CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

13 bestemmingsplan Roovert 3B, Hilvarenbeek (5a Bijlage 7 bij de toelichting Archeologisch onderzoek)

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Roovert 3B".12.403 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bureauonderzoek en Inventarisend Veldonderzoek, Verkennende fase Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties

S.M. Koeman

Archeodienst Rapport 162

Onderzoeksmelding: 53163_53164 In opdracht van: Gorp & Rovert bv

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Colofon Titel: Auteur: Met bijdragen van: Archeodienst rapportnummer: ISSN nummer: Versienummer: Onderzoeksmelding: Gemeente: Opdrachtgever: Redactie: Eindredacteur: Foto’s en tekeningen: Datum: Plaats: Foto omslag: Autorisatie:

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Landgoed Gorp & Rovert, twee bouwlocaties S.M. Koeman N.v.t. 162 1877-2900 1.2 (concept) 53163 en 53164 Gemeente Hilvarenbeek Gorp & Rovert bv Anne Loonen Willem-Simon van de Graaf Archeodienst BV, tenzij anders aangegeven oktober 2012 Zevenaar De Roovertsche schuur gezien vanuit het zuidwesten Willem-Simon van de Graaf 02-10-2012

Goedkeuring Bevoegd Gezag:

De kaft van dit rapport is in de vorm van de voor- en achterkant van een Romeinse dakpan, waarop hondepootafdrukken staan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. Archeodienst BV aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen.

Ringbaan-Zuid 8a Postbus 297 6900 AG Zevenaar

Tel. 0316-581130 Fax 0316-343406 info@archeodienst.nl www.archeodienst.nl

2

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4

Onderzoekskader .............................................................................................. 5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen..................................................................... 5 Ligging en huidige situatie plangebied................................................................ 5 Toekomstige situatie plangebied ........................................................................ 6

2 Bureauonderzoek ....................................................................... 7 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Methode .......................................................................................................... 7 Fysische geografie ............................................................................................. 7 Geologie en geomorfologie ................................................................................ 7 Bodem ............................................................................................................. 8 Archeologie ...................................................................................................... 9 Historische geografie ....................................................................................... 11 Bodemverstoring ............................................................................................ 11 Specifieke archeologische verwachting ............................................................. 14

3 Booronderzoek ......................................................................... 16 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.4 3.4.1 3.4.2

Werkwijze ...................................................................................................... 16 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens ............................................. 16 Locatie Biehal (boring 1 – 5) ........................................................................... 16 Locatie Roovertsche schuur (boring 6 – 12) ..................................................... 17 Archeologische indicatoren.............................................................................. 17 Archeologische interpretatie ............................................................................ 17 Locatie Biehal ................................................................................................ 17 Locatie Roovertsche schuur ............................................................................. 18

4 Conclusie en aanbeveling ........................................................... 19 4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2

Inleiding......................................................................................................... 19 Conclusies / beantwoording van de onderzoeksvragen ....................................... 19 Advies ............................................................................................................ 20 Locatie Biehal ................................................................................................ 20 Locatie Roovertsche schuur ............................................................................. 21

Literatuur .................................................................................... 22 Lijst van afbeeldingen .................................................................... 22 Lijst van tabellen ........................................................................... 23 Bijlage 1: Periodentabel Bijlage 2: Afkortingenlijst Bijlage 3: Verklarende woordenlijst Bijlage 4: Geomorfologische kaart Bijlage 5: Bodemkaart Bijlage 6: Archeologische informatie Bijlage 7: Boorpuntenkaart Bijlage 8: Boorbeschrijvingen

3

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Administratieve gegevens projectnaam

Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties

Onderzoeksmelding (ARCHIS)

53163 en 53164

provincie

Noord-Brabant

gemeente

Hilvarenbeek

plaats

Goirle

toponiem

Gorp en Roovert

type project

Bureau- en booronderzoek, verkennende fase

opdrachtgever

Gorp en Rovert bv

contactpersoon opdrachtgever

Dhr. Van Puijenbroek

uitvoerder

Archeodienst BV

datum veldwerk

22 augustus 2012

uitvoerders veldwerk

S.M. Koeman

bevoegd gezag

Gemeente Hilvarenbeek

adviseur namens bevoegd gezag

Monumentenhuis Brabant

geografische positie (x-y)

Locatie Biehal

Locatie Roovertsche schuur

133401-388006 (NW)

133551-387234 (W)

133461-388006 (NO)

133580-387253 (N)

133461-387956 (ZO)

133605-387211 (O)

133401-387956 (ZW)

133573-387193 (Z)

kaartblad

50H

huidig grondgebruik

Bos

geplande verstoringsdiepte

Dieper dan de bouwvoor Ca. 3.000 m² (locatie Biehal) Ca. 1.700 m2 (locatie Roovertsche schuur)

oppervlakte plangebied

4

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

1 Inleiding 1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Gorp & Rovert bv heeft archeologisch onderzoeksbureau Archeodienst BV een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O(verig); booronderzoek) uitgevoerd voor twee bouwlocatie op het landgoed Gorp & Roovert (gemeente Hilvarenbeek, Fig. 1.1). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de herinrichting van het landgoed Gorp & Roovert. Onderdeel van dit plan is nieuwbouw op twee locaties. De exacte verstoringsdiepte is niet bekend, maar de bodem zal door graafwerkzaamheden dieper dan de bouwvoor worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen daarbij verloren gaan. Volgens de beleidsadvieskaart van de gemeente Hilvarenbeek ligt de locatie Biehal in een hoge archeologische verwachtingszone (Fig. 2.2, RAAP-rapport 2450). In de hoge verwachtingszone (categorie 3) is archeologisch onderzoek verplicht bij een omvang groter dan 500 m2 en een bodemverstoring dieper dan 10 cm (bestaand natuurgebied). Op basis van deze ondergrenzen is voor de bouwlocatie Biehal archeologisch onderzoek noodzakelijk. De locatie Roovertsche schuur ligt deels in een hoge en deels in een lage verwachtingszone. Uitgaande van de hoge archeologische verwachting is ook hier onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.2 (CCvD 2010).

Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar bijlage 1. Afkortingen en jargon worden in bijlage 2 en 3 uitgelegd. 1.2

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte landschappelijke, historische en archeologische waarden. Het doel van het verkennend booronderzoek is het toetsen van het opgestelde verwachtingsmodel door de intactheid van de bodemopbouw vast te stellen. Om deze doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:  Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?  Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?  In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? 1.3

Ligging en huidige situatie plangebied

De twee bouwlocaties liggen op het landgoed Gorp & Roovert ca. 3 km ten zuidoosten van Goirle (Fig. 1.1). De locatie Biehal heeft een oppervlakte van ca. 3.000 m2 en ligt aan een voetpad dat vanuit de weg Gorp richting het oosten loopt. Het terrein is onderdeel van het bos. De hoogte van het maaiveld (geraadpleegd op www.ahn.nl) ligt op ca. 19,0 m +NAP (Normaal Amsterdams Peil). De locatie Roovertsche schuur heeft een oppervlakte van ca. 1.700 m2 en ligt aan een naamloze weg, die parallel loopt aan de weg Roovert en uitkomt op de weg Gorp. Aan de wegkant staat een schuur, de rest van het terrein is begroeid met gras. De hoogte van het maaiveld ligt op ca. 20,0 m +NAP.

5

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Fig. 1.1: Het plangebied op de topografische kaart 1:25.000 (bron: kadaster 2009).

1.4

Toekomstige situatie plangebied

De exacte inrichting van beide locaties is nog niet bekend. Er wordt vanuit gegaan dat de bodem ten behoeve van de nieuwbouw dieper dan de bouwvoor zal worden verstoord. Binnen het perceel van de locatie Biehal zal nieuwbouw van een langgevelboerderij worden gerealiseerd met twee wooneenheden. Deze bebouwing zal groter zijn dan de oude boerderij die op de locatie heeft gestaan. De locatie Roovertse schuur zal worden herbestemd als woning in de vorm van een langgevelboerderij. De nieuwe bebouwing wordt groter dan de huidige vorm, zodat buiten de huidige fundamenten gebouwd gaat worden.

6

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

2 Bureauonderzoek 2.1

Methode

Ten behoeve van het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over bekende of verwachte archeologische waarden, alsmede over geologische, bodemkundige en historisch-geografische kenmerken van (de omgeving van) het plangebied. In het kader van het bureauonderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Recente topografische kaarten (kadaster) en luchtfoto’s (BingMaps via ArcMap)  Actuele Hoogtebestand van Nederland (bron: AHN.nl)  Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000 (Alterra 2003, geraadpleegd via Archis2)  Geomorfologische Kaart Nederland (Alterra 2004, geraadpleegd via Archis2)  Geologische overzichtskaart van Nederland 1:600.000 (www.dinoloket.nl)  Diverse historische kaarten (Kadastrale Kaart 1832, Topografische Militaire Kaarten serie 1830-1850 (nettekeningen), serie 1850-1945 (Bonnebladen), Top25 serie 1935-1995, geraadpleegd via watwaswaar.nl)  Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW, geraadpleegd via Archis2)  Archeologische Monumentenkaart (AMK, geraadpleegd via Archis2)  Archeologische waarnemingen, onderzoek- en vondstmeldingen (geraadpleegd via Archis2)  Bodemloket  Gemeentelijk beleidskaart (RAAP-rapport 2450)  Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH)  Gegevens amateur archeologen, AWN-afdeling 24 2.2 2.2.1

Fysische geografie Geologie en geomorfologie

Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. Het is een relatief vlak gebied, dat nooit door het landijs bedekt is geweest (Berendsen 2005). De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die de Roerdalslenk en het Peel Blok begrenzen. Ten noordoosten van het plangebied loopt de Feldbissbreuk, die de zuidgrens van de Roerdalslenk vormt. Het plangebied ligt ten zuiden van de Roerdalslenk op de rug van Alphen – Gilze – Rijen. Hier ligt een dunne laag (dek)zand op grindhoudende zand van de Formatie van Sterksel (TNO Bouw en Ondergrond 2008). De Formatie van Sterksel bestaat uit matig grof tot uiterst grof, grindhoudend zand, dat is afgezet door de Rijn. De afzetting van deze eenheid begint in het laatste deel van het Vroeg-Pleistoceen (ca. 1,1 miljoen jaar geleden) en zet door tot in de ijstijd het Cromerien (ca. 850.000 – 475.000 jaar geleden). In deze periode werd de Rijn gekenmerkt door een vlechtend rivierpatroon (Berendsen 2004 en De Mulder e.a. 2003). De gebieden waar deze afzettingen dicht aan het oppervlak liggen, zijn op de geomorfologische kaart gekarteerd als terrasafzettingsvlakte en –welvingen (bijlage 4). Beide locaties liggen in de zone van terrasafzettingswelvingen (code 3L12). In de daarop volgende perioden heeft voornamelijk erosie plaatsgevonden, waarbij diepe dalen zijn ontstaan.

Een goed voorbeeld hiervan is het dal ca. 360 m ten westen van het plangebied, waar de huidige Roovertsche Leij doorheen loopt (bijlage 4, code 2R4). Plaatselijk kunnen in de ijstijden op de terrasafzettingen fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd. Tijdens zeer koude perioden is de bodem permanent bevroren geweest. Hierdoor is het sneeuwsmelt- en regenwater gedwongen over het oppervlak af te stromen waarbij zogenaamde fluvioperiglaciale afzettingen zijn afgezet en dalen (verder) zijn uitgesleten. De fluvioperiglaciale afzettingen bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten, en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend (Berendsen 2004). In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Berendsen 2004). Hierbij is een dunne laag dekzand over de terras- en/of fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit 7

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

(soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Berendsen 2004). In het Holoceen (de laatste ca. 11.750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. Door de toenemende vegetatie is het dekzand vastgelegd en hebben de beken zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. Een goed voorbeeld hiervan is het beekdal van de Roovertsche Leij, die ca. 360 m ten westen van het plangebied loopt. Langs het beekdal van de Roovertsche Leij zijn op de geomorfologische kaart gebieden met lage stuifduinen aangegeven (bijlage 4, code 3/4L8). Ca. 50 m ten zuiden van de locatie Roovertsche schuur ligt een zone met stuifduinen. Deze gebieden worden gekenmerkt door grotere reliëfverschillen. Waarschijnlijk zijn de vennen in dit gebied, zoals De Moerkes die ongeveer tussen de twee locaties in ligt, gaten waar zand is uitgeblazen en elders opnieuw is afgezet. De stuifzanden zijn in het Holoceen gevormd en zijn het gevolg van menselijke activiteiten (Berendsen 2004). Als gevolg van de bevolkingstoename en de daarmee gepaard gaande ontbossing in de Late-Middeleeuwen zijn stuifzanden ontstaan. Plaatselijk zijn aanwijzingen gevonden dat de verstuiving eerder is begonnen in de prehistorie.

De stuifzandafzettingen bestaan uit verstoven (dek)zand en zijn alleen te onderscheiden als de stuifzanden door een bodem (meestal een podzolbodem) zijn gescheiden van de onderliggende (dek)zanden. Het stuifzand wordt tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend. Volgens de geomorfologische kaart is op beide locaties geen sprake van lage stuifduinen, maar op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) ligt de locatie Roovertsche schuur wel in een reliëfrijk gedeelte (Fig. 2.1). Het lijkt erop dat de locatie in een ondiepe laagte ligt tussen hogere koppen ten noorden, westen en zuiden van de locatie. Het hoogteverschil bedraagt ca. 0,5 – 1,0 m. De locatie Biehal ligt in een lager gedeelte van de zone met terrasafzettingswelvingen. Het ligt ca. 1,0 lager dan de locatie Roovertsche schuur. Ten westen van de locatie Biehal liggen hogere welvingen en stuifduinen (Fig. 2.1). 2.2.2

Bodem

Volgens de bodemkaart komen op de locatie Biehal hoge zwarte enkeerdgronden in leemarm tot zwak lemig fijn zand voor (bijlage 5, code zEZ21). De locatie Roovertsche schuur ligt precies op de grens tussen hoge zwarte enkeerdgronden en veldpodzolgronden (code Hn21). Op hogere (dek)zandgronden ontwikkelt zich van nature vaak een podzolgrond. Door de relatief lage grondwaterstand kan door het proces van in- en uitspoeling (podzolering) een podzolgrond ontstaan. Hierbij vindt onder invloed van infiltrerend regenwater uitloging plaats van lutumdeeltjes en/of mineralen zoals ijzer en aluminium, die vervolgens inspoelen in diepere bodemlagen (De Bakker/ Schelling 1998). Op deze manier ontstaat de kenmerkende E- en B-horizont van een podzolgrond. De hoge zwarte enkeerdgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond van meer dan 50 cm dik met daaronder de oorspronkelijke bodem. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgronden vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf ca. de 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Hiddink en Renes 2007 in Van Doesburg et al. (red.) 2007). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken.

In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem, in dit geval waarschijnlijk een veldpodzolgrond, ontstaan. Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont van de podzolbodem in meer of mindere mate intact. In eerste instantie zijn de hogere zandgronden als akkerland in gebruik genomen, maar later zijn ook de lagere gronden, zoals het beekdal van de Roovertsche Leij, ontgonnen. Om de waterhuishouding te verbeteren zijn deze gronden vaak opgehoogd met humeuze grond, zodat ook hier de bodem geclassificeerd kan worden als een enkeerdgrond (code EZg21, een lage enkeerdgrond). Op de bodemkaart staan de gemiddelde grondwaterstanden aangegeven met zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). De locatie Biehal wordt gekenmerkt door een relatief lage grondwaterstand (VI). Dit betekent dat de gemiddeld hoogtes grondwaterstand tussen 40-80 cm en de gemid8

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

deld laagste grondwaterstand tussen 170-200 cm beneden maaiveld wordt verwacht (Stichting voor Bodemkartering 1985). De locatie Roovertsche schuur ligt op de grens van twee grondwatertrappen. De zone waar de hoge zwarte enkeerdgronden voorkomen, wordt gekenmerkt door een relatief lage grondwaterstand (VII). Hier ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 80-140 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 190-280 cm beneden maaiveld. De zone waar de veldpodzolgronden zijn ontwikkeld, wordt gekenmerkt door een hogere grondwaterstand (V*). Hier ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 25-40 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 130-180 cm beneden maaiveld.

Fig. 2.1: Het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

2.3

Archeologie

Het plangebied maakt onderdeel uit van een groot gebied, waarvoor in 2002 een bureauonderzoek is uitgevoerd door adviesbureau BILAN (onderzoeksmelding 20428) (bijlage 6, Tab. 2.1). Aangezien dit een grootschalig onderzoek is geweest, is niet op de specifieke situatie van beide bouwlocaties ingezoomd. Verder zijn ter plaatse van beide locaties geen monumenten of waarnemingen gemeld. In een straal van 1 km rondom het plangebied zijn geen archeologische monumenten of onderzoeksmeldingen aanwezig, er is slechts één waarneming gedaan. Dit betreft de melding van een kasteelterrein uit de periode Middeleeuwen-Nieuwe tijd (waarnemingsnummer 414241). Deze informatie is indirect uit literatuur verkregen. De hogere gronden aan weerzijden van het beekdal van Roovertsche Leij zijn nog weinig onderzocht. De enige waarneming die verder nog in dit gebied is gedaan, betreft twee heuvels die in de jaren ’60 als mogelijke grafheuvels uit de periode Laat-Neolithicum – IJzertijd zijn gemeld (waarnemingsnummer 36644, ca. 1,5 km ten noorden van de locatie Biehal). In 2001 heeft echter een 9

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

uitgebreide visuele inspectie plaatsgevonden aangevuld met handmatig gegraven proefputjes op basis waarvan is geconcludeerd dat de ene heuvel recent is opgebracht en dat van de tweede heuvel nauwelijks meer iets bewaard is gebleven. Het is de vraag of hier ooit een grafheuvel heeft gelegen. Waarneming

Ligging

Aard waarneming

Datering

414241

480 m ten NO van locatie Biehal

Locatie kasteelterrein – indirect uit literatuur

ME-NT

Onderzoeksmelding

Ligging

Aard melding

Advies

Bureauonderzoek door BILAN in 2002

Nieuwe ontwikkelingen in dit gebied moeten een zorgvuldige aansluiting zoeken bij bestaande patronen met aandacht voor de lokale ontwikkelingsgeschiedenis

20428

Beide locaties liggen in de zuidoostelijke hoek van het onderzoeksgebied

Tab. 2.1 Overzicht van de monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1 km rondom het plangebied.

Uit de gegevens van de Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH) blijkt dat binnen het plangebied geen bekende (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig zijn. Volgens de beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek ligt de locatie Biehal in een hoge verwachtingszone (Fig. 2.2). Deze hoge verwachting is gerelateerd aan het verwachte bodemtype, hoge zwarte enkeerdgronden. De grens van de hoge zwarte enkeerdgronden loopt precies door de locatie Roovertsche schuur. Hierdoor geldt voor de westelijke helft van deze locatie een hoge archeologische verwachting en voor de oostelijke helft een lage verwachting.

Fig. 2.2: Het plangebied op een uitsnede van de gemeentelijke beleidskaart (bron: RAAP-rapport 2450).

10

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

De AWN-afdeling 24 is via email benaderd (mevr. van Vegchel) met de vraag of bij hun nog informatie uit het plangebied bekend is (die niet bij de RCE is gemeld). De email is doorgestuurd naar een aantal leden die in dit gebied actief zijn. Tot op heden zijn nog geen reacties binnen. 2.4

Historische geografie

Het landgoed Gorp & Roovert heeft een oppervlakte van ruim 1.200 hectare. Dit is echter niet altijd zo geweest. Deze oppervlakte is in de loop van de tijd door aankopen door verschillende eigenaren ontstaan. De geschiedenis van het gebied gaat terug tot in de Middeleeuwen. De buurtschappen Gorp en Roovert hadden een zeer geïsoleerde ligging te midden van uitgestrekte heidevelden. De locatie Biehal ligt bij het buurtschap Gorp (Fig. 2.4). De Roovertsche schuur ligt bij het buurtschap Roovert. Waarschijnlijk is het gebied rond 1250 in cultuur gebracht (http://www.kempischelandgoederen.nl). In deze periode gingen de rechten van de grond van de hertogen van Brabant over naar de Staten-Generaal en kwamen particulieren in de gelegenheid om grond te kopen (Praedium en DUIJF advies en projectmanagement 2012). De afgelegen woeste heidevelden trokken in die tijd weinig kopers aan waardoor het gebied vrijwel onverkaveld bleef en er mogelijkheden waren voor grootgrondbezitters. De bewoningskern Gorp en de landbouwgronden in de omgeving kwamen in handen van een leenman (Jan Montens 1589). Zo ontstonden de eerste contouren van het landgoed. Het is pas echt uitgegroeid tot een landgoed toen het in 1758 in handen kwam met Cornelis Bles uit Tilburg (Praedium en DUIJF advies en projectmanagement 2012).

Voor de historische ontwikkeling van de beide locaties is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op de kaart uit het begin van de 19e eeuw is in de noordwesthoek van de locatie Biehal een boerderij aangegeven (Fig. 2.3). Rond 1900 staat de boerderij er nog steeds. De kaart uit deze periode is echter minder gedetailleerd (op kleinere schaal) waardoor de begrenzing van het plangebied over de bebouwing heenloopt (Fig. 2.4). In het zuidelijke deel van de locatie Roovertsche schuur staat op de kaart uit het begin van de 19e eeuw ook een boerderij aangegeven (Fig. 2.3). Een ruimer beeld van deze situatie is te zien op de kaart uit 1899 (Fig. 2.4). Het is een zogenaamde langgevelboerderij (Fig. 2.5). De huidige Roovertsche schuur is in feite een verbouwing van de deels afgebrande langgevelboerderij. Op de van oudsher kleinschalige landbouwpercelen langs het beekdal van de Roovertsche Leij, zoals die te zien zijn op de kaart uit 1899 (Fig. 2.4), zijn in de loop van de 20e eeuw productiebossen aangepland om te voorzien in de houtbehoefte. Op de kaart uit de periode 1938-1940 is goed te zien dat veel landbouwpercelen zijn verdwenen (Fig. 2.6). De boerderij op de locatie Biehal bestaat niet meer en het perceel is onderdeel geworden van het bos. Tegenwoordig zijn enkel nog stenen en overblijfselen van een put te zien.

De Roovertsche schuur is op de kaart zichtbaar, maar de omringende landbouwpercelen zijn allemaal beplant met productiebos (Fig. 2.6). De kernen van Gorp en Roovert, die voornamelijk uit kleine boerderijen bestonden, zijn door de schaalvergroting in het omliggende landbouwgebied niet verder gegroeid, maar eerder kleiner geworden. Door leegstand en verwoesting door brand zijn de boerderijen wegens gebrek aan behoefte niet meer opgebouwd en zijn deze plekken, zoals de Biehal, leeg gebleven (Praedium en DUIJF advies en projectmanagement 2012). 2.5

Bodemverstoring

Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (www.bodemloket.nl). De locatie Biehal is in de 20e eeuw beplant met bos. Mogelijk dat de boomwortels schade hebben veroorzaakt aan eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten. Op een oude tekening voor de aanvraag tot verbouwing van de deels afgebrande boerderij op de locatie van de Roovertsche schuur uit 1929 staat een fundering aangegeven met een diepte tot 60 cm beneden maaiveld (informatie aangeleverd door de opdrachtgever). Afhankelijk van de dikte van de humeuze bovengrond is het archeologische niveau onder de schuur nog intact.

11

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Fig. 2.3: Ligging van het plangebied op de kaart uit begin van de 19e eeuw, kadastrale minuut (bron: www.watwaswaar.nl).

Fig. 2.4: Ligging van het plangebied op de kaart uit 1899, Bonneblad (bron: www.watwaswaar.nl).

12

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Fig. 2.5: De oude boerderij die oorspronkelijk op de locatie van de Roovertsche schuur heeft gestaan (bron: opdrachtgever).

Fig. 2.6: Ligging van het plangebied op de Topografische kaart uit 1938-1940 (bron: www.watwaswaar.nl).

13

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

2.6

Archeodienst BV

Specifieke archeologische verwachting

Op basis van bovenstaand bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld, waarvan de essentie is weergegeven in Tab. 2.2. Volgens de IKAW en de CHW geldt voor de locatie Biehal een hoge en voor de locatie Roovertsche schuur een lage archeologische verwachting. De hoge verwachting is gerelateerd aan de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond. Beide locaties liggen in een terraswelvingsvlakte, die bestaat uit rivierafzettingen van de Rijn (Formatie van Sterksel) afgedekt met dekzand. In het dekzand kunnen vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. In de dieper liggende afzettingen van de Formatie van Sterksel kunnen op basis van de ouderdom ook resten uit het Vroeg- en MiddenPaleolithicum aanwezig zijn. Door de lage vondstdichtheid van dergelijke sites is het zeer lastig om deze door middel van een booronderzoek op te sporen. Bovendien is niet bekend hoe het microreliëf er in deze periode heeft uitgezien, omdat het toenmalige landschap is afgedekt met dekzand. Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Jager-verzamelaars kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de (flanken van) hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water.

Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). De beek Roovertse Leij en de vennen maken het een aantrekkelijk gebied voor jager-verzamelaars. In de omgeving is echter nog weinig tot geen archeologisch onderzoek gedaan, waardoor vindplaatsen uit deze periode nog niet zijn ontdekt. De locatie Biehal ligt in een relatief laag gedeelte van de terrasafzettingswelvingen niet direct langs het beekdal of een ven. Daarom is aan de locatie Biehal een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. De locatie Roovertsche schuur ligt op een hogere welving ca. 150 m ten noorden van het beekdal. Op basis van deze landschappelijke ligging is aan deze locatie een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding aan het oppervlak en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. De vuursteenartefacten kunnen vanaf het maaiveld worden verwacht als deze zijn opgeploegd.

In situ vondsten en sporen kunnen onder het eventueel aanwezige plaggendek worden aangetroffen vanaf de top van een eventueel aanwezige podzolbodem dan wel de Chorizont, voor zover deze niet is verploegd. Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Deze sporen kunnen diep in de bodem reiken. De vondsten kunnen vanaf het maaiveld worden verwacht als deze zijn opgeploegd. In situ vondsten en sporen kunnen onder het aanwezige plaggendek worden aangetroffen vanaf de top van een eventueel aanwezige podzolbodem dan wel de C-horizont, voor zover deze niet is verploegd. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Het gebied is lange tijd woeste grond geweest, wat erop wijst dat de locatie niet tot de beste landbouwgrond hoort.

In de Late-Middeleeuwen zijn twee kleine buurtschappen ontstaan, Gorp en Roovert, waar beide locaties onderdeel van uitmaken. Het kan niet worden uitgesloten dat hier of in de nabije omgeving in de Vroege-Middeleeuwen en/of Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) al enkele boerderijen hebben gestaan. Op basis hiervan wordt aan beide locaties een lage verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd en een middelhoge verwachting voor de Vroege- en Late-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Vanaf de Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is een 14

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

hoge ligging van het gebied niet meer bepalend voor het bewoningspatroon. Beide locaties liggen binnen de landbouwpercelen van de buurtschappen Gorp (locatie Biehal) en Roovert (locatie Roovertsche schuur). Op beide locaties heeft in het verleden een (langgevel)boerderij gestaan. Binnen de locaties kunnen mogelijk nog resten van voorgangers van deze boerderijen aanwezig zijn. Daarom wordt aan beide locaties een hoge verwachting toegekend om vindplaatsen vanaf de LateMiddeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd aan te treffen. Vondsten worden vanaf het maaiveld verwacht. Eventuele sporen kunnen direct onder de bouwvoor, maar ook onder het eventueel aanwezige plaggendek worden verwacht. Locatie

Periode

Biehal Roovertsche schuur

Verwachting Middelhoog

Laat-Paleolithicum Mesolithicum

Beide locaties

Neolithicum – Romeinse tijd

Beide locaties

Vroege- en VolleMiddeleeuwen (tot in de 13e eeuw)

Beide locaties

Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw – Nieuwe tijd

Hoog

Laag

Middelhoog

Hoog

Verwachte kenmerken vindplaats

Diepteligging sporen

Bewoningssporen, tijdelijke kampementen: vuursteen artefacten, haardkuilen

Onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke bodem

Nederzetting: cultuurlaag, fragmenten aardewerk, glas, metaal, natuursteen, gebruiksvoorwerpen, zoölogische en botanische resten

Onder het plaggendek tot in de C-horizont

Onder de bouwvoor, het plaggendek tot diep in de C-horizont

Tab. 2.2 Archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

15

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

3 Booronderzoek 3.1

Werkwijze

Op grond van het specifieke archeologische verwachtingsmodel is ervoor gekozen om in eerste instantie een verkennend booronderzoek in het plangebied uit te voeren met een minimum aantal van vier boringen per locatie. Uiteindelijk zijn verspreid over de locatie Biehal (oppervlakte 3.000 m2) 5 boringen gezet en op de locatie Roovertsche schuur (oppervlakte 1.700 m2) 7 boringen. De boringen zijn geplaatst met een edelmanboor met een boordiameter van 7 cm en zijn doorgezet tot minimaal 25 cm in de C-horizont. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint. Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker en Schelling (1989). 3.2

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens

Voor de ligging van de boorpunten wordt verwezen naar bijlage 7, de boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 8. 3.2.1

Locatie Biehal (boring 1 – 5)

De verwachte grofzandige afzettingen van de Formatie van Sterksel zijn niet binnen de maximale boordiepte van 1,2 m beneden maaiveld aangetroffen. De ondergrond bestaat tot ca. 75-105 cm beneden maaiveld uit zwak siltig, matig fijn dekzand (boring 1 en 5). Daaronder is matig siltig tot sterk siltig, zeer fijn zand aanwezig (boring 1-3 en 5). Deze zeer fijne zandafzetting is geïnterpreteerd als verspoeld dekzand en/of een fluvioperiglaciale afzetting. In het zand zijn van oorsprong podzolgronden ontwikkeld. Zowel in boring 1 als in boring 5 zijn restanten van een podzolgrond aangetroffen. In boring 1 was de B- en BC-horizont wel herkenbaar, maar duidelijk verrommeld. Deze locatie ligt op het voormalige erf van de boerderij en is waarschijnlijk verstoord geraakt door de bouw en/of sloop van de boerderij. Ter plaatse van boring 5 is sprake van een grotendeels intacte podzolgrond. De E-horizont en vermoedelijk de top van de B-horizont is vermengd met de bovengrond, maar daaronder is een restant van de oranjebruine Bhorizont (10 cm dik) aangetroffen. De B-horizont gaat geleidelijk via de licht oranjebruine BChorizont over in de C-horizont. Waarschijnlijk is deze boring representatief voor de bodemopbouw in de zuidelijke helft van de locatie, dat altijd buiten het erf heeft gelegen.

In een groot deel van de locatie komen dus niet de verwachte enkeerdgronden voor, maar podzolgronden (zie paragraaf 2.2.2). De bodem ter plaatse van het voormalige erf is verstoord tot in de C-horizont (boring 2 en 3). De verstoorde lagen kenmerken zich door (baksteen)puin en een gevlekt uiterlijk. Onder de verstoorde lagen is vanaf 85-90 cm beneden maaiveld verspoeld dekzand/fluvioperiglaciale afzetting aangetroffen. Dit wijst erop dat het bovenste deel van de C-horizont, dat uit dekzand bestaat, geheel is afgegraven/verstoord. De verstoring is het resultaat van de bouw en sloop van de boerderij met schuur die op de locatie heeft gestaan. Boring 3 is ter plaatse van de boerderijlocatie gezet. Onder een 40 cm dikke puinlaag, die met een schep is verwijderd, is de boring door verstoorde lagen heen gezet. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er vermoedelijk geen funderingsresten meer in de ondergrond liggen. Enkele meters ten oosten van boring 3 ligt nog een berg puin dat van de sloop afkomstig is. Boring 4 is ter plaatse van de voormalige tuin van de boerderij gezet. Hier is sprake van een zwak humeuze, donker grijsbruine laag, die vanaf 105 cm beneden maaiveld via een scherpe grens overgaat in de C-horizont. Dit pakket kan waarschijnlijk als een (sub)recent plaggendek worden geïnterpreteerd.

Het is echter sterk doorworteld en de gevlektheid van de onderste 15 cm lijkt geen vermengde laag met de C-horizont te zijn, maar een verstoorde laag te betreffen. De oorspronkelijke podzolgrond is geheel verdwenen. De bodem ter plaatse van deze boring kan als enige worden geclassificeerd als een hoge zwarte enkeerdgrond. Opvallend is dat het voormalige akkerperceel ten noorden van de locatie duidelijk hoger ligt, naar schatting een halve meter.

16

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

3.2.2

Archeodienst BV

Locatie Roovertsche schuur (boring 6 – 12)

De natuurlijke ondergrond bestaat uit zwak siltig, matig fijn zand dat goed is gesorteerd en afgerond aanvoelt. Op basis van deze kenmerken is het zand geïnterpreteerd als dekzand. Binnen de maximale boordiepte van 2,0 m beneden maaiveld (boring 6) zijn de grofzandige afzettingen van de Formatie van Sterksel niet aangetroffen. Ook fluvioperiglaciale afzettingen of verspoeld dekzand ontbreken. Dit bevestigt de hogere ligging in het landschap ten opzichte van de locatie Biehal (zie paragraaf 2.2.1). In het bureauonderzoek staat vermeld dat ca. 50 m ten zuiden van de locatie een stuifzandgebied aanwezig is, die mogelijk tot in het plangebied reikt (zie paragraaf 2.2.1). Boring 6 heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat op (een deel van) de locatie sprake is van een overstoven landschap. Op basis van de bodemkaart ligt de locatie op de scheiding van de hoge zwarte enkeerdgronden in het westen en de podzolgronden in het oosten. Dit wordt bevestigd door de resultaten van het booronderzoek. Op de locatie is vastgesteld dat oorspronkelijke podzolgronden zijn ontwikkeld, maar deze zijn in verstoorde context waargenomen. De boringen 6, 7, 10 en 11 worden gekenmerkt door een verrommeld bodemprofiel vanaf/direct onder de bouwvoor, waarin de oorspronkelijke Bhorizont van de podzolgrond nog herkenbaar is. De recente bodemverstoring reikt tot gemiddeld 40-70 cm beneden maaiveld.

In boring 7 die ter plaatse van de voormalige langgevelboerderij is gezet, zijn geen funderingsresten aangetroffen en ontbreken puin-/baksteenresten. Dit wijst erop dat de voormalige boerderij volledig is gesloopt. In de noordwestelijke hoek van het plangebied (boring 8, 9 en 12) zijn hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig die bestaan uit een plaggendek met daaronder de C-horizont. Het plaggendek bestaat uit een humeuze, donker bruingrijze, huidige bouwvoor (Aap-horizont) met daaronder een lichter gekleurde oudere laag van het plaggendek (Aahorizont). Mogelijk is de oudere laag niet opgebracht, maar betreft het een oude cultuurlaag/akkerlaag die is ontstaan ter hoogte van het oorspronkelijke bodemniveau door langdurige bodembewerking. Het plaggendek, inclusief de huidige bouwvoor, heeft een dikte van 60-75 cm. 3.3

Archeologische indicatoren

Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het verkennend booronderzoek had ook niet tot doel om archeologische indicatoren op te sporen. 3.4 3.4.1

Archeologische interpretatie Locatie Biehal

In de zuidelijke helft van de locatie is een deels intacte podzolgrond aangetroffen. Ter plaatse van het voormalige erf en de tuin in de noordelijke helft is de bodem tot diep in de C-horizont verstoord. In de ondergrond zijn waarschijnlijk geen restanten van de fundering van de voormalige boerderij meer aanwezig. Op basis van het bureauonderzoek was aan de locatie een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. In de noordelijke helft van het plangebied is de podzolgrond geheel verdwenen en worden dus geen vuursteenvindplaatsen meer verwacht. In de zuidelijke helft van het plangebied kunnen vanwege de aanwezigheid van (deels) intacte podzolgronden nog wel vuursteenvindplaatsen worden verwacht. Op basis van deze resultaten wordt de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum voor het noordelijke deel naar laag bijgesteld en voor het zuidelijke deel gehandhaafd. In het bureauonderzoek is op basis van de landschappelijke ligging een lage verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd.

De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om deze verwachting bij te stellen. Voor de periode Vroege- tot Late-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de periode Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd gold op basis van het bureauonderzoek 17

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

respectievelijk een middelhoge en hoge verwachting. In de noordelijke helft van de locatie ter plaatse van het erf en de tuin is de oorspronkelijke bodem geheel verdwenen en zijn diepe bodemverstoringen aangetroffen, die waarschijnlijk door de bouw en sloop van de voormalige boerderij ontstaan. De kans op intacte funderingsresten van de voormalige bebouwing is klein. Door de aangetroffen bodemverstoring en het ontbreken van aanwijzingen voor funderingsresten wordt de respectievelijk middelhoge en hoge verwachting voor de periode Vroege-Middeleeuwen – LateMiddeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor de noordelijke helft van de locatie naar laag bijgesteld. In de zuidelijke helft van de locatie is de kans op een (deels) intact bodemprofiel groot. Hier kunnen nog sporen uit de periode Vroege-Middeleeuwen – Nieuwe tijd aanwezig zijn en blijft de respectievelijk middelhoge en hoge verwachting gehandhaafd. 3.4.2

Locatie Roovertsche schuur

In het noordoostelijke en zuidelijke deel van de locatie zijn verrommelde podzolgronden aangetroffen. De recente bodemverstoring reikt tot gemiddeld 40-70 cm. In de noordwestelijke hoek zijn de podzolgronden verdwenen en opgenomen in het afdekkende plaggendek. Hier zijn intacte enkeerdgronden aanwezig met ca. 60-75 cm dik plaggendek. Op basis van het bureauonderzoek was aan de locatie een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. In de noordoostelijke hoek van de locatie is de podzolgrond geheel verdwenen en worden dus geen vuursteenvindplaatsen meer verwacht. In het noordoostelijke en zuidelijke deel zijn weliswaar restanten van een podzolgrond aangetroffen, maar deze zijn verrommeld tot in de C-horizont. De kans op een vuursteenvindplaats die in situ ligt, wordt daarom klein geacht. Op basis van deze resultaten wordt de hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum naar laag bijgesteld. In het bureauonderzoek is op basis van de landschappelijke ligging een lage verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd.

De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om deze verwachting bij te stellen. Voor de periode Vroege- tot Late-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de periode Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd gold op basis van het bureauonderzoek respectievelijk een middelhoge en hoge verwachting. In het plangebied zijn geen diepe bodemverstoringen aangetroffen en in de noordwestelijke hoek is sprake van intacte enkeerdgronden. Dit betekent dat het archeologische niveau voor sporen uit de periode Vroege-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd intact is. De respectievelijk middelhoge en hoge verwachting voor de periode Vroege- tot Late-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de periode Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd blijft daarom gehandhaafd.

18

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

4 Conclusie en aanbeveling 4.1

Inleiding

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek was om deze verwachting te toetsen. In de volgende paragrafen wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen zoals die voorafgaand aan het onderzoek zijn geformuleerd en wordt een advies gegeven ten aanzien van archeologisch vervolgonderzoek. 4.2

Conclusies / beantwoording van de onderzoeksvragen 

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? o Locatie Biehal: de ondergrond bestaat uit een dunne laag matig fijn dekzand met daaronder verspoeld dekzand/fluvioperiglaciale afzettingen die uit matig tot sterk siltige zandlagen bestaan. In de zuidelijke helft van de locatie is een deels intacte podzolgrond aangetroffen. Ter plaatse van het voormalige erf en de tuin is de bodem tot diep in de C-horizont verstoord, waardoor sprake is van een lage archeologische verwachting (zie ook volgende vraag). o Locatie Roovertsche schuur: de ondergrond bestaat uit matig fijn dekzand. In het noordoostelijke en zuidelijke deel van de locatie zijn verrommelde podzolgronden aangetroffen. De recente bodemverstoring reikt tot gemiddeld 40-70 cm. In de noordwestelijke hoek zijn de podzolgronden verdwenen en opgenomen in het afdekkende plaggendek. Het plaggendek heeft een dikte van ca. 60-75 cm.

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? o Locatie Biehal: de middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum uit het bureauonderzoek wordt voor de noordelijke helft op basis van de aangetroffen bodemverstoring naar laag bijgesteld. In de zuidelijke helft is een (deels) intacte podzolgrond aangetroffen, waardoor de middelhoge verwachting gehandhaafd blijft. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd bij te stellen. Op basis van de intactheid van de bodem blijft de middelhoge verwachting voor de Vroege-Middeleeuwen tot de Late-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de nieuwe tijd voor het zuidelijke deel gehandhaafd. Voor de noordelijke helft wordt deze verwachting naar laag bijgesteld. Hieruit volgt dat voor het noordelijke deel van de locatie een lage archeologische verwachting geldt voor alle archeologische perioden. o Locatie Roovertsche schuur: de hoge verwachting voor vindplaatsen uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum uit het bureauonderzoek wordt op basis van de aangetroffen bodemverstoring naar laag bijgesteld.

De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd bij te stellen. Op basis van de intactheid van de het archeologische niveau blijft de middelhoge verwachting voor de Vroege-Middeleeuwen tot de Late-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen (vanaf de 14e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor het plangebied gehandhaafd.

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden? o Locatie Biehal: vanwege de aangetroffen bodemverstoring worden in de noordelijke helft van de locatie geen archeologische resten meer verwacht. Eventuele graafwerkzaamheden in dit gedeelte vormen dan ook geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. In de zuidelijke helft zijn (deels) intacte podzolgronden aanwezig, waardoor een eventueel aanwezige vindplaats intact is. Aangezien vuursteenvindplaatsen aanwezig kunnen zijn, die voornamelijk uit een strooiing van fragmenten vuursteen nabij het oppervlak bestaan, kunnen bij bodemingrepen dieper dan de bouwvoor (30 cm) archeologische resten verloren gaan.

19

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

o

4.3

Archeodienst BV

Locatie Roovertsche schuur: op deze locatie is een intact archeologisch sporenniveau aangetroffen vanaf 60-75 cm beneden maaiveld. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld (buffer van 10-15 cm), kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan.

Advies

Op grond van de resultaten van het onderzoek acht Archeodienst BV een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk onder bepaalde voorwaarden. Dit wordt in de onderstaande tekst toegelicht. 4.3.1

Locatie Biehal

Wanneer de nieuwbouw op de locatie Biehal in de noordelijke helft wordt gerealiseerd, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk (Fig. 4.1). In deze zone is de bodem tot diep in de C-horizont verstoord. Wanneer de nieuwbouw in de zuidelijke helft wordt neergezet, is vervolgonderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld. In deze zone kunnen vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden aanwezig zijn, maar ook nederzettingsresten uit de Vroege-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van de verwachte archeologische resten en het bodemtype (podzolgrond) adviseert Archeodienst een karterend booronderzoek in een grid van 20 x 25 m (boordichtheid van 20 boringen per hectare). Het onderzoek is op deze manier karterend voor vindplaatsen vanaf de Steentijd (methode A1, Tol et al. 2006). Aangezien dit deel van de locatie een oppervlakte heeft van ca. 1.500 m2, zal het minimum aantal van vijf boringen noodzakelijk zijn.

Fig. 4.1: Advieskaart locatie Biehal.

20

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

4.3.2

Archeodienst BV

Locatie Roovertsche schuur

Wanneer de geplande nieuwbouw ter plaatse van de huidige bebouwing (de Roovertsche schuur) plaatsvindt, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er zal op dezelfde plek worden gebouwd als waar de oorspronkelijke boerderij heeft gestaan, waardoor geen sprake is van een mogelijke verstoring van het archeologische bodemarchief. Daarom is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

Fig. 4.2: Advieskaart locatie Roovertsche schuur.

Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Hilvarenbeek), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen dienen deze conform de Monumentenwet 1988, artikel 53, bij de minister gemeld te worden. Het verdient aanbeveling om ook de gemeente op de hoogte te stellen.

21

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Literatuur Alterra (Vries, F. de / W.J.M. de Groot / T. Hoogland / J. Denneboom), 2003: De bodemkaart van Nederland digitaal, Toelichting bij de inhoud, actualiteit en methode en korte beschrijving van additionele informatie, Wageningen (Alterra-rapport 811). Alterra (Koomen, A.J.M. / G.J. Maas), 2004: Geomorfologische kaart Nederland (GKN), achtergronddocument bij het landsdekkende digitale bestand, Wageningen (Alterra-rapport 1039) Bakker, H. de/J. Schelling, 1989² (1966): Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland, Wageningen Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, Assen. Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land; Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen. Centraal College van Deskundigen Archeologie, 2010: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.2, Gouda. Mulder, E.F.J. de/M.C. Geluk/I.L. Ritsma/W.E. Westerhof/T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen. Kadaster, 2009: Topografische kaart 1: 25.000, Apeldoorn. NEN (Nederlands Normalisatie Instituut), 1990: NEN-5104:1989 NL, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft. Praedium en DUIJF advies en projectmanagement, 2012: Ontwikkelingsplan Landgoed Gorp & Roovert. RAAP-rapport 2540, 2012: Verborgen tussen het groen. Een archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente Hilvarenbeek. Amsterdam.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2009: Handleiding voor de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden 3e Generatie & Toelichtingen op: De Globale Archeologische Kaart van het Continentale Plat / De Kaart van Hoog Nederland met Afgedekte Pleistocene Sedimenten, Amersfoort. Stichting voor Bodemkartering, 1985: Toelichting bij de Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 50 Oost Tilburg en 51 West Eindhoven, Wageningen. TNO Bouw en Ondergrond, 2008: Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000. Utrecht. Tol, A.J./J.W.H.P. Verhagen/M. Verbruggen, 2006: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek, Gouda (SIKB uitgave). Websites http://www.ahn.nl (Actueel Hoogtebestand van Nederland) http://www.watwaswaar.nl (diverse historische kaarten) http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html (diverse kaarten, waaronder IKAW en AMK) http://www.kich.nl (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) http://www.bodemloket.nl (Bodemloket) http://www.kempischelandgoederen.nl

Lijst van afbeeldingen Fig. 1.1: Het plangebied op de topografische kaart 1:25.000 (bron: kadaster 2009). ..................... 6 22

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Fig. 2.1: Het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). ..................................................................................................................... 9 Fig. 2.2: Het plangebied op een uitsnede van de gemeentelijke beleidskaart (bron: RAAP-rapport 2450). ...............................................................................................................................10 Fig. 2.3: Ligging van het plangebied op de kaart uit begin van de 19e eeuw, kadastrale minuut (bron: www.watwaswaar.nl). ..............................................................................................12 Fig. 2.4: Ligging van het plangebied op de kaart uit 1899, Bonneblad (bron: www.watwaswaar.nl). ........................................................................................................................................12 Fig. 2.5: De oude boerderij die oorspronkelijk op de locatie van de Roovertsche schuur heeft gestaan (bron: opdrachtgever). ...........................................................................................13 Fig. 2.6: Ligging van het plangebied op de Topografische kaart uit 1938-1940 (bron: www.watwaswaar.nl). ........................................................................................................13 Fig. 4.1: Advieskaart locatie Biehal.

..........................................................................................20 Fig. 4.2: Advieskaart locatie Roovertsche schuur........................................................................21

Lijst van tabellen Tab. 2.1 Overzicht van de monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1 km rondom het plangebied........................................................................................10 Tab. 2.2 Archeologische verwachting per periode voor het plangebied. .......................................15

23

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Bijlage 1: Periodentabel

Archeodienst BV

BO en IVO-V op het Landgoed Gorp & Roovert, twee bouwlocaties, eindrapport

Archeodienst BV

Bijlage 2: Afkortingenlijst a f k o rt ing …g1 …g2 …g3 …h1 …h2 …h3 -1L -2L -3L -4L -5L -6L AD afb. A HN AM K AM S AM Z A RCHIS art. A SB AW A WC A WG A WH BC BE bijv. BL blz B OT BP BR BR B RONS B RONSL B RONSM B RONSM A B RONSM B B RONSV BS B TO B TV B UIK B UITEN BV bv. C 14 CA ca. CA A CA D CCvD CHA L Chr. CHW CIS cm CM A CRI D DA O DIORIET DIST DOLERIET drs. e .d. e.v. ECO et al. etc. FE FeO2 FF FG Fig. GA N G GE gem. gew. GIS GLD GLS GN GP S GR ha . HK HL HT HU id IJZ IJZL IJZM IJZV IKA W INDET ing IVO IVO-O IVO-P

be t e k e nis zwak grindig matig grindig sterk grindig zwak humeus matig humeus sterk humeus 1-ledig 2-ledig 3-ledig 4-ledig 5-ledig 6-ledig A nno Do mini (datering na Christus) afbeelding A ctueel Ho o gtebestand Nederland A rcheo lo gische M o numenten Kaart versnelde C14-metho de A rcheo lo gische M o numenten Zo rg A rcheo lo gisch Info rmatie Systeem artikel A rcheo lo gische Standaard B o o rbeschrijving A ardewerK (o ndetermineerbaar) A ardewerkco ncentratie gedraaid handgevo rmd B efo re Christ (datering vo o r Christus) B eige bijvo o rbeeld B lauw bladzijde Bot B efo re P resent (datering t.o .v.

'heden', zijnde 1950) B ro ns B ruin B ro nstijd Late-B ro nstijd M idden-B ro nstijd M idden-B ro nstijd A M idden-B ro nstijd B Vro ege-B ro nstijd B aksteen Onverbrand bo t Verbrand bo t tussen bo dem en scho uder o f rand buitenkant B o uwvo o r bijvo o rbeeld Ko o lsto fdatering kalk circa Centraal A rcheo lo gisch A rchief Co mputer-aided Drafting (o f Design) Centraal Co llege van Deskundigen Chalcedo o n Christus Cultuur-Histo rische Waardenkaart Centraal Info rmatie Systeem centimeter Centraal M o numenten A rchief Crino iden kalk do nker Defintief A rcheo lo gisch Onderzo ek Dio riet Distaal (verst weg van bewerking) Do leriet do cto randus en dergelijke en verder eco lo gische mo nsters et alii (en anderen) etcetera Ijzer/o er ro est (ijzero xide) Fo sfaat Fysisch Geo graaf/ Fysische Geo grafie Figuur Gangkwarts Geel gemiddeld gewicht Geo grafisch Info rmatie Systeem Glad(wandig) Glas Gro en Glo bal P o sitio ning System Grijs hectare Ho utsko o l Hutteleem Ho ut Humus identiek aan IJzertijd Late-IJzertijd M idden-IJzertijd Vro ege-IJzertijd Indicatieve Kaart van A rcheo lo gische Waarden Ondetermineerbaar ingenieur Inventariserend Veldo nderzo ek Inventariserend Veldo nderzo ek Overig Inventariserend Veldo nderzo ek P ro efsleuven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13574922/1