20 Verklaring van geen bedenkingen zonneparkproject Oirschotsedijk (5 Visie Grootschalige Opwek en beleidskader)
Tekst van het document
November 2018
Visie Grootschalige Opwek (VGO)
en kaders - 2019
Visie Grootschalige Opwek
1
Visie Grootschalige Opwek:
Kadernota bij de Visie Grootschalige Opwek:
vastgesteld door de raad op 7 februari 2019
vastgesteld door de raad op 16 mei 2019
Visie Grootschalige Opwek gemeente Hilvarenbeek Inhoudsopgave 1. 2. 3. 4. 5.
Hebben wij een opgave? ………………………………………………………………………………………………………. Hoe pakken wij die opgave op? ……………………………………………………………………………………………. Waar zetten we nu op in? …………………………………………………………………………………………………….. Welke voorwaarden stellen we? ………………............................................................................... Was dit het dan? …………………………………………………………………………………………………………………..
3 4 5 6 10
Kadernota bij de VGO Hilvarenbeek Inhoudsopgave 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Aanleiding ..………………………………………………………………………………………………………………………….. Nadere toelichting ………………….……………………………………………………………………………………………. Zonneladder ………………….…………………………………………………………………………………………………….. Leidende principes …………………..………………............................................................................... Aanvullende beoordelingskaders………………………………………………………………………………………….. Het proces ……………………………………………………………………………………………………………………………. Bijlagen …………………………………………………………………………………………………………………………………
Visie Grootschalige Opwek
11 11 12 13 14 17 18
2
Visie Grootschalige Opwek gemeente Hilvarenbeek 1. Hebben wij een opgave? Ja; wij hebben een nadrukkelijke opgave om onze energieopwekking te verduurzamen. Dat vinden we niet alleen zelf, maar volgt ook rechtstreeks uit (inter)nationaal gemaakte afspraken. Zo hebben wij ons bijvoorbeeld via de regio Hart van Brabant verbonden aan de doelstelling om in 2050 geheel energie- én CO2-neutraal te zijn. Dat betekent dat over iets meer dan dertig jaar alle elektriciteit die in de regio Hart van Brabant wordt verbruikt in, door of namens de regio Hart van Brabant op duurzame wijze opgewekt zal worden. En onze eigen ambitie reikt verder! Bij de behandeling van de nota Energietransitie Hilvarenbeek 2017 – 2020 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen waarin het college wordt opgeroepen om te onderzoeken wat de gemeente coördinerend en versterkend kan doen om al in 2025 energieneutraal te zijn. Hieruit spreekt een nagenoeg raadsbrede ambitie om sneller en met meer gemeentelijke regie werk te maken van de energietransitie. Daarnaast zijn wij van mening dat het bijna overbodig is om mensen ervan te overtuigen dat het verder opmaken van fossiele brandstoffen een heilloze weg is. Maatschappelijk en ook geopolitiek is het gevoelen dat we een andere weg in moeten slaan breed gedragen.
Innovatie in de opwek van energie is dan ook een opkomende economische sector aan het worden en zelfs de grote energiebedrijven maken werk van nieuwe manieren om energie op te wekken. Kortom: maatschappelijk, bestuurlijk en politiek hebben wij een opgave om aan de slag te gaan met de verduurzaming van onze energieopwekking. Hoe groot is die opgave dan? Niemand weet met zekerheid hoe de vraag naar energie in het algemeen en die naar elektriciteit in het bijzonder zich gaat ontwikkelen1. Door ‘van het (aard)gas te gaan’ en de nadruk te leggen op elektrisch rijden, zal de vraag naar stroom groeien. Aan de andere kant kunnen warmtepompen en nóg betere isolatie maken dat bebouwing nog maar een fractie van de momenteel benodigde stroom nodig heeft om leefbaar te zijn – waarbij zij aangetekend dat elektriciteit in de verwarming van bebouwing doorgaans een kleine rol speelt. Voor de Hilvarenbeekse visie hanteren we vooralsnog als vuistregel dat de gemeente in de jaren tot 2050 ongeveer 1 petajoule aan elektriciteit per jaar2 nodig zal (blijven) hebben. Dit is, omgerekend naar een voor stroom gemakkelijker hanteerbare eenheid, gelijk aan 278 gigawatturen (GWh)3. Om onze bijdrage aan de totale opgave in de regio Hart van Brabant te leveren moeten we als Hilvarenbeek in 2050 op jaarbasis 278 GWh (278.000.000 kWh) aan duurzame stroom opwekken.
1
de Rijksoverheid rekent met een jaarlijkse elektriciteitsbesparing van zo’n 2%. De inschatting van de in de toekomst benodigde hoeveelheid elektriciteit in Hilvarenbeek is gebaseerd op de website klimaatmonitor.databank.nl. (De klimaatmonitor telt ook ‘warmte’ en ‘kinetische energie’ mee.) 3 Een gemiddeld huishouden met vier personen verbruikt 4,5 MWh per jaar. De totale geschatte stroombehoefte van Hilvarenbeek is gelijk aan die van ruim 61.750 ‘gemiddelde huishoudens’. 2
Visie Grootschalige Opwek
3
2.
Hoe pakken wij die opgave op?
Het gaat dus om gigantische aantallen energie die duurzaam opgewekt moet worden. In de nota energietransitie gaven we al aan dat daarvoor ongeveer achttien forse windturbines4 van 4 MW nodig zijn of ruim een miljoen zonnepanelen à 1,6 m2.. Het kan dus niet anders dan dat we ook moeten kijken naar grootschalige manieren om die energiebehoefte duurzaam op te wekken. De ambitie waaraan we gehouden zijn, heeft een horizon tot 2050. We hoeven dus niet overmorgen alle energie duurzaam opgewekt te hebben. Dat maakt dat we de tijd willen nemen om nieuwe ontwikkelingen te volgen en in te passen in onze opgave enerzijds en dat we de tijd hebben om goed na te denken over welke randvoorwaarden we willen stellen aan grootschalige energieopwekking anderzijds. In dit visiedocument geven we daar al enige richting aan. Van de andere kant kunnen we niet stilzitten. De gemeenteraad heeft immers een nadrukkelijke aanscherping van de ambitie neergelegd. Ook zijn er initiatiefnemers die zich bij ons gemeld hebben en vragen of ze met hun plannen vooruit kunnen. Principeverzoeken die wij ontvangen, behandelen we in principe drie maal per jaar, vanaf 1 april, 1 augustus en 1 december. Op die wijze kunnen we verzoeken efficiënt beoordelen en de verklaring van geen bedenkingen op gestructureerde wijze aan de gemeenteraad voorleggen.
De raad krijgt daarmee ook een duidelijker beeld welke verzoeken er in een periode voorliggen.
Kortom: we moeten ook grootschalig duurzame energie opwekken en we willen daarmee een begin maken.
4
Bij de huidige stand van de techniek kunnen we alleen nog houdbare berekeningen maken over het duurzaam elektriciteit opwekken door middel van zonne- en windenergie. Geothermie, waterkracht, osmose, kernfusie en andere technologieën zijn voor nu nog niet voldoende ontwikkeld of anderszins voor onze omgeving vooralsnog ongeschikt om een rol van betekenis te spelen. Visie Grootschalige Opwek
4
3.
Waarop zetten wij nu dan in?
Omdat we nu aan de slag willen met de grootschalige opwek van duurzame energie, moeten we ons richten op bewezen technieken. Dat betekent dat wij ons richten op zonne-energie en windenergie. Met beide vormen van duurzame elektriciteitsopwekking is al decennialang ervaring opgedaan; we weten wat we ervan kunnen verwachten. En we weten hoe deze technieken ingrijpen in ons leven van alledag. Betekent dit dat dat we ons helemaal niet richten op andere energievormen, bijvoorbeeld waterstof? Nee; integendeel. We willen die ontwikkeling (en andere innovaties) blijven volgen om te bekijken of het ook voor Hilvarenbeek interessant kan zijn om ze toe te passen in dit kader. Daarom stellen we voor deze visie nu vast te stellen, maar niet in beton te gieten. Periodiek willen we deze visie herzien om zo te bepalen of we nieuwe technieken kunnen inpassen en/of we onze inzet moeten bijstellen. Maar omdat we nu aan de slag willen, richten we ons dus op zonne-energie en windenergie. Kortom: we zetten nu in op zonne-energie en windenergie en volgen de ontwikkelingen om die bij periodieke bijstellingen van deze visie een plek te kunnen geven.
Zonne-energie In de op te stellen duurzaamheidsvisie zullen wij aangeven dat en hoe wij onze inwoners willen stimuleren om primair in hun eigen duurzame energieopwekking te voorzien. In het algemeen kunnen we stellen dat initiatieven in, om en aan bestaande bebouwing de voorkeur verdienen mits ze direct omwonenden geen hinder geven. Ze hebben als voordeel dat ze gemakkelijk in de ruimte inpasbaar zijn, dat de (doorgaans overzichtelijke) opbrengst redelijk eenvoudig aan het elektriciteitsnet is aan te bieden en dat ze een huishouden goeddeels zelfvoorzienend maken. Als ieder gebouw in de gemeente Hilvarenbeek zijn zonnepotentie ten volle benut, levert dat al een eerste bescheiden bijdrage aan de duurzaamheidsambities. In de praktijk zal, met de huidige stand van de techniek, onze ambitie van het duurzaam opwekken van álle voor Hilvarenbeek benodigde elektriciteit echter niet zonder grootschaligere plannen te vervullen zijn. Het is onontkoombaar dat grootschaligere plannen ruimtelijke impact hebben. We zijn daarom van mening dat deze plannen gerealiseerd moeten worden op locaties waar deze impact zo minimaal mogelijk is. Windenergie Om 278 GWh aan stroom op te wekken zijn, als je het probleem geheel kinetisch op zou willen lossen, ongeveer achttien forse windturbines nodig.
Windturbines hebben een fors hoger rendement en hebben een aanmerkelijk minder ruimte beslag dan bijvoorbeeld een zonneveld. Daar tegenover staat een maatschappelijke discussie over onder andere de inpassing in het landschap. De energietransitie vergt echter een grote opgave en hiervoor zullen alle mogelijkheden moeten worden benut, daarom gaan wij uit van het CIMBY principe. (Certainly In My BackYard) Visie Grootschalige Opwek
5
4.
Welke voorwaarden stellen we? Zonneladder
In de afweging of toestemming aan een zonneproject verleend kan worden, maken we gebruik van de zogenaamde 'Zonneladder'.
Trede 0 (gebouwgebonden zonnepanelen op daken en gevels) geniet sterk de voorkeur, echter maakt geen maakt geen onderdeel uit van de afweging van initiatieven voor grootschalige opwek. Trede 1 (grondgebonden zonnepanelen binnen bestaand stedelijk gebied) volgt qua voorkeur daarop echter de mogelijkheden daartoe zullen, gelet op de benodigde oppervlakte en de beschikbaarheid van locaties, vermoedelijk niet groot en veelal tijdelijk zijn. Tegenover deze initiatieven zal een positieve grondhouding worden ingenomen, zonder dat dit initiatieven uit de Treden 2 en 3 hoeft te belemmeren. De Treden 2 en 3 (grondgebonden zonnepanelen nabij bestaand stedelijk gebied respectievelijk in het buitengebied) worden als één categorie beschouwd waarbinnen afweging zal plaatsvinden conform het bepaalde in het onderdeel “leidende principes voor zonnepanelen”.
Leidende principes voor zonneprojecten Omdat er al verschillende initiatieven zijn aangedragen die betrekking hebben op trede 3 van de zonneladder, leggen we in deze visie een aantal kaders neer. Deze kaders zijn niet-limitatief en kunnen afhankelijk van de locatie nog nader aangescherpt worden. De gemeenteraad behoudt naast Visie Grootschalige Opwek
6
deze visie hoe dan ook het recht om aanvullend of afwijkend te beslissen, afhankelijk van de locatiespecifieke kenmerken en het businessplan van initiatiefnemers. We kijken daarbij naar ruimtelijke én maatschappelijke criteria. Niet alleen initiatiefnemers, maar ook de samenleving zal namelijk voor een reeks van jaren te maken krijgen met stevige ruimtelijke ingrepen en ook maatschappelijke kansen. Bij Trede 0 van de Zonneladder stellen we geen aanvullende vragen en voorwaarden. Bij de andere tredes hanteren we zeven algemene uitgangspunten om de initiatieven te beoordelen, te weten: 1. Behoud van bestaande ruimtelijke kwaliteit 2. Maatschappelijke meerwaarde 3. Behoud van ruimte voor toeristisch-recreatieve ambities 4. Zorgvuldige dialoog 5. Een goede, uitvoerbare en duurzame ruimtelijke ordening 6. Er is sprake van meervoudig ruimtegebruik 7. In “Natuurnetwerk Brabant” zijn geen zonneparken toegestaan
1. Behoud van bestaande ruimtelijke kwaliteit > Uitgangspunt is dat een nieuwe elektriciteitscentrale de ter plekke bestaande ruimtelijke kwaliteit zo min mogelijk aantast. Waar een dergelijke aantasting onvermijdelijk is, verwachten we maatregelen die deze aantasting zo goed mogelijk compenseren. We denken bijvoorbeeld aan landschappelijke inpassing. > In gebieden die een nadrukkelijke cultuurhistorische en/of natuurlijke waarde bezitten of die vitaal zijn voor onze toeristisch/recreatieve uitstraling, geven wij geen ruimte voor grootschalige zonneparken. > We maximeren de omvang van zonneparken afhankelijk van het gebied. Het is voorstelbaar dat in een grote, open ruimte er meer, goed ingepaste, ruimte is voor een zonnepark, dan in een gebied met een al aanwezige hogere bebouwingsconcentratie.
2. Maatschappelijke meerwaarde We kijken of initiatieven maatschappelijke meerwaarde hebben. De revenuen van de ontwikkeling van een zonneveld mogen niet alleen naar de ontwikkelaar en grondeigenaar gaan. Ook de samenleving wil op een of andere manier kunnen meeprofiteren. Denk aan meervoudig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteitsverbetering (zoals landschapsverbetering, herstellen van cultuurhistorische waarden, klimaatadaptatie) en/of lokale sociale participatie5. We denken dan voor nu vooral aan het participeren in een opwekinstallatie door bedrijven en/of inwoners of de lokale energiecoöperatie Hilverstroom (en daarmee dus ook de lokale inwoners en bedrijven). De inzet, waar mogelijk, van lokale en regionale MKB-bedrijven voor bouw en onderhoud van opwekinstallaties geldt als pluspunt. We dagen initiatiefnemers uit bij te dragen aan de lokale bewustwording. We zien graag een bijdrage aan het hoe langer hoe normaler maken van het lokaal
5
De Provinciale Energienota schrijft voor dat de helft van de opbrengst van een energiecentrale ‘maatschappelijke meerwaarde’ dient te hebben. Visie Grootschalige Opwek
7
duurzaam opwekken van elektriciteit. De uiteindelijke vormgeving en uitwerking van initiatieven laten we graag over aan ‘de markt’. Mocht zich bij een project onvoldoende kans voordoen (financieel) te investeren in meerwaarde dan bestaat de mogelijkheid een bijdrage te doen aan een in te stellen fonds.
3. Behoud van ruimte voor toeristisch-recreatieve ambities Een initiatief mag geen onevenredige afbreuk doen aan onze toeristisch-recreatieve ambities. Hiermee sluiten we aan bij het Collegeprogramma 2018-2022.
4. Zorgvuldige dialoog We vinden het van belang dat initiatieven kunnen rekenen op maatschappelijk draagvlak. De initiatiefnemer houdt daartoe met de omgeving een zorgvuldige dialoog. Zo ontstaat al op voorhand inzicht in de wensen van de omgeving en zijn deze te betrekken bij de uitwerking van het plan. Als bezwaren niet (voldoende) weg te nemen zijn, kan de initiatiefnemer zelf uitleggen hoe dat zo gekomen is en welke alternatieven hij uitwerkt.
5. Een goede, uitvoerbare en duurzame ruimtelijke ordening Elk initiatief moet uiteraard voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voorziet elke initiatiefnemer zijn plan van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing. Daarin gaat hij in op: - Milieu-planologische aspecten zoals geluid, licht, trilling enzovoorts. Zo nodig zal de initiatiefnemer hiervoor een onderzoek aanleveren. - Ruimtelijke gevolgen en de mate waarin en manier waarop hij deze indien nodig beperkt. De initiatiefnemer gaat in op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten, waaronder stedenbouw, landschap, natuur- en cultuurhistorische waarden en waterhuishouding. Als zijn initiatief deze aantast zet de initiatiefnemer uiteen hoe hij deze gevolgen zal verminderen. - Economische uitvoerbaarheid, waaronder een sluitende businesscase en de bereidheid om mogelijke planschade te aanvaarden. - De verwerking van de stroomopbrengst. Deze dient aantoonbaar door de netbeheerder te accepteren en aan het algemene stroomnetwerk toe te voegen te zijn. - Het gebruik van herbruikbare materialen bij de bouw van centrales.
Leidende principes voor windprojecten Voor verzoeken voor windturbines gelden dezelfde (inhoudelijke) uitgangspunten als bij de zonnevelden 1. Behoud van bestaande ruimtelijke kwaliteit 2. Maatschappelijke meerwaarde 3. Behoud van ruimte voor toeristisch-recreatieve ambities 4. Zorgvuldige dialoog Visie Grootschalige Opwek
8
5. Goede, uitvoerbare en duurzame ruimtelijke ordening 6. In “Natuurnetwerk Brabant” zijn geen windturbines toegestaan
Integrale ontwerpopgave Het is waar dat windturbines in de omgeving ingrijpen en dat zich dit niet gemakkelijk laat compenseren met landschappelijke ingrepen. Daarom vergen zij een integrale ontwerpopgave. Dit zal steeds van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Het combineren van windturbines met andere functies in een gebied heeft onze voorkeur. Mogelijke combinaties zijn: - infrastructuur (snel- en vaarwegen) - bedrijventerreinen - zonnevelden - waterberging - agrarische productielandschappen - natuurontwikkeling De ontwikkeling van windturbines gaat erg snel. Het vermogen van de windturbine neemt steeds verder toe, maar daarmee ook de hoogte van mast en rotor. Op voorhand willen wij geen maximale hoogte voorschrijven van windturbines. We stellen wel als eis dat een windturbine minimaal een vermogen van 3 MW moet hebben. Voor elke casus afzonderlijk beoordelen we of en in hoeverre windturbines op die locatie aanvaardbaar zijn. We houden daarbij uiteraard ook rekening met de Verordening Ruimte van de Provincie NoordBrabant. Die stelt dat windturbines minimaal in een opstelling van drie stuks moeten worden geplaatst. We spreken dus van een windturbinepark. De Verordening Ruimte biedt ook ruimte voor het oprichten van windturbines tot 25 m1 ashoogte. Deze categorie windturbines valt niet onder de VGO.
Kortom: we volgen de leidende principes zoals beschreven en stellen voorwaarden aan initiatieven voor windturbines
Visie Grootschalige Opwek
9
5.
Was dit het dan?
Met het vaststellen van deze visie zijn we er niet. Zoals gezegd is de opgave zeer ingrijpend, net als de te nemen maatregelen. We hebben de tijd, maar we willen we nu beginnen! En de ontwikkelingen staan niet stil. Daarom willen we deze visie periodiek tegen het licht houden om te kunnen beoordelen of bijstelling nodig is en/of we nieuwe technieken en innovaties kunnen inpassen. Die periodieke beoordeling geeft ook ruimte om onze eigen initiatieven, bijvoorbeeld de ideeën over een energieopwekkend geluidsscherm langs de N269, in te passen. In regionale, nationale en wellicht internationale verdragen zal op den duur meer duidelijkheid komen over de vraag of alle elektriciteit die in gemeenten wordt verbruikt ook daadwerkelijk op eigen grondgebied moet worden opgewekt. Er zijn constructies voorstelbaar waarin ‘onze’ behoefte (deels) wordt verzorgd door projecten elders - of andersom. Zo wordt in de ‘Energiecorridor A58’ onder meer bekeken welke vormen van duurzame energie langs de snelweg kunnen worden ontwikkeld. Ook wordt de regio Hart van Brabant medio 2019 geacht een Regionale Energie Strategie (RES) op te leveren. Deze visie zal daarin de input vanuit Hilvarenbeek zijn en tegelijkertijd kan die RES weer betekenis hebben voor deze visie. De periodieke beschouwing van deze visie biedt ook daarvoor gelegenheid.
Kortom: we zijn er nog lang niet, maar we zetten met deze visie grootschalige opwek een eerste stap in de verduurzaming van onze enrgieopwekking!
Visie Grootschalige Opwek
10
Kadernota bij de VGO Hilvarenbeek 1
Aanleiding
Bij de besluitvorming van de Visie grootschalige opwek Hilvarenbeek (VGO), op 7 februari 2019, is door de raad een Amendement (A-03) aangenomen. De VGO is hierop aangepast. Ook is aan de raad toegezegd om als aanvulling op de VGO een nota met kaders op te stellen. De kaders moeten aansluiten bij de vereisten die de Verordening ruimte aan de VGO stelt. Daarbij moeten we ingaan op de zonneladder en voorwaarden benoemen voor behoud van ruimtelijke kwaliteit. Deze kadernota is een aanvulling op de Visie Grootschalige Opwek (VGO) en deze zijn daarmee onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
2
Nadere toelichting
Vanuit het klimaatakkoord hebben we een opgave om de CO2 uitstoot te verminderen, door onder andere, het opwekken van meer duurzame elektriciteit. In de Nota Energietransitie Hilvarenbeek en het programma-akkoord 2018-2022 staat dat we hiermee versneld aan de slag willen. De VGO gaat alleen over grootschalige opwek van elektriciteit met zon en wind, conform de eis vanuit de Verordening ruimte. Het is een onderbouwing van de behoefte aan grootschalige opwek en de ruimtelijke afweging hierbij. In algemene zin geldt dat zonnevelden en windturbines in het buitengebied in beginsel niet zijn toegestaan. In bepaalde situaties kan de gemeente besluiten om toestemming te verlenen voor de ontwikkeling als wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Naast het bestaande wettelijk kader is de VGO een instrument om de grootschalige opwek van elektriciteit gecontroleerd vorm te geven. Uiteraard blijft onze inzet gericht op alle doelen uit de Nota Energietransitie Hilvarenbeek. Besparing van energieverbruik blijft noodzakelijk en andere duurzame energiebronnen als waterkracht, bioenergie en bodemenergie blijven tot de mogelijkheden behoren voor onze elektriciteitsbehoefte. Deze vallen echter niet onder de VGO en worden beoordeeld vanuit het bestaande wettelijk kader. Samenhang met REKS Voor de totale opgave van de energietransitie is het nationaal klimaat akkoord de basis.
Van hieruit worden in 2019 regionale energie strategieën opgesteld (RES). In de regio Hart van Brabant is ervoor gekozen om klimaatadaptatie hieraan toe te voegen. Daarom spreken we voortaan van de REKS. Als gemeente Hilvarenbeek participeren wij hierin om daarna onze eigen energiestrategie vorm te geven. Omdat zon en wind niet het hele jaar door de benodigde energie kunnen leveren zijn we in de toekomst ook afhankelijk van andere bronnen en energieopslag. De resultaten uit de REKS geven nieuwe inzichten ten aanzien van energiebehoefte, duurzame energiebronnen en het proces voor de energietransitie. Gelet op alle ontwikkelingen heeft de raad besloten om de VGO met kaders in de zomer van 2020 te evalueren. Hierna stelt de gemeenteraad nieuwe kaders vanuit nieuwe inzichten.
Kaders bij de VGO
11
Algemene voorwaarden voor initiatieven grootschalige opwek
We stellen dat tot en met 2020 maximaal 50 ha aan zonneparken en een locatie voor windturbines wordt vergund. Tot die tijd willen we de ruimte voor zonneparken beperken zodat we grip houden op het proces en de gevolgen van aanvragen (zie hfd 6). Aansluiting op het elektriciteitsnet is voorwaarde om een project te laten doorgaan. Bij een aanvraag voor grootschalige opwek vragen we een schriftelijke verklaring van de netbeheerder, waaruit blijkt dat er afstemming is met de netbeheerder en een prijsindicatie is afgegeven voor de aansluiting op het net. Als de aanvraag positief wordt beoordeeld, vragen we als voorwaarde voor een vergunning een geldende offerte van de netbeheerder waaruit blijkt dat aansluiting mogelijk is en maatschappelijk verantwoord. Plannen moeten realistisch en uitvoerbaar zijn. Op dit moment is nog veel onduidelijk en de ontwikkelingen ten aanzien van duurzame energiebronnen gaan in hoog tempo. We volgen die ontwikkelingen en zorgen dat we bij de beoordeling hierop kunnen anticiperen. Het voldoen aan alle voorwaarden leidt niet automatisch tot het verlenen van een vergunning. Als tijdens het proces blijkt dat de gevolgen voor goede ruimtelijke ordening en het algemeen belang onaanvaardbaar worden, hebben we de mogelijkheid om de aanvraag af te wijzen. Een anterieure overeenkomst is onderdeel van de vergunning.
Als het proces van initiatiefvoorstel positief verloopt, kan dit leiden tot een vergunning voor de installatie van een zonnepark of windturbines. Betrokken partijen stellen een anterieure overeenkomst op met alle afspraken. We vragen hierbij een bankgarantie zodat bij faillissement de kosten van het opruimen van de zonnepanelen kunnen worden betaald (zie 5.5). Het stellen van financiële zekerheid is immers verplicht op grond van de provinciale Verordening ruimte, zowel ten aanzien van windturbines als zonneparken
3
Zonneladder
In de VGO Hilvarenbeek is de zonneladder beschreven. De invulling van de treden van de zonneladder is niet volgtijdelijk bedoeld maar kan gelijktijdig worden gerealiseerd. In de Verordening Ruimte staat dat “uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie”. Hierbij is het uitgangspunt dat eerst wordt gekeken hoeveel potentieel er is voor energie-opwek op daken en binnen de stedelijke omgeving. We moeten voorkomen dat de mogelijkheden van zon op daken worden belemmerd door grootschalige opwek in het buitengebied. De toekomstige energiebehoefte in Hilvarenbeek is gesteld op 1 Petajoule per jaar. Dit kan nog wijzigen na de uitkomsten van de REKS en toekomstige ontwikkelingen. Als we 1 Pj, die jaarlijks nodig is, vertalen naar hectares zonnepark dan hebben we 250 Ha nodig. Voor de opwek van die energie gaan we ervan uit dat we 50% halen uit bekende technieken (zon en wind) en 50% bewaren voor nieuwe ontwikkelingen (zie toelichting in bijlage). Onderstaand schema geeft de verdeling in de zonneladder weer van mogelijke opwek met zon en wind (potentie). Voor elke windturbine is 10 ha minder zonnepark nodig. Kaders bij de VGO
12
Trede 0 1 2 3 totaal
Potentie in Ha 20 10 20
Nodig in Ha 20 10 20 200 250
Bij 50% bewezen technieken 10 ha zon 5 ha zon 10 ha zon 100 ha zon 125 ha zon
Met 3 windmolens 10 ha zon 5 ha zon 10 ha zon 70 ha zon en 3 molens 95 Ha zon en 3 molens
Schema, verdeling energiepotentie van Hilvarenbeek over de zonneladder
We zien dat naast invulling van de treden 0, 1, en 2 een aanzienlijke opgave overblijft voor trede 3. Dit is zelfs nodig om op middellange termijn voldoende resultaten te halen. Uiteraard blijven we het plaatsen van zonnepanelen op dakvlakken en op percelen in of bij de bebouwde omgeving stimuleren
4
Leidende principes in de VGO
Bij de beoordeling van initiatieven voor opwek van duurzame energie is de bestaande wetgeving (De Wet milieubeheer, Wet natuurbescherming, Wet ruimtelijke ordening) leidend. In de Verordening Ruimte staan regels om grootschalige opwek van energie in het buitengebied, onder voorwaarden, mogelijk te maken. Met de VGO wordt “afgewogen welke locaties geschikt zijn gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit”. Voor de beoordeling van plannen voor zonneparken en windmolens in Hilvarenbeek zijn in onze VGO zeven algemene uitgangspunten opgenomen. 1 2 3 4 5 6 7
behoud van bestaande ruimtelijke kwaliteit maatschappelijke meerwaarde behoud van ruimte voor toeristisch – recreatieve ambities zorgvuldig dialoog goede, uitvoerbare en duurzame ruimtelijke ordening er is sprake van meervoudig ruimtegebruik in gebieden van Natuurnetwerk Brabant zijn windturbines en zonneparken uitgesloten.
Kaders bij de VGO
13
5
5.1
Aanvullende beoordelingskaders
Behoud ruimtelijke kwaliteit
Vanuit de Verordening ruimte zijn enkele voorwaarden gesteld aan het afwegingskader voor windmolens en zonneparken in het buitengebied. Deze voorwaarden gelden onverkort. De ruimtelijke onderbouwing is een hierbij belangrijke onderdeel voor de afweging. De beoordeling van initiatieven en plannen gebeurt op basis van bestaande beleidskaders (structuurvisie, Verordening ruimte, bestemmingsplan) en het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek. Hiermee hebben we instrumenten om de ruimtelijke kwaliteit te borgen. Naast de beoordeling van de ruimtelijke onderbouwing gebruiken we de Windkansenkaart en de kaart met zoekgebieden voor zonenergie van het Groenontwikkelfonds (zie kaartjes). Afbakening Ondanks dat we initiatieven stimuleren en de uiteindelijke planvorming over laten aan de markt, willen we voor de ruimtelijke kwaliteit toch enkele gebieden uitsluiten of afbakenen. Uitgesloten voor windmolens en zonneparken zijn: Gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant Beekdalen, Bos en natuurgebieden uit het Landschapsontwikkelingsplan (zie kaart) In het ‘Kampen en Hoevenlandschap’ en het ‘Oude ontginningslandschap’ zijn windmolens en zonneparken groter dan 3 ha uitgesloten. Hierbij is ‘de verweving tussen agrarisch gebied en natuur’ het voorkeursgebied voor kleinschalige zonneparken.
In kleinschalige ‘jonge ontginningsgronden’ aan de west- en zuidkant van de gemeente Hilvarenbeek zijn windmolens en zonneparken groter dan 8 ha uitgesloten. Hierbij is ‘de verweving tussen agrarisch gebied en natuur’ het voorkeursgebied voor middelgrote zonneparken. In grootschalige ‘jonge ontginningsgronden’ aan de oostkant van onze gemeente, behoren windmolens en zonneparken tot maximaal 20 ha tot de mogelijkheden. “Opknippen” van grote oppervlakten in meerdere kleine oppervlakten is niet toegestaan. Per gebied wordt gekeken hoeveel oppervlak verantwoord is in relatie tot de schaal van de open ruimte. In beginsel wordt niet meer dan 10% ruimtebeslag per open gebied toegestaan. De aanvrager levert een plan aan voor landschappelijke inpassing. Hierin is onderbouwd dat het project bijdraagt aan het behoud en bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Ook is hierin rekening gehouden met de gevolgen van het project voor de in het projectgebied gelegen gronden. Vooral wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, aanwezige monumenten, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige en landschappelijke waarden. De landschappelijke inpassing wordt als voorwaardelijke verplichting aan de omgevingsvergunning (voor strijdig gebruik) gekoppeld.
Kaders bij de VGO
14
5.2
Maatschappelijke meerwaarde
Volgens de Verordening Ruimte kunnen windturbines slechts worden toegestaan als ze (onder meer) maatschappelijke meerwaarde hebben. Dat moet worden onderbouwd vanuit de volgende criteria; a. als de omgeving direct kan participeren in het project, b. als het project bijdraagt aan het oplossen van een maatschappelijk of ruimtelijk probleem, c. of bijdraagt aan een maatschappelijk of ruimtelijk doel. De meerwaarde voor zonneparken moet worden onderbouwd vanuit de volgende criteria; a. de mate van meervoudig ruimtegebruik, b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken, c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen. Het is aan de aanvrager om aan te tonen wat de maatschappelijke meerwaarde van het project is. Om te voorkomen dat grote externe investeerders ons landelijk gebied voor zonneparken benutten zonder lokale doelen te dienen, stellen we aanvullende voorwaarden. We volgen hierbij de ambitie zoals die is opgeschreven in het ontwerp energieakkoord. Hierin zijn uitgangspunten opgenomen voor de omgevingsparticipatie bij duurzame energieprojecten. In dat kader wordt ervan uitgegaan dat er een samenwerking ontstaat tussen de ontwikkelaar en de omgeving.
5.3
De initiatiefnemer maakt een participatieplan waarin beschreven is hoe de omgevingsparticipatie wordt ingevuld en hoe de eigendomsverhouding optimaal wordt ingericht. We streven naar een evenwichtige eigendomsverdeling waarbij 50% van de productie eigendom is van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). Onderdeel van het participatieplan kan het instellen van een Omgevingsfonds zijn. Hierin doet de initiatiefnemer een afdracht voor maatschappelijke doelen. Als zo’n fonds er komt dan wordt dit, met een voor het project redelijk, bedrag gevuld door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zorgt voor maatregelen die de impact op de omgeving verzachten of op een andere manier bijdragen aan het lokaal belang. De omgevingsdialoog dient als input voor lokaal maatschappelijke belangen waarop de maatregelen zijn gericht. Deze maatregelen hebben geen betrekking op landschappelijke inpassing, omdat de landschappelijke inpassing al onderbouwd dient te worden op grond van het bovenstaande en de Verordening ruime.
Ruimte voor recreatieve ambities
Bij de beoordeling op ruimtelijke kwaliteit nemen we de belangen voor toeristisch – recreatieve ambities mee. Met meervoudig ruimtegebruik zijn kansen voor een combinatie van ambities (zie 5.6). 5.4
zorgvuldig dialoog
Het is belangrijk dat omwonenden en belanghebbenden worden betrokken bij een project voor grootschalige opwek.
Kaders bij de VGO
15
5.5
duurzame ruimtelijk ordening
5.6
Onderdeel van een aanvraag is een communicatieplan waarin staat hoe de omgevingsdialoog wordt ingevuld. Als het initiatief is getoetst op haalbaarheid kan een verdere uitwerking van de communicatie worden gevraagd. De aanvrager organiseert minimaal een informatie bijeenkomst voor omwonenden en belanghebbenden waarbij hij de plannen, de participatiemogelijkheden, en de communicatie toelicht. De omgevingsdialoog biedt input voor de maatregelen die de impact van het project op de omgeving verzachten. De aanvrager heeft een contactpersoon beschikbaar die de communicatie met de omgeving onderhoudt en die reageert op klachten en vragen. Deze voorwaarde geldt gedurende zowel het voorbereidingstraject als tijdens de duur van de vergunning. De gemeente verwijst, burgers met vragen over het project, naar de contactpersoon die de vragen moet beantwoorden (zie richtlijn voor dialoog in bijlage 6).
Plannen voor grootschalige opwek op een voormalige agrarische bestemming (VAB), hebben de voorkeur. De aanvrager dient te onderbouwen dat en op welke wijze hij de mogelijkheden hiertoe heeft onderzocht. De eigenaar van de grond is betrokken bij de exploitatie en er dient aannemelijk te worden gemaakt door de aanvrager dat verhuur of gebruik van de grond door de eigenaar niet leidt tot intensivering van zijn overige grond. De aanvrager toont aan dat de kwaliteit van de bodem, met bijbehorend bodemleven, behouden blijft. Ook dient hij aan te tonen dat de bodem geschikt blijft voor toekomstige natuurontwikkeling of agrarisch gebruik. De aanvrager dient te onderbouwen met welke beheermaatregelen het voorgaande wordt bereikt. In het plan wordt rekening gehouden met bestaande flora en fauna. Indien nodig worden compenserende maatregelen getroffen Een vergunning is voor de duur van maximaal 25 jaar. Daarna kan een nieuwe vergunning worden aangevraagd om het project voort te zetten. De aanvrager toont aan dat hij na beëindiging van de vergunning de installatie circulair verwijdert en een “schone grond verklaring” zal voorleggen. Er wordt een anterieure overeenkomst opgesteld met daarin gemaakte afspraken. We vragen een bankgarantie of een eerste recht van hypotheek zodat in geval van faillissement de kosten van het opruimen van de zonnepanelen kunnen worden betaald.
meervoudig ruimtegebruik
Het project bevat een plan waaruit blijkt dat sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Natuurontwikkeling, veehouderij en vormen van recreatie of educatie zijn voorbeelden van functies die kunnen worden geschaard onder meervoudig ruimtegebruik. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of het meervoudig ruimtegebruik in het specifieke geval toereikend is.
Kaders bij de VGO
16
6
Het proces
6.1 Fasering in tijd De raad heeft aangegeven de VGO en de bijbehorende kaders in loop van 2020 te willen evalueren. Er is nog veel onduidelijk en de ontwikkelingen op het gebied van energietransitie volgen elkaar in hoog tempo op. Toch wil de gemeente Hilvarenbeek aan slag met opwek van duurzame energie. Om de risico’s te beheersen beperken we het aantal aanvragen dat we beoordelen. We stellen dat we tot juli 2020 maximaal 4 ontvankelijke aanvragen inhoudelijk beoordelen en voorleggen aan college en raad. Tot juli 2020 vergunnen we maximaal 50 ha zon en een locatie met windturbines. Met deze beperking ontstaat het risico dat “schaarse rechten” in het leven worden geroepen. Voor een eerlijk en juridisch houdbaar speelveld stellen we dat de beschikbare vergunningen worden verdeeld op basis van “wie eerst komt wie eerst maalt”. Hierbij telt een aanvraag pas mee vanaf het moment dat deze ontvankelijk is, alle stukken zijn ingediend en hieruit blijkt dat aan alle voorwaarden wordt voldaan. De indieningstermijnen zijn opgenomen in de VGO.
6.2 beoordelingsproces De ervaringen met vergunningen voor grootschalige zon- en windprojecten zijn heel beperkt. We moeten ervoor open staan om van de eerste projecten te leren. Het proces is dan ook geen vaste regel maar stellen we bij als dat nodig is. Hieronder een voorzet voor dat proces. Belangstellenden dienen eerst een initiatiefvoorstel of aanvraag in waarbij zo veel mogelijk gegevens zitten die bijdragen aan de voorwaarden van VGO. De gemeente zorgt voor een beoordelingsteam bestaande uit; een case manager, medewerker duurzaamheid, medewerker RO, vergunningverlener en een juridisch medewerker. Bij een initiatief voorstel is gelegenheid voor het aanleveren van stukken om te voldoen aan de voorwaarden voorafgaand aan een aanvraag. Bij een vergunningaanvraag is er een herstelmogelijk om de benodigde stukken aan te leveren. Wanneer de aanvraag volledig is geldt deze als een van de 4 te beoordelen plannen, ongeacht of deze tot een vergunning of afwijzing leidt. Het team beoordeelt de aanvraag op haalbaarheid, kaders en ruimtelijke impact. Hierbij is maatwerk per situatie belangrijk. De initiator zorgt voor de omgevingsdialoog waarbij hij belanghebbenden informeert en kennis neemt van eventuele bedenkingen. In overleg met belanghebbenden doet hij voorstellen om bedenkingen weg te nemen (zie ook bijlage 6).
Een ontvankelijke aanvraag gaat met een advies, afwegingen en risico’s naar het college.
Kaders bij de VGO
17
Bij positief besluit vraagt het college aan de raad een “verklaring van geen bedenking”. Bij positief besluit kan de procedure vervolgen voor afwijken op een bestemmingsplan, op grond van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Hierin wordt, onder meer, onderbouwd dat het project bijdraagt aan het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied, zoals benoemd onder 5.1 en 5.5.
7
Bijlagen
1. Kaart landschapstypen 2. Windkansenkaart Hilvarenbeek 3. Kaart zoekgebieden voor zonenergie, van Groenontwikkelfonds 4. Kaart elektriciteitsnet 5. Toelichting op invulling zonneladder
6. Richtlijn voor het voeren van een omgevingsdialoog bij ruimtelijke ontwikkelingen
Kaders bij de VGO
18
Bijlage 1
Kaart landschapstypen
Bijlage 2
Windkansenkaart Hilvarenbeek
Kaders bij de VGO
19
Bijlage 3
Zoekgebieden voor zonne-energie, van Groenontwikkelfonds
Bijlage 4
Elektriciteitsnet
Kaders bij de VGO
20
Bijlage 5
Toelichting op invulling schema zonneladder
De cijfers in het schema zijn globale afgeronde cijfers. De hectaren zijn bedoeld als manier om de opgave ruimtelijk inzichtelijk te maken. Het gaat echter in de praktijk om de OPWEKCAPACITEIT, Kilowatts die we nodig hebben en géén aantallen panelen die we eisen. Trede 0, zon op daken: Hier zien we een potentie van zo’n 20 ha zonnepanelen op daken van woningen en bedrijfspanden. De hoeveelheid zonnestroom die een wijk kan produceren hangt onder meer af van het aantal vierkante meters dakoppervlak, de helling van de daken, de oriëntatie (noord-zuid, oost-west of daar ergens tussen in) en de aanwezigheid van hoge gebouwen in de omgeving. We gaan in Hilvarenbeek uit van 6.591 woningen (CBS) met gemiddeld dakoppervlak van 60 m2. Kijkend naar de zonneatlas van Hilvarenbeek, dan is de potentie van de opbrengst van daken beduidend lager dan gemiddeld in Nederland. Oriëntatie van de daken, veel groen en weinig seriebebouwing zijn de belangrijkste belemmeringen. De zonneatlas geeft aan dat er voor Hilvarenbeek 10-20% van de daken een goede opbrengst te verwachten is. Dat komt neer op afgerond 4 ha. tot maximaal 8 ha. Voor bedrijfspanden zien we nog een potentie van maximaal 12 ha zonnepanelen. We gaan bij die inschatting uit van zo’n 720 bedrijven in Hilvarenbeek met een gemiddeld dakoppervlak van 500m2. Niet alle daken van bedrijfsgebouwen zijn geschikt voor zonnepanelen.
Stel dat 30% wel mogelijk is, dan is er 12 ha dak beschikbaar. Trede 1 en 2 Grondgebonden in of tegen de bestaande bebouwing: Als de gemeente Hilvarenbeek kansen ziet om vrij liggende percelen in te zetten voor de energievoorziening, dan moet eerst duidelijk zijn waar deze gronden liggen, hoe groot ze zijn en liggen ten opzichte van het Enexis netwerk. Grondgebonden PV-opstellingen in bebouwd gebied zijn lastig rendabel en acceptabel te krijgen. In dorpen als Hilvarenbeek zijn gronden in de bebouwde omging of op bedrijventerreinen schaars. We maken een inschatting dat maximaal 10 ha. Mogelijk is voor zonnepanelen. In trede 2, tegen bebouwd gebied, zijn de mogelijkheden ook beperkt. We gaan uit van een oppervlak van maximaal 20 ha. Trede 3, het buitengebied: Hier moet de overige benodigde energie worden opgewekt. We hebben hiervoor een horizon tot 2050 maar we richten ons nu even op een periode tot 2030 met nu bekende technieken. Vooralsnog gaan we uit van alleen zonne-energie. Voor een aanvulling met eventuele windturbines rekenen we gemakshalve 10 Ha zonnepark minder, per turbine van 5 MW. De doorlooptijd om turbines te realiseren is 5 tot 8 jaar. Tegen die tijd zijn de haalbare vermogens hoger dan nu.
Kaders bij de VGO
21
Bijlage 6
Richtlijn voor het voeren van een omgevingsdialoog bij ruimtelijke ontwikkelingen
Richtlijn Het voeren van een omgevingsdialoog: Gevraagd wordt om de dialoog met de omgeving aan te gaan. Geef aan op welke wijze de dialoog is gevoerd met de directe omgeving en voeg dit als bijlage toe aan deze aanvraag. Van belang is dat de buurt betrokken wordt bij het planvoornemen. Als initiatiefnemer moet u kennis genomen hebben van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip. Dit is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten op de omgeving die daarmee gepaard gaan. Het is de bedoeling dat u bijvoorbeeld in een bijeenkomst of een gesprek aangeeft wat uw wensen en plannen zijn. Daarnaast wordt gevraagd te inventariseren of er sprake is van knelpunten in de huidige situatie en wat de omwonenden vinden van de plannen. Het is de bedoeling dat de uitkomsten worden vastgelegd in een verslag en door alle partijen wordt ondertekend. Dit verslag dient vervolgens onderdeel uit te maken van uw aanvraag. Het verslag vormt voor de gemeente input voor de beoordeling van het verzoek. Het is overigens niet zo dat partijen het altijd met elkaar eens moeten worden. Het gaat er om dat inzicht bestaat in de wensen van de omgeving in relatie tot de mogelijkheden die de initiatiefnemer heeft.
Stappenplan voor initiatiefnemers 1) Omgeving bepalen In elk geval de aangrenzende percelen en verder afhankelijk van de invloed op de verdere omgeving. 2) Omgeving informeren De initiatiefnemer informeert zelf de omgeving over zijn voornemen en nodigt hen uit voor de dialoog. 3) Dialoog voeren Een dialoog is een open gesprek tussen meerdere partijen. Aan de inhoud van de dialoog worden de volgende eisen gesteld: - De aanvrager legt uit wat zijn plannen zijn; - Omwonenden wordt de gelegenheid geboden om hierop te reageren; - De aanvrager gaat in op de reacties; - Hij geeft aan of hij wel of niet iets met de opmerkingen doet of kan doen; - Hij geeft aan waarom hij dit wel of niet doet of kan doen; - De omwonenden wordt de gelegenheid geboden aan te geven of zij hier wel of niet tevreden mee zijn. 4) Verslag maken Van de gesprekken wordt een verslag gemaakt. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het maken van een verslag.
Daarin staat in ieder geval vermeld: - Wanneer de dialoog heeft plaatsgevonden; - Met wie de dialoog is gevoerd (eigenaar/gebruiker van welk object); - Een samenvatting van wat door initiatiefnemer en wat door omwonenden gezegd is en wat de uiteindelijke uitkomst van het gesprek was; - Het verslag ondertekenen door alle betrokkenen - Het verslag van de initiatiefnemer wordt tezamen met de eventuele reacties van de omgeving aangeleverd bij het aanvragen van de vergunning.
Bijlage 2 bij beleidsregel ‘Indieningsvereisten voor aanvragen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’
Kaders bij de VGO
22