CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

17 bp De Welder 2 (30 Bijlage 29 Quickscan natuurwetgeving)

Gemeenteraad 13 juli 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "De Welder 2".7.092 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuurwetgeving Voor De Welder 2 te Haghorst

Quickscan Natuurwetgeving voor De Welder 2 te Haghorst

Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum

: AM21379 : Definitief (versie 2) : 28 maart 2023

Opdrachtgever

: Ordito B.V. Nieuwstraat 87 5126 CC Gilze

Opgesteld door Paraaf

: R. Rijnders BSc. | ir. J.P.M. Hovens :

Gecontroleerd door Paraaf

: ing. J.M.G. Reuver :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl Pagina | 2

AM21379

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ................................................................................................................................................................................. 4

2.

WET- en REGELGEVING ........................................................................................................................................................ 5 2.1

Inleiding ............................................................................................................................................................................ 5

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden ....................................................................................................................... 5

2.3

Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................................................................ 6

2.4

Beschermde planten en dieren ....................................................................................................................................... 6

3.

WERKWIJZE ........................................................................................................................................................................... 8 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ..................................................................................................... 8

3.2

Werkwijze quickscan ......................................................................................................................................................... 9

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN .................................................................................................................................... 10 4.1

Beschrijving plangebied ................................................................................................................................................. 10

4.2

Natura 2000-gebieden ................................................................................................................................................... 10

4.3

Natuurnetwerk Nederland .............................................................................................................................................. 11

4.5

Beschermde planten en dieren ..................................................................................................................................... 12

5.

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ........................................................................................ 16 5.1

Natura 2000 .................................................................................................................................................................... 16

5.2

Natuurnetwerk Brabant .................................................................................................................................................. 16

5.3

Beschermde planten en dieren ..................................................................................................................................... 16

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................................................................... 18 6.1

Natura 2000 .................................................................................................................................................................... 18

6.2

Natuurnetwerk Brabant .................................................................................................................................................. 18

6.3

Beschermde planten en dieren ..................................................................................................................................... 18

LITERATUUR .................................................................................................................................................................................... 21

Bijlage: 1

Toelichting per beschermingsregime

Pagina | 3

AM21379

1. INLEIDING In opdracht van Ordito B.V. heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Pastoor Jurriënsstraat en Sint Josephstraat te Haghorst

Gemeente

: Hilvarenbeek

Kadastrale registratie

: Hilvarenbeek, sectie N, nummers 1435, 1439 en 2170; Diessen, sectie D, nummers 646 (deels), 1422 en 1423 (deels).

Oppervlakte

: circa 41.457 m2

Huidige bestemming

: Agrarisch

Toekomstige bestemming

: Wonen

Men wil op de genoemde percelen nieuwe woningen realiseren (zie figuur 3.1). Momenteel zijn de percelen grotendeels in gebruik ten behoeve van agrarisch grondgebruik (enkelbestemming ‘Agrarisch’). Om de woningbouwontwikkeling juridischplanologisch mogelijk te maken, is een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecte n de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.

Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Pagina | 4

AM21379

2. WET- en REGELGEVING 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie er van). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000 -gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 5

AM21379

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

•

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

•

alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):

-

Vogels

alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;

Pagina | 6

AM21379

-

Internationaal beschermde soorten

alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

-

Overige beschermde soorten

soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 7

AM21379

3. WERKWIJZE 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bestaande vegetatie wordt (grotendeels) verwijderd. De aanwezige bomen in de achtertuinen van Sint Josephstraat 14A en 20 worden gekapt; de bomenrijen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied blijven behouden. Vervolgens worden er woningen gerealiseerd met bijbehorende tuinen. Verder komen er parkeerplaatsen, verhardingen, straten, openbaar groen en twee vijvers (zie figuur 3.1.).

Figuur 3.1. Schets van de voorgestane situatie.

Pagina | 8

AM21379

3.2

Werkwijze quickscan

Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 26 juli 2021 en 13 januari 2022 heeft Faunaconsult het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het plangebied is onderzocht met behulp van een ladder, boomcamera en zaklamp. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl); - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).

Pagina | 9

AM21379

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op de voorzijde van het rapport) ligt ten westen van de kern Haghorst. Het bestaat uit weiland, grasland, akkers met maïs, een speeltuintje en een gedeelte van de achtertuin van de woningen aan Sint Josephstraat 14A en 20. In de achtertuin van Sint Josephstraat 14A zijn een houten opslagschuur en vogelvolières aanwezig. Hier komen algemene plantensoorten voor als beuk, zomereik, ruwe berk, taxus, hazelaar, Thuja, rododendron, schoenlappersplant, Kaapse lelie en klimop. In de achtertuin van Sint Josephstraat 20 groeien soorten als walnotenboom, cipres, klimop en kruipende boterbloem. In het weiland, het grasland en de akkers groeien algemene soorten als haagbeuk, Canadese fijnstraal, grote weegbree, smalle weegbree, veldzuring, vogelmuur kruipende boterbloem, madeliefje, echte kamille, paardenbloem, duizendblad en zachte ooievaarsbek. Ten oosten van het plangebied bevindt zich het centrum van Haghorst. De overige omgeving is voornamelijk agrarisch ingericht met een aantal woningen. Aan de noord- en zuidzijde van het plangebied bevindt zich een laan zomereiken en aan de zuidwestzijde een rij berken. Verder ten zuiden is een bos aanwezig.

Figuur 4.1. Het plangebied (rood omlijnd) en de locatie van de kerkuilennestkast/roestplaats van de kerkuil (gele cirkel). Bron: Google maps.

4.2

Natura 2000-gebieden

Het Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van 1,52 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ ligt op een afstand van 6,51 kilometer van het plangebied. Het Belgische Natura 2000-gebied ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ ligt op 9,63 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2). Pagina | 10

AM21379

Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (blauw en rood weergegeven). Bron: Natura 2000 Network Viewer.

4.3

Natuurnetwerk Nederland

Op 110 meter ten zuiden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit bestaat uit het beheertype ‘Droog bos met productie’ (zie figuur 4.3).

Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van het NNB (gekleurde delen). Bron: Provincie Noord-Brabant. Pagina | 11

AM21379

4.5

Beschermde planten en dieren

Zoogdieren en vogels Alleen in de achtertuin van Sint Josephstraat 14A is bebouwing aanwezig: een houten opslagschuurtje met dubbelwandige gevels en een pannendak met dakbeschot. Doordat het dak met platte dakpannen is belegd, is er tussen de pannenlat en de onderste rijen dakpannen geen ruimte om vogels toegang tot het dak te verschaffen (zie figuur 4.5.1). Vleermuizen kunnen in principe wel door kleine openingen bij de dakpannen naar binnen. Echter, doordat de bodem van de achter/onder de pannen liggende ruimte bestaat uit een gladwandig plafond (zie figuur 4.5.2), zijn vleermuisverblijven hier eveneens uit te sluiten. De nokken bij de kopgevels zijn niet toegankelijk en het dak en de windveer sluiten hier nauw op elkaar en op de gevels aan (zie figuur 4.5.3). Het dakoverstek sluit nauw aan op de zijgevels, zodat ook hier geen kieren of spleten aanwezig zijn (zie figuur 4.5.4). Vleermuizen kunnen daardoor niet in de dubbelwandige gevels komen. De aanwezigheid van gierzwaluw - en/of huismussennesten en vleermuisverblijven is in het opslagschuurtje dus met zekerheid uit te sluiten. Ook elders in het plangebied werden tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen.

Figuur 4.5.1. Onder de onderste rijen dakpannen van het opslagschuurtje is geen ruimte aanwezig om vogels toegang tot het dak te verschaffen.

Figuur 4.5.2. Het plafond in het opslagschuurtje is te glad voor vleermuizen. Pagina | 12

AM21379

Figuur 4.5.3. De nokken van het opslagschuurtje zijn niet toegankelijk en het dak, de windveer en de kopgevels sluiten nauw op elkaar aan.

Figuur 4.5.4. Het houtwerk van het dakoverstek en de zijgevels van het opslagschuurtje sluiten nauw op elkaar aan.

Bomen zijn alleen aanwezig in de achtertuinen van Sint Josephstraat 14A en 20. Eekhoornnesten en (roof)vogelnesten zijn hierin afwezig. De bomen bevatten geen holtes. Daardoor zijn verblijven van boom bewonende vleermuissoorten zoals de rosse vleermuis of ruige dwergvleermuis zeker uit te sluiten. Steenuilen nestelen doorgaans in boomholten, bebouwing of uilennestkasten. Dergelijke nestlocaties zijn in het plangebied afwezig. In een halfopen schuur bij Witvenstraat 27 (op circa 80 meter afstand buiten het plangebied) is een kerkuilenkast aanwezig (met een merelnest ernaast; zie figuur 5.5.5). Volgens de bewoners hebben ze nog geen kerkuil in de kast gehad maar zit er af en toe wel een kerkuil in de schuur. Dit is bevestigd middels een camera die de bewoners in de schuur hebben opgehangen (zie figuur 5.5.6). Het betreft hier dan ook een roestplaats van de kerkuil. Vanwege de aanwezigheid van de kerkuil is het te verwachten dat de gazons en weilanden in het plangebied deel uitmaken van het foerageergebied van de kerkuil. Het is daarnaast mogelijk dat algemene vogels, als merel en veldleeuwerik, gedurende het broedseizoen in de (opgaande) vegetaties in het plangebied een nest maken.

Pagina | 13

AM21379

Figuur 4.5.5. De halfopen schuur met de kerkuilennestkast bij Witvenstraat 27. De kerkuil is hier door de bewoners nog niet in gezien maar wel regelmatig in de schuur zelf.

Figuur 4.5.6. Camerabeeld van een kerkuil in de halfopen schuur bij Witvenstraat 27.

De laanbomen aan de noord- en zuidzijde (zomereiken) en de zuidwestzijde (berken) fungeren mogelijk als vaste vliegroute of als foerageergebied voor vleermuizen. Omdat vaste vliegroutes en foerageergebieden onder de Wnb als vaste rust- en verblijfplaats worden gezien, is een aantal vleermuissoorten in tabel 4.5 opgenomen. In het opslagschuurtje bij Sint Josephstraat 14A zijn geen steenmarteruitwerpselen aangetroffen. Andere geschikte verblijfslocaties voor de steenmarter (b.v. boomholtes, schuren, zolders of dicht struweel) zijn afwezig. Sporen van kleine marterachtigen (als de wezel of bunzing), dassenwissels, holen etc. zijn afwezig en voor kleine marterachtigen alsmede de steenmarter biedt het plangebied te weinig dekking. Volgens de NDFF verspreidingsatlas komt de boommarter niet voor in het 5x5 km atlasblok waarin het plangebied zich bevindt en het aanwezige biotoop vormt ook geen geschikt habitat voor deze soort (boommarters komen voornamelijk voor in bosgebied en maken gebruik van holen of boomholtes). Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen.

Pagina | 14

AM21379

Planten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). In de gemeente Hilvarenbeek geldt: 1. Buiten de bebouwde kom een meldingsplicht voor het kappen van bomen die minimaal 50 centimeter hoog zijn en een omtrek hebben van minimaal 75 centimeter; 2. Binnen de bebouwde kom geldt dat er voor het kappen of snoeien van bomen die vermeldt staan op de waardevolle bomenlijst (zoals opgesteld door de gemeente Hilvarenbeek), een vergunning dient te worden aangevraagd (Gemeente Hilvarenbeek, 2022). De te kappen bomen in het plangebied bevinden zich binnen de bebouwde kom, zodat de onder 1. genoemde meldingsplicht niet van toepassing is. Op de onder 2. Genoemde lijst staat in het plangebied wel een groep beuken vermeld; Deze staan in de achtertuin van Sint Josephstraat 14a. Voor het kappen van deze bomen is dus een vergunning nodig. Voor de overige te kappen bomen geldt geen meldingsplicht of vergunningaanvraag. Overige soorten Wateren zijn in en rond het plangebied afwezig. De aanwezigheid van vissen en voortplantingswateren voor amfibieën zijn daardoor uitgesloten. Daarnaast vormt het plangebied geen geschikt biotoop voor streng beschermde amfibieënsoorten. De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen mogelijk wel als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten, zoals de gewone pad.

Volgens de NDFF verspreidingsatlas komen de grote vos, de bosbeekjuffer en de levendbarende hagedis voor in het 5x5 km atlasblok waarin het plangebied zich bevindt. Vlinders zijn afhankelijk van nectar - en waardplanten voor voeding en de afzet van eitjes. Voor de grote vos zijn waardplanten voornamelijk iep en zoete kers in een vochtige open bossen of aan bosranden. Deze komen echter niet in het plangebied voor (het biotoop bestaat voornamelijk uit weides en akkers) en daardoor niet geschikt voor de grote vos. Ook vanwege de afwezigheid van andere nectar- en waardplanten is het plangebied niet geschikt voor andere beschermde vlindersoorten. Libellen zijn sterk gebonden aan water en waterplanten. Omdat deze niet in of nabij het plangebied voorkomen, zijn de bosbeekjuffer en andere libellensoorten niet te verwachten in het plangebied. Reptielen zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen en de aanwezige biotopen zijn ook niet geschikt als habitat voor de levendbarende hagedis of andere reptielensoorten. Andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.5 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings - of rustplaats in het plangebied hebben. Nederlandse en wetenschappelijke naam

Kerkuil (Tyto alba)*

Vogels met jaarrond

Internationaal

Overige beschermde

beschermd nest

beschermde soorten

soorten

X

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

X

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

X

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

X

Veldmuis (Microtus arvalis)

X

Bruine kikker (Rana temporaria)

X

Gewone pad (Bufo bufo)

X

Tabel 4.5. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven. * = van deze soort is alleen een roestplaats aanwezig (buiten het plangebied), maar geen nest. Een deel van het plangebied maakt hoogstwaarschijnlijk deel uit van het foerageergebied van de kerkuil. Pagina | 15

AM21379

5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ op een afstand van 1,52 kilometer van het plangebied. Vanwege deze afstand hebben de voorgenomen werkzaamheden geen direct effect op Natura 2000-gebieden. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en ingebruikname van de woningen zal leiden tot wat extra stikstofuitstoot. O ok zal de toekomstige bewoning extra verkeersbewegingen opleveren (die tot een extra stikstofuitstoot leiden). Het is dus mogelijk dat er een significant negatief effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebied(en) zal ontstaan.

5.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied ligt op 110 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied, hebben de plannen hoogstwaarschijnlijk geen effect op het NNB.

5.3

Beschermde planten en dieren

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •

Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.

•

In de opgaande vegetaties in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.

•

In de halfopen schuur bij Witvenstraat 27 (op 80 meter buiten het plangebied) bevindt zich een kerkuilenroestplaats. De (begraasde) weilanden direct ten zuiden van de roestplaats vormen het meest optimale foerageergebied voor de kerkuil; de overige gronden rondom de roestplaats betreffen met name akkers. Kerkuilen zullen dus hoogstwaarschijnlijk het grootste deel van hun voedsel verzamelen in de weilanden/graslanden direct ten zuiden van de roestplaats. Er is een grote kans dat de in het plangebied gelegen weilanden/gazons fungeren als foerageergebied van deze soort. Vernietiging van de weilanden/graslanden zou dus mogelijk leiden tot verlies van foerageerhabitat van de kerkuil.

•

De laanbomen ten noorden, zuiden en zuidwesten van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Indien er vanaf het plangebied buitenverlichting op de laanbomen wordt gericht, kan dit voor vleermuizen een verstoring van de vliegroute en/of foerageergebied opleveren. Pagina | 16

AM21379

•

De beukengroep in de achtertuin van Sint Josephstraat 14A staat op de lijst waardevolle bomen, zoals opgesteld door de gemeente Hilvarenbeek (Gemeente Hilvarenbeek, 2022). Bomen op deze lijst mogen niet zomaar worden gekapt.

•

Rugstreeppaddenkomen niet in het plangebied voor en zijn de laatste jaren ook niet in de kilometerhokken in en rond het plangebied wargenomen. Op verzoek van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB; in de persoon van Robert van de Voort, adviseur ecologie) is de soort echter in deze quickscan meegenomen, omdat het mogelijk is dat deze zich alsnog vestigt. Indien dat gebeurt en er ontstaan in de aanlegfase plasjes, dan kan de rugstreeppad daarin vervolgens eisnoeren afzetten.

In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Soort

Algemene in opgaande vegetaties

Beschermingsregime Wnb

Vogels

broedende vogels Kerkuil*

Vogels (met jaarrond beschermd nest)

Rugstreeppad

Vleermuizen

Art. 3.1

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.10

lid 1

lid 2

lid 1

lid 2

lid 3

lid 4

lid 1

X

X

X

X

Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten

Algemeen voorkomende

Art. 3.1

X

X

X

X

Overige soorten

grondgebonden zoogdieren en

X

amfibieën Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. * = van deze soort is alleen een roestplaats aanwezig (buiten het plangebied), maar geen nest. Een deel van het plangebied maakt hoogstwaarschijnlijk deel uit van het foerageergebied van de kerkuil.

Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten):

Pagina | 17

AM21379

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1

Natura 2000

De plannen zullen waarschijnlijk geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Het is wel mogelijk dat de komst van de woningen zal leiden tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden. Het is daarom nodig te laten bepalen of dat het geval is. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.

6.2

Natuurnetwerk Brabant

De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

6.3

Beschermde planten en dieren

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen: -

Door passende vluchtroutes beschikbaar te stellen en het werken op aangepast tempo vanuit een drukke naar rustige locatie, hebben dieren de mogelijkheid om te vluchten.

-

Door niet te werken na zonsondergang wordt het gebruik van kunstmatige verlichting (dat een verstorend werken kan hebben op zoogdieren en andere fauna) zoveel mogelijk vermeden.

Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetro ffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In de opgaande vegetaties in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht: -

Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetaties buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze Pagina | 18

AM21379

maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels, afhankelijk van het weer en andere factoren, sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. -

Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

-

Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn.

Kerkuil In de halfopen schuur bij Witvenstraat 27 (buiten het plangebied) (zie figuur 4.1 en 5.5.5) bevindt zich een roestplaats van de kerkuil. De als weilanden/speelveld (gazon) ingerichte delen van het plangebied vormen daarom mogelijk foerageergebied van deze soort. Kerkuilennesten en het leefgebied van de kerkuil zijn in Noord-Brabant beschermd onder de Wet natuurbescherming. Daarom dient er, wanneer er foerageergebied verloren gaat, een ontheffing te worden aangevraagd. De functie van het plangebied en haar omgeving voor de kerkuil dient in kaart te worden gebracht volgens BIJ12 (2017). Indien het plangebied een functie heeft als foerageergebied, dient er voor de kerkuil een ontheffingsaanvraag te worden ingediend. Pas na het verkrijgen van deze ontheffing mogen de voorgenomen plannen worden uitgevoerd. In de toekomstige situatie wordt nieuw groen aangelegd. Indien dit geschikt wordt gemaakt voor kerkuilen (bij voorkeur grasveld) gaat er netto geen foerageergebied verloren. Dit kan mogelijk als compensatie worden gebruikt, indien er een ontheffing op de Wet Natuurbescherming moet worden aangevraagd. Vleermuizen: verstoring voorkomen De laanbomen aan de noord-, zuid- en zuidwestzijde van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen.

Omdat deze bomen niet worden gekapt, is er geen aantasting van een vaste vliegroute of foerageergebied. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Waardevolle bomen: beuken De beukengroep in de achtertuin van Sint Josephstraat 14A staat op de lijst waardevolle bomen, zoals opgesteld door de gemeente Hilvarenbeek (Gemeente Hilvarenbeek, 2022). Voor het kappen van bomen op deze lijst dient een gunning te worden aangevraagd bij de gemeente Hilvarenbeek. De overige bomen mogen wel gekapt worden zonder vergunningsaanvraag of meldingsplicht. Overige soorten Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd en bij aanvang van de werkzaamheden in het terrein wordt geconstateerd, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Rugstreeppad Pagina | 19

AM21379

Het plangebied is in de huidige staat ongeschikt als (voortplantings)habitat voor rugstreeppad. Door het bouwrijp maken van het terrein, wordt dit echter geschikt voor deze pionierssoort. Door te voorkomen dat er in de bouwfase plasjes op het terrein ontstaan , wordt voorkomen dat er rugstreeppadden komen om eisnoeren af te zetten.

Pagina | 20

AM21379

LITERATUUR •

BIJ12. 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

•

Gemeente

Hilvarenbeek,

2022.

Waardevolle

bomenlijst.

Link:

https://www.hilvarenbeek.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/PDFdocumenten/Ruimte/Openbare_werken/Bomenlijst.pdf •

Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

•

Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/600901/CVDR600901_1.html

•

Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat-presence is affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org.

•

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

•

Zoogdiervereniging. 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/eenvleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting.

Pagina | 21

AM21379

BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:

•

het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)

•

het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)

•

het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)

•

het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)

•

het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:

•

geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;

•

de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en; Pagina | 22

AM21379

•

de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -

het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

-

het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

-

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

-

ter bescherming van flora of fauna;

-

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of

-

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.

Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:

•

het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)

•

het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)

•

het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

Pagina | 23

AM21379

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.

Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.

Pagina | 24

AM21379

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

-

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

-

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;

-

ten behoeve van het algemeen belang.

Pagina | 25

AM21379

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1

Art. 3.5 lid 1

Art. 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te vangen

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of

doden of te vangen

te vangen Art 3.1 lid 2

Art.3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

of rustplaatsen van dieren te beschadigen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

vernielen of te beschadigen, of nesten van

of te vernielen

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels weg te nemen

vernielen.

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de

onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Pagina | 26

AM21379

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12978443/1