CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

15 definitieve REKS (7 bijlage bij REKS - MKBA warmtetransitie West-Brabant en Hart van Brabant)

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van de definitieve Regionale Energie- en Klimaatstrategie Hart van Brabant (REKS).28.936 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

MKBA warmtetransitie West-Brabant en Hart van Brabant

Amsterdam, september 2020 In opdracht van Waterschap Brabantse Delta

MKBA warmtetransitie West-Brabant en Hart van Brabant

Auteurs Bert Tieben Nard Koeman Tom Smits

SEO Economisch Onderzoek - Roetersstraat 29 - 1018 WB Amsterdam - T (+31) 20 525 1630 - www.seo.nl - secretariaat@seo.nl ABN-AMRO IBAN: NL14ABNA0411744356 BIC: ABNANL2A - ING: IBAN: NL96INGB0004641100 BIC: INGBNL2A KvK Amsterdam 41197444 - BTW NL 003023965 B01

2

“De wetenschap dat het goed is” SEO Economisch Onderzoek doet onafhankelijk toegepast onderzoek in opdracht van overheid en bedrijfsleven. Ons onderzoek helpt onze opdrachtgevers bij het nemen van beslissingen. SEO Economisch Onderzoek is gelieerd aan de Universiteit van Amsterdam. Dat geeft ons zicht op de nieuwste wetenschappelijke methoden. We hebben geen winstoogmerk en investeren continu in het intellectueel kapitaal van de medewerkers via promotietrajecten, het uitbrengen van wetenschappelijke publicaties, kennisnetwerken en congresbezoek.

SEO-rapport nr. 2020-71 ISBN 978-90-5220-090-3 Informatie & Disclaimer SEO Economisch Onderzoek heeft op de verkregen informatie en data geen onderzoek uitgevoerd dat het karakter draagt van een accountantscontrole of due diligence. SEO is niet verantwoordelijk voor fouten of omissies in de verkregen informatie en data. Copyright © 2020 SEO Amsterdam. Alle rechten voorbehouden. Het is geoorloofd gegevens uit dit rapport te gebruiken in artikelen, onderzoeken en collegesyllabi, mits daarbij de bron duidelijk en nauwkeurig wordt vermeld. Gegevens uit dit rapport mogen niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden zonder voorafgaande toestemming van de auteur(s). Toestemming kan worden verkregen via secretariaat@seo.nl. SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

i

Samenvatting Conclusie Deze studie berekent de maatschappelijke kosten en baten van diverse warmteopties gericht op verduurzaming van de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving en glastuinbouw in WestBrabant en Hart van Brabant. Warmtevoorziening op basis van groengas kent de meest gunstige verhouding tussen maatschappelijke kosten en baten met een MKBA-saldo van -1,4 €-mrd. In deze warmteoptie bereiken de regio’s in 2050 meer dan 95 procent reductie van CO2-emissies in de gebouwde omgeving en glastuinbouw en hebben eindverbruikers in dat jaar per saldo lagere lasten dan bij de huidige warmtevoorziening op basis van aardgas. Vraagstelling De RES-regio’s West-Brabant en Hart van Brabant hebben SEO Economisch Onderzoek gevraagd om een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uit te voeren naar de verduurzaming van de gebouwde omgeving in deze twee regio’s. De verduurzaming van de warmtevoorziening moet ervoor zorgen dat in 2050 beide regio’s geen aardgas meer gebruiken. De centrale vraagstelling voor dit onderzoek is: Beoordeel maatschappelijke kosten en baten van de warmteopties voor West-Brabant en Hart van Brabant bij de verduurzaming van de warmtelevering in de gebouwde omgeving en de glastuinbouw.

Investeringen in duurzame warmte De transitie naar een duurzame warmtevoorziening in West-Brabant en Hart van Brabant is voor deze studie vormgegeven in zeven projectalternatieven – samenhangende investeringspakketten gericht op het bereiken van 100 procent duurzame warmte in 2050. Ook bereiken de alternatieven in 2050 een reductie in het warmteverbruik van 50 procent ten opzichte van 1990. De projectalternatieven verschillen qua energie-infrastructuur en inzet van warmtebronnen (zie Figuur S.1). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen een groot regionaal warmtenet (alternatief 1), inzet op lokale warmtenetten (alternatief 2) en benutting van de bestaande energie-infrastructuur voor elektriciteit en aardgas (alternatief 3). In drie alternatieven (1C, 3A en 3B) vindt bovendien extra energiebesparing plaats.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

ii

Figuur S.1

Zeven paden naar duurzame warmte in West-Brabant en Hart van Brabant

Bron: SEO Economisch Onderzoek

Qua inzet van warmtebronnen onderzoekt deze MKBA verschillende warmtemixen: 1. Voor alternatief 1 (regionaal warmtenet) zijn drie varianten onderzocht: inzet op voornamelijk biomassa (variant A), inzet op voornamelijk geothermie (variant B) en een variant C met extra energiebesparing en dezelfde warmtemix als variant B; 2. Voor alternatief 2 zijn twee varianten onderzocht: inzet op lokale bronnen met een beperkte uitbreiding van het regionale warmtenet (variant A), inzet op lokale bronnen (restwarmte, LTA, biomassa, aquathermie en zonthermie) waarbij het bestaande regionale warmtenet verdwijnt (variant B); 3. Voor alternatief 3 zijn twee varianten onderzocht: inzet op zonthermie en groengas (variant ) en inzet op all-electric oplossingen (bodem- en luchtwarmtepomp). In beide varianten is extra energiebesparing nodig. Het nulalternatief waarin geen extra verduurzaming plaatsvindt De investeringskosten, energiekosten en emissiekosten worden berekend voor zowel de projectalternatieven waarin de transitie naar een duurzame warmtevoorziening wordt gerealiseerd als de uitgangssituatie. Deze uitgangssituatie heet het nulalternatief en beschrijft de ontwikkeling in de warmtevoorziening tussen 2020 en 2050 wanneer er geen extra investeringen plaatsvinden om de warmtevoorziening te verduurzamen.

In dit nulalternatief neemt het gebruik van aardgas weliswaar af, maar blijft dit de belangrijkste brandstof om woningen van warmte te voorzien. Een deel van de huishoudens stapt over naar een warmtepomp. Hierdoor is in 2050 nog 75 procent van de

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

SAMENVATTING

iii

huishoudens afhankelijk van aardgas voor de warmtelevering. Het tempo van energiebesparing in het nulalternatief is 0,5 procent per jaar. Saldo van maatschappelijke kosten en baten Het doel van de MKBA is om te berekenen wat de projectalternatieven voor verduurzaming van de warmtevoorziening betekenen voor de welvaart. Voor elk van de alternatieven zijn daarom de kosten berekend voor de periode 2020-2050. Deze kosten bestaan uit de investeringskosten, de energiekosten, de kosten van energiebesparing en de emissiekosten. De baten van duurzame warmte bestaan uit de vermeden emissiekosten en de baten voor de arbeidsmarkt, omdat de investeringen in duurzame warmte zorgen voor meer werkgelegenheid. Alle kosten en baten zijn berekend als het verschil ten opzichte van het nulalternatief. De bedragen in de jaren 2020-2050 zijn contant gemaakt met behulp van de discontovoet en daarna opgeteld om het MKBA-saldo van maatschappelijke kosten en baten te berekenen. Figuur S.2

Projectalternatief 3A (groengas) heeft de beste verhouding tussen maatschappelijke kosten en baten (in € mrd).

Nul

1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

-€ 1,4

-€ 3,3 -€ 3,8

-€ 3,8

-€ 3,5 -€ 4,2

-€ 4,6

Bron: SEO Economisch Onderzoek

Figuur S.2 beschrijft het MKBA-saldo per projectalternatief. Geen van de projectalternatieven kent een positief saldo. Dit betekent dat de maatschappelijke kosten hoger zijn dan de maatschappelijke baten. De nadruk op groengas in projectalternatief 3A levert relatief de beste verhouding op tussen maatschappelijke kosten en baten met een MKBA-saldo van – € 1,4 mrd. De relatief duurste optie is projectalternatief 2B waarin wordt ingezet op lokale warmtenetten gevoed door lokale warmtebronnen. Dit alternatief kent een saldo van -€ 4,6 mrd. Bij de beoordeling van de resultaten moeten we rekening houden met enkele kosten en baten die door het ontbreken van gegevens niet zijn opgenomen in het MKBA-saldo. Dit betreft bijvoorbeeld de kosten van de versterking van het elektriciteitsnet op midden- en hoogspanningsniveau. Deze PM-post kan de kosten van de all-electric oplossing verhogen. Een mogelijk baat die een rol kan spelen is de verbetering van de voorzieningszekerheid als gevolg van diversificatie van de gebruikte warmtebronnen.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

iv

Emissies Het doel van de verduurzaming van de warmtevoorziening is reductie van broeikasgasemissies. Figuur S.3 laat zien dat de projectalternatieven meer dan 95 procent reductie van CO2-emissies bereiken in 2050. De emissiekosten van de projectalternatieven dalen hierdoor tevens sterk. In het nulalternatief lopen de emissiekosten juist op doordat circa 75 procent van de huishoudens aardgas blijft gebruiken. De vermeden emissiekosten wegen niet op tegen de investeringskosten waardoor het MKBA-saldo negatief is. Figuur S.3

De emissies van CO2 worden met meer dan 95 procent verminderd.

Bron: SEO Economisch Onderzoek

Eindverbruikerskosten De MKBA kijkt naar de maatschappelijke kosten en baten van de warmtetransitie. Op het niveau van de eindverbruiker kunnen de kosten anders zijn dan berekend in de MKBA doordat bepaalde kosten maatschappelijk gezien neutraal zijn en dus geen plek hebben in een MKBA. Om dus de eindverbruikerskosten te kunnen bepalen moet worden gekeken naar de kosten die uiteindelijk bij de eindverbruiker terechtkomen verhoogd met de belastingen en subsidies die in de MKBA niet zichtbaar zijn. Figuur S.4 vergelijkt de eindverbruikerskosten per huishouden in West-Brabant en Hart van Brabant voor de projectalternatieven met de eindverbruikerskosten in het nulalternatief (aardgas). In 2030 zijn de eindverbruikerskosten per jaar voor alle duurzame warmteopties relatief hoger. Dit is het gevolg van de investeringen die nodig zijn om de warmtevoorziening te verduurzamen. Het verschil loopt snel terug en in 2040 resteert nog maar een klein verschil van circa € 100 euro per jaar met het nulalternatief. In 2050 zijn de eindverbruikerskosten gelijk aan de aardgasvoorziening en hebben huishoudens in diverse projectalternatieven lagere verbruikerskosten dan met aardgas het geval zou zijn.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

SAMENVATTING

Figuur S.4

v

In 2050 zijn de eindverbruikerskosten voor duurzame warmte lager dan voor aardgas.

Bron: SEO Economisch Onderzoek.

Gevoeligheidsanalyse De MKBA is gebaseerd op kostengegevens uit diverse bronnen en berekeningen over het energieverbruik. De gevoeligheid van de resultaten voor de gebruikte gegevens is getoetst door te berekenen wat de gevolgen zijn van hogere of lagere kosten voor het MKBA-saldo. Ook is een bandbreedte voor de maatschappelijke waarde van CO2 getoetst en is berekend of de gehanteerde discontovoeten gevolgen hebben voor de uitkomsten. Sommige kosten hebben sterke gevolgen voor het MKBA-saldo. Bij 30 procent lagere kosten voor energiebesparing stijgt het MKBA-saldo voor groengas (projectalternatief 3A) van -1,4 €-mrd naar -0,5 €-mrd. De gevoeligheidsanalyse heeft beperkte gevolgen voor de rangorde van de projectalternatieven. In alle gevallen blijft 3A (groengas) het alternatief met de meest gunstige verhouding tussen baten en kosten en 2B is in alle gevallen het minst gunstige projectalternatief. Dit onderstreept de robuustheid van het MKBA-resultaat. Bij de overige ‘plekken’ in de rangorde vinden beperkte wisselingen plaats. Verschillen tussen de regio’s De MKBA kan worden uitgesplitst naar resultaten voor de twee regio’s afzonderlijk: West-Brabant en Hart van Brabant. De uitsplitsing laat zien dat de resultaten voor de beide regio’s in grote lijnen overeenkomen.

Zo is in beide regio’s projectalternatief 3A (groengas) de variant met het relatief beste saldo van kosten en baten. In beide regio’s zijn de lokale oplossingen in projectalternatief 2 relatief duur. Ook is te zien dat extra energiebesparing in 1C in beide regio’s per saldo voor hogere kosten zorgt, wanneer we deze variant vergelijken met 1B. Beantwoording onderzoeksvragen De hoofdconclusie van deze MKBA is dat het projectalternatief 3A (groengas) relatief de beste verhouding kent tussen de maatschappelijke baten en kosten met een saldo van -1,4 €-mrd. Bij dit resultaat moet de kanttekening worden geplaatst dat de volumes groengas die nodig zijn voor dit

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

vi

alternatief mogelijk groter zijn dan de productie van groengas die beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving. De hoogste netto kosten worden gemaakt in het alternatief dat inzet op lokale bronnen en lokale warmtenetten (2B). De MKBA laat zien dat de maatschappelijke baten van de verduurzaming van de warmtevoorziening in West-Brabant en Hart van Brabant aanzienlijk zijn, maar niet volledig opwegen tegen de maatschappelijke kosten. Het verschil is de maatschappelijke prijs voor de regio’s voor de realisatie van de klimaatdoelstellingen. Eindverbruikers zullen tijdelijk hogere lasten moeten dragen, maar zullen bij het slagen van de warmtetransitie uiteindelijk lagere lasten hebben. De vraag is wat op basis van deze MKBA geconcludeerd kan worden over de toekomst van het bestaande warmtenet, het Amernet. De MKBA laat zien dat warmtevoorziening via een regionaal warmtenet relatief gunstiger is dan de aanleg van lokale warmtenetten. De reden hiervoor ligt bij de mogelijkheid om via een regionaal net grootschalige warmtebronnen zoals hoge temperatuur geothermie en restwarmte te kunnen benutten. Voor de bronnenstrategie is van belang dat er geen grote verschillen zijn tussen de warmtebronnen die geschikt zijn voor aansluiting op een regionaal net.

Het alternatief met inzet hoge temperatuur geothermie en restwarmte (1B) kent ongeveer gelijke kosten als het alternatief dat inzet op biomassa (1A). Bij de beoordeling van de strategie voor de bronnen kan een rol spelen dat de emissies voor biomassa officieel niet meetellen in de emissiekosten. De daadwerkelijke emissies voor biomassa verhogen de relatieve emissiekosten voor dit alternatief. Bij de lokale warmtebronnen zijn de kostenverschillen groter dan de bronnen die invoeden op een regionaal net. LTA kent voor de lokale netten een relatief gunstig kostenprofiel net als toepassing van restwarmte op middenhoge en lage temperatuur. Bij de bronnenstrategie zou eerst moeten worden gekeken of verbinding van lokale netten met een regionaal net mogelijk is. Vervolgens zou de aanleg van lokale overwogen moeten worden. Waar aansluiting op een lokaal of regionaal net vanwege de afstand tot de warmtebron niet realistisch is verdient warmtelevering op basis van groengas de voorkeur. Pas wanneer het regionale productiepotentieel voor groengas onvoldoende blijkt zou toepassing van all-electric overwogen moeten worden. Energiebesparing is onlosmakelijk verbonden met de warmtetransitie. 50 procent reductie van de warmtevraag in 2050 ten opzichte van 1990 is een ambitieus doel met aanzienlijke kosten.

De MKBA heeft enkele varianten doorgerekend met een nog sneller tempo van energiebesparing. Deze extra energiebesparing brengt meerkosten met zich mee die niet opwegen tegen de daling van de energiekosten en de emissies die hierdoor mogelijk wordt. Hieraan kan de conclusie worden verbonden dat een hoger tempo van energiebesparing niet automatisch rendabel is in maatschappelijk opzicht. De regio’s zouden moeten streven naar een energiebesparingsdoel dat aansluit bij de bredere doelstelling van de warmtetransitie, maar redelijk kosten-efficiënt kan worden gerealiseerd. Voorbij dit optimum zullen de maatschappelijke kosten van energiebesparing sneller oplopen dan de maatschappelijke baten.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

Inhoud Samenvatting........................................................................................................................ i 1

Inleiding, vraagstelling en methodiek ....................................................................... 1

2

Warmtetransitie in de RES-regio’s ........................................................................... 7 2.1 De productie van warmte..................................................................................................... 7

3

4

5

2.2

De opslag van warmte ........................................................................................................10

2.3

Het transport van warmte ..................................................................................................11

2.4

Tijdhorizon en de warmtevraag ........................................................................................15

2.5

Nulalternatief........................................................................................................................17

2.6

Projectalternatieven .............................................................................................................18

Kosten ......................................................................................................................25 3.1 De productie van warmte...................................................................................................25 3.2

De opslag van warmte ........................................................................................................28

3.3

Het transport van energie ..................................................................................................29

3.4

Energiebesparing .................................................................................................................32

3.5

Kosten per projectalternatief .............................................................................................33

Baten ........................................................................................................................35 4.1 Baten van duurzame warmtelevering ...............................................................................35 4.2

Waarderingsgrondslag.........................................................................................................36

4.3

Berekening baten per projectalternatief ...........................................................................40

Resultaten en conclusies..........................................................................................43

Literatuur ........................................................................................................................... 61 Bijlage A

De warmte-infrastructuur ..............................................................................63

Bijlage B

De warmtebronnen per projectalternatief (West-Brabant)............................67

Bijlage C

De warmtebronnen per projectalternatief (Hart van Brabant)......................75

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

1

1 Inleiding, vraagstelling en methodiek Het Waterschap Brabantse Delta heeft SEO Economisch Onderzoek gevraagd om een maatschappelijke kostenbatenanalyse uit te voeren. Het doel van deze analyse is om verschillende toekomstscenario’s voor verduurzaming van de warmtelevering onderling te kunnen vergelijken op onder andere globale kosten, milieueffecten en sociale effecten. Maar wat zijn nou precies de regels van zo’n maatschappelijke kosten-batenanalyse? Aanleiding en doel Dit rapport bevat een maatschappelijke kosten-batenanalyse (hierna: MKBA) voor de RES-regio’s West-Brabant en Hart van Brabant. De MKBA moet inzichten bieden voor de uitwerking van de Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW moet invulling geven aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving in de regio. In 2050 zal de warmtelevering honderd procent duurzaam moeten zijn als bijdrage aan het klimaatbeleid. Er zijn diverse opties voor de RSW zoals de uitbouw van de bestaande warmte-infrastructuur of de aanleg van nieuwe grootschalige of stedelijke warmtenetten. De aanleg van warmtenetten vraagt investeringen en toegang tot een warmtebron. Afhankelijk van de locatie kunnen kleinschaliger warmte-opties maatschappelijk gezien betere opties vormen. Een MKBA kan helpen om de diverse opties te vergelijken en besluitvorming te informeren.

De regio’s willen de uitkomsten daarnaast gebruiken voor besluiten over: • De toekomststrategie voor het Amernet 1; • De kansen en voorwaarden voor een warmtenet in en om Moerdijk; • Het beoordelen van de kansen en voorwaarden van verschillende warmteoplossingen in verschillende doelen van de regio; • Het beoordelen van de bronnenstrategie als het gaat om aard, vermogen, tijdpad en geografische locatie. Vraagstelling De centrale vraagstelling voor dit onderzoek is: Beoordeel maatschappelijke kosten en baten van de warmteopties voor West-Brabant en Hart van Brabant bij de verduurzaming van de warmtelevering in de gebouwde omgeving en de glastuinbouw. Van belang voor de resultaten van de MKBA is welke opties beschikbaar zijn voor de warmtetransitie. De inventarisatie en nadere concretisering van deze opties zijn onderdeel van dit rapport. De deelvraag is daarom: Welke warmteoplossingen worden onderzocht in de MKBA?

1

Box 1.1 bevat een geografische weergave en beschrijving van het Amernet anno 2020.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

2 HOOFDSTUK 1

Box 1.1

Het Amernet

Het Amernet is een van de grootste stadsverwarmingsnetten van Nederland. Het is aangelegd in de jaren tachtig en wordt gevoed door warmte uit de Amercentrale in Geertruidenberg. Het levert warmte aan 46.000 huishoudens en 375 bedrijven in Breda, Tilburg, Oosterhout, Geertruidenberg, Drimmelen en Made. De omvang van de warmtelevering is 2.400.000 GJ warmte per jaar.

Bron:

Ennatuurlijk

Opzet van een MKBA Een MKBA is een instrument uit de toegepaste welvaartstheorie. Het doel van een MKBA is om te bepalen of overheidsbeleid gunstig is voor de samenleving of niet. Dit overheidsbeleid kan bestaan uit maatregelen zoals regelgeving of subsidies of uit realisatie van concrete investeringen. De MKBA berekent de maatschappelijke kosten en baten die samenhangen met zo’n investering. Wanneer de baten hoger zijn de kosten neemt de welvaart toe en zou de maatschappij voordeel kunnen hebben bij realisatie van de investering of het beleid. Een kenmerk van MKBA’s is dat de analyse integraal is. Dit houdt in dat alle effecten moeten worden meegenomen bij het beoordelen van het effect op maatschappelijke kosten en baten. Welvaart is in deze benadering geen eng afgebakend economisch begrip – alleen gericht op financiële parameters – maar een breed concept. Het omvat alle effecten – positief en negatief – die invloed hebben op het welzijn van mensen. Dit betreft dus ook zaken die geen direct financieel belang vertegenwoordigen zoals de kwaliteit van de leefomgeving. Het etiket ‘integrale analyse’ heeft nog meer gevolgen. Een investering zal directe effecten hebben zoals de kosten voor de betrokken partijen. Maar effecten van een investering kunnen ook worden ‘doorgegeven’ naar partijen die niet direct betrokken zijn bij de investering.

Een voorbeeld is de toeleverancier van een uitvoerende partij. Deze toeleverancier kan te maken krijgen met een hogere omzet als de uitvoerende partij met de realisatie van de investering aan de slag gaat. Op soortgelijke wijze kunnen afnemers verderop in de waardeketen de gevolgen ervaren van een investering als bijvoorbeeld de kwaliteit of prijs van geleverde producten en diensten veranderen. Dit zijn voorbeelden van indirecte effecten die worden gevoeld door actoren die niet direct bij de planning en

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

INLEIDING, VRAAGSTELLING EN METHODIEK

3

realisatie van de te onderzoeken investering betrokken zijn. Een MKBA omvat alle effecten en dus ook deze indirecte effecten. Een verbijzondering van indirecte effecten zijn de effecten die zich uitspreiden over de tijd. Een typisch patroon van vooral infrastructurele investeringen is dat de kosten vooruitlopen op de baten. Daarmee wordt bedoeld dat realisatie van de investering bijvoorbeeld vijf jaar in beslag neemt en dat de kosten ook in deze periode gemaakt worden. De baten van de investering zullen pas merkbaar zijn vanaf het moment dat het project klaar is en in gebruik genomen zal worden. Vervolgens zijn de baten van de investering waarschijnlijk nog een groot aantal jaren merkbaar voor de gebruikers van de vruchten van dit investeringsproject. Deze baten kunnen zich uitsmeren over tientallen jaren. In dit voorbeeld zijn de vruchtgebruikers in de tijd gezien andere personen dan diegenen die de kosten opbrengen. De Algemene Leidraad voor MKBA’s adviseert om effecten voor een periode van honderd jaar mee te nemen in de analyse (Romijn en Renes, 2013). Een kenmerk van een MKBA is dat de kosten en baten vergelijkbaar worden gemaakt zodat het mogelijk is een saldo te bepalen. Als de baten groter zijn dan de kosten heeft de maatschappij voordeel bij het project en zou het moeten worden uitgevoerd.

Als de baten kleiner zijn de kosten is de conclusie omgekeerd: maatschappelijk gezien is het beter de investering niet te doen. De MKBA biedt zo een beslisregel voor de beoordeling van investeringen en beleid. Om deze beoordeling te kunnen uitvoeren moeten kosten en baten vergelijkbaar zijn. De MKBA probeert dit te bereiken door zowel kosten als baten in euro’s uit te drukken. Hierdoor kan een saldo van kosten en baten bepaald worden. Het uitdrukken van kosten en baten in euro’s vraagt monetarisering van de effecten – positief en negatief – van de investering. Effecten worden bepaald in volumes of een andere kwantitatieve maatstaf. Dit effect wordt daarna vermenigvuldigd met een waarderingsgrondslag. Voor de meeste directe effecten is dit een marktprijs. Voor indirecte effecten is niet altijd een marktprijs beschikbaar omdat het product of de dienst niet verhandeld wordt op een markt. Denk hierbij aan het voorbeeld van milieueffecten, die bepalend zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege het niet beschikbaar zijn van een marktprijs, worden deze indirecte effecten ook wel externe effecten genoemd. Voor deze externe effecten wordt een waarderingsgrondslag gebruikt, die de maatschappelijke waarde aangeeft voor dit effect. De invulling van deze waarderingsgrondslag hangt af van de aard van het effect.

Soms wordt gekeken naar de schade die het effect toebrengt (schadekostenmethode), in andere gevallen is het meer opportuun de preventiekosten als uitgangspunt te nemen. In andere gevallen kan de betalingsbereidheid van burgers en bedrijven worden vastgesteld. Met behulp van dergelijke waarderingsgrondslagen kan ook voor externe effecten de kost of baat worden uitgedrukt in euro’s. Waar dat niet mogelijk is, moet de impact van het effect worden beschreven en in het overzicht van kosten en baten worden aangeduid met PM, eventueel voorzien van een + of – om de richting van het effect te duiden. Bij het uitdrukken van effecten in euro’s moet rekening worden gehouden met de tijdvoorkeur van mensen. Dit begrip geeft aan dat personen gelijke effecten verschillend waarderen als deze niet op hetzelfde tijdstip plaatsvinden. Effecten in de toekomst worden over het algemeen lager gewaardeerd. Dit geldt voor zowel kosten als baten. Dus hoe verder de baat van een investering in de toekomst ligt, hoe lager de waardering van deze baat in euro’s. Vanwege deze tijdvoorkeur worden kosten en baten in MKBA’s via een discontovoet uitgedrukt in euro’s van een basisjaar. Het resultaat is de contante waarde van de kosten en baten.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

4 HOOFDSTUK 1

Deze discontovoet is 3 procent voor standaardeffecten. De Werkgroep Discontovoet schrijft een discontovoet voor van 4,5 procent voor de kosten van “publieke fysieke investeringen met substantiële vaste kosten”. Dit zal in deze MKBA de kosten van de energie-infrastructuur betreffen. Door de hogere discontovoet wegen de kosten van infrastructurele investeringen relatief iets minder zwaar op het saldo van de MKBA. Voor de verdiscontering van natuur (geoperationaliseerd als bijvoorbeeld ecosysteemdiensten, biodiversiteit en landschap) geldt ook een uitzondering als de effecten niet-substitueerbaar zijn. Dan geldt een verlaagde discontovoet van 2 procent waardoor de toekomstige baten relatief iets zwaarder meetellen in het saldo van de MKBA. Een MKBA vergelijkt altijd twee situaties: de situatie waarin de investering plaatsvindt en de situatie die ontstaat wanneer de investering niet plaatsvindt. Deze laatste situatie is het nulalternatief, die de referentie vormt voor de beoordeling van de investering of het beleid. Dit nulalternatief betekent niet dat er niks gebeurt. In het nulalternatief wordt de huidige situatie met ongewijzigd beleid voortgezet. Een overheid heeft meestal meerdere alternatieve bestedingsmogelijkheden of verschillende beleidsopties. Het nulalternatief is de meest waarschijnlijke ontwikkeling die zich zal voordoen zonder nieuw beleid of zonder de investering.

Effecten worden bepaald door de ontwikkeling die zich voordoet met het nieuwe beleid of als gevolg van de investering te vergelijken met het nulalternatief. Dit maakt inzichtelijk welke effecten kunnen worden toegeschreven aan dit nieuwe beleid of deze investering. Opzet van deze MKBA Het projectalternatief voor deze MKBA bestaat uit de verduurzaming van de warmtevoorziening in West-Brabant en Hart van Brabant. Het gaat hierbij om de bestaande bebouwing. Nieuwbouw zal conform de huidige regelgeving al grotendeels energieneutraal worden opgeleverd. De investeringen die worden beoordeeld hebben als doel in 2050 de warmtevoorziening in deze regio’s honderd procent te verduurzamen. Dit doel gaat gepaard met reductie van de warmtevraag, die in 2030 twintig procent besparing inhoudt ten opzichte van 1990 en in 2050 vijftig procent besparing ten opzichte van 1990. De concrete invulling van de investeringen in het projectalternatief wordt in het volgende hoofdstuk besproken. Het nulalternatief bestaat uit de situatie waarin de investeringen gericht op honderd procent verduurzaming van de warmtevoorziening niet worden uitgevoerd. Dit betekent niet dat er geen verduurzaming plaatsvindt. Ook thans neemt de warmtevraag af door energiebesparing en stappen huishoudens over van een HR-ketel naar een warmtepomp.

De ontwikkelingen richting duurzame warmte die plaatsvinden als gevolg van vaststaand beleid zijn onderdeel van het nulalternatief. Ook de concrete invulling van het nulalternatief wordt in het volgende hoofdstuk besproken. Het aanleggen van een warmtenet in bestaande bouw of een keuze voor andere vormen van verduurzaming van de warmtevoorziening van gebouwen kan diverse effecten hebben. Deze MKBA onderscheidt de volgende effecten: Bij de kosten: • Eenmalige investeringskosten bijvoorbeeld de aanleg van warmteleidingen of installaties voor de productie van warmte; • Herinvesteringen in apparatuur die voor het eind van de zichtperiode vervangen moet worden. Hierbij is de herinvesteringstermijn van belang en de frequentie waarmee geherinvesteerd moet worden;

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

INLEIDING, VRAAGSTELLING EN METHODIEK

5

Exploitatiekosten (Operation and maintenance, O&M); • Kosten gasverbruik hulpwarmteketels en elektriciteitsverbruik van pompen in het warmtenet. •

Bij de baten: • Vermeden investeringen in verwarmingsketels; • Uitgespaarde kosten verbruik aardgas; • Uitgespaarde kosten onderhoud aardgasnet; • Klimaatbaten (CO2-reductie); • Reductie overige emissies (NOX, SO2 en fijnstof); • Sociaaleconomische baten waaronder werkgelegenheid. De kosten en baten worden in beeld gebracht door de vergelijking tussen het nulalternatief en de projectalternatieven. De baten die bestaan uit vermeden kosten bestaan dus uit kosten die gemaakt worden in het nulalternatief, maar die in de projectalternatieven verdwijnen. Deze MKBA berekent alle directe, indirecte en externe effecten in zowel nul- als projectalternatieven. De vergelijking maakt vervolgens duidelijk wat de omvang is van de extra kosten en welke vermeden kosten als een baat kunnen worden toegerekend aan de projectalternatieven. Dit geldt ook voor de andere baten. We berekenen de omvang van de emissies in het nulalternatief en vergelijken deze met de emissies in de projectalternatieven. Het verschil wordt toegerekend als baat aan de projectalternatieven. Deze MKBA hanteert als tijdhorizon de periode 2020 tot en met 2050. Deze tijdhorizon komt redelijk overeen met de economische levensduur van de activa die centraal staan in de warmtevoorziening. Een langere tijdhorizon is voor het doel van deze MKBA niet zinvol.

De effecten na 2050 hebben door toepassing van de discontovoet nauwelijks effect op het saldo van kosten en baten. Bovendien vraagt berekening van de effecten na 2050 lastige keuzes als het gaat om de frequentie en omvang van vervangingsinvesteringen. Een tijdhorizon van 25 tot 30 jaar is niet ongebruikelijk in MKBA’s op het terrein van de energievoorziening. De te hanteren discontovoet voor deze MKBA’s is overeenkomstig de Algemene Leidraad MKBA’s en het advies van de Werkgroep Discontovoet (Romijn en Renes, 2013). Dit betekent dat effecten standaard worden verdisconteerd tegen een rentevoet van 3 procent. Voor de kosten van infrastructurele investeringen geldt een discontovoet van 4,5 procent. De niet-substitueerbare effecten op natuur worden verdisconteerd met een rentevoet van 2 procent. Leeswijzer De opzet van dit rapport is als volgt. Hoofdstuk 2 bespreekt de warmtetransitie in West-Brabant en Hart van Brabant. Hierbij komen de opties voor de verduurzaming van de warmtelevering aan bod en de invulling van de projectalternatieven. Tevens komt de invulling van het nulalternatief aan bod. Hoofdstuk 3 werkt de baten uit die verwacht kunnen worden van uitvoering van de warmteopties. Hoofdstuk 4 zet hier de kosten tegenover. Hoofdstuk 5 bespreekt het saldo van maatschappelijke kosten en baten, voert de gevoeligheidsanalyse uit en trekt conclusies.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

2

7

Warmtetransitie in de RES-regio’s

Welke warmtebronnen worden in overweging genomen door de RES-regio’s? En hoe komt het aanbod bij de vraag? In dit hoofdstuk worden de projectalternatieven en het nulalternatief van deze MKBA geconcretiseerd. De RES-regio’s West-Brabant en Hart van Brabant zijn bezig om de warmtelevering aan gebouwen en tuinbouw te verduurzamen. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de productie, de opslag, het transport en het gebruik van warmte. Maar welke warmtebronnen worden door de RES-regio’s in overweging genomen? En wat dient er te gebeuren met de bestaande warmtenetten? De uitvoering van de doelstelling voor een duurzame warmtevoorziening in West-Brabant en Hart van Brabant is vormgegeven in vier projectalternatieven. Ieder projectalternatief formuleert op een samenhangende wijze de investeringen die nodig zijn voor de volledige verduurzaming van de warmtevoorziening in de RES-regio’s in (uiterlijk) 2050. Ieder projectalternatief wordt afgezet tegen het nulalternatief. Het nulalternatief trekt de huidige situatie (dus zonder nieuwe investeringsplannen) en het beleid door naar het jaar 2050. Het hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Paragraaf 2.1 bevat een overzicht van alle warmtebronnen. In Paragraaf 2.2 en 2.3 zijn de opslag en het transport van warmte belicht. Paragraaf 2.4 bevat de vraag van de gebruiker naar warmte per RES-regio.

De laatste twee paragrafen van dit hoofdstuk bevatten de invulling van de projectalternatieven en het nulalternatief.

2.1

De productie van warmte

Een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie is de productie van warmte. Waar vooralsnog voor de productie van warmte voornamelijk gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen (zoals aardgas) zal het aandeel van duurzame warmtebronnen fors moeten gaan stijgen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Maar welke warmtebronnen zijn door de RES-regio’s in overweging genomen? In samenspraak met de begeleidingscommissie van dit onderzoek is een aantal duurzame warmtebronnen geselecteerd (zie Figuur 2.1). Hieronder zijn de werking, de stand van de techniek en de schaal waarop deze warmtebronnen inzetbaar zijn bondig toegelicht. Figuur 2.1

1. Zonthermie

Noot: Bron:

In dit onderzoek zijn vijf verschillende soorten duurzame warmtebronnen onderzocht.

2. Geothermie

3. Aquathermie

4. Biomassa & groengas

5. Restwarmte

Een aanvullende warmtebron is luchtwarmte. Luchtwarmte is in dit onderzoek niet meegenomen als warmtebron, maar als techniek die kan worden benut bij inzet van warmtepompen en hybride ketels. SEO Economisch Onderzoek (2020)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

8 HOOFDSTUK 2

Bepaalde bronnen zijn bewust niet meegenomen in het onderzoek. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de levering van waterstof via het gasnet. De begeleidingscommissie van het onderzoek geeft daarbij aan dat zij verwacht dat waterstof vooral een grondstof voor industrie in de regio zal zijn, en mogelijk als brandstof voor vervoer, maar niet direct voor verwarming van de gebouwde omgeving. 1. Zonthermie Met behulp van zonnecollectoren kan de warmte van de zon lokaal worden benut om woningen te voorzien van warmte. Het proces op grootschalig niveau werkt als volgt. Allereerst wordt de warmte van de collectoren gebruikt om water in een ondergrondse opslag (WKO) te verwarmen. Vervolgens wordt deze warmte indien nodig opgewaardeerd met behulp van een warmtepomp en via een leidingsysteem getransporteerd naar de aangesloten woningen. Het water circuleert tussen de ondergrondse opslag en de woningen. Er is volgens het Expertisecentrum Warmte (ECW) in Nederland beperkt ervaring met grootschalige zonthermie. Dit belemmert een potentiële snelle implementatie. Wel geeft de Contourennotitie RES West-Brabant aan dat er momenteel al hard gewerkt wordt aan projecten op basis van zonthermie in Breda, Zundert en Sleeuwijk. In deze MKBA gaan we er (onder andere) daarom vanuit dat er in 2025 gestart wordt met het inzetten van grootschalige zonthermie.

Van 2020 tot en met 2025 zullen gemeenten en provincies zich moeten inspannen om alle vergunningen voor de projecten en infrastructuur te verlenen, zodat deze projecten vanaf 2030 operationeel zijn. Ook op individuele schaal kan de warmte van de zon worden benut om woningen te voorzien van warmte. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een zonneboiler op het dak van huizen. Waar het dakoppervlakte onvoldoende is, is een combinatie met bijvoorbeeld groengas-cv noodzakelijk. Dit geldt ook voor het ontbreken van opslag om pieken en dalen in de warmteproductie op te vangen. Volgens het ECW is er in Nederland zeer veel ervaring met zonthermie op individuele schaal. Ook kost het minder tijd om vergunningen te verlenen en zijn er geen grote aanpassingen aan de infrastructuur nodig. Dit zorgt ervoor dat implementatie op korte termijn mogelijk is. 2. Geothermie Geothermie is warmte uit de ondergrond voor de verwarming van huizen, kassen en de industrie. Het van nature aanwezige warme water wordt uit de ondergrond opgepompt. De temperatuur van dit water loopt op met de diepte: hoe dieper hoe warmer. In een warmtecentrale wordt de warmte uit het water gehaald. Het afgekoelde water stroomt terug naar dezelfde aardlaag waarna het op natuurlijke wijze weer opwarmt. De gewonnen warmte kan worden gebruikt om kassen, gebouwen en industrie te verwarmen.

In dit onderzoek is geothermie zowel op regionale als op lokale schaal inzetbaar. Wel is er in beide RES-regio’s onvoldoende zicht op het potentieel van geothermie. Er is dus nog veel onzekerheid of en op wat voor termijn geothermie in de regio’s kan worden ingezet. Een van de vier projectalternatieven gaat ervan uit dat er in de toekomst op grote schaal gebruikgemaakt gaat worden van geothermie. In deze MKBA gaan wij ervan uit dat geothermie pas vanaf 2030 een belangrijke warmtebron kan worden. 2 Wij gaan er daarbij vanuit dat deze projecten vanaf 2035 operationeel zijn en duurzame energie leveren. 2

Hiermee sluiten we aan bij de conceptversie RES West-Brabant Contourennotitie (2020).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

WARMTETRANSITIE IN DE RES-REGIO’S

9

3. Aquathermie Aquathermie is het verwarmen van woningen en industrie door het gebruik van warmte uit oppervlaktewater (TEO) of afvalwater (TEA). 3 De warmte uit het water wordt als dat nodig is opgeslagen en opgewaardeerd met een warmtepomp. Dat kan centraal met een collectieve warmtepomp, of met een warmtepomp per gebouw. Net als bij zon- en geothermie is er voor aquathermie een warmtenet nodig dat het warme water naar de gebouwen brengt. Volgens het ECW moet de techniek rijp worden gemaakt voor opschaling. Zo zijn er nog weinig projecten die bestaande woningen via een warmtenet van warmte voorzien. Uit een overzicht van gerealiseerde voorbeeldprojecten blijkt dat het vergunningstraject als omvangrijk (6 tot 9 maanden) wordt ervaren en dat de terugverdientijd daarvan sterk varieert (van 5 tot en met meer dan 30 jaar). Vooralsnog dienen de zuiveringstechnieken verder verfijnd te worden. In deze MKBA kan er zodoende pas vanaf 2025 worden gestart met het opzetten van installaties. Van 2020 tot en met 2025 zullen gemeenten en provincies zich moeten inspannen om alle vergunningen voor de projecten en infrastructuur te verlenen, zodat deze projecten vanaf 2030 operationeel zijn. Op basis van het warmtebronnenregister Noord-Brabant zijn de verhoudingen tussen TEO en TEA op gemeenteniveau bepaald.

Uit deze analyse blijkt dat gemiddeld genomen 98 procent van de warmteopwekking aan TEO kan worden toegeschreven, en 2 procent aan TEA. Wel verschilt het aandeel sterk tussen de gemeenten. Zo is het potentieel van TEA in bijvoorbeeld de gemeenten Bergen op Zoom, Rucphen, Woensdrecht, Gilze en Rijen, Loon op Zand en Tilburg boven de tien procent. 4. Biomassa en groengas Door biomassa te verbranden of te vergisten kan warmte voor huishoudens worden opgewekt. Daarbij is er altijd biologisch ‘afval’ nodig wat (lokaal) beschikbaar moet zijn. Met een breed scala aan technieken (van mestverbranding, tot vergassing) kan de warmte gewonnen worden. Net als bij de vorige warmtebronnen gaat de distributie via een lokaal of regionaal warmtenet. Box 2.1

De RES-regio’s Brabant beschouwen 9 stromen biomassa voor energieopwekking.

De RES-regio’s in Noord-Brabant beschouwen de volgende stromen voor vergisting: a. Reststromen uit de (glas)tuinbouw en akkerbouw; b. Diverse soorten mest (varkens, rundvee en pluimvee); c. Natuur- en bermgras/maaisel; d. Vergistbare reststromen uit de voedings-en genotsmiddelenindustrie (VGI); en e. GFT, tuinafval en RWZI-slib van huishoudens. De RES-regio’s in Noord-Brabant beschouwen de volgende stromen voor verbranding: f. Snoeihout tuinbouw (van bijvoorbeeld appel- en perenbomen); g. Snoeihout natuurbeheer, gemeenten en overige beheerders; h. Reststromen van de houtverwerkende industrie; i. A/B-hout, C-hout en tuinafval van huishoudens. Bron:

Concept: verkenning potentieel bio-energie RES-en Brabant

3

Ook andere vormen van aquathermie zoals warmte uit drinkwater (TED) zijn mogelijk. Deze vorm van warmteopwekking is in deze MKBA niet meegenomen. Ook de Stimuleringsregeling Duurzame Energietransitie (SDE++) maakt geen melding van TED.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

10 HOOFDSTUK 2

Volgens de verkenning potentieel bio-energie RES-en Brabant is het potentieel van vergisting en verbranding in de RES-regio West-Brabant en Hart van Brabant groot. In totaal kan biomassa ruim 60.000 woningen (19 procent) in regio West-Brabant en 32.000 huishoudens (16 procent) in regio Hart van Brabant voorzien van warmte. Daarnaast benadrukt de studie dat het maatschappelijk draagvlak voor verbranding van biomassa laag is omdat het emissies zoals fijn- en stikstof oplevert. Warmteopwekking uit biomassa is in deze studie alleen mogelijk op lokaal en regionaal niveau. Biomassa wordt al op grote schaal gebruikt (Concept-Contourennotitie RES West-Brabant, 2020). Opschaling is zodoende meer afhankelijk van de capaciteit en omvang van het warmtenet en het beschikken over voldoende biologische grondstoffen. In deze MKBA gaan we er daarom vanuit dat er in 2025 gestart wordt met het opschalen van biomassa. Van 2020 tot en met 2025 zullen gemeenten en provincies zich moeten inspannen om alle vergunningen voor de projecten en infrastructuur te verlenen, zodat deze projecten vanaf 2030 operationeel zijn. 5. Restwarmte industrie en restwarmte waterstofproductie Restwarmte is de warmte die vrijkomt bij een productieproces. Met behulp van een warmtenet kan deze warmte worden ingezet om aangesloten woningen, glastuinbouw en industrie te verwarmen.

Daarbij zijn er bronnen nodig, die voor een langere periode voldoende warmte kunnen aanleveren. Volgens het ECW is restwarmte met name geschikt voor de levering van de basislast en maatwerk. Restwarmte wordt al op grote schaal gebruikt (Concept-Contourennotitie RES West-Brabant, 2020). Opschaling is zodoende meer afhankelijk van de capaciteit en omvang van het warmtenet en het beschikken over voldoende warmtebronnen. In deze MKBA gaan we er daarom vanuit dat er in 2025 gestart wordt met het opschalen van restwarmte en waterstof. Van 2020 tot en met 2025 zullen gemeenten en provincies zich moeten inspannen om alle vergunningen voor de projecten en infrastructuur te verlenen, zodat deze projecten vanaf 2030 operationeel zijn.

2.2

De opslag van warmte

Een belangrijke schakel in de transitie naar een duurzaam warmtesysteem is de opslag van warmte. 4 Door het overschot aan duurzaam opgewekte warmte op te slaan en in te zetten in tijden van schaarste, wordt duurzame warmte optimaal gebruikt. De mogelijkheid tot seizoensopslag zorgt ervoor dat we een teveel aan energie kunnen opslaan voor later gebruik wanneer er een hoge vraag is. Warmte kan op vier verschillende manieren in woningen (kleinschalig) worden opgeslagen. • Warmteopslag in water; • Warmteopslag in fase overgangsmaterialen (PCM); • Warmteopslag in thermochemische materialen (TCM) 5; en • Warmteopslag door redox principes (CLC).

4

5

In dit onderzoek wordt gesproken over de opslag en het transport (paragraaf 2.2, 2.3, 3.2 & 3.3) van warmte. Hierbij is door de begeleidingscommissie opgemerkt dat de term warmte misschien beter vervangen kan worden door energie. Dit omdat het in de praktijk voorkomt dat de energie pas na de opslag of het transport wordt omgezet in warmte. Onder deze categorie valt ook de warmtebatterij op basis van zout, kaliumcarbonaat (K2CO3)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

WARMTETRANSITIE IN DE RES-REGIO’S

11

Daarnaast kan warmte ook grootschalig in (ondergrondse) waterreservoirs worden opgeslagen, en volgens TNO zal het ook mogelijk zijn om warmte op grote schaal in zoutbatterijen op te slaan. Het opslaan van warmte heeft drie voordelen: • Warmteopslag op korte termijn biedt een oplossing voor de warmtevraag die fluctueert tussen nacht/dag en dagen. Hierdoor heeft het een dempende werking op fluctuaties in het warmtenet; • Warmteopslag op lange termijn biedt een oplossing voor de warmtevraag die fluctueert tussen bijvoorbeeld seizoenen. In de winter is er meer vraag naar warmte dan in de zomer; • Warmteopslag zorgt ervoor dat er geen grootschalige en kostbare netwerkverzwaring nodig is. Er zijn ook nadelen aan warmteopslag. Zo is er nog geen methode gevonden die vrijwel geen warmte verliest, en kost het implementeren van de warmteopslag geld. Wel zijn veel partijen bezig met het verder ontwikkelen van oplossingen. De kosten zijn in hoofdstuk 3 geconcretiseerd.

2.3

Het transport van warmte

Het doel van een warmtenet is om een warmtebron te verbinden met een gebruiker van warmte. Een warmtenet is een netwerk van leidingen onder de grond, waardoor warm water stroomt. Dit warme water kan gebruikt worden om bijvoorbeeld gebouwen of glastuinbouw te verwarmen. Daardoor is er minder vraag naar fossiele brandstoffen zoals aardgas voor warmte. Zodoende zijn warmtenetten een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie. Deze studie maakt onderscheid tussen drie verschillende schalen van warmtetransport: 4. Het regionale warmtenet maakt het mogelijk om warmte tussen meerdere gemeenten uit te wisselen. Het gaat altijd om een collectieve oplossing waarbij warmte via een regionaal transportnet tussen gemeenten getransporteerd wordt, zoals het Amernet in de huidige situatie. Het voordeel van een regionaal net is dat een eventueel overschot van warmte van een gemeente niet verloren gaat maar een andere gemeente van aanbod kan voorzien; 5. Een lokaal warmtenet maakt het mogelijk om warmte binnen een gemeente uit te wisselen. Net als het regionale net gaat het altijd om een collectieve oplossing. Alle warmteoplossingen van straatniveau tot en met maximaal de schaal van een gemeente vallen onder deze categorie. Blokverwarming valt in deze categorie voor zover het een collectieve oplossing voor meerdere gebouwen betreft; 6.

Ten slotte bestaan er individuele oplossingen waarbij geen gebruikgemaakt wordt van infrastructuur voor distributie of transport van warmte. Dit zijn alle warmteoplossingen op de schaal van één enkel gebouw of woning. Hierbij kan worden gedacht aan deels eigen opgewekte energie uit de lucht, bodem of zon aangevuld met energie uit bestaande netten voor elektriciteit of (groen)gas. Blokverwarming valt in deze categorie voor zover het een collectieve oplossing voor één gebouw betreft. In deze studie worden vier projectalternatieven vergeleken met een nulalternatief. Ieder alternatief specificeert de aandelen warmte dat via een regionaal of lokaal warmtenet wordt getransporteerd. Het restant is toegeschreven aan de individuele oplossingen. Deze specificaties vinden plaats op het niveau van de gemeentes in de twee RES-regio’s. Het aandeel regionaal, lokaal en individueel verschilt per gemeente. Dit hangt af van de nabijheid van lokale en regionale warmtebronnen, de woningdichtheid en ruimtelijke inpassing van lokale en regionale netten. Waar een collectieve

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

12 HOOFDSTUK 2

warmtevoorziening via een lokaal of regionaal net niet haalbaar is, zal het aandeel individuele oplossingen hoger zijn. Bijlage A bevat de aandelen op gemeenteniveau onder de projectalternatieven. Voor vier van de in totaal zeven projectalternatieven is het nodig om het bestaande warmtenet uit te breiden. 6 Op de volgende twee pagina’s zijn deze uitbreidingen met behulp van een routekaart weergegeven. Daarbij is rekening gehouden met de bestaande warmte-infrastructuur en de kortste route naar de aan te sluiten gemeenten. Indien er gekozen wordt om het regionale net verder uit te breiden is het nodig dat er 88,4 kilometer additioneel warmtenet wordt aangelegd (zie Figuur 2.2). 7 Indien er met name lokale netten zullen worden ingezet is er 26 kilometer additioneel warmtenet nodig (zie Figuur 2.3). 8 De kosten voor de aanleg van dit additionele warmtenet zijn in hoofdstuk 4 toegelicht.

6 7

8

Dit betreft varianten 1A, 1B, 1C en 2A. Waarvan 21 kilometer voor het warmtenet tussen de Amercentrale en Moerdijk, 31 kilometer voor het warmtenet tussen Moederdijk en Bergen op Zoom, 6,2 kilometer tussen Bergen op Zoom en Steenbergen, 8,4 kilometer tussen Oud Gastel en Dinteloord, 6,0 kilometer bij Dongen en 15,8 kilometer voor het warmtenet tussen Capelle en Vlijmen. Waarvan 21 kilometer voor het warmtenet tussen de Amercentrale en Breda en 5 kilometer tussen Moerdijk en onderliggend tuinbouwgebied.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

WARMTETRANSITIE IN DE RES-REGIO’S

Figuur 2.2

13

De uitbreiding van het regionale warmtenet onder het eerste projectalternatief (een regionaal warmtenet). Warmtebron

(Moerdijk, Amercentrale, Suez, Sabic)

Uitbreiding warmtenet Bestaand warmtenet

A

M

Glastuinbouw Waalwijk

Su

Breda Tilburg Roosendaal

Sa Bergen op Zoom

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2020)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

14

HOOFDSTUK 2

Figuur 2.3

De uitbreiding van het regionale warmtenet onder het tweede projectalternatief. Warmtebron

(Moerdijk, Amercentrale, Suez, Sabic)

Uitbreiding warmtenet Bestaand warmtenet

A

M

Glastuinbouw Waalwijk

Su

Breda Tilburg Roosendaal

Sa Bergen op Zoom

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2020)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

2.4

15

Tijdhorizon en de warmtevraag

Conform de klimaatakkoordafspraken gaat deze MKBA uit van een warmtevraagbesparing van twintig procent in 2030 (t.o.v. 1990) en van vijftig procent in 2050 (t.o.v. 1990). Voor het warmtegebruik van de RES-regio’s West-Brabant en Hart van Brabant beschikt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over de cijfers van 2010 tot en met 2018 (Klimaatmonitor, 2020). Omdat deze MKBA zich beperkt tot het warmtegebruik in de gebouwde omgeving, valt slechts een gedeelte van het totale warmtegebruik in de RES-regio’s onder de scope van dit onderzoek. Om ook iets te zeggen over de periode vóór 2010 is gekeken naar de warmtevraag in Nederland. Gegevens hierover zijn beschikbaar vanaf 1975 uit de energiebalans via CBS Statline. Voor de periode tot en met 2050 is ervan uitgegaan dat onder de beleidsopties de doelstellingen van een twintig procent warmtebesparing in 2030 t.o.v. 1990 en van vijftig procent in 2050 worden gehaald. Voor het nulalternatief (de situatie waarin er geen extra beleid gevoerd gaat worden voor verduurzaming van de warmtevoorziening) is uitgegaan van een jaarlijks gemiddelde afname van het warmtegebruik van 0,5 procent. Figuur 2.4

Het nul- en beleidsalternatief (stippellijnen) op basis van gegevens over de RES-regio’s (2010 t/m 2018, vaste rode lijn) en Nederland (vanaf 1975, gestreepte rode lijn).

50 40 30 20 obv historische data Nederland

10 prognose o.b.v. doelstellingen

0

Noot:

Bron:

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

2045

Warmtevraag Hart van Brabant en West-Brabant

Beleidsalternatief (o.b.v. doelstellingen 2030/2050

20%/50% besparing in 2030/2050 t.o.v. 1990

Nulalternatief (0,5% besparing per jaar)

2050

Gegevens zoals op 17 juni 2020 gepubliceerd op https://klimaatmonitor.databank.nl/Jive. Deze monitor heeft het totaal bekend warmtegebruik in de periode 2010 tot en met 2017 gepubliceerd. Daarbij zijn de gemeenten uit de RES-regio’s geselecteerd. Het gepubliceerde overzicht is niet volledig. Daar waar gegevens ontbraken zijn deze gegevens geïnterpoleerd. De weergegeven data voor de RES-regio’s zijn de totalen van twee gepubliceerde cijferreeksen, het gasgebruik in de gebouwde omgeving en het gebruik van stadswarmte. Beide zijn naar dezelfde eenheid omgerekend (TJ). De Klimaatmonitor (Rijkswaterstaat, 2020) en CBS (2020), bewerking door SEO Economisch Onderzoek (2020)

Voor drie beleidsopties (verderop in dit hoofdstuk besproken) is gerekend met een extra energiebesparing bovenop de beleidsdoelstellingen. Deze beleidsopties gaan uit van een besparing van 60 procent in 2050 ten opzichte van 1990, in plaats van de 50 procent die in de klimaatdoelstellingen is geformuleerd. Figuur 2.5 laat dit zien.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

16

HOOFDSTUK 2

Figuur 2.5

In enkele beleidsopties is gerekend met hoger tempo van energiebesparing.

50 40 30 20 10 0

2000

Bron:

2005

2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

2045

2050

Warmtevraag Hart van Brabant en West-Brabant

Beleidsalternatief (o.b.v. doelstellingen 2030/2050)

Beleidsalternatief met extra energiebesparing (1C,3A, 3B)

Nulalternatief (0,5% besparing per jaar)

De Klimaatmonitor (Rijkswaterstaat, 2020) en CBS (2020), bewerking door SEO Economisch Onderzoek (2020)

Warmtevraag glastuinbouwgebieden In de RES-regio’s West-Brabant en Hart van Brabant speelt de glastuinbouw een belangrijke rol. Deze sector verbruikt relatief veel aardgas om warmte en elektriciteit op te wekken. In samenspraak met de begeleidingscommissie is daarom besloten om de zes grootste glastuinbouwgebieden in dit onderzoek te betrekken (zie Tabel 2.1). In deze zes gebieden zijn 115 bedrijven gevestigd die zich bezig houden met teelt onder glas (CBS, 2016). Gezamenlijk zijn zij goed voor zo’n 474 hectare glas. Om de warmtevraag per glastuinbouwgebied te berekenen is uitgegaan van een gemiddeld aardgasgebruik van 23 m3 per vierkante meter (WUR, 2018). Tabel 2.1

In totaal is er 474 hectare glastuinbouw in de twee RES-regio’s.

Glastuinbouwgebied

Oppervlakte glastuinbouw (ha) Aantal glastuinbouwbedrijven

Aardgasverbruik (m3)

Moerdijk

31,9

7

7.337.000

Steenbergen

164,8

12

37.904.000

Roosendaal

52

24

11.960.000

Drimmelen

113,5

32

26.105.000

Dongen

40,9

16

9.407.000

Heusden

70,9

24

16.307.000

Noot:

Noot: Bron:

Naast bovenstaande zes gebieden is er ook nog glastuinbouw in de andere gemeenten. Zo zijn er in de gemeente Bergen op Zoom 11 bedrijven (24,3 ha), in Breda 36 bedrijven (83,8 ha), in Etten-Leur 24 bedrijven (66,5 ha), in Halderberge 22 bedrijven (23,0 ha), in Oosterhout 14 bedrijven (24,1 ha), in Rucphen 22 bedrijven (13,8 ha), in Zundert (73 bedrijven (84,3 ha), in Gilze en Rijen 6 bedrijven (7,9 ha), in Haaren 15 bedrijven (16,8 ha), in Hilvarenbeek 6 bedrijven (3,7 ha), in Loon op Zand 5 bedrijven (15,2 ha), en in Waalwijk 6 bedrijven (8,7 ha). In lijn met de regionale structuur warmte zijn alleen de zes in de tabel weergegeven glastuinbouwgebieden meegenomen in dit onderzoek. Bij het berekenen van het aardgasgebruik gaan wij uit van een aardgasgebruik van 23 m3 per vierkante meter (7,28 TJ/ha) (WUR, 2018). De Commissie geeft hierbij aan dat zij een range van 6,0 to 7,5 TJ/ha hanteren. Omdat de glastuinbouw relatief nieuw is zal bovenstaande schatting aan de bovengrens zitten. Berekening SEO Economisch Onderzoek o.b.v. CBS Statline en Wageningen University Research

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

WARMTETRANSITIE IN DE RES-REGIO’S

2.5

17

Nulalternatief

Een MKBA berekent de maatschappelijke effecten van investeringen en vergelijkt deze met het nulalternatief, het meest waarschijnlijke alternatief voor de investering. Het nulalternatief vertrekt vanuit de huidige situatie, dus met de bestaande netten voor warmte, elektriciteit en gas en de bestaande bronnen. De veranderingen in de energie infrastructuur die thans zijn gepland zijn onderdeel van het nulalternatief. Dus verduurzaming gebaseerd op een al geaccordeerd investeringsbesluit vindt plaats in het nulalternatief. Dit geldt ook voor het beleid. Zo zal de Amercentrale vanaf 2024 geen kolen meer verstoken, maar honderd procent draaien op biomassa. 9 Het Amernet blijft in het nulalternatief bestaan in zijn huidige omvang. Alleen uitbreidingen waarvoor thans al een investeringsbesluit is genomen tellen mee in het nulalternatief. Dit geldt ook voor de lokale netten in Terheijden, Roosendaal en Bergen op Zoom en voor andere plannen die onderdeel zijn van de gemeenten en provincies. Er zijn lokaal en regionaal ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen afgesproken. Voor het nulalternatief is van belang of als gevolg van dit beleid investeringsbesluiten zijn genomen, die leiden tot verduurzaming van de warmtevoorziening in West-Brabant en Hart van Brabant.

Alleen in dit laatste geval nemen we bestaande gemeentelijke en provinciale plannen op als onderdeel van het nulalternatief. Het nulalternatief trekt de verwachte situatie zonder de investeringsplannen die onderdeel zijn van de projectalternatieven door naar het jaar 2050. Wij kijken daarvoor dus onder meer naar de ontwikkeling van de warmtevraag zoals die zich thans ontwikkelt, mede onder invloed van bestaand beleid. Hierin zit al een autonome trend qua energiebesparing, die we doortrekken naar 2050. Figuur 2.4 beschrijft deze trend die resulteert in een autonoom tempo van besparing op de warmtevraag van 0,5 procent per jaar. In 2050 resulteert een warmtevraag van 6,3 TWh (zie Tabel 2.3). Aan de kant van de opwekking van warmte houden we ook rekening met de huidige situatie en de autonome trend. De Klimaat- en Energieverkenning 2019 berekent de bijdrage van aardgas aan de warmtevoorziening. In 2017 was het finaal energieverbruik voor warmte voor 76 procent afhankelijk van aardgas (PBL 2019, p. 99). Dit aandeel daalt naar 68 procent in de raming van voorgenomen beleid voor 2030. Bijna de helft van het finaal energieverbruik voor warmte wordt gebruikt in de gebouwde omgeving (woningen en diensten), 40 procent in de nijverheid en 10 procent in de landbouw. Volgens het PBL verandert deze verhouding in het finaal energieverbruik voor warmte niet in de periode tot 2030.

In de raming van het voorgenomen beleid daalt de bijdrage van aardgas aan het finaal energieverbruik voor warmte met circa 0,6 procentpunt per jaar. We gebruik dit kengetal in het nulalternatief voor de schatting van de daling van het aantal aansluitingen op het aardgasnet als autonome trend voor 2030. Aangezien er geen ramingen zijn voor de periode tot 2050, veronderstellen we dat de trend ook geldt voor de periode na 2030. Het aandeel aardgas in warmtevoorziening van WestBrabant en Hart van Brabant is in 2020 ongeveer 95 procent. In de autonome trend van het nulalternatief daalt dit aandeel naar circa 75 procent in 2050.

9

Tijdens het schrijven van dit rapport is er door de overheid een besluit genomen tot afbouw van de subsidie voor elektriciteitsproductie met houtige biomassa. Onduidelijk is wat de impact van dit besluit gaat zijn op het beleid van de Amercentrale.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10212470/1