CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

14 bp Hilvarenbeek-Diessen, realisatie 4 woningen (3a toelichting Bijlage 1 Milieuhygiënische en planologische toelichting Jan van Dongenpad (Loosche Akkers)

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Jan van Dongenpad, Zadelmaker en Gulden Akker".20.537 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Bijlage 1 Milieuhygiënische en planologische toelichting locatie ‘Loosche Akkers’

Bestemmingsplan “Hilvarenbeek/Diessen, realisatie 4 woningen” Gemeente Hilvarenbeek Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

Datum: 23 mei 2022

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Inhoudsopgave MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................................................... 4 5.1 PARKEREN EN ONTSLUITING ...................................................................................................... 4 5.2 WATER .................................................................................................................................... 4 5.3 NATUUR................................................................................................................................... 6 5.4 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ........................................................................................ 7 5.5 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................... 9 5.6 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 11 5.7 GELUID .................................................................................................................................. 12 5.8 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 13 5.9 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................

14 5.10 EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................................................. 14 5.11 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR............................................................................................... 15 5.12 GEZONDHEID ......................................................................................................................... 16 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 19

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

Milieuhygiënische en planologische aspecten 5.1

Parkeren en ontsluiting

De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Hilvarenbeek het “Parkeerbeleidsplan 20152020” vastgesteld. Dit plan is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor elke ontwikkeling speelt de vraag wat de parkeerbehoefte is en of deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom wordt een norm van maximaal 2,7 parkeerplaatsen aangehouden. De nieuwe percelen kennen voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Bij toekomstige bouwplannen is het voor het verlenen van een omgevingsvergunning noodzakelijk dat voldaan wordt aan de normen. Bij de bouwplannen dient hierbij rekening te worden gehouden. Ontsluiting en verkeersgeneratie De ontsluiting van de nieuwe percelen zal plaatsvinden via bestaande woonstraten.

De verkeersgeneratie van een vrijstaande woning bedraagt op basis van de verkeersgeneratietool van de CROW 8 voertuigbewegingen per etmaal. De wegcapaciteit van de bestaande woonstraten is gedimensioneerd op het afwikkelen van verkeer ten behoeve van het wonen en is voldoende groot om deze geringe toename gemakkelijk te verwerken.

5.2

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, Keur 2015.

De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5. Afvoeren naar de riolering Op planniveau is conform het beleid van het waterschap voor de realisatie van een woning en (plannen kleiner dan 500 m2) geen compensatie vereist en hoeft geen watertoets doorlopen te worden. Het gemeentelijk waterbeleid; “Hemel en Grondwaterbeleid Hilvarenbeek” Volgens de Nieuwe Waterwet uit 2009 beginnen de nieuwe zorgplichten op hemel- en grondwater bij de perceelseigenaar. Zij moet het in eerste instantie op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet redelijkerwijs kan. Met de Nieuwe Waterwet heeft de gemeente nu ook juridische instrumenten om een meer duurzame omgang met water af te dwingen. Bij de woningbouwontwikkelingen wordt getracht een betere onderbouwing te krijgen van de bouwplannen in relatie tot optredende grondwaterstanden. De laatste jaren streeft de gemeente Hilvarenbeek ook naar het afkoppelen van hemelwater van het vuile rioolwater bij de uitvoering van rioolvervangingen. Om wateroverlast te voorkomen is het ook nodig om op de ontwikkellocatie maatregelen tot het vasthouden van hemelwater te nemen. Om de afkoppelambitie van de gemeente op een doelmatige manier te realiseren is, buiten de aanpassingen in het rioolstelsel en openbare ruimte, de aanscherping ten opzichte van het hydrologisch neutraal bouwen ten opzichte van de Keur nodig.

Hierbij moet het afstromend hemelwater worden behandeld volgens de hierboven genoemde voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermde zone”. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Voor de toekomstige verharding zijn reële aannames gedaan. Door de planontwikkeling met 2 woningen en het deels verharden van het terrein met terreinverharding neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie toe. Per woning is een aanname gedaan van een dakvlak van 150 m2 en terreinverharding van 100 m2. De toename van de verharding als gevolg van het dakvlak en terreinverharding bedraagt hierdoor voor de locatie in Loosche Akkers circa, 500 m2. Bodem en Grondwater Op basis van de bodemdata van BIS Nederland is de Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gelegen op 40 tot 80 centimeter onder maaiveld (grondwatertrap VI). Ook valt uit de bodematlas af te leiden dat de bodem bestaat uit zandige enkeerdgrond. Zand is uitermate geschikt voor infiltratie. De bodemgesteldheid en de ligging van het grondwater maakt dat de bodem geschikt is voor infiltratie. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater Na de bestemming van de twee nieuwe percelen is het verhard oppervlak circa 250 m2 per perceel.

Gelet op de te bergen opgave van 60 mm volgens de webgispublisher van waterschap de Dommel, behoort 15 m3 per perceel te worden geborgen, waarna het vertraagd mag infiltreren in de bodem. Op de percelen is voldoende ruimte beschikbaar voor de aanleg van een voorziening van de berging en infiltratie van hemelwater. Dit kan in de vorm van een vijver of ondergrondse voorziening. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal dit worden uitgewerkt. Bij de bouwplannen zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Middels het gemeentelijk waterbeleid is dit geborgd. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden aan het bestaand gemeentelijk riool. Geconcludeerd moet worden dat voor het aspect water geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren), de Waddenzee maar ook Kempenland-West). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid.

Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar verordening toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het deel van het plangebied in Loosche Akkers ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Gezien de kleinschaligheid van de bouwactiviteiten, en de afstand (circa 1.000 meter) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Kempenland-West) is het niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten heeft op natuurgebieden. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie.

Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor de bouw van twee woningen is daarom een AERIUS berekening opgesteld. Concrete bouwplannen zijn nog niet beschikbaar. De berekening in het kader van de herziening van het bestemmingsplan gaat uit van een algemeen bouwproces. Het uiteindelijk bouwplan en het daarbij 6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

horende bouwproces kan tot een andere stikstofdepositie leiden. De resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Per 1 juli 2021 geldt op basis van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering een vrijstelling voor de tijdelijke stikstofemmissie als gevolg van de aanlegfase in de bouwsector. De berekening van de emissie als gevolg van de aanlegfase is om die reden niet uitgevoerd. Ten aanzien van de gebruiksfase geldt dat de woningen door middel van elektrische installaties worden verwarmd. Ten aanzien van het gebruik geldt dat alleen de verkeersbewegingen van en naar de woningen zal leiden tot een uitstoot van stikstof. Hiervoor is door middel van het programma AERIUS een berekening gemaakt. Op basis van de kengetallen van het CROW zijn per woning 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal aangehouden. Het totaal aantal voertuigbewegingen bedraagt daardoor (2 x 8) 16 per etmaal. In de berekening is een lijnbron ingevoerd die opgaat in de Doelenstraat. Gezien het aantal verkeersbewegingen aan de Doelenstraat kan worden aangenomen dat zodra de voertuigen als gevolg van het project deze straat hebben bereikt, ze zijn opgegaan in het heersend verkeersbeeld. Als rekenjaar is 2022 aangehouden. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr.

Gelet op de afstand van ca. 1 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied en de relatief lage verkeersgeneratie die bovendien bestaat uit lichte voertuigen heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. Omdat het inzicht in de stikstofdepositie nodig is voor één ruimtelijk besluit dat betrekking heeft op aanlegfase en gebruiksfase (omgevingsvergunning voor bouwen en gebruik) zijn beiden opgenomen in één berekening. Dit totaal bleek geen depositie te hebben van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. De stikstofdepositie ter plaatse van de dichtsbijgelegen Natura-2000 gebieden kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Het plangebied ter plaatse van de locatie in Loosche Akkers is braakliggend en heeft geen leegstaande gebouwen of andere gelegenheden die geschikt zijn voor verblijf van beschermde soorten.

Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.

5.4

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 het archeologiebeleid ‘Verborgen tussen het groen’ vastgesteld. Hierin is de archeologische verwachtingswaarde voor het gehele gemeentelijke grondgebied in kaart gebracht. Uit de beleidskaart kan worden opgemaakt dat het plangebied een ‘hoge archeologische verwachting’ kent (zie de volgende afbeelding).

Uitsnede archeologiebeleidskaart Hilvarenbeek; Bron gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in een aantal gevallen haar archeologiebeleid reeds vertaald naar haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied is dat nog niet het geval. De verwachtingswaarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. De nieuwe woningen zullen niet groter zijn dan 500 m2 en dieper reiken dan 50 centimeter. Een onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verder geldt dat als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Het beleid met betrekking tot cultuurhistorie in de gemeente Hilvarenbeek is vastgelegd in De Cultuurhistoriekaart van juni 2013. De kaart maakt inzichtelijk welk cultuurhistorisch-landschappelijk en historisch- (steden)bouwkundig erfgoed in de gemeente Hilvarenbeek aanwezig is.

De cultuurhistoriekaart heeft daarmee allereerst een belangrijke attentiewaarde. Het betreft een basisdocument van waaruit zaken als waardering, erfgoedbeleid en publiekseducatie verder uitgewerkt kunnen worden. Tevens maakt de kaart het mogelijk om te bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen bedreigend kunnen zijn voor de cultuurhistorische waarden. Het plangebied kent geen cultuurhistorische waarden.

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede cultuurhistoriekaart; Bron gemeente Hilvarenbeek Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van een woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.

Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. In de nabijheid van de ontwikkeling zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan meerdere bestemmingen gevestigd waaronder ‘Bedrijventerrein’, ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Groen’. Het gebied streeft daarmee een menging van verschillende functies na. Algemeen uitgangspunt In het kader van dit bestemmingsplan worden nieuwe, nog niet bestemde woningen toegevoegd en daarmee wordt voorzien in nieuw gevoelige objecten. De percelen zijn allen gelegen in een bestaand woongebied waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake moet zijn van een goed woon,- en BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

leefklimaat. Voor de volledigheid is een inventarisatie gedaan van de in de nabijheid gelegen bedrijfsactiviteiten en is een beoordeling gemaakt van het leefklimaat en de belangen van de aanwezige bedrijven. Zonering In de nabijheid van het deel van het plangebied in Loosche Akkers aan Groot Loo 2d is een perceel met de bestemming ‘Dienstverlening’ aanwezig. Het perceel wordt gebruikt door een bouwkundig adviesbureau. Een kantoor kent op basis van de VNG-brochure de milieucategorie 1. De richtafstand bedraagt 10 meter. De afstand tussen het perceel aan Groot Loo 2d en de gevels van de in dit deel van het plangebied geprojecteerde woningen bedragen circa 10 meter waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon, - en leefklimaat en dat de belangen van het bedrijf niet worden geschaad.

Uitsnede bestemmingsplan met het aan Groot Loo 2d gelegen kantoor. bron: ruimtelijkeplannen.nl Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling in dit deel van het plangebied geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woningen. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • • 10

Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Relevant voor dit deel van het plangebied is het veehouderijbedrijf aan Klein Loo 8. Voor een beoordeling van de geursituatie is een onderzoek naar het woon- en leefklimaat uitgevoerd (rapport Van Dun Advies, ‘Onderzoek woon- en leefklimaat i.h.k.v. de Wet geurhinder en veehouderij’, dd 26 juli 2018). De conclusie in dit rapport luidt als volgt; Uit onderhavige rapportage kan worden geconcludeerd dat het beoogde plan geen gevolgen heeft voor omliggende agrarische bedrijven. Vervolgens blijkt uit onderhavige rapportage dat de voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij aan het Klein Loo 8 het meest bepalend is voor het woon- en leefklimaat in het plangebied. Het woon- en leefklimaat binnen het gehele plangebied kan worden geclassificeerd is acceptabel conform de geldende geurvisie ‘Evaluatie geurgebiedsvisie en – verordening Wet geurhinder en veehouderij’ van 13-11-2013. Ten aanzien van de Wet geurhinder en veehouderij zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de realisatie van de nieuwe woningen aan de Loosche Akkers te Hilvarenbeek. Ten aanzien van de bedrijfsbelangen wordt in het rapport nog geconcludeerd dat vaste afstanden moeten worden gehanteerd voor de bedrijven aan Groot Loo 9 (100 meter, voor dieren zonder een geuremissiefactor) en Klein Loo 8 (50 meter voor een gemengd bedrijf met dieren zonder en met geuremissiefactoren).

De afstand van dit deel van het plangebied tot het bedrijf aan Groot Loo 9 bedraagt 480 meter. De afstand van het bedrijf aan Klein Loo 8 tot dit deel van het plangebied bedraagt 230 meter. De beoogde nieuwe woningen kunnen derhalve de omliggende woningen niet verder beperken. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijvigheden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Recent heeft de Raad van State uitspraak gedaan naar de mogelijke noodzaak voor het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie). (Uitspraak: 201901439-1-r1). Naar het oordeel van de Afdeling kan de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie) behoeft daarom niet te worden uitgevoerd.

5.7

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling een nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.

Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. Dit deel van het plangebied is gelegen binnen een woongebied met een snelheidsregime van 30 kilometer/uur. Een geluidsonderzoek is daarvoor niet verplicht. Het is niet te verwachten dat er sprake is van geluidsoverlast door de lage snelheid, het feit dat de aanliggende straten doodlopend zijn en het feit dat tussen de weg Groot Loo en dit deel van het plangebied een bestaand pand is gelegen dat een afschermende werking heeft ten aanzien van het geluid van het verkeer op Groot Loo. Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5.8

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; • De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).

Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft het planologisch toevoegen van enkele nieuwe woningen. Deze herziening is daarmee een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening.

Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. Ten behoeve van de nieuwe woningen in het deel van het plangebied in Loosche Akkers is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (nsl-monitoring.nl). Hieruit blijkt dat nabij de Provinciale weg ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Omdat de projectlocatie op basis van de actuele kaartbeelden verder weg is gelegen van de Provinciale weg dan dat de meetpunten van uit de nsl-viewer dat doen, kan worden geconcludeerd dat dit deel van het plangebied niet is gelegen in een gebied met een slechte luchtkwaliteit.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

Uitsnede kaart Fijnstof 2017 (pm2,5) met in rood het deel van het plangebied in Loosche Akkers; bron: nsl-viewer.nl Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9

Bodemkwaliteit

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit deel van het plangebied is reeds lange tijd bestemd ten behoeve van de woonfunctie. De gronden liggen al geruime tijd braak waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen omstandigheden zijn die tot een mogelijke bodemverontreiniging hebben geleid. Voor de volledigheid is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Op basis van de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek wordt de aangetroffen bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie aanvaardbaar geacht. Er zijn, ons inziens, uit milieuhygiënisch oogpunt dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de voorgenomen nieuwbouw. Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van de nieuw te bouwen woningen is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving.

Uitsnede uit de Risicokaart met in rood aangeduid het deel van het plangebied gelegen aan Loosche Akkers; bron: risicokaart.nl Op basis van de risicokaart is er één risicobron gevonden, te weten een DPO buisleiding. De aan te houden afstand tot de risicobron bedraagt 0 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan (circa 295 meter). De projectlocatie is dan ook niet binnen een invloedsgebied gelegen. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering.

5.11 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het deel van het plangebied in Loosche Akkers zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

5.12 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven met fijnstof emissie aanwezig waardoor er geen sprake is van endotoxinen en gezondheidsrisico’s. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO).

Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet.

Dit deel van het plangebied is binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij gelegen. Een memo over het geitenmoratorium, de vergunningverlening en de doorwerking in ruimtelijke ordening (omgekeerde werking) dat is opgesteld door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid in opdracht van het BPO speerpunt Veehouderij (gepubliceerd op 17 oktober 2017). De memo geeft aan dat het aan het gemeentebestuur is om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken. Het is dus aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken over woningbouw binnen een afstand tot 2 km rond geitenhouderijen. Dit betekent dat moet worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. De aanvaarbaarheid van het woon- en leefklimaat wordt doorgaans beoordeeld aan de hand van normen. Bijvoorbeeld aan een maximaal hinderpercentage en bijbehorende geurbelasting van veehouderijen of aan grenswaarden voor de maximale concentratie fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Voor de nabije omgeving van geitenhouderijen is op dit moment niet te beoordelen of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is: • Uit het tweede VGO-onderzoek (aanvullende studies) blijkt een verhoogde kans op longontsteking voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

• •

•

•

van 1,5 – 2 km. Door het toevoegen van woningbouw (binnen een straal van 2 km rond geitenhouderij) neemt de kans op longontsteking niet toe. Wel worden er meer mensen blootgesteld aan stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken. Welke stoffen (bron/emissie) de oorzaak is van de verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. De onderzoekers doen ook geen uitspraak over de aanvaarbaarheid van het verhoogde risico op longontsteking. Het gevolg is dat er nu nog geen verband kan worden gelegd met een maximale blootstelling vanwege een aanvaardbaar of niet aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Doordat de oorzaak niet bekend is kan geen rekening worden gehouden met normen, grenswaarden of gezondheidskundige advieswaarden. Er is geen wettelijk toetsingskader met normen die beschermen tegen het risico op longontsteking vanwege de geitenhouderij en daarom is formeel geen normoverschrijding in het geding. Vervolgonderzoeken moeten uitwijzen of dit wel of niet het geval is. Het geitenmoratorium oftewel het verbod op het uitbreiden van het bestaande oppervlakte dierverblijf (staloppervlak) van de Verordening ruimte Noord-Brabant voorkomt in dit verband dat de ziektelast kan toenemen en er een nog hogere kans op longontsteking ontstaat.

Waarbij opgemerkt moet worden dat geitenhouderijen wel de mogelijkheid hebben op binnen het bestaande staloppervlak meer geiten te gaan houden.

Verder: • In dit verband is de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011) relevant. De Raad van State concludeert hier dat, ondanks dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er gezondheidsschade kan optreden, een gemeente daar niet aan hoeft te toetsen als dat niet in de regelgeving is verwerkt. • Er wordt in dit verband een parallel getrokken met het landelijk beleid. Deze kent de regel “nietin-betekenende-mate (nibm)” welke een kleine toename van de concentratie fijn stof in de buitenlucht toelaatbaar acht. Er is wel sprake van een kleine verslechtering van het woon- en leefklimaat, maar deze wordt acceptabel geacht in de wetenschap er in het beleid vanuit wordt gegaan dat de beperkte verhoging van concentraties fijn stof in de buitenlucht door nationaal generieke maatregelen op termijn worden gecompenseerd. De parallel is dat het toevoegen van een beperkt volume woningbouw aanvaardbaar is in het licht van het vervolgonderzoek van VGO naar de oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking dat bedrijfsgerichte maatregelen mogelijk zal maken (zie ook de eerste twee aandachtstreepjes on het kopje afwegingen op de volgende pagina). • Omdat woningen niet alleen een ‘bron’ van luchtverontreiniging zijn, maar ook een ‘ontvanger’, moet nog wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is een goede motivatie nodig.

• In Nederland is 3,5% van de ziektelast gerelateerd aan milieufactoren. Van deze milieufactoren veroorzaakt blootstelling aan luchtverontreiniging veruit de meeste ziektelast. De in de VGOonderzoeken geconstateerde ziektelast is valt in principe onder de bestaande ziektelast door milieufactoren (dus geen verhoging van de ziektelast). • Vanwege de geitenhouderij kan het woon- en leefklimaat niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Het moratorium houdt namelijk in dat de bestaande geitenhouderijen mogen blijven en daarmee de huidige gezondheidslast voorlopig aanvaard wordt. Tegelijk wordt onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak om over enkele jaren de risico’s te kunnen verminderen of voorkomen.

Gebruikmakend van de voorgaande overwegingen heeft de gemeente Hilvarenbeek de afweging gemaakt om woningbouwontwikkelingen doorgang te laten vinden en uit voorzorg daarbij de volgende richtlijnen hanteren: Bij zowel klein- als grootschalige ontwikkelingen rekening houden met de afstand van de woningbouwlocatie tot de geitenhouderij: • Geen woningen dichterbij de geitenhouderij bouwen dan de al bestaande woningen (alleen inbreiding toestaan). De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden vooralsnog aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

• •

toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omvang van de woningbouw relateren aan de afstand tot de geitenhouderij. Bij ontwikkelingen uit voorzorg rekening houden met de doelgroep, waarbij niet meegewerkt wordt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken, zoals bijvoorbeeld een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang.

Het betreft een kleinschalig woningbouwplan van slechts twee woningen voor dit deel van het plangebied die niet dichter op de geitenhouderij is gelegen dan bestaande woningen dat reeds doen. De afstand van 950 meter is groot in verhouding tot de omvang van de ontwikkeling. Bovendien wordt er met de ontwikkeling niet voorzien in de huisvesting van grote groepen meer kwetsbare mensen. De gemeente Hilvarenbeek acht de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te hebben afgewogen. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Separate bijlagen • •

Stikstofberekening, BuroGkracht dd 1 februari 2022; Verkennend bodemonderzoek bodex milieu, dd 3 mei 2022

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

1SPKFDUCFSFLFOJOH

1SPKFDUCFSFLFOJOH

3[7;N%),-N GFCSVBSJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

Ó

3[7;N%),-N GFCSVBSJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3[7;N%),-N GFCSVBSJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3[7;N%),-N GFCSVBSJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3[7;N%),-N GFCSVBSJ



Rapport:

Verkennend bodemonderzoek, Hilvarenbeek Theo Vogelspad

Opdrachtgever:

Gemeente Hilvarenbeek T.a.v. dhr. D Elberts Postbus 3 5080 AA Hilvarenbeek

Rapportnummer: Rapportdatum: Status:

2200479 3 mei 2022 Definitief

Auteur:

Sjoerd Frankhuizen

Kwaliteitscontrole:

H. Verheijen

Bodex Milieu B.V. Putstraat 9a, 5091 TH Middelbeers Postbus 38, 5688 ZG Oirschot

Versie: 1

Tel.: +31(0)13-5810717 www.silt.nl info@bodexmilieu.nl Bodex Milieu B.V. is onderdeel van Silt

K.v.K. 17182328 IBAN: NL25 RABO 0370 7175 03 BTW: NL8148.87.016.B01

Verkennend bodemonderzoek Theo Vogelspad te Hilvarenbeek Project 2200479 versie 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..........................................................................................................................................3 1 Inleiding ...........................................................................................................................................4 1.1 Algemeen .................................................................................................................................4 1.2 Opzet van het bodemonderzoek ..............................................................................................4 1.3 Betrouwbaarheid ......................................................................................................................5 1.4 Opbouw van het rapport ...........................................................................................................5 2 Vooronderzoek ................................................................................................................................6 2.1 Inleiding en opzet vooronderzoek ............................................................................................6 2.2 Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie ...........................................................6 2.3 Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten ........................................................7 2.4 Boven- en

ondergrondse tanks ................................................................................................7 2.5 Overzicht milieukundige bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart ..................................7 2.6 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................8 2.7 Terreinverkenning.....................................................................................................................9 2.8 Asbest .......................................................................................................................................9 2.9 Overig .......................................................................................................................................9 2.10 Resultaten vooronderzoek .......................................................................................................9 3 Uitvoering van het bodemonderzoek ......................................................................................... 11 3.1 Onderzoeksstrategie ............................................................................................................. 11 3.2 Veldwerkzaamheden .............................................................................................................

11 3.3 Bodemopbouw....................................................................................................................... 11 3.4 Zintuiglijke waarnemingen ..................................................................................................... 11 3.5 Bemonstering grond .............................................................................................................. 12 3.6 Bemonstering grondwater ..................................................................................................... 12 3.7 Samenstelling grond- en grondwatermonsters ..................................................................... 12 3.8 Afwijkingen BRL-SIKB 2000 .................................................................................................. 13 4 Toetsing analyseresultaten grond en grondwater ................................................................... 14 5 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................................... 15 5.1 Conclusies ............................................................................................................................. 15 5.2 Toetsing hypothese ...............................................................................................................

15 5.3 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 15

Bijlagen Bijlage 1: Regionale ligging locatie Bijlage 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlage 3: Boorbeschrijvingen Bijlage 4: Toetsing analyseresultaten Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: Interpretatie en toetsingskader

2

Verkennend bodemonderzoek Theo Vogelspad te Hilvarenbeek Project 2200479 versie 1

Samenvatting Algemeen In opdracht van de heer D. Elberts namens Gemeente Hilvarenbeek, is door Bodex Milieu B.V. in april 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Theo Vogelspad te Hilvarenbeek. Deze locatie staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie D, nr. 6674, gedeeltelijk. De daadwerkelijke onderzoekslocatie beslaat een oppervlakte van max. 1.500 m². Aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is aan te tonen, door middel van een steekproef, dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigde stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarde of streefwaarde. Conclusies en aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de zintuiglijk schone boven -en ondergrond geen van de geanalyseerde parameters verhoogd zijn aangetoond. Tevens kan worden geconcludeerd dat in het grondwatermonster PB01, verkregen uit de gelijknamige peilbuis, een lichte verontreiniging (overschrijding streefwaarde) met barium, kobalt en nikkel is aangetoond.

De in het onderhavige bodemonderzoek aangetoonde streefwaardeoverschrijdingen zijn dermate licht dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Op basis van de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek wordt de aangetroffen bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie aanvaardbaar geacht. Er zijn, ons inziens, uit milieuhygiënisch oogpunt dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de voorgenomen nieuwbouw. Definitief oordeel hieromtrent is aan het bevoegd gezag. Indien tijdens de bouwwerkzaamheden grond vrijkomt mag deze ter plaatse hergebruikt worden. Indien de grond elders wordt toegepast dient dit te worden afgestemd met het bevoegd gezag aldaar. Mogelijkerwijs is een partijkeuring noodzakelijk.

3

Verkennend bodemonderzoek Theo Vogelspad te Hilvarenbeek Project 2200479 versie 1

1 Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van de heer D. Elberts namens Gemeente Hilvarenbeek, is door Bodex Milieu B.V. in april 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Theo Vogelspad te Hilvarenbeek. Deze locatie staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie D, nr. 6674, gedeeltelijk. De daadwerkelijke onderzoekslocatie beslaat een oppervlakte van max. 1.500 m². Aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is aan te tonen, door middel van een steekproef, dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigde stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarde of streefwaarde. 1.2

Opzet van het bodemonderzoek

De onderzoeksopzet is gebaseerd op de NEN 5725 (strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en de NEN 5740 (strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek; onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond), zoals deze zijn uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Bodex Milieu B.V. is een onafhankelijk bureau dat naast NEN-EN-ISO 9001, NEN-EN-ISO 14001, VCA**, CO2-prestatieladder (trede 5), is gecertificeerd conform BRL SIKB 1000 (protocol 1001, 1002 en 1003), BRL SIKB 2000 (protocol 2001, 2002, 2003 en 2018) en BRL SIKB 6000 (protocol 6001 en 6003). De in de onderhavige rapportage beschreven werkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd (certificaatnummer: EC-SIK-02238, d.d. 1 juli 2021). Een gedeelte van de werkzaamheden is uitgevoerd door onze zusterorganisatie Lankelma Geotechniek Zuid B.V. (certificaatnummer: NC-SIK20337, d.d. 1 december 2019). In dit bodemonderzoek zijn protocol 2001 1 en 20022 van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 20003 van toepassing. Daarnaast werkt Bodex Milieu B.V. volgens de NEN-ISO 26000:2010, hetgeen de maatschappelijke verantwoordelijkheid van onze organisatie borgt.

We letten daarbij op de zeven kernthema’s te weten: milieu, arbeidsomstandigheden, mensenrechten, eerlijk zaken doen, maatschappelijke betrokkenheid & ontwikkeling, consumentenaangelegenheden en behoorlijk bestuur van de organisatie. Fase 1: vooronderzoek en terreininspectie De juiste keuze van de hypothese is bepalend voor het veldwerk en dient te leiden tot een zo optimaal mogelijk uitgevoerd onderzoek. De hypothese is aan de hand van de verkregen historische gegevens en een terreininspectie bepaald. Fase 2: veldwerkzaamheden • het verrichten van boringen; • het plaatsen van een peilbuis; • het classificeren en zintuiglijk beoordelen van de grond; • de monstername van grond en grondwater. Fase 3: chemische analyses De chemische analyses worden, binnen de daarvoor gestelde conserveringstermijn, conform de vigerende NEN-normen, uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, een door het ministerie aangewezen laboratorium voor analyses conform AS3000 (accreditatie L028). 1

2 3

Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen (versie 6, d.d. 1 februari 2018). Het nemen van grondwatermonsters (versie 6, d.d. 1 februari 2018). Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (versie 6, d.d. 1 februari 2018).

4

Verkennend bodemonderzoek Theo Vogelspad te Hilvarenbeek Project 2200479 versie 1

Fase 4: interpretatie De resultaten van de analyses van de monsters zijn enerzijds getoetst aan de ‘Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013’ van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2013, nr. 16675, d.d. 27 juni 2013 en anderzijds aan de ‘Regeling bodemkwaliteit’ (behorende tot het Besluit bodemkwaliteit), zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2007, nr. 247, d.d. 13 december 2007. 1.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11853587/1