CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Actualisatie APV 2026 (4 bijlage Verordening na cie 18-6-2026)

Gemeenteraad 8 juli 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Herziening APV 2026.28.172 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 3 de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hilvarenbeek 2026 (inclusief deel I. Openbare Orde en Veiligheid en deel II. Fysieke Leefomgeving)

Inhoudsopgave de Algemene Plaatselijke Verordening 2026 van de gemeente Hilvarenbeek Inhoudsopgave APV 2026 Deel I. Openbare Orde en Veiligheid Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Afdeling 3. Evenementen Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Afdeling 8. Toezicht op campings en recreatieparken Afdeling 9. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Afdeling 10. Bestrijding van heling van goederen Afdeling 11. Consumentenvuurwerk en carbidschieten Afdeling 12. Drugsoverlast Afdeling 13. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf Afdeling 4. Overige bepalingen Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Hoofdstuk 5.

Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Collecteren Afdeling 2. Venten Afdeling 3. Snuffelmarkten Afdeling 4. Openbaar water en waterstaatwerken Afdeling 5. Vuurverbod Afdeling 6. Asverstrooiing Hoofdstuk 6. (Vervallen)

1

Deel II. Fysieke Leefomgeving Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Afdeling 2. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Hoofdstuk 3. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Hoofdstuk 4. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Afdeling 2. Standplaatsen Afdeling 3. Openbaar water en waterstaatwerken Afdeling 4. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Afdeling 5. Vuurverbod Afdeling 9. Asverstrooiing Hoofdstuk 5. (Vervallen)

Deel III Straf-, overgangs- en slotbepalingen Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

2

Deel I. Openbare Orde en Veiligheid Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet; c. bevoegd gezag: dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet e. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; f. college: het college van burgemeesters en wethouders; g. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; k. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; l.

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; m. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; n. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; o. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is 3

2.

bepaald. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist. c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen. d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu 2.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden. Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigingen ontstaan, b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigingen ontstaan, of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing

4

3. 4.

5. 6.

Is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen inrichting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen wordt een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden met het tijdstip van aanvang en beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. 4.

5.

Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:3 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:4 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 5

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:5 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze a. te voorzien van de naam of het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf 2. 3.

Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. Het eerste lid aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet.

Artikel 2:6 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:7 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het eerste is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van strafrecht. Artikel 2:8 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de ander a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:9 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:4; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:30; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f of voetbalwedstrijden tussen lokale voetbalverenigingen en clubs uit de KNVB, betaald voetbalcompetitie of grote buitenlandse clubs;

6

2.

Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. vechtsportwedstrijden, vechtsportgala’s, evenementen van motorclubs; g. een slipjacht.

3.

In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 100 personen; en, b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur; en, c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur; en, d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en, e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; en f. een organisator bij het evenement aanwezig in dienst te zijn.

Artikel 2:10 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder melding of zonder in afwijking van een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. De aanvraag voor een evenementenvergunning dient: a. voor een regulier (A-evenement) uiterlijk acht weken van tevoren te worden ingediend waarbij de burgemeester binnen 6 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist; b. voor een aandachts-evenement (B-categorie) uiterlijk twaalf weken van tevoren te worden ingediend, waarbij de burgemeester binnen 8 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist; c. voor een risico-evenement (C-categorie) uiterlijk twintig weken van tevoren te worden ingediend, waarbij de burgemeester binnen 16 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist; 4.

Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:9, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden, vechtsportgala’s, evenementen van motorclubs of slipjachten. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement of evenementen van motorclub als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, onder f, weigeren indien: a. de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. 7

8. 9.

Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. 3. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 4. Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 4a. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:12 Definitie 1. In deze afdeling wordt in ieder geval onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, smartshop, headshop of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken, zowel alcoholische of non-alcoholische, worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2.

Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waarvan sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan: a. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; b. dienstdoend personeel van de houder van de inrichting; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:13 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan/BOPA. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:13 geheel of gedeeltelijk weigeren indien sprake is van een of meer van de volgende situaties: a. naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. niet is voldaan aan de vereisten voor het indienen van de aanvraag; d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Hieronder vallen mede het Bibobvragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd; 8

4. a. b. c. d. 5.

6. 7.

e. de exploitant en leidinggevende(n) niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan de leidinggevende(n) gestelde eisen. f. de exploitant of de leidinggevende(n) binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van de (ernstige) vrees voor verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- of leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b Opiumwet of artikel 10 Wet experiment gesloten coffeeshopketen gesloten is geweest; g. dit nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; h. de vestiging of exploitatie in strijd zijn met het omgevingsplan; i. sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting met een kleinschalig karakter die zich bevindt in een: winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; zorginstelling; museum; of een bedrijfskantine of -restaurant. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan de openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a.

zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting: of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:7 of 2:13, tweede of derde lid. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:13a Wijziging en verval van de exploitatievergunning 1. Indien zich veranderde omstandigheden voordoen waardoor de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de verleende vergunning, dient de exploitant onverwijld een ontvankelijke aanvraag in bij de burgemeester. 2. Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet binnen twee weken nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan is ingediend, kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:13 intrekken. 3. Een vergunning vervalt indien: a. gedurende een jaar, anders dan wegens overmacht, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. de exploitant de hoedanigheid van exploitant heeft verloren; c. een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden; d. er sprake is van wijziging in de exploitatie doordat de aard van de inrichting is gewijzigd, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd. 4. Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van dezelfde openbare inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het derde, onder b buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.

9

Artikel 2:13b Intrekkingsgronden a. als de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften van de vergunning; b. als de exploitant en leidinggevende(n) niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen; c. als er sprake is van een wijziging in de exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:13a; d. als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; e. als zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; f. als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob; g. als de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; h.

als de aan de burgemeester verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, hieronder vallen. Artikel 2:14 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op: a. maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur; c. kermisdagen met uitzondering van de laatste kermisdag tussen 02.00 en 06.00 uur; en d. maandag en dinsdag tijdens carnaval tussen 02.00 en 06.00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:13, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:15 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:16 Verboden gedragingen 1. Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 eerste lid; 10

c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:17 Handel binnen openbare inrichtingen, smart- of headshops en andere voor het publiek openstaande gebouwen De exploitant van een openbare inrichting, of smart- of headshop of een ander voor het publiek openstaand gebouw en daarbij behorend erf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting, die shop of in dat gebouw en daarbij behorend erf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:18 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:13 tot en met 2:15 op als bevoegd bestuursorgaan. Afdeling 4b. Exploitatievergunning smart- en headshops Artikel 2.18a Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder : a. inrichting: Een smart- dan wel headshop.

Onder een smartshop wordt verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel een niet voor publiek toegankelijke ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet smart-, ecodrugs, smartproducts en/of nieuwe psychoactieve stoffen, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd, opgeslagen, gedistribueerd of voorhanden zijn. Onder een headshop wordt verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel een niet voor publiek toegankelijke ruimte, waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, substanties, voorwerpen of gegevens, die gebruikt kunnen w orden voor het gebruik van een middel als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet en die verwant zijn aan de drugscultuur, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd, opgeslagen, gedistribueerd of voorhanden zijn. b. Exploitant: exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon (hun gevolmachtigde), voor wiens rekening en risico een smart- of headshop wordt uitgeoefend. c.

Beheerder/leidinggevende: de natuurlijke persoon die feitelijk leiding geeft aan de exploitatie van de een smart - of headshop, daaronder begrepen degene die de algemene of onmiddellijke leiding heeft. Artikel 2.18b Aanvraag exploitatie smart- of headshop 1. Het is verboden een inrichting te exploiteren als smart- of headshop zonder vergunning van de burgemeester. 2. In de aanvraag voor de vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en de beheerder/leidinggevende; b. indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of beheerder/leidinggevende; c. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder/leidinggevende gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; d. voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt aangevraagd; e. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; f. het nummer van inschrijving van het bedrijf in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; 11

g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 3. De burgemeester kan indien hij dat nodig acht voor het beoordelen van de aanvraag verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd. 4. Per bedrijf wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen. Artikel 2.18c Weigeringsgronden exploitatievergunning smart- of headshop 1. De burgemeester kan een vergunning weigeren als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, daaronder vallen of als niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 2:18b gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de inrichting als smart - of headshop in strijd is met het Omgevingsplan of indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de exploitant of de beheerder/leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitant of de beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:18d van deze verordening gestelde gedragseisen. 4.

De burgemeester kan de vergunning weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van deze inrichting. 5. Bij de toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in elk geval rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de als smart - of headshop geëxploiteerde inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting als smart- of headshop. 6. De burgemeester kan de vergunning tevens weigeren, indien dit nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten 7.

De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien één of meer exploitanten of beheerders/leidinggevenden van de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting binnen drie jaar voor indiening van de aanvraag om een vergunning een inrichting heeft geëxploiteerd als smart- of headshop of daar leiding aan heeft gegeven, die op grond van het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 8. De burgemeester kan de vergunning weigeren in de gevallen bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. 9. Een vergunning ten aanzien van een als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 2:18e, derde lid, van deze verordening is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd. 10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.18d Gedragseisen 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:18b van deze verordening moet de exploitant en de beheerder/leidinggevende aan de volgende eisen voldoen: a.

hij dient niet onder curatele te staan dan wel uit ouderlijk gezag of voogdij te zijn ontzet; b. hij dient niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; c. hij dient de leeftijd van éénentwintig jaren bereikt te hebben.

12

Artikel 2.18e Intrekking vergunning exploitatie smart- of headshop 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in artikel 2:18d van deze verordening gestelde gedragseisen of het bepaalde in artikel 2:18f van deze verordening niet in acht wordt genomen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning van een smart - of headshop als bedoeld in artikel 2:18b ook intrekken, als sprake is van een of meer van de volgende situatie(s): a. aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder/leidinggevende betrokken is bij of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet; of b. aannemelijk is dat de exploitant of beheerder/leidinggevende van het bedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit het bedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; of c. zich een incident gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of drugshandel heeft voorgedaan in of bij de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting; of d.

dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon en leefklimaat daaronder begrepen; of e. de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan de in artikel 2:18c genoemde vergunning; of f.de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of g. er in het bedrijf strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of h. zich in of vanuit het bedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het bedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf; of i. sprake is van een wijziging in de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor de vergunning als bedoeld in artikel 2:18b is verstrekt en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:18g; of j. sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur; of k. de gegevens die zijn verstrekt voor het verkrijgen van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat bij kennis van de juiste en volledige gegevens een andere beslissing op de aanvraag zou zijn genomen. Hieronder vallen mede het Bibob-vragenformulier en andere in het kader van de aanvraag overgelegde documenten. 3.

Als de vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor de exploitatie van dezelfde smart- of headshop gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd. Artikel 2.18f Aanwezigheid leidinggevende smart- of headshop Het is verboden de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende of de exploitant of beheerder aanwezig is. Artikel 2.18g Wijziging of verplaatsing vergunning exploitatie smart- of headshop en vervallen vergunning 1. Als er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop of verplaatsing van de smart- of headshop dient te komen, dient de exploitant of de beheerder/leidinggevende onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een smart - of headshop bij de burgemeester in te dienen.

13

2. Indien deze aanvraag niet binnen twee weken nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop intrekken. 3. Een vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop vervalt indien: a. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. de exploitant of de beheerder/leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren; c. een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden. 4. Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of de beheerder/leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van dezelfde smart- of headshop wordt ingediend, blijft het bepaalde in het derde, onder b buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist. Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:19a Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf - zwakalcoholhoudende drank, 2.

dat wat daaronder verstaan wordt in de Alcoholwet. In deze afdeling wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard en paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard en paracommerciële rechtspersonen van sociaalculturele aard. Onder deze laatste worden onder meer verstaan: - dorps- en buurthuizen - culturele centra - lokaliteiten van gezelligheidsverenigingen - instellingen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard

Artikel 2:19b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard kunnen alcoholhoudende drank verstrekken vanaf één uur voor aanvang en uiterlijk twee uur na afloop van de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, maar in ieder geval niet buiten onderstaande tijden: a. maandag tot en met vrijdag van 17:00 tot 0.00 uur; b. zaterdag en zondag van 12.00 tot 20.00 uur. 2.

3.

Sociaal-culturele paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Van de in het eerste lid omschreven eindtijden kan incidenteel worden afgeweken wanneer de laatste activiteit die past binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende 14

4.

5.

paracommerciële rechtspersoon later beëindigd is dan twee uur voor de in het vorige lid aangegeven eindtijden; in dat geval mag er na het doen van een melding aan de burgemeester tot twee uur na beëindiging van de activiteit alcohol worden geschonken, doch niet later dan 1.00 uur. Een paracommercieel rechtspersoon kan tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, in afwijking van het eerste en tweede lid, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken met inachtneming van het volgende: a. de drank wordt verstrekt op: i. maandag tot en met vrijdag vanaf 17.00 uur tot 00.00 uur. ii. Zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 20.00 uur. Er wordt geen drank verstrekt als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging.

Artikel 2:19c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard organiseren geen bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 2. Paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard mogen bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, organiseren: indien in de betreffende dorpskern geen commercieel geëxploiteerd alternatief voor die bijeenkomst voorhanden is, en maximaal 12 maal per jaar. Artikel 2:19d Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 2:19e Beperking prijsacties detailhandel Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholische drank aan te bieden voor gebruik elders dan ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van één week of korter lager is dan 70% van de prijs die in het betreffende verkooppunt gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel 2:19f Verbod ‘happy hours’ 1. Het is verboden om in een horecalokaliteit, tijdens evenementen, of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Dit in het kader van het voorkomen van onveilige situaties als gevolg van alcoholmisbruik dan wel overlast. 2. Ontheffingen kunnen hiervoor aangevraagd worden bij het college van Burgemeester en wethouders. Artikel 2:19g Proeverijen in slijtlokalen 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een 15

2.

proeverij in hun slijtlokaliteit. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit of bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:20 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen die mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:21 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:22 Nachtregister 1. De houder van een inrichting die er zijn beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaffen is verplicht een doorlopend register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model of een door de burgemeester ter beschikking gesteld systeem, bij te houden. 2. De houder van een inrichting is verplicht een in het eerste lid bedoeld register aan de burgemeester te kunnen overleggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2:23 Verschaffen gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van verstrek te verstrekken. Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt in ieder geval onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt aangeboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:25 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b.

de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan/BOPA; of c. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur; of

16

d. 4.

de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 8. Toezicht op campings en recreatieparken Artikel 2:27a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. camping of recreatiepark: hetgeen hieronder in het maatschappelijk verkeer verstaan wordt; b. de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die bij een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:31b; c. de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen; Artikel 2:27b Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren; 2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier; 3. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; en b. de persoonsgegevens van de beheerder. 4.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:27c Gedragseisen De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 2:27d Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2:27b, worden geweigerd indien: a. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:27c gestelde eisen; b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met het omgevingsplan/BOPA of de provinciale omgevingsverordening; c. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; d. de exploitant van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; e. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten. f. niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 2:27b gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

17

g.

h.

i. j.

k. l.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, daaronder vallen; indien de exploitant en de beheerder/leidinggevende niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan beheerder/leidinggevende gestelde eisen; de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of beheerder/leidinggevende(n) binnen 3 jaar voor de aanvraag het bedrijf een bedrijf of inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest; naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie van het bedrijf nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2:27e Sluiting 1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien daar: a. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen; b. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; d. zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde; 2. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien: a. de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in de artikel 2:40b, eerste lid, of 2:40c onder sub a en b; b. de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; 3. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen; 4. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan; 5.

De rechthebbende laat toe dat een afschrift met het sluitingsbevel wordt aangebracht. Artikel 2:27f Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark 1. Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen; 2. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden. Artikel 2:27g Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt de vergunning ingetrokken indien: a. De exploitatie van de camping of recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen; b. De exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:27c gestelde eisen; c. in het geval de exploitant of beheerder/leidinggevende niet meer voldoet aan de eisen als genoemd in artikel 2:27d, onder h; 18

d. e. f. g.

h.

i.

j. k. l.

indien de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan de in artikel 2:27b genoemde vergunning; of indien de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of indien er in het bedrijf strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of indien aannemelijk is dat de exploitant of beheerder/leidinggevende van het bedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit het bedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; of indien zich in of vanuit het bedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het bedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf; of indien sprake is van een wijziging in de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor de vergunning als bedoeld in artikel 2:27b is verleend, waardoor de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de vergunning, en de exploitant deze wijziging niet binnen twee weken aan de burgemeester heeft gemeld; indien de bedrijfsmatige activiteiten in strijd zijn met het omgevingsplan; of in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering

integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur; als de aan de burgemeester verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, hieronder vallen.

Artikel 2:27h Overgangsbepaling De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Hilvarenbeek 2021, zijn niet van toepassing gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling en ook niet na deze termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist. Afdeling 9 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:28 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:29 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 19

3. 4. 5. 6. 7.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. De houder van een schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:30 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:33. Artikel 2:31 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in het eerste lid bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel 2:32 Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen 1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel 2:33 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig last of hinder veroorzaakt. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:33a Slapen op of aan de weg 1. Het is verboden op een openbare plaats of aan de weg een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van een kampeermiddel: a. voor het gebruik op eigen terrein door de rechthebbende van datzelfde terrein; b. door nachtvissers aan nachtviswateren; 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17164511/1