16 Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 8A (3 Nota van beantwoording zienswijzen)
Tekst van het document
Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan “Klein Westerwijksestraat 8A” In het kader van de ruimtelijke procedure van het ontwerpbestemmingsplan “Klein Westerwijksestraat 8A”, zijn hieronder de ingediende zienswijzen samengevat en beantwoord. Tevens is aangegeven of er naar aanleiding van de zienswijze aanpassingen zijn gedaan in het bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor 6 weken ter inzage gelegen van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024. Nummer
Zienswijzen (samengevat)
1
Provincie
1.1
De provincie geeft aan dat geborgd moet worden dat het bedrijf kleinschalig blijft en dat het moet passen in de gewenste ontwikkelingsrichting. Er is volgens hen geen sprake van een redelijke uitbreiding als dat 66% van de bestaande bebouwing bedraagt.
Reactie gemeente
De provincie lijkt er van uit te gaan dat sprake is van de nieuwvestiging van een grootschalig niet-agrarisch bedrijf met een aanmerkelijke ruimtelijke impact. Er is hier sprake van een bestaand en vergund nietagrarisch bedrijf, dat in 2015 reeds ruimtelijk aanvaardbaar is geacht. Artikel 3.71 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (verder: Iov) staat voor een bestaande niet-agrarische functie binnen landelijk gebied onder voorwaarden een redelijke uitbreiding toe. Uitbreiding wordt in de Iov gedefinieerd als een vergroting van een bestaand bouwperceel of van bestaand bestemmingsvlak. De beoogde ontwikkeling vindt volledig binnen een bestaand bouwperceel plaats. Conform de begripsbepaling uit de Iov is hier geen sprake van een uitbreiding. In de toelichting van het bestemmingsplan is uitvoerig getoetst aan artikel 3.71 en is onderbouwd om welke reden de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied; de ontwikkeling vindt volledig plaats binnen bestaand ruimtebeslag, waardoor nauwelijks sprake is van ruimtelijke impact. De ontwikkeling is passend binnen de gemengde omgeving, de ontwikkelingsrichting van het gebied en relevant gemeentelijk beleid. In de huidige planologische situatie is ten hoogste 1.000 m² aan bedrijfsbebouwing ten dienste van een lokaal metaalbewerkingsbedrijf toegestaan.
In de beoogde situatie wordt er in zijn totaliteit 1.661 m² aan bedrijfsgebouwen toegestaan. Een aanmerkelijk deel van de toename van bebouwing wordt veroorzaakt door de realisatie van diverse overkappingen en luifels binnen de planlocatie. Deze overkappingen en luifels zijn slechts ondersteunend aan de bedrijfsgebouwen en zijn wenselijk om diverse materialen die nu buiten gestald worden droog te
16int01586
kunnen stallen onder overkappingen. Ook wordt hiermee verrommeling voorkomen. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 van de toelichting. Verder wordt binnen de planlocatie enkel een nieuwe machineloods gerealiseerd. Gelet hierop blijft de werkplaats, die met name bepalend is voor de omvang van een kleinschalig metaalbewerkingsbedrijf, binnen de planlocatie qua omvang gelijk. Tevens wordt een gedeelte van de bebouwing gesloopt t.b.v. de woning en wordt dat gedeelte herbouwd op een andere locatie. Alles in resumering nemende, kan geconcludeerd worden dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een redelijke uitbreiding van een bestaand lokaal en kleinschalig metaalbewerkingsbedrijf op een passende locatie in landelijk gebied en passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Daar komt bij dat als de vergunde niet-agrarische functie in 2015 meegenomen was in het “Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019”, er in het bestemmingsplan reeds een uitbreidingsmogelijkheid binnen het bestaande bouwvlak was opgenomen. Een beperkte uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid zou in dat geval aanvaardbaar zijn. De in 2015 permanent vergunde niet-agrarische functie is abusievelijk niet meegenomen in het “Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019”.
1.2
Volgens de provincie is de voorgestelde ontwikkeling in strijd is met artikel 3.71 IOV en artikel 3.73 IOV, omdat het Landelijk gebied niet is uitgerust op de vestiging van bedrijven, zodat altijd een nieuwe afweging nodig is bij een wisseling van functies. Daarbij moeten de aspecten uit paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies worden betrokken.
>> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. Het gaat hier om een bestaande niet-agrarische functie in het landelijk gebied, waarbij met onderhavig bestemmingsplan wordt voorzien in een redelijke uitbreiding zonder een uitbreiding van het bestemmingsplan of het bouwperceel. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met artikel 3.71 waar in paragraaf 3.3.2 van de toelichting aan is getoetst. Binnen de planlocatie blijft een kleinschalig metaalbewerkingsbedrijf aanwezig. De beoogde ontwikkeling omvat geen wisseling van functies. Er is sprake van een bestaand niet-agrarische functie. Hierdoor is in de toelichting van het bestemmingsplan enkel uitvoerig getoetst aan artikel 3.71 van de Iov en is de toetsing aan artikel 3.73 achterwege gelaten. Daarnaast is in de toelichting uitvoerig getoetst aan de basisprincipes voor
16int01586
een evenwichtige toedeling van functies. Voor een nadere motivatie wordt eveneens verwezen naar paragraaf 3.3.2.
1.3
Volgens de provincie is de maximaal toelaatbare milieucategorie niet geregeld in het plan en de milieucategorie is niet verder onderbouwd.
>> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. De milieucategorie blijft gelijk. Hier dient opgemerkt te worden dat in de bestaande situatie binnen de planlocatie reeds sprake is van de aanwezigheid van een vergund metaalbewerkingsbedrijf. Dergelijke bedrijvigheid laat zich conform de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering het beste typeren als een constructiewerkplaats, gesloten gebouw, productie oppervlak > 200 m2. Een en ander betreft categorie 3.2 bedrijvigheid. Dit blijft in de beoogde situatie gelijk. De beperkte uitbreiding van het kleinschalig metaalbewerkingsbedrijf heeft geen andere milieucategorie tot gevolg. Verder dient opgemerkt te worden dat in de regels van het bestemmingsplan expliciet is vastgelegd dat binnen de planlocatie een constructiebedrijf is toegestaan. Een en ander is in lijn met de plansystematiek van het moederplan “Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019” waarin eveneens enkel de toegestane bedrijvigheid wordt voorgeschreven zonder de maximale milieucategorie te benoemen. Daar komt bij dat in de regels het toegestane gebruik ten behoeve van het metaalbewerkingsbedrijf verder is uitgewerkt. Zo is onder meer expliciet vastgelegd waar de opslagloods, de productiehal, de machine- en wagenloods en kantoor zijn toegestaan.
1.4
De provincie geeft aan dat in artikel 3.3.1 in het bestemmingsplan via een afwijkingsbevoegdheid nog verdere uitbreidingsmogelijkheden voor bebouwing wordt geboden.
>> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. De binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 3.3.1 biedt de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning onder voorwaarden af te wijken van de regels om een grotere bebouwde oppervlakte toe te staan. Een en ander is in lijn met het moederplan “Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019”. Deze afwijkingsmogelijkheid zal worden verwijderd. >> Deze zienswijze geeft wel aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.
16int01586
1.5
De provincie mist een onderbouwing dat de functie passend is op deze locatie. De bestemming is half ingepast en sluit niet aan bij het versterken van het kleinschalige karakter dat men beoogt. Over het algemeen worden in het landelijk gebied bedrijven toegestaan die passen bij de kenmerken en functies van het gebied, en die geen onaanvaardbare negatieve impact hebben op de omgeving en juist passen in de omgeving.
Met de afgegeven vergunning in 2015 is reeds tot de conclusie gekomen dat de functie passend is op de locatie. De beoogde ontwikkeling voorziet in een beperkte uitbreiding binnen bestaande bouwvlak. Het gaat hier om de uitbreiding van de opslagruimte, zodat materialen binnen gestald kunnen worden en tegemoet gekomen kan worden aan de veranderende vraag van klanten. Daarmee wordt aan bestaande bedrijvigheid toekomstperspectief geboden en blijft het kleinschalig karakter behouden. De extra opslagruimte voorkomt verrommeling en heeft daarmee een positief effect op de omgevingskwaliteit. Daar komt bij dat vigerend gemeentelijk beleid onder meer voorschrijft dat nieuwe functies in het buitengebied, waaronder bedrijvigheid, mogelijk zijn in het geval sprake is van kleinschalige bedrijvigheid. In het onderhavige geval is geen sprake van een nieuwe functie, maar van een beperkte uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf binnen bestaand ruimtebeslag. Ook wordt aangegeven dat de gemeentelijke ambitie uitgaat van behoud van de ruimtelijke kwaliteit en aan het buitengebied gebonden functies, waaronder voorkomende nietagrarische functies. In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” zijn dan ook diverse wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het omzetten van de bestemming naar bedrijvigheid.
Hieruit blijkt dat de komst van niet-agrarische bedrijvigheid binnen het buitengebied al onder voorwaarden ruimtelijk aanvaardbaar is geacht. Verder wordt binnen de planlocatie voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing rekening houdend met de ligging binnen het Oud Ontginningslandschap. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een versterking van de landschappelijke structuur tot gevolg passend binnen de ontwikkelingskwaliteiten aldaar. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de beoogde ontwikkeling nadrukkelijk geen onaanvaardbare negatieve impact heeft op de omgeving en inpasbaar is. In hoofdstuk 4 van de toelichting van het bestemmingsplan zijn alle planologisch relevante (milieu)aspecten nagelopen en is onder meer tot de conclusie gekomen dat de beoogde ontwikkeling inpasbaar is binnen de omgeving en geen onevenredige negatieve impact heeft. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar hoofdstuk 4 in de toelichting.
16int01586
>> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. 1.6
1.7
De provincie vraagt een Visie op de gewenste ontwikkelrichting van het gebied, zodat vooraf regie en sturing gevoerd kan worden op gewenste initiatieven in het gebied.
Volgens de provincie is niet gemotiveerd waarom de functie van een metaalbewerkingsbedrijf en de doorgroei daarvan een functionele relatie heeft met het buitengebied. In zijn algemeenheid is niet gemotiveerd waarom dit bedrijf niet thuishoort op een regulier bedrijventerrein.
Bij de toetsing aan artikel 3.71 van de Iov en in paragraaf 2.3.1 is reeds een onderbouwing opgenomen met betrekking tot de ontwikkelingsrichting van het gebied. Voor een nadere motivatie wordt dan ook verwezen naar paragraaf 3.3 van de toelichting. Beknopt weergegeven, is hierbij tot de conclusie gekomen dat de locatie zich binnen gemengd gebied bevindt op korte afstand van de N269. Ook is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting voor het gebied, zoals in relevante gemeentelijke beleidsstukken, waaronder gemeentelijke structuurvisies. >> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. Met de vergunningsverlening in 2015 is de gemeenteraad reeds tot de conclusie gekomen dat deze functie op de huidige locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Met de beoogde ontwikkeling wordt enkel voorzien in een beperkte uitbreiding binnen bestaand ruimtebeslag. Deze beperkte uitbreiding biedt de mogelijkheid om tegemoet te komen aan de veranderde vraag van klanten en biedt onder meer de mogelijkheid om producten droog te stallen. In de toelichting van het bestemmingsplan is onderbouwd om welke reden de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Verder kan opgemerkt worden dat de planlocatie is gelegen binnen een gemengde omgeving en op zeer korte afstand van de N269 is gelegen.
Vanwege de goede ontsluiting is er sprake van een ideale ligging voor niet-agrarische bedrijven in de dienstensector. Daar komt bij dat het bedrijf door de jaren heen een klantenbestand heeft opgebouwd met een sterke lokale inslag. 95% van het klantenbestand bevindt zich namelijk binnen 10 kilometer afstand van de planlocatie. Het klantenbestand bestaat voornamelijk uit agrarische bedrijven in de directe omgeving. Vanwege de omstandigheid dat de klanten voornamelijk agrarische bedrijven in de directe omgeving betreffen, heeft het niet-agrarische bedrijf een functionele relatie met het buitengebied. Ook is het wenselijk dat het bedrijf op betrekkelijk korte afstand van de klanten wordt geëxploiteerd om onnodige
16int01586
verkeersbewegingen te voorkomen. Door de goede ontsluiting nabij de N269 is het overgrote deel van de klanten eenvoudig te bereiken.
1.8
Volgens de provincie moet de gemeente borgen dat een niet-agrarische functie ook op langere termijn past binnen de ontwikkelingsrichting van dit gebied. Dit staat in artikel 3.73 lid 2 IOV. Op het moment dat een nieuwe generatie de bedrijfsactiviteiten wil voortzetten is dát het moment waarop expliciet de afweging gemaakt zou moeten worden of deze functie met de uitbreiding op langere termijn passend is in dit gebied en niet op een bedrijventerrein thuishoort. De provincie leest niet dat die afweging is gemaakt.
>> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. Met de vergunningverlening in 2015 is reeds besloten dat de bedrijfsvoering binnen de planlocatie wenselijk en ruimtelijk aanvaardbaar is. Nu is het moment gekomen dat de nieuwe generatie het niet-agrarische bedrijf wil voortzetten en toekomstbestendig wil maken. De beperkte uitbreiding en ontwikkeling van niet-agrarische bedrijf worden ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Immers, de beoogde ontwikkeling vindt volledig binnen bestaand ruimtebeslag plaats en de beoogde uitbreiding biedt voornamelijk de mogelijkheid om diverse materialen binnen te stallen die nu buiten worden gestald. Hierdoor wordt met de beoogde ontwikkeling verrommeling voorkomen, waardoor sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. Met betrekking tot de borging dat de beoogde ontwikkeling ook op langere termijn binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied past dient opgemerkt te worden dat er in 2015 een permanente vergunning is verleend voor een niet-agrarisch bedrijf op deze locatie. In het moederplan is expliciet vastgelegd welk type bedrijf is toegestaan. Ook is de maximale vloeroppervlakte van bedrijfsgebouwen expliciet vastgelegd en is eveneens met functieaanduidingen vastgelegd welke specifieke gebruiksactiviteit ter plaatse is toegestaan.
Hiermee is geborgd dat ook in de toekomst sprake is van kleinschalige bedrijvigheid. Op verzoek van de provincie is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om te kunnen voorzien in een verdere uitbreiding verwijderd.
1.9
De provincie geeft aan dat industriële activiteiten ruimtelijke impact hebben en het landelijke karakter van het gebied aantasten. De voorgestelde ontwikkeling is volgens de provincie niet onderbouwd met een gebiedsgerichte benadering. De voorgenomen herontwikkeling lijkt onvoldoende rekening te houden met mogelijke negatieve effecten op andere belangrijke aspecten zoals milieu, ontwikkeling van het buitengebied, leefbaarheid en leegstand elders.
Ook omdat binnen de planlocatie wordt voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. >> Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. De gemeente heeft de komst van dergelijke bedrijvigheid in 2015 reeds wenselijk en ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Ten tijde van de vergunningsverlening in 2015 is reeds uitvoerig onderbouwd en onderzocht om welke reden een en ander inpasbaar is binnen de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt enkel voorzien in een
16int01586
Een grondige analyse van deze effecten en daarmee een ontwikkelingsrichting ontbreekt in het ingediende plan.
beperkte uitbreiding binnen bestaand ruimtebeslag. Ook nu is in de toelichting van het bestemmingsplan wederom uitvoerig en vanuit een gebiedsgerichte benadering onderbouwd om welke reden de beoogde ontwikkeling passend is binnen de omgeving.
Ook zijn hierbij, indien nodig, diverse onderzoeken uitgevoerd. De conclusie luidt dat de beoogde ontwikkeling inpasbaar is binnen de omgeving en geen onevenredige negatieve impact heeft. Daarnaast wordt de planlocatie voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. Met de beoogde bestemming “Groen” wordt de biodiversiteit in de omgeving versterkt en stopt het regulier agrarisch gebruik. >> Deze zienswijze geeft wel aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.