CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

21 Beleid Dorps Bouwen (3 bijlage Nota Ruimtelijke kwaliteit)

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van de beleidsregel Dorps Bouwen.25.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Nieuwe ontwikkelingen In de landbouw heeft zich een technisch-economische ontwikkeling voorgedaan. Het betreft de mechanisering, automatisering en intensivering van de steeds minder grondgebonden productie in het landelijk gebied. Voor de verschillende bedrijfstypen zijn min of meer algemene productiecriteria gaan gelden die in de bedrijfsmiddelen (gebouwen en machines) en inrichting van de gronden zichtbaar worden. Door een toenemende schaalvergroting van productie en bedrijven neemt de schaal van de gebouwen navenant toe. Dit levert verschillen op tussen oud en nieuw. Het economisch produceren heeft tot gevolg dat standaard bedrijfsgebouwen opgebouwd uit geprefabriceerde onderdelen het beeld gaan bepalen. Serrestallen en boogstallen zijn voorbeelden van die ontwikkeling, maar ook mestvergisters en silo’s. Gemeentelijk beleid moet ook aan nieuwe vormen ruimte bieden, zolang dit landschappelijk en cultuurhistorisch verantwoord is. Omvang en functioneel gebruik worden in het bestemmingsplan geregeld. Het welstandsbeleid is

met name gericht op een evenwichtige afstemming van de nieuwe stalvormen en de mestvergistingsinstallaties op de bestaande bebouwing, en een goede landschappelijke inpassing en terreininrichting. Agrarische bedrijfsbebouwing zal zich blijven ontwikkelen en het is dan ook te verwachten dat zich nieuwe types en typologieën zullen aandienen. Worden deze types gangbaar, dan ligt het voor de hand daarover ook objectcriteria te formuleren.

Serrestallen Serrestallen wijken in aard en vorm af van traditionele stallen. De basis bestaat uit een systeem dat afkomstig is uit de glastuinbouw: tunnelframes met zadeldakvormige of boogvormige daken om zo veel mogelijk licht en lucht door te laten. Dit is van belang voor het welzijn van de dieren. De gevels bestaan in het algemeen uit keerwanden met een beperkte hoogte, met daarboven windbreekgaas of ventilatiegordijn die, zowel in lichte als gedekte kleuren kunnen worden uitgevoerd. De daken bestaan uit folies en/of schaduwdoek in gedekte kleuren. Met het systeem van tunnelframes zijn serrestallen eenvoudig uit te breiden door de bestaande tunnels te verlengen of er een nieuwe tunnel naast te plaatsen. Naast de bevordering van het welzijn van de dieren heeft de serrestal als belangrijk voordeel dat de investering ten opzichte van traditionele stallen aanmerkelijk lager is. De bouwwijze is snel en relatief goedkoop.

Boogstallen De boogstal is een nieuw stalconcept in de veehouderij. Het wordt gekenmerkt door een kolomloze boogvormige overspanning van 25 tot maximaal 50 meter breed en een hoogte van 6 tot maximaal 12 meter. De boogstal is opgebouwd uit een onderbouw en een bovenbouw. Deze zijn onafhankelijk van elkaar te bouwen. De dakconstructie is ook toe te passen op een conventionele onderbouw. De bovenbouw is opgebouwd uit stalen vakwerkliggers, bekleed met windbreekgaas en waterdicht foliemateriaal. Er is veel keuze in kleur en materiaal van kap en 45

kopgevels. De kopgevels kunnen eventueel ook naar binnen geplaatst worden om een overkapte buitenruimte te maken.

Mestvergisters en mestsilo's De meest voorkomende installaties bestaan doorgaans uit twee silo’s en een aantal secundaire elementen. De vergister is een betonnen silo met veelal een diameter van 15 à 16 meter en een hoogte boven maaiveld van ca. 5 meter. Deze silo is geïsoleerd; de buitenkant is bekleed met stalen beplating in verticale damwandprofiel. Het dak is een kunststof, gasdicht membraan dat door de druk een bolle vorm aanneemt. De navergister heeft vaak een grotere diameter. De betonnen silo is niet geïsoleerd zodat de wanden een lichtgrijze kleur hebben. Het dak is een gespannen kap van PVC en heeft een afgeplatte kegelvorm. Van de secundaire elementen is de gasmotor de belangrijkste. Deze motor zet het biogas om in energie en moet worden ondergebracht in een afgeschermde ruimte. Installaties kunnen overigens ook bestaan uit een groter aantal kleinere maar hogere silo’s.

Uitgangspunten Bij het situeren van agrarische bebouwing zijn aspecten als kavelafmeting en bedrijfsvoering bepalend. Het nieuwe volume moet echter ook een vanzelfsprekende plaats krijgen in het landschap. Van belang daarbij is onder welke hoeken het complex kan worden waargenomen. Bestaande oriëntatiemogelijkheden en zichtassen dienen (zo veel mogelijk) gerespecteerd te worden. Hierdoor wordt de bebouwing geen incident in het landschap, maar kan deze iets toevoegen aan de aanwezige ruimtelijke structuur en zich voegen naar een aanwezig ruimtelijk patroon. Het beleid voor nieuwe agrarische bebouwing is gericht op het handhaven en respecteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit.

De bouwwerken worden in beginsel op het boerenerf op een ondergeschikte locatie geplaatst: dat wil zeggen achter de boerderij of dienstwoning. Verder moet er sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing. Een compacte opstelling van de bebouwing moet voorkomen dat het open gebied te zeer wordt versnipperd, terwijl een goede hiërarchie van de woon- en bedrijfsbebouwing moet zorgen voor een blijvende herkenbaarheid van de verschijningsvorm van het boerenbedrijf. Van enige afstand zijn de details van de agrarische bedrijfsgebouwen minder belangrijk. Wel kan bijvoorbeeld de weerkaatsing van het zonlicht op een (te) licht dak het dak laten detoneren. Bepalend voor de totaalindruk zijn de proporties en de rangschikking van de gebouwen onderling en de geleding die daardoor ontstaat. Juist gesitueerde beplanting kan deze totaalindruk versterken. Met name bij verspreid en geïsoleerd staande complexen is het belangrijk dat men het gevoel krijgt dat men met een afgeronde, beschutting biedende, menselijke nederzetting te maken heeft. Dit kan verloren gaan bij te grote volume- en vormverschillen.

Altijd-goed-kader:

Afwegingskader:

A. De stal of loods is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde stal of loods behorende bij het bestaande complex, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De stal/werktuigloods past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitsplan van toepassing is (met name in landbouwontwikkelingsgebieden). c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. Het bouwplan ligt in het zogenaamde beheergebied en niet in een aandachtsgebied (zie welstandsbeleidskaart). e. De stal/werktuigloods is duidelijk achter de achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning gesitueerd. f. Materialen en kleuren sluiten aan bij de reeds bestaande bedrijfsbebouwing. g. De gootlijn sluit aan bij die van de bestaande bedrijfsbebouwing (stallen). Werktuigloodsen met een asymmetrisch profiel staan met de lage kant gericht naar het landschap. De stal/werktuigloods heeft een kap met dezelfde dakhelling als die van de reeds bestaande bedrijfsbebouwing of wijkt daar in een geringe mate van af. h. Het profiel van de nieuwe stal / werktuigloods is gelijk aan of maximaal 50% breder dan die van de bestaande bedrijfsbebouwing. i. Staldeuren staan op voldoende afstand tot de hoek en de dakrand, of er is sprake van een open voedergang. In dat geval staat een deur volledig op de hoek. j.

Beplatingen voor de wanden en het dak zijn fijnschalig van profiel, conform of vergelijkbaar met het profiel van golfplaten. Wand- en dakbeplating hebben in het algemeen niet dezelfde kleurstelling. k. De kleuren van de hoofdvlakken zijn donker en mat.

46

Plaatsing/situering: 1. De plaatsing is logisch i.v.m. het gebruik en speelt in op de situering van reeds gerealiseerde bedrijfsbebouwing. 2. De plaatsing belemmert het vrije uitzicht op waardevolle objecten in de omgeving niet. 3. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). Maat en schaal: 1. De stal /werktuigloods is qua massa-uitstraling afgestemd op de massavormen van de reeds gerealiseerde bedrijfsbebouwing. 2. De stal/werktuigloods past bij de schaal van het complex. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritme geen storend contrast met het bestaande oproepen. 3. Indien het profiel van de nieuwe stal/werktuigloods meer dan 50% bedraagt ten opzichte van die van de bestaande bebouwing, dient zowel aan de voor- als aan de achterzijde een betekenisvolle geleding worden aangebracht, waarmee afstemming op de schaal van de bestaande bebouwing wordt bereikt. Vormgeving: 1. De vormgeving van de stal/werktuigloods geeft uitdrukking aan de bestemming of functie. 2. De vormgeving past bij het complex: stijl en karakter sluiten aan op die van de bedrijfsbebouwing, of vormen daarop een evenwichtig contrast. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt.

3. Het bestaande blijft herkenbaar, of gaat op in een nieuw, vanzelfsprekend en evenwichtig geheel. 4. De stal/werktuigloods heeft op zichzelf een evenwichtige massavorm. Dit geldt met name voor de verhoudingen tussen dak en gevel. Materiaaltoepassing: 1. De materialen passen bij het complex: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld en de architectonische expressie van het geheel. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt. 2. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd. In een cultuurhistorisch waardevolle omgeving kan het toepassen van traditionele materialen op sommige plekken noodzakelijk zijn

Kleurtoepassing: 1. De kleuren passen bij het complex: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld en de architectonische expressie van het geheel. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt.

Luchtwassers en warmtewisselaars 1. Luchtwassers worden zoveel mogelijk niet zichtbaar vanaf de openbare weg achter de bedrijfsbebouwing gesitueerd en binnen het profiel. De vormgeving van de luchtwasser wordt geïntegreerd met die van de bedrijfsbebouwing. De kleuren en materialen 2. zijn afgestemd op die van de bestaande bedrijfsbebouwing. 3. Leidingkanalen op het dakvlak zijn niet toegestaan, tenzij zij niet vanaf de openbare weg zichtbaar zijn.

Silo’s 1. Silo’s worden zoveel mogelijk uit het directe zicht vanaf de openbare weg gesitueerd, 2. De silo’s dienen in niet opvallende materialen en kleuren te worden uitgevoerd.

Mestvergistingsinstallaties 1. De schaal van deze installaties is vaak veel groter dan van de overige bebouwing. Een goede hiërarchische opzet van het terrein is van groot belang. Denk aan zonering. 2. Eenheid in materiaal- en kleurtoepassing. Lichte kleuren vermijden. Hoge sleufsilo’s aanaarden.

47

Tuinbouwkassen Glastuinbouw is op grond van het bestemmingsplan slechts op een paar plekken mogelijk. Hilvarenbeek kent geen grootschalige glastuinbouwgebieden.

Altijd-goed-kader:

j.

dakbeplating van bedrijfsloodsen hebben in het algemeen bij kassen de zelfde kleurstelling. Veel aandacht dient besteed te worden aan de inpassing in de omgeving. De kassen dienen ruim achter de hoofdbebouwing (woning) gesitueerd te worden.

Maat en schaal: 1. Maat wordt slechts beperkt door de bestemmingsplanmogelijkheden. Schaal wordt bij kassen gemaakt door het ritme van de kapjes en (bij glazen kassen) het ritme van de aluminiumprofielen. Daaraan kunnen geen nadere eisen worden gesteld. Bij het toepassen van gevelbekleding verdient het de voorkeur de kappenstructuur herkenbaar te houden.

Afwegingskader: Plaatsing/situering:

A. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De kas past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan b. Het complex dient voorzien te worden van een landschappelijk en functioneel aangepaste erfbeplanting, indien de kassen gesitueerd kunnen worden langs openbare wegen. c. Het hoofdgebouw is geen monument d. Het bouwplan ligt in het zogenaamde beheergebied en niet in een aandachtsgebied (zie welstandsbeleidskaart) e. Materialen en kleuren sluiten aan bij de reeds bestaande bedrijfsbebouwing f. De gootlijn is gelijk of maximaal 20% hoger als die van de bestaande bedrijfsbebouwing (kassen) g. De kassen hebben een kap met dezelfde dakhelling als die van de reeds bestaande kassen. De massavorm van de bedrijfsbebouwing(loodsen) zijn daar ook op afgestemd h. Het profiel van de nieuwe kas is gelijk aan of maximaal 20% breder als die van de bestaande bedrijfsbebouwing i. Beplatingen voor de wanden en het dak van de bedrijfsloodsen zijn fijnschalig van profiel, conform het profiel van golfplaten. Wand- en

bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk … gebiedsuitwerking).

Materiaaltoepassing:

1. De plaatsing is logisch i.v.m. het gebruik en speelt in op de situering van reeds gerealiseerde bedrijfsbebouwing. 2. De plaatsing belemmert het vrije uitzicht op waardevolle objecten in de omgeving niet. 3. Handhaven van doorzichten langs de slotenpatronen etc. 4. De bebouwing op het bedrijfsperceel dient bij voorkeur compact te blijven om te grote uitwaaiering te voorkomen. 5. Bij de situering van het kassencomplex dient voldoende afstand gehouden te worden tot de perceelgrenzen om landschappelijk en functioneel aangepaste erfbeplanting mogelijk te maken. 6. Het omgeven van het erf met inheemse en bij het landschap passende beplanting is zeer gewenst. Hoge beplanting in de buurt van de kassen is niet noodzakelijk. Voor een effectieve afscherming is 4 meter hoogte meestal voldoende. 7. Situering van de bedrijfsgebouwen achter het woongedeelte, zodat er sprake is van een woon- en een bedrijfszone. 8. Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd. 9. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie 48

1. Profielen uitvoeren in een bij het materiaal passende kleur als wit en grijs. Contrasterende en felle kleuren zijn niet toegestaan. 2. Toepassen van doorzichtig glas. Geen reflecterend of gespiegeld glas

11 RECLAMECRITERIA Het belang van reclame Reclame is niet meer weg te denken uit onze samenleving. De invloed van reclame op ons dagelijks leven is de afgelopen decennia steeds groter geworden. Er is vrijwel geen medium dat gevrijwaard is van reclameboodschappen. Vrijwel elke (al dan niet virtuele) omgeving zal vroeg of laat met reclame-uitingen worden geconfronteerd.

Reclame kan veel verschillende vormen aannemen. De traditionele vorm, een wervende boodschap, heeft inmiddels een subtielere pendant gekregen in de vorm van sponsoring. Veel nonprofitorganisaties blijven in leven dankzij de “steun” van de commercie. Maar ook commerciële bedrijven zien in het verhuren van reclameruimte een aantrekkelijke tweede bron van inkomsten. Zo kan een stadsbus een rijdend billboard worden, en worden literatuurprijzen vernoemd naar uitgeverijen van tijdschriften.

Er is een belangrijk onderscheid te maken tussen plaatsgebonden en niet-plaatsgebonden reclame. Waar niet-plaatsgebonden reclame slechts tot doel heeft de consumptie van een bepaald product te bevorderen, of aan te zetten tot een bepaalde handeling, is het doel van plaatsgebonden reclame in eerste instantie de aanwezigheid van de producent, de persoon, het bedrijf of instantie achter de reclame, in een bepaalde omgeving herkenbaar te maken. Dit is een van de oudste vormen van reclame: het uithangbord, de gevelbelettering.

In de openbare ruimte treffen we voornamelijk plaatsgebonden reclame aan. Niet-plaatsgebonden reclame wordt, in Nederland, slechts zeer restrictief toegelaten: een beperkt aantal billboards op de belangrijkste verbindingsassen van een stad, het logo van de voornaamste geldschieter op de gevel van een woontoren. Verder zijn er de al eerder genoemde mobiele reclame-uitingen, en kan de argeloze voorbijganger overal worden geconfronteerd met tijdelijke reclamemanifestaties, flyers en (illegaal) plakwerk. Plaatsgebonden reclame heeft in de openbare ruimte een duidelijke functie: zowel producent als consument zullen erbij gebaat zijn wanneer de consument snel zijn weg naar de producent weet te vinden. Er is in die gevallen zowel een privébelang als een gemeenschappelijk belang te onderkennen. Voor niet-plaatsgebonden reclame in de openbare ruimte is het gemeenschappelijk belang afwezig, of op zijn minst zeer twijfelachtig. Bij alle reclame-uitingen is er bovendien een tegengesteld belang aan te wijzen: dat van de ruimtelijke kwaliteit van onze dagelijkse leefomgeving. Een overdaad aan reclame tast die kwaliteit aan. Blijft de zorg voor een goede inpassing van een reclame in zijn omgeving achterwege dan wordt de reclame ervaren als een verstoring van de visuele kwaliteit van de omgeving en kan hij zelfs agressief overkomen.

In gebieden waar geen sprake is van commerciële functies zijn reclame-uitingen ongewenst. Om in de gebouwde omgeving het fenomeen reclame beheersbaar te houden is het voor gemeenten van belang hierover een afgewogen beleid voor te formuleren. Deze objectcriteria verschaffen duidelijkheid omtrent de wijze waarop de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in voorkomende gevallen toetst.

49

Elke aanvraag wordt echter, zoals de wet dat eist, individueel beoordeeld zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving. Reclame is een uitermate precedentgevoelig fenomeen en heeft de neiging, onder de druk van de concurrentie, steeds groter en opzichtiger te worden. Juist daarom is het formuleren van beleid belangrijk. De verschijningsvorm van buitenreclame wordt steeds diverser. Ondernemers komen en gaan, verbouwen, moderniseren, willen het onderscheidend vermogen van hun panden versterken en gebruiken hiervoor vaak verschillende reclame-uitingen. Veel ondernemers zijn niet op de hoogte van de te volgen procedure bij het aanbrengen van reclame-uitingen, waardoor het risico op verrommeling verder toeneemt. Het plaatsen van een reclame-uiting is een ingrijpende verandering aan een bouwwerk die het straatbeeld makkelijk kan aantasten. Bij het vaststellen van normen voor reclametekens, is het zinvol onderscheid te maken tussen de verschillende gebieden in een gemeente. Een woonwijk vraagt een andere benadering dan een winkelgebied, een beschermd dorpsgezicht, maar ook het buitengebied, zal ernstig aangetast worden bij plaatsing van reclametekens die op een bedrijventerrein gebruikelijk zijn. In de welstandscriteria is onderscheid gemaakt naar verschillende gebieden. De criteria voor reclametekens zijn dus gebiedsgebonden.

Desondanks is ervoor gekozen de reclamecriteria onder te brengen in het objectgerichte beleid, omdat dit compacter en overzichtelijker is, en omdat de gebiedsindeling m.b.t. reclame niet overeenkomt met de gebiedstypologie in het gebiedsgerichte beleid. Door middel van reclame prijzen ondernemers hun bedrijf, product of dienst aan. Per definitie vraagt reclame derhalve de aandacht van de voorbijganger en poogt zij zoveel mogelijk op te vallen. Het is de taak van de gemeente om te zorgen dat het

straatbeeld niet ontsierd wordt door reclame en de hoogwaardige uitstraling van de Hilvarenbeekse publieke ruimte behouden blijft. Een goed reclamebeleid zorgt ervoor dat er evenwicht bestaat tussen de beeldkwaliteit van de gemeente, de verkeersveiligheid en de belangen van de ondernemers. Evenals bij een gebouw spelen ook bij reclame de relatie met de (stedenbouwkundige) situatie waarin deze wordt geplaatst en het karakter van die situatie een belangrijke rol. Een reclame is geslaagd wanneer deze een volledig geïntegreerd onderdeel van het totale architectonische concept uitmaakt.

Wat is de relatie tussen een vergunningsaanvraag en de criteria? Op grond van de huidige Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is het verboden zonder vergunning een onroerende zaak te gebruiken voor handelsreclame die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Op grond van dezelfde verordening is dit verbod echter niet van toepassing wanneer de Wabo van toepassing is en dát is het geval zodra er sprake is van „bouwen‟. Voor handelsreclame moet dus een omgevingsvergunning voor bouwen of voor reclame worden aangevraagd. De gemeente kan u informeren over de noodzaak en aard van een vergunningaanvraag. Wanneer voor het aanbrengen van een reclame-uiting een vergunning moet worden aangevraagd, moet deze ook voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Om dit te beoordelen zijn criteria opgesteld.

Hoe vindt toetsing plaats? In veel gevallen kan de toetsing ambtelijk plaatsvinden. Wanneer een aanvraag betrekking heeft op een object in het Beschermd Dorpsgezicht, historische dorpse bebouwingslint of dorpskern (kritische toetsing) is altijd sprake van een bijzondere situatie. Dit is ook het geval wanneer een plan afwijkt van de criteria. Het kan ook het geval zijn bij een nieuw type reclame-uiting. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit beoordeelt in deze

gevallen of de aanvraag voldoet aan de „redelijke eisen van welstand‟. Ook de Algemene Criteria worden daarbij betrokken.

CRITERIA PER GEBIED Met betrekking tot het toepassen van reclametekens gaat deze notitie uit van de volgende indeling:     

ALGEMENE CRITERIA EN RICHTLIJNEN De criteria in deze paragraaf hebben betrekking op alle reclameobjecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig is, en voor de activiteit reclame, voor zover dat geregeld is in de APV. Er moet dus sprake zijn van bouwen in de zin van de wet, of de APV moet regels stellen t.a.v. welstandstoetsing van reclame. Is daarvan geen sprake dan is slechts de excessenregeling (hoofdstuk 5.2) van toepassing. Daarnaast zijn de criteria in deze paragraaf ook te gebruiken als richtlijn voor evenwichtige vergunningvrije reclametoepassing. In het algemeen geldt dat reclametekens alleen aanvaardbaar zijn indien zij een directe relatie hebben met de gekozen situering, de afmetingen en kleuren afgestemd zijn op het karakter van de directe omgeving en zij niet groter zijn dan voor een goede leesbaarheid voor die situering noodzakelijk is. De reclametekens dienen qua afmetingen en plaatsing op de gevelopzet afgestemd te worden. De hierna te noemen maximum maten dienen in dit licht bezien te worden; er zullen zich situaties voordoen waarbij ook deze maximum maten de welstand nog te zeer zullen verstoren. Het toepassen van losse letters en aanlichten van reclameteksten verdient de voorkeur boven het toepassen van lichtbakken. Bij lichtbakken is het raadzaam een donker fond te kiezen met heldere letters, ook i.v.m.

de verkeersveiligheid (verblindingseffecten).

Reclame-uitingen in woongebieden (W-gebieden m.u.v. winkelcentra) In een gebied dat hoofdzakelijk is ingericht voor woondoeleinden passen geen reclametekens. Er ontbreekt immers een relatie tussen het woonmilieu en reclame-uitingen. Een uitzondering hierop vormen woningen met een praktijkruimte voor het uitoefenen van een vrij beroep, zoals een arts, architect of verzekeringsadviseur. In dergelijke gevallen is een bescheiden aanduiding aanvaardbaar.     

Merkreclames zijn in principe alleen toelaatbaar indien het bedrijf slechts één product voert; te denken valt bijvoorbeeld aan een autodealer. Dit om een wildgroei aan tekens te voorkomen. 

50

Woongebieden (W-gebieden m.u.v. winkelcentra) Winkelgebieden Bedrijventerrein Sportterreinen Buitengebied o Agrarisch o Niet-agrarisch Overgangsgebieden en verbindingsassen

Maximale oppervlakte 0.20 m2. Alleen naam en aard van het bedrijf met eventueel openingstijden, en/of een vignet (geen merkreclames!). Aanlichten van de reclametekst verdient de voorkeur boven lichtreclame. Bevestiging tegen gevel t.p.v. de bedrijfstoegang. Bij aanwezigheid van voortuinen is plaatsing van een bord in de tuin denkbaar, mits zorgvuldig (als tuinmeubel) vormgegeven, geïntegreerd in het tuinontwerp. Het toepassen van lichtbakken is dan niet geschikt, beperkt aanlichten wel. Totaalhoogte maximaal 1.20 m. Kleuren dienen terughoudend gekozen te worden.

Voor bedrijfsbebouwing met een positieve bestemming in een woonomgeving gelden de volgende uitgangspunten: 

Alleen aanduidingen die betrekking hebben op naam en aard van het bedrijf zijn toelaatbaar. Het voeren van een merkreclame is alleen mogelijk indien het bedrijf slechts één merkproduct verkoopt (denk b.v. aan een autodealer). In andere gevallen zal al snel door een te veel aan reclames een onrustig totaalbeeld ontstaan. Per 10 meter gevelbreedte aan straatzijde is 1 m2 reclame mogelijk. Per gebouw dient in principe niet meer dan 1 reclameteken gelijktijdig zichtbaar te zijn. Uitzondering hierop kan gemaakt worden voor gebouwen die gevels aan meer dan een straat hebben. Het aantal tekens blijft dan 1 per naar de straat gekeerde gevel. Bij een grotere gevelbreedte dan 15 m zijn twee reclametekens denkbaar. De reclame dient te worden aangebracht op begane grondniveau, in ieder geval onder de verdiepingsramen. Uiteraard gelden ook hier weer de algemene uitgangspunten m.b.t. vormgeving, kleurstelling en plaatsing t.o.v. het gevelvlak. Het integreren van vrijstaande bescheiden reclametekens in de voortuin is denkbaar mits plaats, vormgeving en kleur worden afgestemd op de omgeving. Het toepassen van lichtbakken is dan niet geschikt, beperkt aanlichten wel. De maximale hoogte van een dergelijk element is sterk afhankelijk van de situatie, doch mag de 2.25 m niet overschrijden.

Reclame-uitingen in winkelgebieden

Evenwijdig aan de gevel:

In gebieden met een uitgesproken winkel en/of promenade karakter zijn de mogelijkheden tot reclamevoering ruimer dan in woongebieden. Algemeen kan gesteld worden dat de reclames op winkelniveau, d.w.z. het begane grond niveau geplaatst dienen te worden, zodat er een directe en logische relatie tussen het reclameteken en de functie ontstaat en de overlast voor eventuele bovenwoningen beperkt wordt.

Algemeen: 

         

Op en bij monumenten dient reclame zeer terughoudend te zijn, en mogen reclame-uitingen het zicht op monumentale waarden niet beperken of belemmeren. Reclame-uitingen bij voorkeur in geschilderde letters of niet-verlichte uithangborden, passend bij stijl en karakter van het monument. (Voor beschermde stads- of dorpsgezichten gelden de regels in het beeldkwaliteitsplan) De reclame-uiting voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor reclame-uitingen in een beeldkwaliteitplan of gebiedsgerichte criteria. Reclame integreren in de architectuur en beperken tot het hoogst noodzakelijke. Geen reclame-uitingen die het zicht op het pand, de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren. Geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht. niet meer dan 2 reclametekens per gevel, niet meer dan 1 vrijstaande reclame. te felle, detonerende of schreeuwerige kleuren zijn niet toegestaan. Geen mechanisch bewegende delen. Geen lichtkranten of lichtreclame met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht; Indien er sprake is van meerdere reclame-uitingen op een gevel dan dienen deze in een samenhangende vormgeving uitgevoerd te worden.

51

   

Geen reclame aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie, tenzij in de woning een praktijkruimte voor het uitoefenen van een vrij beroep zit. Gecentreerd aangebracht op de borstwering van de eerste verdieping, onder de onderzijde van de raamdorpels op de eerste verdieping, of logisch geplaatst boven de entree van het bedrijf. Uitgevoerd in geschilderde letters en tekens of in open of losse letters en tekens, eventueel van binnenuit verlicht. Geen aaneengesloten lichtbak. Niet breder dan 70% van de gevelbreedte. Niet hoger dan 0.75 m. Maximaal 1 reclameteken per 10 m gevelbreedte.

Tegen of aan een luifel:      

Reclamevlaggen, indien meer dan 1 per 4.00 m gevellengte, zijn niet aanvaardbaar. Gecentreerd aangebracht of logisch geplaatst boven de entree van het bedrijf. Niet breder dan 70% van de gevelbreedte. Hoogte afstemmen op de luifelhoogte. Geen reclametekens loodrecht op de luifel, indien de hoogte het toelaat eventueel onder de luifel, loodrecht op de gevel. Maximaal 1 reclameteken per 10 m gevelbreedte.

Loodrecht op de gevel: 

Geen reclame aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie, tenzij in de woning een praktijkruimte voor het uitoefenen van een vrij beroep zit. Maximaal één reclame-uiting per gevel, loodrecht op de gevel.

 

Niet hoger aangebracht dan de scheiding van de begane grond en de eerste verdieping (let op verkeer: hoogte minimaal 2.20 m boven het trottoir en ten minste 4.20 m boven de rijweg). Banieren kunnen hoger worden aangebracht, wanneer dat past in de gevelopzet. Niet groter dan 1.00 m2 en geplaatst op de voorzijde per travee (kleinste winkelbreedte). Geplaatst onder de luifel niet groter dan 0.50 x 0.70 m. Reclamevlaggen of -banieren, indien meer dan 1 per 4.00 m gevellengte, zijn niet aanvaardbaar.

Vrijstaand:  

Maximaal 1 vrijstaand reclameobject per bedrijf Reclame op windschermen: maximaal 1 teken per zijde (zowel aan de straat als aan de terraszijde), aangebracht op een donkere achtergrond in terughoudende kleuren. Maximaal 2 m2 groot. Vrijstaande vlaggenmasten, banieren e.d. niet toegestaan, tenzij de openbare ruimte daartoe voldoende aanleiding geeft en een publiek belang wordt gediend (denk aan gemeentelijke promotie) Uitstallingen van producten worden in principe niet gezien als reclame-uiting, mits de hoogte beperkt blijft tot de hoogte van de begane-grond-pui.

Reclame-uitingen op bedrijventerreinen (B-gebieden) Gezien de grotere schaal van de gebouwen en het utilitaire karakter, is een grotere hoeveelheid reclame denkbaar dan in andere gebieden. Uitgangspunt blijft dat de reclame op een logische plaats tegen het gebouw aangebracht dient te worden, bijvoorbeeld bij de entree, en afgestemd dient te zijn op de massa c.q. gevelopzet. Indien plaatsing tegen een gevel niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij vliesgevels, dient de reclametekst boven of in de buurt van de entree aangebracht te worden. Ook is plaatsing op de dakrand dan mogelijk indien uitgegaan wordt van losse letters. Los geplaatste ornamenten zijn denkbaar, mits zorgvuldig vormgegeven, geplaatst bij de toegang tot het bedrijf en qua hoogte afgestemd op het kantoorgedeelte van het bedrijf met een maximum hoogte van 5 m. Per bedrijf zijn maximaal twee reclame-uitingen aan de gevel toelaatbaar.

Vrijstaande reclame-uitingen / reclamezuilen plaatsing en aantal:   

maatvoering: 

Routeborden in één uniform kader zijn mogelijk. Per terrein zal een dergelijk kader moeten worden ontwikkeld en vormgegeven. Alleen naamsaanduidingen van het bedrijf en branche, c.q. beroepsaanduiding toelaten.

Een gezamenlijke presentatie bij de entree van het bedrijventerrein is denkbaar eventueel in combinatie met een plattegrond en routebeschrijving. Een zorgvuldige vormgeving is dan essentieel.

Algemeen:    

op een logische plaats tegen het gebouw aangebracht afgestemd op de massa c.q. gevelopzet. De reclame-uiting voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor reclame-uitingen in een beeldkwaliteitplan of gebiedsgerichte criteria. Geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht.

52

Bij de entree van het erf of op een parkeerplaats. Geen reclame-uitingen die het uitzicht op het pand, de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren. Maximaal één vrijstaande reclame-uiting per erf, logisch geplaatst t.o.v. de entree. Bij bedrijfsverzamelgebouwen dient het gehele gezamenlijke terrein gezien te worden als het erf. Vlaggenmasten en banieren maximaal 3 stuks per erf

Reclamezuilen niet hoger dan 5.00 m en niet hoger dan de bouwhoogte van het op het betreffende erf gesitueerde hoofdgebouw. Hoogte vlaggenmasten en banieren conform bestemmingsplan en anders maximaal 6 meter hoog.

vormgeving:

  

Reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met het hoofdgebouw. Reclame beperken tot het hoogst noodzakelijke. Geen mechanisch bewegende delen. Geen lichtkranten of lichtreclame met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht.

Op of aan een gebouw plaatsing en aantal: 

Geen reclame-uitingen op een dak, tenzij de architectuur daartoe aanleiding geeft (bv bij vliesgevels). In dat geval: geen aaneengesloten lichtbakken of platen, maar losse letters..

Maximaal twee reclame-uitingen per gebouw.

maatvoering:  

5 % van de geveloppervlakte van het betreffende gevelvlak, met een maximum van 10 m2 Gevelreclames loodrecht op de gevel maximaal 3 m2.

vormgeving:    

Reclametoepassingen dienen ondergeschikt te zijn t.o.v het hoofdgebouw en bij voorkeur meegenomen worden in het ontwerp. In de voorgevel reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de plaatsbepaling is afgestemd op en in verhouding is met de oorspronkelijke gevel. Aan randen van bedrijventerreinen zijn geen lichtbakken of felle kleuren toegestaan. Gevelreclames evenwijdig aan de gevel bij voorkeur uitgevoerd in open letters of in losse letters en tekens, bij voorkeur geen lichtbakken. Geen mechanisch bewegende delen, lichtkranten of lichtreclame met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht, daglichtreflecterende en/of aangelichte reclame.

Reclame-uitingen op sportterreinen (G-gebieden) Sportterreinen zijn meestal in een "groene" omgeving gesitueerd. Veel sportverenigingen worden gesponsord in ruil voor reclame rond de velden. Het aanbrengen van reclames niet gericht op het complex zelf is slecht passend en niet aanvaardbaar. Naamsaanduiding voor de sportvereniging zelf is i.v.m. de bereikbaarheid wel mogelijk, mits deze aanduidingen qua maat, vormgeving en kleurstelling zijn afgestemd op het karakter van de omgeving. Het verdient aanbeveling één uniform systeem te ontwikkelen. Reclame-uitingen, gericht op het complex zelf zijn denkbaar (borden rond de velden, naamsaanduiding op kantine) indien de naar de natuur gekeerde zijde donker van kleur is en de hoogte gerekend vanaf maaiveld maximaal 1.20 m bedraagt. Het toepassen van lichtreclame dient verder beperkt te blijven tot één lichtreclame per vereniging, aangebracht op het clubgebouw met een maximale afmeting van 1.00 m2. Verder is het mogelijk per vereniging één geïntegreerd bord voor de gezamenlijke sponsors op te richten, zolang dit niet op de openbare ruimte is gericht, niet breder is dan 3 meter en niet hoger is dan 2.50m boven maaiveld.

53

Reclame-uitingen in het buitengebied (G-gebieden, buitengebied)

1. Agrarische bestemming, perceelsgebonden

2. Niet agrarische bestemming, perceelsgebonden

Vrijstaand op een onbebouwd perceel

Vrijstaand op een onbebouwd perceel

Reclameborden, aankondigingen en verwijzingsborden horen niet thuis in het buitengebied. Ze passen slecht bij het karakter van de omgeving en vormen een visuele vervuiling. Zeker nu het recreatieve karakter van het buitengebied meer aandacht krijgt, is het van belang het karakterverschil tussen de bebouwingskernen en het buitengebied te bewaren c.q. te versterken.

 

Gebieden die een bijzondere landschappelijke kwalificatie in het bestemmingsplan, structuurvisie, landschapsontwikkelingsplan of streekplan toegekend hebben gekregen zijn in principe niet geschikt om enige vorm van reclame toe te laten. Ter bescherming van het landschapsschoon en ter behoud van het specifieke karakter van deze gebieden is een zeer terughoudend beleid noodzakelijk. In de overige gebieden kunnen reclameborden en/of tekens vrijstaand aan de weg alleen worden toegestaan voor niet agrarische bedrijven met een positieve bestemming. Dit om een teveel aan borden in het buitengebied te weren. Bij agrarische bedrijven is het wel mogelijk kleine bordjes te plaatsen (bijvoorbeeld "eieren te koop") bovendien is een naamsaanduiding op stal of bedrijfsgebouw mogelijk. Lichtreclames passen niet in het buitengebied en zullen m.n. 's avonds als zeer dominant en opzichtig ervaren worden. Daarom is het plaatsen van lichtreclames in het buitengebied in principe niet toelaatbaar, uitgezonderd horecafuncties en aan het gebruik van infrastructuur gerelateerde bedrijvigheid zoals tankstations. Hier is een bescheiden lichtreclame voorstelbaar, mits dit niet voor visuele hinder voor omwonenden of verkeer zorgt.

Geen reclame toegestaan op een onbebouwd perceel.

Vrijstaand op een bebouwd perceel       

In principe geen naamsaanduidingen vrijstaand op een bebouwd perceel. Kleine bordjes met "te koop" producten zijn mogelijk. Slechts één vrijstaande reclame-uiting per positief bestemd bedrijf (kan tweezijdig zijn), een direct visueel verband tussen het bord en (de toegang van) het bedrijf, Maximale afmetingen 0.60 m2, maximale hoogte 1.25 m, Maximale breedte 1.25 m, Geen lichtreclame of aangelichte reclame, Donkere achtergrond met lichte belettering.

Op of aan een gebouw   

Eén naamsaanduiding aan een gevel van een bedrijfsbebouwing per perceel/bedrijf is mogelijk. Maximale afmetingen van de naamsaanduiding is 3% van de geveloppervlakte met een maximum van 2.5 m2. De naamsaanduiding op een logische wijze plaatsen; dat wil zeggen op een gevel grenzend aan het erf bij de toegang van het bedrijf en integreren met de gevelopzet.

Verwijsborden zijn in beginsel niet toegestaan evenmin als nietperceelsgebonden reclameborden en algemene merktekens. De vormgeving, kleurstelling en plaatsing dient in harmonie met de omgeving te zijn. Dus geen felle kleuren en schreeuwende kleurcombinaties. Een donker fond met lichtkleurige letters is met name in het buitengebied aan te raden.

 

Vrijstaand op een bebouwd perceel   

   

Oppervlakte per reclameobject maximaal 1 m2. De maximale breedte van het reclameobject is 2 m. De bovenkant van het opschrift mag niet hoger reiken dan 2.5 m boven het maaiveld. Bij aanwezigheid van b.v. een aarden wal geldt het peil van de weg en/of het bedrijfspand als maaiveld. De afmetingen mogen in totaal niet meer dan 2 m2 bedragen. Deze oppervlakte wordt in mindering gebracht op de maximaal toelaatbare reclame op het gebouw (4 m2) Per terrein maximaal 2 reclameobjecten toegestaan. Een dubbelzijdige reclame wordt gezien als twee reclameobjecten. Geen lichtreclames c.q. aanlichting. De plaatsing van de reclame dient een directe relatie met de toegang en/of ingang van het bedrijf te hebben.

Op of aan een gebouw 

54

De oppervlakte mag maximaal 0.5 m2 bedragen. De hoogte van het bord mag niet hoger reiken dan 1.25 m boven maaiveld. Maximaal 1 bord per terrein. Geen lichtreclames c.q. aanlichting.

De totale oppervlakte van het opschrift mag niet meer dan 5% van de geveloppervlakte bedragen met een maximum van 4 m2. Hierbij telt reclame op het perceel mee. Per gebouw is maximaal één opschrift dat aan straatzijde zichtbaar is toelaatbaar. Een uitzondering kan gemaakt worden voor gebouwen die gevels aan meer dan één straat hebben. Het aantal opschriften is dan één per naar straat gerichte gevel.

Per gebouw is maximaal 1 lichtreclame toelaatbaar met een maximale oppervlakte van 1 m2. Uitzondering kan gemaakt worden voor gebouwen die gevels hebben aan meer dan één straat. De opschriften dienen te zijn opgenomen in de architectonische opbouw van de gevel en daaraan zo mogelijk bij te dragen. Plaats, afmeting en kleur worden mede daardoor bepaald. Het is zeker niet ondenkbaar dat in bepaalde gevallen de maximale afmetingen nog te ruim zijn.

Criteria voor sponsorborden bij verenigingen Verenigingen zijn voor hun voortbestaan steeds meer afhankelijk van sponsoring. Daarmee groeit ook de behoefte, als tegenprestatie, dit op enigerlei wijze in de openbare ruimte zichtbaar te maken, op verenigingsgebouwen of –terreinen. Voor sportverenigingen is dit al langer gebruikelijk, rondom de velden en gericht op de velden. Maar ook daar is de tendens zichtbaar de sponsors bij de entree van het sportterrein te noemen. Dit kan leiden tot wildgroei en verrommeling van de openbare ruimte. Deze criteria zijn bedoeld om het aanbrengen van sponsorborden mogelijk te maken zonder dat dit leidt tot een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.

 Maximaal 1 (gecombineerd) sponsorbord per vereniging. Aan de gevel:  

 

Algemeen: 

      

Op en bij monumenten dient reclame zeer terughoudend te zijn, en mogen reclame-uitingen het zicht op monumentale waarden niet beperken of belemmeren. Sponsorborden tegen of aan de gevel van een monument zijn niet passend. Wanneer daarvoor ruimte is, is op het terrein een vrij geplaatst bordje van bescheiden omvang wel mogelijk. Materiaalgebruik en vormgeving dienen te zijn afgestemd op het monument. Hetzelfde geldt voor beschermde stads- en dorpsgezichten en bij beeldbepalende panden of cultuurhistorisch waardevolle objecten. De reclame-uiting voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor reclame-uitingen in een beeldkwaliteitplan of in de gebiedsgerichte criteria. Sponsorlogo’s en/of -namen worden in één object opgenomen, tenzij de sponsor verbonden is met een specifiek gebouw of gebouwd onderdeel. Er zijn geen reclame-uitingen toegestaan die het zicht op het pand, de openbare ruimte of het open landschap belemmeren. Geen verlichte of aangelichte objecten Geen felle, detonerende of schreeuwerige kleuren Geen mechanisch bewegende delen. Geen lichtkranten of lichtreclame met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht; 55

Het sponsorbord integreren in de architectuur en beperken tot het hoogst noodzakelijke. Geen sponsorborden boven de bovendorpel van gevelopeningen op de begane grond, of wanneer tegen een blinde muur: bovenzijde bord niet hoger dan 2 meter boven maaiveld aangebracht. Individuele aanduidingen van sponsors beperkt houden tot 0,1 m2 (20x50 cm of 30x 40 cm). Indien meerdere sponsors worden genoemd: de totale oppervlakte beperkt houden tot 2 m2. Dit houdt in dat op 1 sponsorbord ongeveer 20 sponsors kunnen worden genoemd.

Vrijstaand:  

  

Geplaatst bij de entree van het verenigingsterrein of op een logische plek op het terrein zelf. In het laatste geval: niet gericht op de openbare ruimte. Het sponsorbord kan in principe tweezijdig worden gebruikt. Wanneer slechts 1 kant wordt gebruikt, dient de achterkant een zorgvuldige afwerking te hebben, of afgeschermd te worden met beplanting. Het oppervlak van het gecombineerde sponsorbord zelf maximaal 2 m2 groot. Geen vrijstaande vlaggenmasten, banieren e.d. van individuele sponsors. Voor sponsoruitingen met een duidelijk tijdelijk karakter, bijvoorbeeld i.v.m. evenementen, kan worden afgeweken van deze criteria, zolang dit geen onevenredige hinder voor de omgeving met zich mee brengt.

Reclame-uitingen in overgangsgebieden en verbindingsassen 

Met overgangsgebieden worden de zones bedoeld waar de andere gebieden (woon- en winkelgebieden, bedrijventerreinen, sportterreinen en buitengebied) aan elkaar grenzen. Deze gebieden vallen vaak samen met verbindingsassen, waar het verkeer de enige duidelijk aanwijsbare functie is. De vorm van de buitenruimte wordt hier dan ook in mindere mate door bebouwing bepaald. Niet bij elke overgang is een dergelijk gebied aanwezig: sommige ruimtelijk-functionele structuren sluiten naadloos op elkaar aan. Overgangsgebieden zijn vanwege hun monofunctionele karakter en, meestal, grote verkeersstromen, geschikte plaatsen voor het maken van tijdelijke reclame voor bijvoorbeeld evenementen en voorstellingen. Ook zullen zich in deze zones vaak informatiedragers bevinden, zoals gemeente- en wijkplattegronden. Wanneer de gemeente besluit medewerking te verlenen aan de plaatsing van dragers voor wisselende reclame-uitingen (billboards) dan zullen deze gebieden daarvoor in het algemeen de meest aangewezen plekken zijn. Overigens zal ook hier een zorgvuldige plaatskeuze en afstemming op de omgeving noodzakelijk blijven, en blijft een welstandstoetsing dus ook nodig. Lichtmastreclame, reclame op abri’s, vrijstaande displays en tijdelijke driehoeksborden zijn voorts in vrijwel elke APV aan regels gebonden.

Ten slotte: "snelwegmasten", hoge masten met verschillende of wisselende reclame-uitingen in de invloedssfeer van de snelweg, zijn i.v.m. de grote invloed op de horizon naar alle zijden, en de grote precedentwerking, in principe niet toelaatbaar. Alleen wanneer hieraan een duidelijk publiek belang is gekoppeld, dat ook bestuurlijk wordt onderschreven, zal hierop een uitzondering kunnen worden gemaakt.

56

12 EXCESSENREGELING EN VRIJWILLIGE TOETSING Inleiding Een bouwvergunningvrij bouwwerk of bouwvergunningvrije verandering van een bestaande bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen gesteld aan wat gebouwd mag worden, hoe bestaande bouwwerken mogen worden gewijzigd en er uit mogen zien. Bij bouwwerken die 'in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand' kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde 'repressieve welstandstoets' ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden 'al te lelijke bouwwerken die ernstig uit de toon vallen' aan te passen. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid vergunningsvrije bouwwerken vrijwillig te laten toetsen aan de welstandscriteria.

Repressieve toetsing van vergunningsvrije bouwplannen en bestaande bouwwerken Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Deze excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan, maar om storende buitensporigheden in de verschijningsvorm van het bouwwerk te kunnen opheffen, ook als hiervoor geen omgevingsvergunning nodig is. Voor de gemeente geldt het criterium dat er bij ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is. Het gaat hierbij dus om zaken waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Vaak heeft dit betrekking op het onbruikbaar maken van bouwwerken, ernstig verval van bouwwerken, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk, armoedig

materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. Het zal duidelijk zijn dat in een gebied met een hoge architectonische en/of cultuurhistorische waarde en samenhang er eerder sprake zal zijn van een exces dan in een gebied met een lagere waarde. De excessenregeling geldt zowel voor vergunningsvrije bouwwerken als voor bestaande (vergunningplichtige) bouwwerken, die een in het oog springende negatieve verandering hebben ondergaan. Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de in deze nota opgenomen algemene welstandscriteria en objectcriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Bij afwijking daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is. Bestaande (vergunningplichtige) bouwwerken voldeden ten tijde van vergunningverlening, normaal gesproken, aan redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders kunnen echter achteraf ingrijpen indien kan worden aangetoond dat als gevolg van aanpassingen/wijzigingen aan het bouwwerk, het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de in de nota opgestelde criteria.

Tot slot kan op basis van deze excessenregeling repressief worden opgetreden tegen het uitvoeren van een vergunningplichtig bouwwerk in afwijking van de verleende vergunning, ook wanneer deze afwijking op zichzelf niet vergunningplichtig is.

ernstige verstoring van de omgevings- danwel gebouwde kwaliteit constateert en waar de ruimtelijke kwaliteit als gevolg hiervan ernstig in het geding is. Op basis van de in de volgende subparagraaf benoemde aspecten kan tot toepassing van de excessenregeling worden overgegaan

De regeling Voor de gemeente geldt dat er bij het criterium ‘in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand’ sprake moet zijn van een exces. Dit wil zeggen dat er sprake dient te zijn van bijzondere, excessieve gevallen in het uiterlijk die ook voor nietdeskundigen evident zijn. Het gaat hierbij om zaken waaraan een groot deel van de mensen zicht ergert. De gemeente beschouwt de staat of toestand van een gebouw of bouwwerk als een exces indien sprake is van onder andere:       

een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat in extreme staat van verwaarlozing verkeert; het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; toepassing van felle of detonerende kleuren; te opdringerige reclames; een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.

Bovengenoemde opsomming is niet-limitatief. Ook andere concrete gevallen kunnen worden aangemerkt als een exces.

Toelichting De gemeente hecht grote waarde aan het in stand houden van de kwaliteit van de leefomgeving in brede zin en de gebouwde kwaliteit in enge zin. Één van de instrumenten die zal worden ingezet voor het in stand houden van de ruimtelijke kwaliteit is de excessenregeling. De gemeente zal dit instrument hanteren in die gevallen waar zij een 57

In een aantal situaties speelt het aspect tijd een belangrijke rol bij de vaststelling of iets als een exces moet worden aangemerkt. Hiermee dient bij vaststelling rekening te worden gehouden. Zo zal bijvoorbeeld bij het aspect ‘ernstige verwaarlozing’ moeten worden bekeken of sprake is van een onevenredige periode (ten opzichte van gebruikelijke en algemeen geaccepteerde

tijdsintervallen die hiervoor gelden) waarin geen of onvoldoende onderhoud wordt gepleegd, waardoor een object als ernstig verwaarloosd kan worden aangemerkt.

58

Een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat in extreme staat van verwaarlozing verkeert

Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving

Hieronder wordt verstaan dat aan (een) bouwwerk(en) gedurende een langere periode geen (basis) onderhoud is/wordt gepleegd als gevolg waarvan duidelijk visueel waarneembare achterstanden in onderhoud aantoonbaar zijn. Deze onderhouds-achterstand heeft een aantoonbare en voor een ieder zichtbare negatieve invloed op de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van de omgeving.

Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving kan meerdere doelen hebben. Het kan gaan om bouwwerken waar de functie van het pand of het gebruik van de achterliggende ruimte gewijzigd is. Om meer privacy te creëren of de ruimtes optimaal te kunnen gebruiken worden vensters ondoorzichtig gemaakt of vervangen door dichte geveldelen. De vensters worden ondoorzichtig gemaakt door het toepassen van plakfolie waar in sommige gevallen een reclame-uiting op staat. Dit komt veelal voor bij winkelruimtes. Ook komt het voor dat panelen aan de buitenzijde tegen het kozijn worden bevestigd.

Als een bouwwerk door het nalaten van onderhoud in extreme staat van verwaarlozing verkeert, met een duidelijke negatieve invloed op de kwaliteit van de omgeving, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

Bouwwerken worden daarnaast visueel of fysiek afgesloten omdat ze geruime tijd leeg staan en op korte termijn niet gebruikt, danwel gesloopt worden. Om vernielingen te voorkomen worden vensters afgetimmerd met platen van hout. Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving is van grote negatieve invloed op de openbare ruimte. Door het afsluiten wordt het contact tussen bouwwerk en openbare ruimte verbroken. Het bouwwerk krijgt een anoniem karakter en de functie van het pand wordt niet meer als zodanig beleefd vanaf straatniveau. Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving werkt verloedering van de omgeving in de hand en zorgt voor (een gevoel van) sociale onveiligheid.

59

Als een bouwwerk door het visueel of fysiek afsluiten voor zijn omgeving aanleiding is tot verloedering van die omgeving of tot sociale onveiligheid, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk

Armoedig materiaalgebruik

Een bouwwerk is ontworpen volgens een bepaald ontwerpprincipe of een bepaalde architectuurstijl.

Onder armoedige materialen worden materialen verstaan waarvan bekend is dat die onevenredig “lelijk” verouderen en/of die in negatieve zin een groot contrast vormen met de kwalitatief betere materialen van de bestaande bebouwing. Armoedige materialen zijn bijvoorbeeld kunststof schroten, industriële (damwand)beplating, rietmatten, golfplaten of zeildoek.

Door verbouwingen en toevoegingen kunnen stijlkenmerken en karakteristieke onderdelen verdwijnen. Bij bijzondere panden kunnen deze aanpassingen zorgen voor een aantasting van de aanwezige architectonische monumentaliteit of (spiegel)symmetrie. Als een bouwwerk door het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden een aantoonbare, en voor een ieder zichtbare, verschraling of disharmonie krijgt, met een duidelijke negatieve invloed op de kwaliteit van de omgeving, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

Ook bij (vergunningvrije) aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen in achtertuinen kan sprake zijn van een exces. Het toepassen van sterk contrasterend en/of ondeugdelijk materiaal kan, wanneer dit voor omwonenden duidelijk ervaarbaar is, ernstige strijd met redelijke eisen van welstand opleveren. Daarbij kan worden gedacht aan: witte of roestende damwandprofielplaten voor dak en gevels, sloophout, pallets enz.

60

Als een bouwwerk door armoedig materiaalgebruik onevenredig lelijk verouderd of een te sterk contrast met de omgeving vormt, met een duidelijke negatieve invloed op de kwaliteit van de omgeving, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

Toepassing van felle of detonerende kleuren

Te opdringerige reclames

Hieronder worden kleuren verstaan die de samenhang van het straat- of gevelbeeld ernstig verstoren en contrasteren met de directe omgeving. Dit zijn veelal felle en lichtgevende kleuren (secundaire-, tertiaire- en signaalkleuren) die detoneren met de overwegend in de straat- of gevelwand toegepaste materiaalkleuren.

Iedere ondernemer heeft de behoefte om aan of nabij zijn pand (een) reclame-uiting(en) aan te brengen. Er zijn verschillende vormen van uitingen zoals lichtbakken, vlaggen en andere gevelen raamreclames. Een reclame-uiting op zichzelf wordt niet direct als storend ervaren. De vormgeving, grootte en hoeveelheid aan reclame-uitingen op en aan een pand bepalen of de reclame gaat overheersen en opdringerig wordt. Teveel opdringerige reclame kan het beeld van een verzorgde straat behoorlijk verstoren en, in excessieve gevallen, de omgeving of het bouwwerk zelf onevenredig overheersen.

Als een bouwwerk door felle of detonerende kleuren de samenhang met de omgeving ernstig verstoort, met een duidelijke negatieve invloed op de kwaliteit van de omgeving, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

Voor reclame-uitingen zijn in deze nota criteria opgenomen. Als een reclame-uiting niet vergunningplichtig is, maar vragen oproept i.v.m. hinder voor de omgeving, wordt aan de hand van het bovenstaande criterium bepaald of een reclame moet worden beschouwd als een exces.

Voorbeelden van opdringerige reclames zijn reclames die: -

-

In maatvoering niet bij de omvang van de gevel het pand of het perceel (in het gevel- en straatbeeld overheersen); zijn geplaatst zonder relatie met het doel waarvoor de reclame dient of het bedrijf waarnaar wordt verwezen en daardoor als storend worden ervaren; Uitgevoerd zijn in niet duurzame/armoedige materialen. Denk aan niet professioneel gemaakte, te grote reclameuitingen; In felle kleuren zijn uitgevoerd waardoor ze met het pand/de straat detoneren; In verlichte vorm het gevel- en straatbeeld overheersen; Op een element zijn aangebracht die een andere (tijdelijke) functie of geen enkele functie hebben, zoals bijvoorbeeld steigerdoeken, zonneschermen, aanhangwagens en containers. Als reclame zodanig opdringerig wordt dat het bouwwerk of de omgeving door de reclame onevenredig wordt overheerst, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

61

Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een ernstige strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vooraf vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De gebiedsgerichte criteria en de criteria van de excessenregeling dienen daarbij als adviserend kader. Een dergelijke beoordeling kan voorafgaand aan de realisatie worden uitgevoerd op verzoek van de initiatiefnemer, of na de realisatie op verzoek van belanghebbenden (waaronder ook bestuurders, ambtenaren en leden van de welstandscommissie).

Elke omgeving kent zijn eigen bebouwingskarakteristiek. Deze kan hecht zijn, met een grote ruimtelijke en architectonische samenhang, of los en met veel variatie en afwisseling. De bebouwing in een bepaalde omgeving kan gevarieerd ogen maar toch een grote mate van samenhang in de schaal en maatvoering van de bouwwerken onderling vertonen. In elke omgeving zullen gebouwen zijn die zich daaraan onttrekken. Meestal zijn dit de “krenten in de pap”, de landmarks, de belangrijke, publieke gebouwen. Hun bijzonderheid staat in dienst van herkenbaarheid, oriëntatie, identiteit, enz. Hun afwijkende vorm heeft een begrijpelijke relatie met de functie van het gebouw. Zij maken de omgeving “leesbaar”.

Als een bouwwerk door een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is een onbegrijpelijke plek in die omgeving inneemt, met een duidelijke negatieve invloed op de kwaliteit van de omgeving, is sprake van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.

62

BIJLAGEN 1. Besluit Dorps Bouwen

63

64

65

i Structuurvisie Buitengebied 2013, door Pouderoyen compagnons

ii Zie bijlage 1 nota Dorps Bouwen, vastgesteld in de raad op …. 2013

66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13575467/1