterwijkse Vennen tussen de 0,5 en 1 ha. Een groot oppervlakte verstuifbaar zand is niet passend in de Kampina & Oisterwijkse Vennen. De KDW van het habitattype H2330 is 714 mol N/ha/jr. De tijdelijke uitstoot is wederom een dermate kleine fractie van de KDW dat deze op korte termijn uitgespoeld zal zijn, waardoor er geen negatieve effecten zullen plaatsvinden ten gevolge van de zeer kleine depositie Het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen komt volgens de habitattypenkaart (T0kaart) alleen voor in het Staalbergven, zie Figuur 512. De totale oppervlakte is 4,42 ha.

20

Voortoets Stikstof Beverakkers 5 Biest Houtakker BE-1626

Zwakgebufferde vennen

Laag, veel organisch materiaal en geen mobiel water

Varieert

Nee

Zure vennen

Laag, veel organisch materiaal en geen mobiel water, afhankelijk van buffers

Varieert, over het algemeen minder kwetsbaar dan zwakgebufferde vennen.

Nee

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

Hoog, zandbodem

Hoog

Nee

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

De KDW van dit habitattype bedraagt 429 mol N/ha/jr. Dit wordt zeer beperkt overschreden ten gevolge van de ontwikkeling. Een dergelijke ontwikkeling zou grofweg vijftigduizendmaal kunnen plaatsvinden voordat de stikstofbelasting van het gebied overschreden zou worden via stikstofdepositie vanuit de bouw. Hoewel er ook andere factoren de stikstofdepositie beïnvloeden, zal een dermate kleine toename naar verwachting niet leiden tot negatieve effecten. Aan de noordkant van de Loonse en Drunense duinen ligt het habitattype in het Galgenwiel en Kikkerwiel. In de Leemkuilen beperkt het habitattype zich tot één poel, waarbij het beheer dat is gericht op het tijdig opschonen voor amfibieën ook gunstig is voor dit habitattype. Het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen komt volgens de habitattypenkaart verspreid op de Kampina & Oisterwijkse Vennen voor. Met name in het Van Esschenven en het Klokketorenven is een relatief groot oppervlakte aanwezig. Op de Regte Heide & Riels laag wordt de huidige kwaliteit als goed beoordeeld en de trend als stabiel. Voor de zwakgebufferde vennen geldt dat de opslag wordt verwijderd en dat deze vennen lang openblijven. In Kempenland-West is het habitatstype aan het herstellen. Deels is dit een gevolg van de afname van de verzurende en vermestende depositie. Daarnaast wordt in enkele vennen in Brabant basenrijk grondwater opgepompt of ingelaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16774360/1