16 Wijziging APV (3 bijlage 2a was-wordt-tabel openbare orde en veiligheid)
Tekst van het document
Was-Wordt-tabel Wijziging Algemene plaatselijke verordening Hilvarenbeek 2024 Naar Algemene plaatselijke verordening openbare orde en veiligheid gemeente Hilvarenbeek 2025 In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt en – als de bestaande tekst al vet was gedrukt – ook onderstreept.
Artikel 1:1 (definities) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:1 Definities Bestaande tekst a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1, van de Bouwverordening 2012; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeesters en wethouders; f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals
Artikel 1:1 Definities Nieuwe tekst a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet; c. bevoegd gezag: dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet; e. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; f. college: het college van burgemeesters en wethouders; g. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; k. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties l. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; m.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; n. voertuig: hetgeen daaronder wordt
1
kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; o. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 (beslistermijn) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:2 Beslistermijn Bestaande tekst 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdragen.
Artikel 1:2 Beslistermijn Nieuwe tekst 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdragen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 (voorschriften en beperkingen) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Bestaande tekst 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen Nieuwe tekst 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:4 (persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:5 persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Bestaande tekst De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:4 persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Nieuwe tekst 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
2
Artikel 1:5 (intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:6 intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Bestaande tekst 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen. d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.
Artikel 1:5 intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Nieuwe tekst 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen. d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 2:5 (winkelwagentjes) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:14 winkelwagentjes Bestaande tekst 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze a. te voorzien van de naam of het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:5 winkelwagentjes Nieuwe tekst 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze a. te voorzien van de naam of het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet.
Artikel 2:8 (veiligheid op het ijs) wordt als volgt gewijzigd:
3
Artikel 2:23 veiligheid op het ijs Bestaande tekst 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de ander a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht de Provinciale vaarwegenverordening.
Artikel 2:8 veiligheid op het ijs Nieuwe tekst 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de ander a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2:9 (definities) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:24 definities Bestaande tekst 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f of voetbalwedstrijden tussen lokale voetbalverenigingen en clubs uit de KNVB, betaald voetbalcompetitie of grote buitenlandse clubs; 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
Artikel 2:9 definities Nieuwe tekst 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:4; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:30; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f of voetbalwedstrijden tussen lokale voetbalverenigingen en clubs uit de KNVB, betaald voetbalcompetitie of grote buitenlandse clubs; 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
4
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of-gala’s;
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of-gala’s; g. een slipjacht.
3. In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 100 personen; en, b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur; en, c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur; en, d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en, e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; en f. een organisator bij het evenement aanwezig in dienst te zijn.
3. In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 100 personen; en, b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur; en, c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur; en, d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en, e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; en f. een organisator bij het evenement aanwezig in dienst te zijn.
Artikel 2:10 (evenementenvergunning) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:25 evenementenvergunning Bestaande tekst 1. Het is verboden zonder melding of zonder in afwijking van een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. De aanvraag voor een evenementenvergunning dient: a. voor een regulier (Aevenement) uiterlijk acht weken van tevoren te worden ingediend waarbij de burgemeester binnen 6 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist.; b. voor een aandachtsevenement (B-categorie) uiterlijk twaalf weken
Artikel 2:10 evenementenvergunning Nieuwe tekst 1. Het is verboden zonder melding of zonder in afwijking van een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. De aanvraag voor een evenementenvergunning dient: a. voor een regulier (Aevenement) uiterlijk acht weken van tevoren te worden ingediend waarbij de burgemeester binnen 6 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist.; b. voor een aandachtsevenement (B-categorie) uiterlijk twaalf weken
5
van tevoren te worden ingediend, waarbij de burgemeester binnen 8 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist.; c. voor een risico-evenement (Ccategorie) uiterlijk twintig weken van tevoren te worden ingediend, waarbij de burgemeester binnen 16 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist.; 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:9, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 9.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
van tevoren te worden ingediend, waarbij de burgemeester binnen 8 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist.; c. voor een risico-evenement (Ccategorie) uiterlijk twintig weken van tevoren te worden ingediend, waarbij de burgemeester binnen 16 weken op een aanvraag voor een evenementenvergunning beslist.; 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:9, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s of slipjachten. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 9.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:12 (definitie) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:27 definitie Bestaande tekst 1. In deze afdeling wordt in ieder geval onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken, worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse wordt bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid
Artikel 2:12 definitie Nieuwe tekst 1. In deze afdeling wordt in ieder geval onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, smartshop, headshop of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken, zowel alcoholische als non-alcoholische, worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse wordt bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid
6
bedoelde besloten ruimte liggend deel waarvan sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan: a. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; b. dienstdoend personeel van de houder van de inrichting; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende reden noodzakelijk is.
bedoelde besloten ruimte liggend deel waarvan sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan: a. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; b. dienstdoend personeel van de houder van de inrichting; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:13 (exploitatie openbare inrichting) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:28 exploitatie openbare inrichting Bestaande tekst 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van het openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting met een kleinschalig karakter die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. een bedrijfskantine of restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan de openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in
Artikel 2:13 exploitatie openbare inrichting Nieuwe tekst 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van het openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting met een kleinschalig karakter die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. een bedrijfskantine of restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan de openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in
7
6.
7.
artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting: of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:7 of 2:13, tweede of derde lid. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6.
7.
artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting: of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:7 of 2:13, tweede of derde lid. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:14 (sluitingstijd) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:29 sluitingstijd Bestaande tekst 1 Openbare inrichtingen zijn gesloten op: a. maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur; c. kermisdagen met uitzondering van de laatste kermisdag tussen 02.00 en 06.00 uur; en d. maandag en dinsdag tijdens carnaval tussen 02.00 en 06.00 uur. 2, Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:13, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:14 sluitingstijd Nieuwe tekst 1 Openbare inrichtingen zijn gesloten op: a. maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur; c. kermisdagen met uitzondering van de laatste kermisdag tussen 02.00 en 06.00 uur; en d. maandag en dinsdag tijdens carnaval tussen 02.00 en 06.00 uur. 2, Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:13, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
8
Artikel 2:16 (verboden gedragingen) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:31 verboden gedragingen Bestaande tekst 1. Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:16 verboden gedragingen Nieuwe tekst 1. Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. d. overlast te veroorzaken.
Artikel 2:19f (verbod ‘happy hours’) wordt als volgt gewijzigd: (indien gewenst) Bestaande tekst
Artikel 2:19f verbod ‘happy hours’ Nieuwe tekst 1. Het is verboden om in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. 2. Ontheffingen van dit verbod kunnen worden aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 2:25 (speelgelegenheden) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:39 speelgelegenheden Bestaande tekst 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de
Artikel 2:25 speelgelegenheden Nieuwe tekst 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de
9
speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 (plakken en kladden) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:39 plakken en kladden Bestaande tekst 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding, aanduiding te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van een schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:29 plakken en kladden Nieuwe tekst 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding, aanduiding of reclame aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van een schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:45 (verbod op gokken) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Artikel 2:49 verbod op gokken Nieuwe tekst 1. Het is verboden om binnen de grenzen van de gemeente Hilvarenbeek deel te nemen aan enige vorm van gokken, al dan niet georganiseerd, ongeacht de locatie. Dit verbod geldt voor zowel
10
openbare als private ruimtes. 2. Het is verboden om te gokken of gokactiviteiten te organiseren op of aan de weg, op openbare plaatsen, in parken, op pleinen, of op andere locaties die toegankelijk zijn voor het publiek, inclusief tijdelijke constructies, zoals tenten of kramen. 3. Het tweede lid is ook van toepassing op woningen, bedrijfspanden, kantoren, horecagelegen heden, of enige andere gebouwen of constructies die zich op privéterrein bevinden. Dit geldt ook voor bijgebouwen, tuinen en andere delen van het privéterrein. 4. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op kansspelen waarvoor krachtens de Wet op de kansspelen een vergunning is verleend, mits deze worden georganiseerd binnen de grenzen van de verleende vergunning en onder de daarbij gestelde voorwaarden. 5. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op kleine kansspelen als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen, of kleine kansspelen die daarmee gelijkgesteld kunnen worden. Deze uitzondering geldt uitsluitend indien de activiteit naar aard en omvang als een klein kansspel kan worden beschouwd en er geen sprake is van commerciële doeleinden of georganiseerde gokactiviteiten.
Artikel 2:49 (definitie) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:71 definitie Bestaande tekst In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:49 definitie Nieuwe tekst In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:52 (drugshandel op straat) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:74 drugshandel op straat Bestaande tekst Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of
Artikel 2:52 drugshandel op straat Nieuwe tekst 1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden, of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2
11
daarin te bemiddelen.
en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 2. Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in de artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voor handen te hebben. 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen en activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd.
Artikel 2:56 (gebiedsontzeggingen) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:78 gebiedsontzeggingen Bestaande tekst 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.
De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:56 gebiedsontzeggingen Nieuwe tekst 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 5.
De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk
12
oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 3:7 (weigeringsgronden) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 3:7 weigeringsgronden Bestaande tekst 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreffen, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1o. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2o. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis tot en
Artikel 3:7 weigeringsgronden Nieuwe tekst 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreffen, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1o. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2o. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis tot en
13
met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3o. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4o. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5o. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6o. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. a. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat er inzage is gelegd, een beheersverordening. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder van € 375,00 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is
-
-
met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3o. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4o. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5o. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6o. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. a. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan.
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder van € 375,00 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.
als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is
14
ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd. e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd. e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Artikel 3:9 (intrekkingsgronden) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 3:9 intrekkingsgronden Bestaande tekst 1. De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1o; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet doet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening. 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de
Artikel 3:9 intrekkingsgronden Nieuwe tekst 1. De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1o; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet doet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan. 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de
15
bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of mensenhandel; i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of mensenhandel; i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel 5:6 (veiligheid op het water) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 5:30 veiligheid op het water Bestaande tekst 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening NoordBrabant.
Artikel 5:6 veiligheid op het water Nieuwe tekst 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
16
Toelichting Artikel 1:1 Beperkingengebiedactiviteit is toegevoegd aan de definities door de komst van de Omgevingswet. De definitie van gebouw wijzigt naar een verwijzing naar de Omgevingswet in plaats van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De definitie van bevoegd gezag wijzigt naar een verwijzing naar de Omgevingswet in plaats van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De definitie van bouwwerk wijzigt naar een verwijzing naar de Omgevingswet in plaats van de Bouwverordening 2012. Artikel 1:2 Er wordt een lid 3 toegevoegd waarin staat dat dit artikel niet van toepassing is op een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Dit lid is toegevoegd met de komst van de Omgevingswet en conform de VNG-modelverordening. Artikel 1:3 Er wordt een lid 3 toegevoegd waarin staat dat dit artikel niet van toepassing is op een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Dit lid is toegevoegd met de komst van de Omgevingswet en conform de VNG-modelverordening. Artikel 1:4 Er wordt een lid 2 toegevoegd waarin staat dat dit artikel niet van toepassing is op een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Dit lid is toegevoegd met de komst van de Omgevingswet en conform de VNG-modelverordening. Artikel 1:5 Er wordt een lid 2 toegevoegd waarin staat dat dit artikel niet van toepassing is op een aanvraag voor een omgevingsvergunning.
Dit lid is toegevoegd met de komst van de Omgevingswet en conform de VNG-modelverordening. Artikel 2:5 Dit artikel wordt gewijzigd door middel van een verwijzing naar de Omgevingswet in plaats van de Wet milieubeheer in lid 3. Dit komt door de komst van de Omgevingswet en conform de VNGmodelverordening. Artikel 2:8 De provinciale vaarwegenverordening in lid 2 wordt vervangen door de provinciale omgevingsverordening. Deze wijziging komt door de Omgevingswet en conform de VNGmodelverordening. Artikel 2:9 De verwijzing in lid 1 sub b naar artikel 5:22 verandert naar artikel 5:4. Dit komt door de wijziging van nummering in de artikelen. De verwijzing in lid 1 sub f verandert van artikel 2:9 en 2:39 naar artikel 2:4 en 2:30. Ook dit komt door de wijziging in nummering. Verder wordt er aan lid 2 sub g toegevoegd, namelijk slipjacht. Door slipjacht op te nemen in artikel 2:9 valt het onder een evenement en mogen inwoners van de gemeente Hilvarenbeek geen slipjacht organiseren zonder een vergunning op grond van artikel 2:10. Artikel 2:10 Aan lid 6 wordt ‘slipjachten’ toegevoegd. Lid 4 van artikel 2:10 bepaalt dat er geen vergunning nodig is voor een klein evenement als de organisator 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gemaakt bij de burgemeester. Door ‘slipjachten’ toe te voegen aan lid 6 is lid 4 van 17
artikel 2:10 niet van toepassing en moet er dus een vergunning worden aangevraagd, ook al is het een klein evenement en is er op tijd een melding gemaakt. Verder worden in lid 7 artikel 1:8 en 2:24 vervangen door artikel 1:7 en artikel 2:9 voor een wijziging in de nummering. Artikel 2:12 In lid 1 worden de begrippen ‘smartshop’ en ‘headshop’ toegevoegd. Ook wordt er ‘zowel alcoholische als non-alcoholische’ toegevoegd. Door het toevoegen van smart- en headshop in artikel 2:12 lid 1 en onder een openbare inrichting, hebben ze hier wel een grond voor. Artikel 2:13 bepaalt namelijk dat er geen openbare inrichting geëxploiteerd mag worden zonder een vergunning. Door ‘zowel alcoholische als non-alcoholische’ toe te voegen, maak je het voor een burger niet mogelijk om een smart- of headshop te openen waar geen alcohol geschonken wordt. Het mag dan sowieso niet. Artikel 2:13 Door de komst van de Omgevingswet weigert de burgemeester een vergunning voor exploitatie van een openbare inrichting wanneer deze in strijd is met het Omgevingsplan. Dit komt door de komst van de Omgevingswet en conform de VNG-modelverordening. Daarom wordt ‘..bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit’ vervangen door ‘het omgevingsplan.’ Artikel 2:14 Lid 5 bepaalt dat lid 1 en 3 van artikel 2:14 niet van toepassing zijn op bepaalde situaties.
Voorheen waren dit situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer werd voorzien. Dit wordt vervangen door de Omgevingswet. Dit komt door de komst van de Omgevingswet en conform de VNGmodelverordening. Artikel 2:16 Aan artikel 2:16 wordt sub d toegevoegd, namelijk dat het verboden is om in een openbare inrichting overlast te veroorzaken. Het was de gemeente Hilvarenbeek ten ore gekomen dat er in de gemeente soms overlast ontstond bij terrassen door luidruchtige burgers. Een terras valt onder een openbare inrichting op grond van 2:12. Door sub d toe te voegen ga je deze overlast tegen, omdat het verboden wordt gesteld. Artikel 2:19f Het is mogelijk om een verbod op ‘happy hours’ toe te voegen aan de APV in artikel 2:19f. Dit verbod zorgt ervoor dat er in horecalokaliteiten of op terrassen geen alcohol ter plaatse mag worden verstrekt voor een periode van 24 uur of korter voor lager dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk voor wordt gevraagd. Artikel 2:30 Lid 3 van artikel 2:30 bepaalt dat de burgemeester een vergunning voor speelgelegenheden kan weigeren. Sub b van lid 3 wordt gewijzigd. Voorheen kon de burgemeester de vergunning weigeren indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd was met een geldend bestemmingsplan. Dit wordt, door de komst van de Omgevingswet en conform de VNG-modelverordening, vervangen door in strijd met het omgevingsplan.
Artikel 2:33 Aan lid 2 sub a wordt ‘reclame’ toegevoegd. Hiermee gaat de gemeente Hilvarenbeek tegen dat er zonder schriftelijke toestemming reclame op een onroerende zaak wordt geplakt of aangebracht. Artikel 2:45 Met dit artikel wil de gemeente Hilvarenbeek gokken op zowel openbare als private terreinen binnen 18