20 Verklaring van geen bedenkingen zonneparkproject Oirschotsedijk (4 uitspraak Raad van State)
Tekst van het document
In het rapport waar eisers naar hebben verwezen staat niet dat zonneparken voor wat betreft de biodiversiteit en bodemkwaliteit altijd een negatief effect op het milieu hebben. Dit hangt onder meer af van de inrichting van het zonnepark en hoe ver de zonnepanelen uit elkaar worden geplaatst. Volgens het rapport kan onder omstandigheden een juiste ecologische inrichting van een zonnepark juist een positief effect hebben op de biodiversiteit. Uit het inpassingsplan en de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het zonnepark zal worden omgeven door kruidenrijk grasland. Ook de grond onder de zonnepanelen wordt ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel. De zonnepanelen worden daarnaast op 100 cm afstand van het maaioppervlakte geplaatst, zodat er ruimte is voor water en zonlicht om de bodem te bereiken. Gelet daarop heeft het college redelijkerwijs kunnen vaststellen dat het zonnepark niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de bodemkwaliteit en heeft het college daarom redelijkerwijs af kunnen zien van het doen van nader onderzoek. 22.4. In paragraaf 7.4 van het rapport "Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland" van Wageningen Environmental Research van februari 2021 wordt over de afstand tussen tafels met panelen vermeld dat hoe meer ruimte er is tussen de panelen, hoe meer kansen er zijn voor de biodiversiteit.
Vermeld wordt dat uit dit onderzoek blijkt dat vanaf ongeveer 200 cm er al relatief hoge soortenaantallen tussen de panelen voor kunnen komen. Belangrijk is wel dat er voor een beheer van maaien en afvoeren van maaisel 250-300 cm manoeuvreerruimte voor een tractor is. Over de breedte en hoogte van panelentafels wordt vermeld dat onder smalle tafels meer licht op de bodem komt dan onder brede. In dat opzicht is een wat groter aantal smalle tafels te verkiezen boven minder, maar bredere tafels. De hoogte van het laagste deel van de tafel is voor de hoeveelheid licht minder belangrijk, maar hogere tafels maken het beheer makkelijker.
22.5. In paragraaf 7.3 van het rapport wordt vermeld dat nader onderzoek moet uitwijzen wat per saldo de meeste biodiversiteit oplevert: goed beheerde, wat bredere paden tussen de tafels of, dankzij smalle paden, een grotere oppervlakte in de rand van het zonnepark waar helemaal geen schaduw is en waar een beheer van maaien en afvoeren makkelijker haalbaar is. Het voorliggende project sluit aan bij de tweede optie, waarbij het zonnepark mede zal worden omgeven door kruidenrijk grasland. 22.6. De Afdeling ziet in het rapport - nog daargelaten dat het dateert van na het besluit van 20 november 2020 - geen steun voor de stelling van [appellant] en anderen dat onder deze omstandigheden de inrichting van het zonnepark de biodiversiteit en de bodemvruchtbaarheid zeer nadelig beïnvloedt. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college redelijkerwijs aanleiding had moeten zien om aan te nemen dat de kwaliteit van de bodem en bodemleven niet behouden blijven en de bodem niet geschikt blijft voor natuurontwikkeling en agrarisch gebruik. Het betoog slaagt niet. Ecologie 23. [appellant] en anderen betwijfelen of aan de ecologische voorwaarden in het gemeentelijk beleid wordt voldaan.
Deze strekken ook tot bescherming van hun belangen, omdat dit vanuit het beleid voorwaarden zijn om al dan niet een zonnepark toe te staan. Dat EcoNatura in haar rapport "Ecologisch onderzoek ontwikkeling zonnepark Oirschotsedijk bij Haghorst, gemeente Hilvarenbeek" van 30 september 2020 (hierna: het ecologisch rapport) stelt dat niet is te voorspellen hoe wilde dieren onder andere de geluidemissie ervaren, rechtvaardigt niet de conclusie dat dit niet leidt tot verstoring. Ook is in het ecologisch rapport het ontbreken van verstoring door het zogeheten waterspiegelingseffect niet voldoende onderbouwd. 23.1. Het college stelt dat EcoNatura in het ecologisch rapport onderzoek heeft gedaan naar beschermde soorten in het gebied en tot de conclusie komt dat in het plangebied geen beschermde planten of dieren aanwezig zijn, die nadelig door het zonnepark beïnvloed kunnen worden. Het college stelt dat wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het ecologisch rapport zodanige gebreken bevat, dat het college zich hierop niet heeft mogen baseren. 23.2. In de Kadernota, p. 16, staat: "In het plan wordt rekening gehouden met bestaande flora en fauna. Indien nodig worden compenserende maatregelen getroffen." 23.3.
De rechtbank heeft onder 10.2 overwogen dat, los van de vraag of deze voorwaarde uit het gemeentelijk beleid strekt tot bescherming van de belangen van eisers, deze beroepsgrond niet kan slagen. De ecoloog merkt op dat niet is te voorspellen hoe wilde dieren de geluidemissie ervaren, maar de ecoloog verbindt daaraan niet de conclusie dat dit zal leiden tot een verstoring van de dieren of dat daar nader onderzoek naar moet worden verricht. Ten aanzien van het waterspiegelingseffect merkt de ecoloog op dat dit effect in Noord-Europese cultuurlandschappen een verwaarloosbare rol speelt. Vooral in woestijnsituaties in Noord-Amerika worden daar nadelige effecten van ondervonden door soorten. 23.4. Wat hoogfrequent geluid van invertors betreft, stelt de rechtbank terecht dat de ecoloog aan zijn bevindingen niet de conclusie verbindt dat dit zal leiden tot een verstoring van de dieren of dat daar nader onderzoek naar moet worden verricht. [appellant] en anderen hebben niet onderbouwd waarom dit onjuist is. Wat het waterspiegelingseffect betreft, heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat volgens het rapport dit effect in Noord-Europese cultuurlandschappen een verwaarloosbare rol speelt. Tot nu toe is het alleen aangetoond bij grootschalige zonneparken in woestijnsituaties, zoals in Noord Amerika.
[appellant] en anderen hebben niet onderbouwd dat deze bevinding onjuist is en dat een nadere onderbouwing van het rapport nodig zou zijn. Het betoog slaagt niet. Brandveiligheid 24. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat de brandveiligheid gewaarborgd is. In de praktijk zijn er toch de nodige brandproblemen binnen zonneparken. Daarom is het volgens hen niet onredelijk om een rapport van de brandweer te verlangen.
24.1. Het college stelt dat vooroverleg heeft plaatsgevonden tussen het college en de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, waarbij ook de brandveiligheid is besproken. Het college merkt op dat Kronos aanvullende maatregelen neemt om het risico op brandgevaar te minimaliseren. Hiernaast wijst het college erop dat op grond van de omgevingsvergunning de Brandweer Midden- en West-Brabant, afdeling Risicobeheersing, moet worden betrokken bij de verdere procesgang dan wel realisatiefase om een goede borging in de bestrijdingsplannen te realiseren. 24.2. In de vergunning is als aandachtspunt opgenomen: "(b) U dient de Brandweer Midden- en West-Brabant, afdeling Risicobeheersing, te betrekken bij de verdere procesgang c.q. realisatiefase van het onderhavige zonnepark om een goede borging in de bestrijdingsplannen te realiseren. Wij adviseren u contact op nemen via het algemeen telefoonnummer 088-2250000." 24.3. De rechtbank heeft onder 13.2 overwogen dat het college heeft kunnen vaststellen dat de brandveiligheid gewaarborgd is. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat maatregelen worden getroffen om het brandgevaar klein te houden.
De transformatorstations worden bijvoorbeeld individueel voorzien van een noodschakelaar om de stroomtoevoer te kunnen stoppen, worden geïsoleerd van de panelenconstructie geplaatst en staan op een betonnen of gravel ondergrond voorzien van een begroeiingsvrije strook van 1,5 meter. Daarnaast wordt het park 24 uur per dag en 7 dagen per week door middel van camerabewaking bewaakt en gaat bij brand direct een alarmmelding af. Ook zullen blusvoorzieningen worden aangebracht, zodat de brandweer in geval van nood toegang heeft tot voldoende water. Uit de stukken blijkt dat dit is afgestemd met de brandweer. Gelet daarop bestond voor het college redelijkerwijs geen aanleiding om een rapport van de brandweer te verlangen. 24.4. Zoals de rechtbank heeft overwogen, worden volgens de ruimtelijke onderbouwing maatregelen getroffen om het brandgevaar klein te houden. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college redelijkerwijs heeft kunnen vaststellen dat met de beoogde maatregelen geen sprake is van een onaanvaardbaar risico op brand. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat voor het college redelijkerwijs geen aanleiding bestond om een rapport van de brandweer te verlangen. Het betoog slaagt niet. "Heat Island" 25.
[appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat een "Heat Island" niet is te verwachten. Zij voeren aan dat zij daartoe geen enkele inhoudelijke motivering in de overgelegde stukken hebben aangetroffen. Daarnaast hebben zij wél stukken overgelegd die dit in twijfel trekken, aldus [appellant] en anderen. 25.1. De rechtbank heeft onder 16.2 overwogen dat het college heeft kunnen vaststellen dat niet is gebleken dat eisers de door hen gestelde overlast zullen ondervinden als gevolg van het initiatief. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eisers dat standpunt op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens hebben onderbouwd. Ten aanzien van warmteoverlast wordt in de ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd toegelicht dat niet is te verwachten dat een "Heat Island"-effect op zal treden door de komst van het zonnepark. De luchttemperatuur wordt door een zonnepark beïnvloed, waardoor die temperatuur boven de panelen gemiddeld 1,9 graden hoger uitvalt. Dat temperatuurverschil vervalt bij een hoogte van 5-18 meter. De temperatuurverschillen rondom het park zijn te verwaarlozen afhankelijk van de windrichting en eventuele neerslag. 25.2.
De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen er in hun beroepschrift op hebben gewezen dat zij in hun zienswijzengeschrift hebben verwezen naar het artikel "Zonnepanelen: hoe warmer hoe slechter .... " van A. Robben van Robben Groen Energie, waaruit volgens hen blijkt dat het om serieuze temperatuurverschillen kan gaan. In paragraaf 4.17 van de ruimtelijke onderbouwing wordt uitvoerig inhoudelijk gemotiveerd op het aspect warmteontwikkeling ingegaan. [appellant] en anderen hebben niet inzichtelijk gemaakt waarom de door hen overgelegde stukken dit in twijfel trekken. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft kunnen vaststellen dat niet is gebleken dat zij de door hen gestelde warmteoverlast zullen ondervinden als gevolg van het initiatief. Het betoog slaagt niet.
Zienswijzen en beroep ingelast 26. [appellant] en anderen hebben zich in het hogerberoepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze en het beroepschrift. In de overwegingen van het in besluit van 20 november 2020 respectievelijk de aangevallen uitspraak is ingegaan op deze zienswijze respectievelijk het beroepschrift. [appellant] en anderen hebben in het hogerberoepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het besluit van 20 november 2020 respectievelijk de beoordeling van deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet. Conclusie 27. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 20 november 2020 in stand heeft gelaten. 28. De Afdeling zal het college opdragen om binnen dertien weken met inachtneming van wat in deze uitspraak, onder 15.3, is overwogen een nieuw besluit op de aanvraag van Kronos te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. 29. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit van het college alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. 30.
Het college moet de proceskosten van [appellant] en anderen vergoeden. Daarbij betrekt de Afdeling dat deze zaak gelijktijdig met zaak nr. 202106500/1/R2 op één zitting is behandeld, zodat voor het verschijnen ter zitting van de beroepsmatige rechtsbijstandverlener 0,5 punt is gerekend. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.
verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2021 in zaak nr. 21/242, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 november 2020 in stand blijven; III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek op om binnen 13 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 270,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Kuipers griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024
271
BIJLAGE Artikel 3.41 "Zonne-parken in Landelijk gebied" van de Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim Omgevingsverordening) Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.