CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

17 GREX en bestemmingsplan Hart van Haghorst (4d Bijlage 6 Quickscan natuurwetgeving)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel GREX en gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Hart van Haghorst”.7.914 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuurwetgeving Sint Josephstraat/Emmastraat te Haghorst

Quickscan Natuurwetgeving Sint Josephstraat/Emmastraat te Haghorst

Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum

: AM22058 : Definitief (versie 1) : 21 april 2022

Opdrachtgever

: Ordito B.V. Nieuwstraat 87 5126 CC Gilze

Opgesteld door Paraaf

: R. Rijnders BSc | ir. J.P.M Hovens :

Gecontroleerd door Paraaf

: ing. J.M.G. Reuver :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

AM22058

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4

2.

WET- en REGELGEVING ....................................................................................................................................................................................5 2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5 Bescherming van Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................................5 Natuurnetwerk Nederland..........................................................................................................................................................................6 Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................................................6

3.

WERKWIJZE ...........................................................................................................................................................................................................8 3.1 3.2

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................8 Werkwijze quickscan ....................................................................................................................................................................................8

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN ...............................................................................................................................................................9 4.1 4.2 4.3 4.4

Beschrijving plangebied .............................................................................................................................................................................9 Natura 2000-gebieden ................................................................................................................................................................................9 Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 10 Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 11

5.

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ....................................................................................................... 19 5.1 5.2 5.3

Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 19 Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................................................................................................ 19 Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 19

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................................... 21 6.1 6.2 6.3

Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 21 Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................................................................................................ 21 Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 21

LITERATUUR ..................................................................................................................................................................................................................... 24

Bijlage: 1

Toelichting per beschermingsregime

AM22058

Pagina | 3

1. INLEIDING In opdracht van Ordito B.V. heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Sint Josephstraat 1, 1A en 3, Emmastraat 1 en 1A, en Heibocht 3T

Gemeente

: Hilvarenbeek

Kadastrale registratie

: Diessen, sectie D, nummers 823, 1110, 1122, 1123, 1149, 1268 en 1338

Oppervlakte

: 7688 m2

Huidige bestemming

: Bedrijf en wonen

Toekomstige bestemming

: onbekend

De exacte plannen voor deze locatie zijn nog niet bekend. Hoogstwaarschijnlijk worden de gebouwen gesloopt ofwel ingrijpend verbouwd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.

Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

AM22058

Pagina | 4

2. WET- en REGELGEVING 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.

AM22058

Pagina | 5

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

•

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

•

alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):

-

Vogels

alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;

AM22058

Pagina | 6

-

Internationaal beschermde soorten

alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

-

Overige beschermde soorten

soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

AM22058

Pagina | 7

3. WERKWIJZE 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De exacte plannen voor deze locatie zijn nog niet bekend. Hoogstwaarschijnlijk worden de gebouwen gesloopt ofwel ingrijpend verbouwd en de vegetatie wordt waar nodig verwijderd. Het is vooralsnog onbekend wat er vervolgens op de locatie wordt gerealiseerd. Een schets van de voorgestane situatie is (nog) niet voorhanden.

3.2

Werkwijze quickscan

Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 4 april 2022 heeft Faunaconsult het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. De te slopen gebouwen werden van binnen en buiten geïnspecteerd met behulp van een ladder, boomcamera en zaklamp. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl); - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).

AM22058

Pagina | 8

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op pagina 2) ligt in het centrum van Haghorst. Ten westen, oosten en zuiden van het plangebied bevinden zich woningen met bijbehorende tuinen. Ten noorden van het plangebied bevinden zich boomopstanden en het Wilhelminakanaal. In het plangebied zelf bevinden zich twee horecagelegenheden (‘Den Horst’ en ‘Bij Verhoeven’), een ontmoetingscentrum, een elektriciteitsgebouwtje, een basisschool en een gymzaal. De horecagelegenheid Den Horst bevat tevens een opzichzelfstaande garage. Alle genoemde gebouwen bevinden zich op een apart perceel. Elk perceel bevat verharding en een tuin of wat aangeplant groen. Plantensoorten die in het plangebied voorkomen zijn onder anderen zomereik, taxus, zilverspar, thuja, liguster, rododendron, laurierkers, hulst, struikspirea, Mahoniestruik, haagbeuk, hortensia, sneeuwbal, buxus, klimop, kleine maagdenpalm, kluwenhoornbloem, vogelmuur, narcis, blauw druifje, duizendblad en paardenbloem.

Figuur 4.1. Het plangebied (rood omlijnd) met de te slopen gebouwen: 1=horeca ‘’Den Horst’’, 2=horeca ‘’Bij Verhoeven’’, 3=ontmoetingscentrum, 4=basisschool, 5=gymzaal, 6=elektriciteitsgebouwtje. Bron: Google Maps.

4.2

Natura 2000-gebieden

Het Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van 1,8 kilometer ten westen van het plangebied. Het Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en het Belgische Natura 2000-gebied ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ liggen op een afstand van resp. 6,0 en 9,8 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2).

AM22058

Pagina | 9

Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (blauw en rood gearceerd). Bron: Natura 2000 Network Viewer.

4.3

Natuurnetwerk Nederland

Op 35 meter ten noorden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit bestaat uit het beheertype ‘zoete plas’ (zie figuur 4.3).

Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNB (felgroen gekleurde delen). Bron: Provincie Noord-Brabant.

AM22058

Pagina | 10

4.4

Beschermde planten en dieren

Zoogdieren en vogels De bebouwing van horeca Den Horst (1 in figuur 4.1) bevat twee kelders en een zolder. Omdat de zolder bewoond is (er slapen mensen), zijn hier geen verblijven van vleermuizen of steenmarters te verwachten. In de kelders zijn geen vleermuizen, vleermuisuitwerpselen of steenmarteruitwerpselen aangetroffen. De bebouwing bevat zowel platte daken als een dak met vlakke mulden dakpannen en een dak met metalen golfplaten. De twee laatstgenoemde daken zijn aan de onderzijde voorzien van dakbeschot. Onder de metalen golfplaten is vogelschroot aanwezig (zie figuur 4.4.1) en het dakoverstek bevat geen invliegopeningen voor gierzwaluwen of huismussen (zie figuur 4.4.2). Bij het pannendak is tussen de onderste rij dakpannen en de pannenlat geen ruimte aanwezig. De gevelpannen liggen in de specie; alleen bij de noordwesthoek is dit niet het geval. Op deze hoek is onder de gevelpannen alleen een sterk vervallen vogelnest aanwezig (zie figuur 4.4.3). Het voorkomen van huismus- en gierzwaluwnesten zijn bij voorgenoemde daken dus uitgesloten. De vrijstaande garage bij Den Horst bevat een dak van metalen golfplaten met aan de onderzijde dakbeschot. Vogelschroot is afwezig waardoor huismussen onder het dak kunnen nestelen. Hier is ook een huismussennest aangetroffen (zie figuur 4.4.4). De bebouwing van Den Horst bevat spouwmuren, behalve het gedeelte met het pannendak.

Dit deel bevat steense muren. De spouwmuren bevatten geen open stootvoegen. Op enkele plekken in de bebouwing zijn echter wel spleten en kieren aanwezig waar vleermuizen in kunnen verblijven of mogelijk de spouw kunnen bereiken (zie figuur 4.4.5). Vleermuizen kunnen ook onder de dakpannen kruipen via de voorgenoemde noordwesthoek (waar de gevelpannen niet in de specie liggen; zie figuur 4.4.3).

Figuur 4.4.1. Onder de metalen platen bij horeca Den Horst is vogelschroot aanwezig.

AM22058

Pagina | 11

Figuur 4.4.2. Het dakoverstek bevat gladde boeiboorden en er is geen ruimte tussen het boeiboord en de metalen platen.

Figuur 4.4.3. De gevelpannen liggen in de specie, behalve bij de noordwesthoek. Hier bevindt zich een vervallen vogelnest. Vleermuizen kunnen hier onder de dakpannen kruipen.

Figuur 4.4.4. Onder de metalen platen van de vrijstaande garage is geen vogelschroot aanwezig. Mussen kunnen hieronder nestelen, zoals blijkt aan de hand van de foto.

AM22058

Pagina | 12

Figuur 4.4.5. Vleermuizen kunnen op meerdere plekken in de bebouwing van Den Horst verblijven; achter een kierend boeiboord van de vrijstaande garage (linksboven), achter het houtwerk van het dakoverstek (via spleten; rechtsboven), op verschillende plekken waar regenpijpen zich in de gevel bevinden (onder).

De bebouwing van horeca Bij Verhoeven (zie 2 in figuur 4.1) bevat een kleine en een grote vliering. Op beide vlieringen zijn geen vleermuizen, vleermuisuitwerpselen of steenmarteruitwerpselen aangetroffen. De bebouwing bevat een plat dak, een pannendak en een golfplaten dak. Het pannendak en het golfplaten dak bevatten aan de onderzijde dakbeschot. Onder beide daken is geen vogelschroot aanwezig, waardoor huismussen onder de daken kunnen nestelen (zie figuur 4.4.6). Het dakoverstek van het pannendak bevat boeiboorden die voldoende grip bieden aan huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen, waardoor ze onder de gevelpannen kunnen komen (zie figuur 4.4.7). Het houtwerk van het dakoverstek kiert op enkele plekken met de gevel, waardoor vleermuizen achter het houtwerk of mogelijk in de spouw kunnen verblijven (zie figuur 4.4.8).

Figuur 4.4.6. Onder het pannendak en het golfplaten dak is geen vogelschroot aanwezig. Huismussen kunnen er daardoor onder nestelen.

AM22058

Pagina | 13

Figuur 4.4.7. Het boeiboord van het dakoverstek biedt voldoende grip aan huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen om onder de gevelpannen te komen.

Figuur 4.4.8. Het houtwerk van het dakoverstek kiert op enkele plekken met de gevel. Vleermuizen kunnen daardoor achter houtwerk of mogelijk in de spouw verblijven.

Het ontmoetingscentrum (3 in figuur 4.1) bevat een vliering. Hier is op twee plekken nestmateriaal van de kauw aangetroffen. Boven deze plekken mist het dakbeschot en is er toegang aanwezig via de dakpannen (zie figuur 4.4.9.). Hier kunnen vleermuizen mogelijk ook door naar binnen. Vleermuizen of vleermuisuitwerpselen zijn op de vliering niet waargenomen. Het waarnemen van vleermuisuitwerpselen is door de rommelige vliering echter lastig, waardoor het voorkomen van vleermuisverblijven op de vliering niet is uit te sluiten. Steenmarteruitwerpselen zijn niet aangetroffen. De bebouwing bevat spouwmuren, deels een plat dak en deels een pannendak met aan de onderzijde dakbeschot. Onder de onderste rij dakpannen is geen vogelschroot aanwezig. Huismussen kunnen daardoor onder de dakpannen nestelen. Onder de pannen bij de achtergevel is ook een huismussennest aangetroffen (zie figuur 4.4.10). De goot sluit aan deze zijde niet nauw aan op de gevel waardoor er voor vleermuizen en gierzwaluwen een invliegopening aanwezig is om onder de dakpannen te kunnen invliegen (zie figuur 4.4.11). Het dakoverstek bevat boeiboorden die voldoende grip bieden aan gierzwaluwen en vleermuizen. Voor gierzwaluwen is de ruimte tussen de gevelpannen en het boeiboord echter te nauw; vleermuizen kunnen wel onder de gevelpannen kruipen (zie figuur 4.4.12).

Daarnaast kunnen vleermuizen via ventilatiesleuven in de zijgevels en via enkele open stootvoegen in de gevels van de aangekoppelde garage de spouw bereiken (zie figuur 4.4.13.).

AM22058

Pagina | 14

Figuur 4.4.9. Op de vliering is op twee plekken nestmateriaal van de kauw aanwezig. Bij deze plekken mist het dakbeschot en is er toegang via het dak aanwezig. Ook vleermuizen kunnen hier naar binnen.

Figuur 4.4.10. Door de afwezigheid van vogelschroot kunnen huismussen onder de dakpannen nestelen.

Figuur 4.4.11. De goot sluit niet nauw aan op de achtergevel. Vleermuizen en gierzwaluwen kunnen daardoor de ruimte onder de dakpannen bereiken.

AM22058

Pagina | 15

Figuur 4.4.12. Voor gierzwaluwen is de opening tussen het boeiboord en de gevelpannen te nauw. Vleermuizen kunnen er wel onderdoor kruipen.

Figuur 4.4.13. Vleermuizen kunnen via ventilatiesleuven (zijgevels) en open stootvoegen (garagegevel) de spouw bereiken.

De basisschool (4 in figuur 4.1) bevat twee zolders. Op geen van de zolders zijn vleermuizen, vleermuisuitwerpselen of steenmarteruitwerpselen aangetroffen. De bebouwing bevat spouwmuren, deels een plat dak en deels een pannendak met aan de onderzijde dakbeschot. Onder de onderste rij dakpannen is geen vogelschroot aanwezig, waardoor huismussen onder de dakpannen kunnen nestelen (zie figuur 4.4.14). Voor gierzwaluwen zijn er geen geschikte invliegplekken. Ook vleermuizen kunnen niet onder de dakpannen invliegen. Tussen het afdak bij de ingang en de gevels zijn geen kieren of spleten aanwezig. Wel zijn er in de bebouwing enkele open stootvoegen en een ventilatiesleuf aanwezig waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken (zie figuur 4.4.15).

Figuur 4.4.14. Onder de onderste rij dakpannen is geen vogelschroot aanwezig, waardoor huismussen onder de dakpannen kunnen nestelen.

AM22058

Pagina | 16

Figuur 4.4.15. De basisschool bevat een ventilatiesleuf en enkele open stootvoegen waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken.

De gymzaal (5 in figuur 4.1) bevat een plat dak en spouwmuren. Het voorkomen van vogelnesten zijn door het platte dak uitgesloten. Tussen het afdak bij de ingang en de gevels zijn geen spleten of kieren aanwezig. Het gebouw bevat echter wel meerdere open stootvoegen waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken (zie figuur 4.4.16). Het elektriciteitsgebouwtje (6 in figuur 4.1) bevat een plat dak en enkelwandige muren. Vogelnesten en verblijven van vleermuizen zijn hier afwezig.

Figuur 4.4.16. De gymzaal bevat meerdere open stootvoegen waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken.

De bomen in het plangebied bevatten geen eekhoornnesten en roofvogelnesten. Holtes zijn eveneens afwezig; het is daarom uitgesloten dat er verblijven van boombewonende vleermuissoorten of uilennesten in het plangebied aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn huismus, koolmees, merel en houtduif waargenomen. In één van de bomen bij de gymzaal bevindt zich een houtduivennest. Het is dan ook mogelijk dat er in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels in de opgaande vegetaties nestelen. Hoger opgaande lijnvormige vegetatie is in en nabij het plangebied afwezig. Belangrijke foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen zijn daardoor niet te verwachten. Dassenburchten, wissels, -snuitpuntjes en -latrines, holen etc. zijn in en rond het plangebied afwezig. Uitwerpselen van de steenmarter zijn nergens in de bebouwing aangetroffen en voor andere kleine marterachtigen bieden de halfverharde en ‘nette’ tuinen onvoldoende dekking. Algemene zoogdieren als de veldmuis en bosmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen.

AM22058

Pagina | 17

Overige soorten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Wateren die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen, zijn afwezig. Daarnaast is het aanwezige biotoop in het plangebied niet geschikt als habitat voor streng beschermde amfibieënsoorten. De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen mogelijk wel als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten. Voor reptielen zijn er in het plangebied geen geschikte opwarmplaatsen aanwezig, zoals stenen, muurtjes of woelplekken van hoefdieren. De vegetatie in het plangebied is soortenarm en er zijn weinig nectarplanten en luwte aanwezig waardoor vlinders niet in het plangebied te verwachten zijn. Overige soortgroepen, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn eveneens niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft een overzicht van de beschermde soorten die (mogelijk) voortplantingsplaatsen en rustplaatsen in het plangebied hebben. Nederlandse en wetenschappelijke naam

Vogels met jaarrond

Internationaal

Overige beschermde

beschermd nest

beschermde soorten

soorten

Huismus (Passer domesticus)

X

Gierzwaluw (Apus apus)

X

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

X

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

X

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

X

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

X

Veldmuis (Microtus arvalis)

X

Bruine kikker (Rana temporaria)

X

Gewone pad (Bufo bufo)

X

Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

AM22058

Pagina | 18

5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ op een afstand van 1,8 kilometer van het plangebied. Vanwege deze afstand hebben de voorgenomen werkzaamheden geen direct effect op Natura 2000-gebieden. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Omdat nu niet bekend is welke inrichting er zal komen, is het niet te zeggen of er negatieve effecten zullen optreden. Indien er een nieuwe woonwijk komt verwachten wij, vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied, en vanwege de beperkte omvang van de ingreep, echter geen significant effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebied(en).

5.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied ligt op 35 meter van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dit bestaat uit het beheertype ‘zoete plas’. Omdat dit geen stikstofgevoelig biotoop is en vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied, verwachten wij dat de plannen een negatief effect op het NNB zullen hebben.

5.3

Beschermde planten en dieren

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •

In de daken van horeca ‘’Den Horst’’ (alleen de vrijstaande garage), horeca ‘’Bij Verhoeven’’, het ontmoetingscentrum en de basisschool (resp. 1, 2, 3 en 4 in figuur 4.1) bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde vogelnesten van de huismus. Indien de bebouwing in het broedseizoen wordt gesloopt, leidt dit mogelijk tot sterfte van jonge huismussen, hun jongen en/of hun eieren. Jaarrond kan de sloop leiden tot het vernietigen van jaarrond beschermde huismusnesten.

•

In de pannendaken van ‘’Bij Verhoeven’’ en het ontmoetingscentrum (2 en 3 in figuur 4.1) bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde vogelnesten van de gierzwaluw. Indien de bebouwing in het broedseizoen wordt gesloopt, leidt dit mogelijk tot sterfte van jonge gierzwaluwen, hun jongen en/of hun eieren. Jaarrond kan de sloop leiden tot het vernietigen van jaarrond beschermde gierzwaluwnesten.

•

In de opgaande vegetatie in het plangebied en op de vliering van het ontmoetingscentrum bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten.

AM22058

Pagina | 19

Als de opgaande vegetatie en het gebouw tijdens het broedseizoen worden verwijderd/gesloopt, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of gedood. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. •

Alle gebouwen, behalve het elektriciteitsgebouwtje (6 in figuur 4.1), bevatten mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door deze gebouw te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood.

•

Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.

In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Soort

Beschermingsregime Wnb

Huismus

Vogels (met jaarrond beschermd nest)

Gierzwaluw

Vogels (met jaarrond beschermd nest)

Algemene in opgaande vegetaties

Vogels

broedende vogels Vleermuizen

Art. 3.1

Art. 3.1

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.10

lid 1

lid 2

lid 1

lid 2

lid 3

lid 4

lid 1

X

X

X

X

X

X

X

X

Internationaal beschermde soorten

Algemeen voorkomende

X

Overige soorten

grondgebonden zoogdieren en

X

amfibieën Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos -, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roer ende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

AM22058

Pagina | 20

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1

Natura 2000

De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.

6.2

Natuurnetwerk Brabant

De sloop van de huidige bebouwing en de mogelijke bouw van de nieuwe woningen hebben waarschijnlijk geen negatief effect op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

6.3

Beschermde planten en dieren

Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In het dak van de vrijstaande garage bij horeca ‘’Den Horst’’, en de daken van horeca ‘’Bij Verhoeven’’, het ontmoetingscentrum en de basisschool (1, 2, 3 en 4 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat deze gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017a) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei. Indien blijkt dat er huismussennesten aanwezig zijn, dient een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Voor elk huismussennest dat verloren gaat, dienen minimaal twee alternatieve nestlocaties voor de huismus te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017a). Dat kan door het plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om 10 huismusnestkasten (type Vivara NK SA 01 Nestkast ovaal) binnen 200 meter aan de noord- en/of oostzijde van te behouden gebouwen rondom de wijk op te hangen.

Om schade aan jongen en eieren van de huismus te voorkomen, dienen de gebouwen met huismusnesten buiten de periode 1 maart - 1 oktober (en nadat er een ontheffing is verkregen) te worden gesloopt. Om permanente vervanging van huismusnesten te realiseren, is het aan te raden om in de nieuw te realiseren woningen integraal huismusnestkasten (type Vivara NK MU 06 Nestkast Mus) in te bouwen. Een alternatieve en betere manier is door vogelschroot aan te brengen onder de tweede rij dakpannen van beneden (dus één dakpan hoger dan normaal). Ter bescherming van de onderliggende dakisolatie kan hierop een plaat (zoals hardboard) worden geplaatst, waarop huismussen tevens grip hebben. AM22058

Pagina | 21

Door delen van de vegetatie te verwijderen, verliest het plangebied tijdelijk een klein deel van het functioneel leefgebied van de huismus. Om er op de langere termijn voor te zorgen dat de foerageerhabitats van de huismus blijven bestaan, dient er bij de aanleg van nieuw groen zoveel mogelijk van inheemse besdragende struiken, bomen en ligusterhagen te worden uitgegaan. In overleg met een ter zake deskundige dient te worden bepaald op welke wijze dit kan worden gerealiseerd. Gierzwaluw: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de pannendaken van ‘’Bij Verhoeven’’ en het ontmoetingscentrum (2 en 3 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks gierzwaluwen. Omdat gierzwaluwnesten jaarrond beschermd zijn, dient hun voorkomen conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017b) nader te worden onderzocht. Hierbij wordt uitgegaan van 3 avondbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli. Pas nadat het gierzwaluwonderzoek is afgerond, mag worden begonnen met de sloopwerkzaamheden. Indien blijkt dat er gierzwaluwnesten aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd.

Dit houdt in dat er buiten de broedtijd (15 april – 31 augustus) van de gierzwaluw wordt gesloopt (zodat er geen gierzwaluwen, hun eieren of jongen worden gedood) en dat er voor elk nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, wordt gezorgd dat er in de eindsituatie meerdere nieuwe alternatieve nestlocaties aanwezig zijn. Vervangende nestlocaties moeten voor de eigenlijke werkzaamheden en voor terugkomst van de gierzwaluwen uit het zuiden al beschikbaar zijn. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 10-tal houtbetonnen gierzwaluwnestkasten (type NK GZ 08 Nestkast Gierzwaluw) nabij het plangebied op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. Algemene vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied en op de vliering van het ontmoetingscentrum komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetatie en het ontmoetingscentrum buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen/slopen.

Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Alle gebouwen, behalve het elektriciteitsgebouwtje (6 in figuur 4.1), bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: - 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).

AM22058

Pagina | 22

Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017c). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 12 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02, VK MP 05, VK PL 04 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017c), onder begeleiding van een deskundige.

Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen gebouwen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 06 Inbouwsteen, waarvan er meerdere aan elkaar kunnen worden gekoppeld tot kraamverblijf. Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.

Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

AM22058

Pagina | 23

LITERATUUR •

BIJ12. 2017a. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

•

BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

•

BIJ12. 2017c. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

•

Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

•

Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/600901/CVDR600901_1.html

•

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

AM22058

Pagina | 24

BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:

•

het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)

•

het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)

•

het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)

•

het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)

•

het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:

•

geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;

•

de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en;

AM22058

Pagina | 25

•

de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -

het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

-

het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

-

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

-

ter bescherming van flora of fauna;

-

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of

-

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.

Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:

•

het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)

•

het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)

•

het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

AM22058

Pagina | 26

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.

Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is:

AM22058

Pagina | 27

-

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

-

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

-

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;

-

AM22058

ten behoeve van het algemeen belang.

Pagina | 28

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1

Art. 3.5 lid 1

Art. 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te vangen

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of

doden of te vangen

te vangen Art 3.1 lid 2

Art.3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

of rustplaatsen van dieren te beschadigen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

vernielen of te beschadigen, of nesten van

of te vernielen

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels weg te nemen

vernielen.

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de

onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

AM22058

Pagina | 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330960/1