13 bestemmingsplan Roovert 3B, Hilvarenbeek (5a Bijlage 5 bij de toelichting Quickscan Flora en Fauna)
Tekst van het document
Quickscan Natuurbeschermingswet en Flora- en faunawet voor Landgoed Gorp & Roovert concept
In opdracht van: Gorp & Rovert BV 30 augustus 2012 J.P.M. Hovens en G. Hovens
Faunaconsult Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Inhoud 1 Inleiding........................................................................................................................................... 2 2 Beleidskader .................................................................................................................................... 3 2.1 Inleiding................................................................................................................................... 3 2.2 Flora- en faunawet ................................................................................................................... 3 2.3 Natuurbeschermingswet 1998 ................................................................................................. 4 3 Werkwijze ....................................................................................................................................... 6 3.1 Beschrijving van het plangebied ............................................................................................. 6 3.2 Inventarisatie ......................................................................................................................... 15 4 Resultaten inventarisatie................................................................................................................
17 4.1 Resultaten beleidsinventarisatie ............................................................................................ 17 4.2 Resultaten veldinventarisatie ................................................................................................. 20 5 Effecten van de voorgenomen maatregelen................................................................................... 26 5.1 De ingreep ............................................................................................................................. 26 5.2 Effecten op vleermuizen ........................................................................................................ 27 5.3 Effecten op algemene beschermde soorten in het plangebied ............................................... 28 5.4 Effecten op strenger beschermde vogelnesten....................................................................... 28 5.5 Effecten op beschermde en bijzondere planten ..................................................................... 28 5.6 Effecten op herpetofauna....................................................................................................... 28 5.7 Effecten op bijzondere insecten.............................................................................................
29 5.8 Effecten op waterorganismen in de Roovertsche Leij ........................................................... 29 5.9 Effecten op de kale rode bosmier .......................................................................................... 29 5.10 Effecten op prioritaire habitats en soorten van Natura 2000 gebied ..................................... 29 5.11 Effecten op de EHS ............................................................................................................... 30 6. Consequenties vanuit de wet- en regelgeving ............................................................................... 31 6.1 Flora- en faunawet ................................................................................................................. 31 6.2 Overige regelgeving .............................................................................................................. 32 Literatuur ............................................................................................................................................... 33
1
1
Inleiding
Aanleiding Gorp & Rovert BV heeft ecologisch adviesbureau Faunaconsult opdracht gegeven voor het uitvoeren van een quickscan Flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet op Landgoed Gorp & Roovert. Om de natuurwaarden op het landgoed te versterken, is een aantal beheers- en inrichtingsmaatregelen nodig, zoals: Omvorming 2,5 ha agrarisch perceel naar vochtig hooiland ’t Molentje Omvorming 0,85 ha bosperceel langs de Leij naar historische akkernatuur Herbenutten van 2 schuilkelders als vleermuizenkelder Creëren 1,3 ha hei langs Beeksedijk Herstel van ca. 1 ha vochtige heide bij Haneven en Horstven Verhoging natuurwaarden 4,5 ha gagelstruweel ten zuiden van de Roovertse dijk Venherstel Bankven. Daarnaast is het voor de beleefbaarheid van het landgoed wenselijk de volgende maatregelen te treffen: Realisatie van 5 ha speel-, klim- en educatiebos Realisatie van een recreatieve poort De aanleg van enkele fietspaden Herstel laanstructuren Warande Herstellen overige lanen Sloop bestaande pompgebouw. Om de bovenstaande maatregelen te kunnen uitvoeren, is een aantal kostendragers nodig.
Gorp & Roovert wil daarom: De Roovertsche schuur herbestemmen tot woning Een langgevelboerderij laten bouwen Faunaconsult is gevraagd aan te geven: - welke beschermde dieren en planten mogelijk komen voorkomen in het plangebied; - welke prioritaire habitats en (potentiële) habitats van prioritaire Habitatrichtlijnsoorten in het plangebied voorkomen; - welke effecten de voorgenomen ingrepen daarop hebben; - hoe negatieve effecten zoveel mogelijk worden gemitigeerd (verzacht) of voorkomen. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft het plangebied en de werkwijze. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de veldinventarisaties weergegeven en in hoofdstuk 5 de effecten van de voorgenomen maatregelen. Hoofdstuk 6 behandelt de consequenties vanuit de wet- en regelgeving.
2
2
Beleidskader
2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het natuurbeleid van de diverse overheden, dat van belang is bij de voorgenomen herinrichting van het plangebied. Het natuur- en soortenbeleid is in Nederland geregeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hiermee wordt onder andere invulling gegeven aan de Europese wet- en regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. 2.2 Flora- en faunawet De Flora- en faunawet (Stb. 1998, 402) is op 1 april 2002 in werking is getreden. Deze wet bundelt onder meer de bepalingen over soortenbescherming die voorheen in verschillende wetten waren opgenomen, namelijk de Vogelwet 1936, de Jachtwet, (de oude) Natuurbeschermingswet, de Nuttige Dierenwet 1914 en de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten. De Flora- en faunawet richt zich op de bescherming van circa 500 plant- en diersoorten. Het gaat hierbij om alle inheemse zoogdieren (uitgezonderd bruine rat, zwarte rat en huismuis), alle inheemse vogelsoorten, alle amfibieën en reptielen, een aantal vissen en enkele bij AMvB (Stb. 523, 2000) speciaal aangewezen plant- en diersoorten. Uitgangspunt van de wet is het ‘nee, tenzij’- beginsel.
Slechts voor een beperkt aantal handelingen kan op basis van artikel 75 van de Flora- en faunawet ontheffing worden verleend van de verboden uit artikel 8 t/m 18 van de wet (voor zover hiervoor niet reeds op basis van een ander artikel vrijstelling of ontheffing kan worden verleend). Voorwaarde daarbij is dat met de voorgenomen activiteit geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Kort gezegd worden de onder de Flora- en faunawet beschermde plant- en diersoorten in drie categorieën opgedeeld, met elk een ander regime wat betreft ontheffingen: algemene soorten (FF1); overige soorten (FF2); streng beschermde soorten (FF3). De categorie ‘algemene soorten’ –zoals mol en konijn - is voor de meeste activiteiten vrijgesteld voor een ontheffingsaanvraag. De categorie ‘overige soorten’ is eveneens voor de meeste activiteiten vrijgesteld voor een ontheffingsaanvraag, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) goedgekeurde gedragscode.
In zo'n code geeft een sector zelf aan welke gedragslijnen men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld: altijd eerst inventariseren waar de soorten precies voorkomen en daar met de werkzaamheden rekening mee houden, bijvoorbeeld door een hol af te schermen of de standplaats van planten aan te geven. Voor ingrepen waarvoor geen goedgekeurde gedragscode bestaat, moet ten aanzien van verblijfplaatsen van beschermde soorten uit de categorie ‘overige soorten’, een ontheffing worden aangevraagd. Daarbij kan worden volstaan met een zogenaamde lichte toetsing. Dat houdt in dat de voorgenomen maatregelen ‘geen afbreuk doen aan gunstige staat van instandhouding van de soort’. De categorie ‘streng beschermde soorten’ omvat de soorten die worden genoemd in bijlage 4 van de Habitatrichtlijn of bijlage 1 van AMvB artikel 75 van de Flora- en faunawet. Voor de categorie ‘streng beschermde soorten’ wordt slechts in een beperkt aantal situaties een vrijstelling verleend. Voor bijlage 1 soorten wordt getoetst aan de volgende drie criteria (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2010): 1) er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort 2) er is geen goed alternatief 3) de activiteit past binnen een van de hierna genoemde belangen: Onderzoek en onderwijs; Repopulatie en herintroductie;
3
Bescherming van flora en fauna; Veiligheid van het luchtverkeer; Volksgezondheid of openbare veiligheid; Dwingende redenen van openbaar belang; Voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom Belangrijke overlast veroorzaakt door dieren; Uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en bosbouw; Bestendig gebruik; Uitvoering in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.
Deze drie criteria vormen de zg. uitgebreide toets en aan alle drie moet worden voldaan. Als het gaat om een ontheffingsaanvraag in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het gaat om streng beschermde soorten en/of vogels, dan wordt extra getoetst op een vierde criterium: 4) de werkzaamheden moeten zodanig uitgevoerd worden dat er sprake is van ‘zorgvuldig handelen’ Voor ruimtelijke maatregelen kan men ten aanzien van streng beschermde soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn ontheffing krijgen op grond van belangen die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn. Dat zijn: Bescherming van flora en fauna Volksgezondheid of openbare veiligheid Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Voor ruimtelijke maatregelen kan men ten aanzien van vogels ontheffing krijgen op grond van belangen die zijn opgenomen in de Vogelrichtlijn. Dat zijn: Bescherming van flora en fauna Veiligheid van het luchtverkeer Volksgezondheid of openbare veiligheid 2.3 Natuurbeschermingswet 1998 De eerste Natuurbeschermingswet in Nederland dateert van 1967, deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen, onder andere door het aanwijzen van beschermde natuurmonumenten.
De oorspronkelijke natuurbeschermingswet is in 1998 vervangen door Natuurbeschermingswet 1998 en richt zich sindsdien nog uitsluitend op de bescherming van gebieden. De bepalingen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (tezamen genoemd ‘Natura 2000’) zijn geïmplementeerd in Natuurbeschermingswet 1998. Zodoende is het Europese beleid ten aanzien van natuurbescherming in de Nederlandse wet verankerd. Natuurbeschermingswet 1998 regelt de aanwijzing en bescherming van de volgende soorten gebieden: Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (samen zijn dit de Natura 2000-gebieden); Beschermde natuurmonumenten; Wetlands (RAMSAR Conventie). De Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) richt zich op de bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en in het bijzonder op de leefgebieden van bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. In de richtlijn worden nadere regels gesteld aan de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. Een aantal gebieden is hierbij aangewezen als speciale beschermingszone. Deze gebieden maken onderdeel uit van Natura 2000, het ecologische netwerk van natuurgebieden in Europa. Voor beschermde vogelsoorten kan geen ontheffing worden aangevraagd voor uitvoering van werkzaamheden.
4
De Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) richt zich op de instandhouding van natuurlijke habitats, habitats van soorten en de bescherming van plant- en diersoorten, met uitzondering van vogels. In bijlage I van deze richtlijn worden speciale beschermingszones aangewezen voor kwetsbare, bedreigde of zeldzame habitattypen. Bijlage II vermeldt de kwetsbare, bedreigde of zeldzame dier- en plantensoorten die beschermd moeten worden door speciale beschermingszones aan te wijzen. Bijlage IV vermeldt in het wild voorkomende kwetsbare, bedreigde of zeldzame dier- en plantensoorten die strikt beschermd moeten worden. Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen samen Natura 2000. Alle lidstaten van de Europese Unie wijzen beschermde natuurgebieden aan die waardevol zijn voor het behoud van biodiversiteit in Europa. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging maken rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de minister van EL&I. Daarnaast zal Nederland in de komende jaren voor alle gebieden die samen Natura 2000 vormen, beheersplannen opstellen. Deze beheersplannen maken duidelijk welke activiteiten wel en niet mogelijk zijn in en om die gebieden.
Beschermde natuurmonumenten Met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden zullen Beschermde Natuurmonumenten die overlappen met zo'n aanwijzing komen te vervallen. De buiten de Natura 2000 gebieden gelegen Beschermde Natuurmonumenten blijven bestaan. Beschermde Natuurmonumenten zijn als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van grote ecologische waarden. Wetlands (RAMSAR Conventie) De Ramsar-conventie is een internationale overeenkomst inzake watergebieden (draslanden) die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels. Een groot deel van deze beschermde wetlands is in Nederland ook al als Natura 2000 gebied aangewezen.
5
3
Werkwijze
3.1 Beschrijving van het plangebied 3.1.1 Algemeen Landgoed Gorp & Roovert is ruim 1200 hectare groot en bevindt zich tussen de gemeenten Hilvarenbeek en Goirle, en de Belgische grens. Het landgoed bestaat grotendeels uit naaldbossen (met name grove den, Corsicaanse den en Douglasspar) met weinig ondergroei. Daarnaast is er een aantal bosvakken met beuk, zomereik en Amerikaanse eik. Binnen het landgoed bevinden zich enkele droge en natte heidegebieden, die veelal sterk hebben te leiden onder vergrassing door pijpenstrootje. Dwars door het gebied meandert de Roovertsche Leij en bevinden zich de vennen Bankven, Papschot en Haneven. Het plangebied bestaat uit verschillende planlocaties, die zijn weergegeven in figuur 1. De nu volgende paragrafen met de beschrijvingen van de planlocaties corresponderen met de nummers in deze figuur.
Figuur 1. De planlocaties
6
3.1.2
Vochtig hooiland ’t Molentje
Figuur 2. Vochtig hooiland 't Molentje
Dit grasland is in 2011 aangelegd uit een 2,5 ha groot populierenbos. Hiertoe zijn de populieren gerooid en is het terrein ingezaaid. Men wil hier vochtig schraalgrasland realiseren door jaarlijks maaien en afvoeren. Tijdens het veldbezoek was het terrein net gemaaid, zodat de meeste soorten niet als zodanig waren te herkennen. De aanwezigheid van veldrus (naast pitrus) en egelboterbloem indiceren dat de ontwikkeling van vochtig, voedselarm grasland mogelijk is. Veldrus is op vochtige pleistocene gronden een soort die in blauwe graslanden meestal dominant aanwezig is (Schaminée et al., 1998). Egelboterbloem komt voor op fosfaatarme gronden die ’s winters ondiep onder water staan en ’s zomers meestal droogvallen, maar niet uitdrogen (Weeda et al., 2003). 3.1.3 Schuilkelder nabij het voormalige pompgebouw Deze voormalige schuilkelder uit de tweede wereldoorlog is afgesloten, maar kon tijdens het veldbezoek, via een door derden gegraven tunnel toch worden geïnspecteerd. De schuilkelder is circa 12 meter lang, 5 meter breed, zo’n 2 meter hoog en bestaat uit 3 vertrekken. De ‘ingang’ is gericht op het noordoosten en gelegen aan een bosrand van grotendeels naaldhout.
Figuur 3. De ‘ingang’ van de voormalige schuilkelder
7
Figuur 4. Een kijkje in de schuilkelder nabij het voormalige pompgebouw
3.1.4 Het voormalige pompgebouw Het voormalige pompgebouw is erg vervallen.
Figuur 5. Het voormalige pompgebouw
8
3.1.5 Te creëren hei langs de Beekse dijk De twee tot heide om te vormen percelen zijn, van noord naar zuid, respectievelijk als wildakker en als jonge grove dennenaanplant in gebruik. In de wildakker groeit koolzaad en aan de noordwestzijde bevindt zich een rij rododendrons. In de jonge grove dennenaanplant is geen kruidlaag aanwezig.
Figuur 6. De wildakker met uitgebloeide gele mosterd
3.1.6 Het Bankven De oeverzones van het Bankven zijn aan de oost- en zuidoostzijden grotendeels met riet begroeid. De westelijke oeverzones bevatten enkele metersbrede delen die zijn begroeid met gewone waterbies en her en der wat watermunt. Met name op de zuidoostoever groeien de zeldzame planten gesteeld glaskroos en oeverkruid. Op de oevers groeien wilgen, rododendrons, en met name aan de westzijde nogal wat Japanse duizendknoop. Ook komt her en der grote wederik en braam voor op de oevers. In het Bankven zwommen tijdens het veldbezoek tientallen wilde eenden en soepeenden, een koppel knobbelzwanen met jongen en enkele tientallen meerkoeten. In het Bankven bevinden zich twee eilandjes die zijn begroeid met wilg, ruwe berk en rododendron. In de omringende bospercelen domineren volwassen beuken of verschillende naaldhoutsoorten. 3.1.7 Vergraste heide bij het Haneven Hier domineert pijpenstrootje met een bedekkingspercentage van meer dan 99% in de kruidlaag. De pollen hebben een sterk horstvormige vorm en zelfs in de inundatiegreppels was tijdens het veldbezoek geen water aanwezig. De sterke horstvorm van de pijpenstrootjes vormen een duidelijke indicatie voor sterke schommelingen in de waterstand (Weeda et al., 1994), evenals de dominantie van waternavel op de bodem van de greppels (Weeda et al., 1987).
9
Figuur 7. Een met gewone waterbies begroeide oever van het Bankven
Figuur 8. Met pijpenstrootje vergraste heide ten zuiden van het Bankven
10
3.1.8 Schuilkeldernabij het Haneven Deze voormalige schuilkelder uit de tweede wereldoorlog is wat kleiner als die in 3.1.3, met een breedte van 4 meter, een lengte van 6 meter en een hoogte van zo’n 2 meter. De ingang ligt op het noorden en de kelder ligt naast een sloot tussen een akker en een jonge grove dennenaanplant.
Figuur 9. De schuilkelder nabij het Haneven
3.1.9 Aan te leggen fietspaden De aan te leggen fietspaden zullen in principe op de bestaande zandwegen worden aangelegd. Hier zijn vrijwel geen planten aanwezig. Aan weerszijden van de meeste zandwegen bevinden zich rijen beuken met her en der een zomereik. 3.1.10 Te herstellen lanen Op veel plaatsen zijn er ‘gaten’ gevallen in de rijen laanbomen naast de vele wegen op het landgoed. Ook zijn er bomen die omwille van de veiligheid van het verkeer niet kunnen worden gehandhaafd. De begroeiing op deze plaatsen verschilt en is veelal afwezig. De meeste lanen doorsnijden opstanden met Douglas, grove den of Corsicaanse den. 3.1.11 Te realiseren recreatieve poort Een braakliggend perceel dat is begroeid met Canadese fijnstraal en gras. Het perceel is aan drie zijden omringd door een thujahaag. 3.1.12 Te realiseren speel-, klim- en educatiebos Deze locatie bestaat uit verschillende bospercelen, waarin telkens een andere boomsoort domineert. Van west naar
Figuur 10. Hier is een fietspad gewenst
11
oost zijn dit respectievelijk gemengd bos (met onder andere Corsicaanse den en een ondergroei die wordt gedomineerd door adelaarsvaren), ruwe berk, lariks (zonder ondergroei), beuk (grotendeels zonder ondergroei, met her en der wat brede stekelvaren), Amerikaanse eik (met een soortgelijke ondergroei) en grove den (met bramen en brede stekelvarens in de ondergroei).
Figuur 11. De locatie van het te ontwikkelen speel- klim- en recreatiebos
3.1.13 Te realiseren akkernatuur Hier bevindt zich nu een bosperceel met sitkasparren. Er is vrijwel geen ondergroei, maar her en der groeien brede stekelvarens en adelaarsvarens. 3.1.14 De Warande De lanen in de Warande worden, net als elders op het landgoed, aan weerszijden vergezeld door rijen beuken. Daarnaast zijn er soorten als Amerikaanse eik, westelijke hemlockspar en zomereik aanwezig. In de vakken daartussen groeien thuja’s en beuken. Meestal is er geen ondergroei, maar her en der groeien wat brede stekelvarens. Het middelpunt van de Warande bestaat uit een vijver die volledig is bedekt met puntkroos. In de vijver ligt een eilandje dat is begroeid met rododendron en zomereik. De oevers van de vijver zijn begroeid met rododendrons.
12
Figuur 12. Deel van de Warande
3.1.15 Te realiseren langgevelboerderij Van de ooit aanwezige boerderij is niets terug te vinden. Er staan enkele zomereiken en een linde, op de grens van een perceel Douglasspar en zwarte populier. In het Douglassparperceel is vrijwel geen ondergroei aanwezig, op wat brede stekelvarens na. De populieren in de populierenaanplant zijn alle dood. De kruidlaag wordt hier gedomineerd door gestreepte witbol met her en der grote brandnetel. 3.1.16 Bosrand langs Gorp Ten zuiden van de weg Gorp bevindt zich een akker met worteltjes. Aan de noordzijde van de weg bevindt zich een rij laanbomen naast een bosperceel. De laanbomen bestaan (van west naar oost gaande) uit een rij Amerikaanse eiken en Douglassparren, die ongeveer halverwege overgaat in een rijtje beuken. Het oostelijk deel bevat geen laanbomen. 3.1.17 Te realiseren reservaatakker Dit is een bosperceel met flinke Douglassparren, beuken en zomereiken, met her en der een westelijke hemlockspar en Amerikaanse eik. De ondergroei bestaat uit rododendrons, een kruidlaag is afwezig. 3.1.18 Gagelstruweel Een vitaal gagelstruweel waarvan de kruidlaag wordt gedomineerd door pijpenstrootje en waar her en der brede stekelvaren groeit. In het westelijk deel groeit ook rododendron. De boomlaag in het perceel bestaat uit volwassen grove dennen.
3.1.19 Roovertsche schuur De Roovertsche schuur is een enkelwandig gebouw met een rij linden aan de voorkant en een grasveld aan de achterzijde. Momenteel wordt het gebruikt voor opslag en is er geen bewoning.
13
Figuur 13. Het gagelveld langs Gorp
Figuur 14. De Roovertsche schuur
14
3.1.20 Te ontwikkelen vochtig hakhout en middenbos Een door slootjes gedraineerd 9 ha groot bosperceel met zwarte elzen en essen. In de kruidlaag domineren pijpenstrootje en pitrus. Op de slootoevers groeien koninginnekruid, adelaarsvaren en wijfjesvaren en in de slootjes groeien waterpest, grote waterweegbree, grote lisdodde en een soort fonteinkruid.
Figuur 15. Het te ontwikkelen vochtig hakhout en middenbos
3.1.21 De Roovertsche Leij De oorspronkelijke meanders van de Roovertsche Leij zijn op het landgoed grotendeels intact gebleven (zie grote foto voorkant). Enkele meanders in het zuidelijk deel van het landgoed zijn in het verleden echter afgesloten. Hier groeien vooral zomereiken en is er een ondergroei van lelietje der dalen, klimop en verschillende soorten varens. Op de oevers van de Roovertsche Leij groeien reuzenbalsemien en lokaal Japanse duizendknoop. 3.2 Inventarisatie Op 22 en op 23 augustus 2012 zijn de in figuur 3.1.1. weergegeven planlocaties geïnspecteerd op het voorkomen van (mogelijke) vaste rust- en verblijfplaatsen van strenger beschermde diersoorten, jaarrond beschermde vogelnesten en beschermde planten. Hiertoe werden alle planlocaties ‘uitgekamd’ naar bomen met voor vleermuizen geschikte holten, bomen met jaarrond beschermde vogelnesten, holen van strenger beschermde zoogdieren en beschermde planten. Hierbij werd er speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Te vergraven wateren werden bemonsterd met een steeknet van 70 cm breed om het voorkomen van amfibieën en vissen in kaart te brengen. Daarnaast werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten.
Boswachter Dre Stuijts en de heer Alexander van Puijenbroek zijn geraadpleegd over het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van strenger beschermde soorten. Tenslotte is ook algemene verspreidingsliteratuur (Bijlsma et al., 2001; Bos et al., 2006; Broekhuizen et al., 1992; Dijkstra et al., 2002; Limpens et al., 1997; RAVON, 2001, 2003, 2004, 2006, 2007, 2010 en 2011; Van Roomen et
15
al., 2000 en SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002) en de website www.waarneming.nl geraadpleegd om in te schatten welke soorten mogelijk op de planlocaties voorkomen.
16
4
Resultaten inventarisatie
4.1 Resultaten beleidsinventarisatie Landgoed Gorp & Roovert bevindt zich grotendeels binnen de EHS (zie figuur 16). Het zuidelijk deel van het landgoed maakt deel uit van Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ (zie figuur 17). Natura 2000-gebied Regte heide & Riels Laag bevindt zich op circa 1,4 km ten zuidwesten van het plangebied (zie figuur 18). Beschermde Natuurmonumenten, Nationale landschappen en Wetlands liggen op grote afstand van het landgoed.
17
Figuur 16. Ligging van Landgoed De Utrecht (rood omlijnd) ten opzichte van de EHS (gekleurde gebieden)
18
Figuur 17. Ligging van Landgoed Gorp & Roovert (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ (geel gemarkeerd).
19
Figuur 18. Ligging van Landgoed Gorp & Roovert (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Regte heide & Riels Laag’ (geel gemarkeerd).
4.2 Resultaten veldinventarisatie Vleermuizen Het deels nog aanwezige dak van het voormalige pompgebouw heeft een houten betimmering aan de onderkant en de deels vernielde muren van het gebouw hebben spouw. Onder de dakpannen op de Roovertsche schuur bevindt zich een dakbeschot van planken. Doordat er geen dakgoten aanwezig zijn, is de ruimte tussen het dakbeschot en de onderste rij dakpannen door vleermuizen makkelijk te bereiken. De ruimte onder de op de zijgevels gelegen dakpannen zijn eveneens makkelijk door vleermuizen te bereiken, doordat er vele kieren aanwezig zijn. Het is daarom mogelijk dat er zomerverblijven van vleermuizen als laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis in het voormalige pompgebouw en de Roovertsche schuur aanwezig zijn. Doordat er in beide gebouwen niet wordt gestookt zijn ze in de wintermaanden te koud om als vleermuizenverblijf te dienen.
20
Een groot aantal laanbomen bevat spechtengaten of andere holten, die zeer geschikt ogen voor boombewonende vleermuissoorten als rosse vleermuis, watervleermuis en baardvleermuis. Het betreft hier vrijwel uitsluitend beuken. Ook een aantal beuken in het te realiseren speel- klim- en educatiebos (3.12) en de Warande (3.14) heeft gaten waarin vleermuisverblijven aanwezig kunnen zijn. In de onderzochte bosvakken 3.1.5 en 3.1.11 en in de laanbomen naast de weg Gorp (3.1.16) zijn geen bomen met holten aanwezig. Van het Bankven kan zonder meer worden aangenomen dat het functioneert als belangrijk foerageergebied van vleermuissoorten als watervleermuis, gewone dwergvleermuis en andere volgens waarneming.nl en de zoogdieratlas (Broekhuizen et al. 1992) voorkomende vleermuissoorten. De Roovertsche Leij wordt mogelijk door de franjestaart als foerageergebied gebruikt. De volgens waarneming.nl en de zoogdieratlas voorkomende vleermuissoorten staan in tabel 1 vermeld. De bosranden en paden nabij alle planlocaties worden mogelijk als vaste vliegroute door vleermuizen gebruikt. Overige zoogdieren Figuur 19. Laanboom met voor vleermuizen Boswachter Dre Stuijts zegt nooit boommarters op geschikte holte het landgoed te hebben waargenomen, maar wel regelmatig steenmarters. Ook tijdens het veldwerk werden geen boommartersporen, latrines etc,. waargenomen.
Gebouwen die als rustplaats van de steenmarter kunnen dienen, zijn in alle planlocaties afwezig. Dassenwissels, snuitputten of –holen werden tijdens het veldwerk nergens aangetroffen en ook volgens Dre Stuijts en Alexander Puijenbroek komt de das niet op het landgoed voor. Tijdens het veldwerk werd eenmaal een eekhoorn waargenomen en werden verschillende vraatsporen van de soort aangetroffen. Een eekhoornnest werd echter in geen van de planlocaties aangetroffen. Sporen, wissels, uitwerpselen etc. van andere zoogdieren, die behoren tot de categorieën ‘streng beschermde soorten’ of ‘overige soorten’ zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Tabel 1 geeft de zoogdiersoorten weer die (mogelijk) een vaste rust- en verblijfplaats in het plangebied hebben. Tabel 1. Beschermde zoogdiersoorten die (mogelijk) een vaste rust- en verblijfplaats in het plangebied hebben. De status van de soorten in de Flora- en faunawet is eveneens weergegeven. Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Mol (Talpa europea) Ree (Capreolus capreolus) Konijn (Oryctolagus cuniculus)
X X X X X X X X X
21
Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Haas (Lepus europeus) Dwergmuis (Micromys minutus) Hermelijn (Mustela erminea) Wezel (Mustela nivalis) Bunzing (Mustela putorius) Ondergrondse woelmuis (Pitymys subterraneus) Egel (Erinaceus europeus) Baardvleermuis (Myotis mystacinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Watervleermuis (Myotis daubentonii) Franjestaart (Myotis natteri) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
X X X X X X X X X X X X X X X
FF1 = algemene soorten FF2 = overige soorten FF3 = streng beschermde soorten
Vogels Tijdens de inventarisatie werd geen enkel jaarrond beschermd vogelnest aangetroffen. Het voormalige pompgebouw en de Roovertsche schuur bevatten geen openingen met jaarrond beschermde vogelnesten. Wel bevond zich tijdens het veldbezoek op een balk in het voormalige pompgebouw een verlaten nest van een winterkoning. Onder ‘Vleermuizen’ is al aangegeven dat een groot aantal laanbomen spechtengaten en andere holten bevatten. Ook een aantal beuken in het te realiseren speelklim- en educatiebos (3.12) en de Warande (3.14) bevat gaten en holen. In bomen met (verlaten) spechtengaten en andere holen kunnen omgevingsscansoorten (vogelsoorten waarvan Dienst Regelingen (2009b) een omgevingsscan eist) als pimpelmees, koolmees, gekraagde roodstaart, boomklever, boomkruiper, glanskop, groene specht, grote bonte specht en spreeuw in het broedseizoen een nest hebben. Als gezegd zijn er in de onderzochte bosvakken 3.1.5 en 3.1.11 en in de laanbomen naast de weg Gorp (3.1.16) geen bomen met holten aanwezig. Bijzondere en beschermde vaatplanten In het te verbeteren gagelstruweel naast de weg Gorp (3.1.18) groeien vele vitale gagelstruiken. Gagel is beschermd en staat vermeld op de Nederlandse Rode Lijst (categorie ‘gevoelig’). In de greppel tussen het gagelperceel en de weg Gorp groeien enkele tientallen dubbelloofvarens en koningsvarens (zie figuur 20).
Dubbelloofvaren is niet beschermd, maar wel een redelijk bijzondere plantensoort te noemen. Op de plasdraszone van de zuidoostoever van het Bankven werden in 2010 en 2011 gesteeld glaskroos en oeverkruid waargenomen. Beide soorten zijn niet beschermd maar wel bijzonder te noemen; oeverkruid komt voor op de Nederlandse Rode Lijst (categorie ‘bedreigd’). Op het landgoed schijnt een aantal beschermde planten voor te komen, waaronder de streng beschermde drijvende waterweegbree. Vooral in de (droogvallende) slootjes naast de planlocaties werd naar deze soort gespeurd, maar drijvende waterweegbree werd daarbij niet aangetroffen. Op de vochtige heide ten zuiden van het ven Papschot bevindt zich een populatie klokjesgentianen. Tijdens het veldbezoek stond deze soort in bloei, zodat eventueel op de planlocaties aanwezige individuen makkelijk te vinden zouden zijn. Ook deze soort werd op de planlocaties echter niet aangetroffen. Tabel 2 geeft de beschermde planten en hun beschermingsstatus weer, die op de planlocaties zijn waargenomen.
22
Tabel 2. In het gebied (mogelijk) voorkomende beschermde soorten. De status van de soorten in de Flora- en faunawet is eveneens weergegeven. Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Wilde gagel (Myrica gale) Koningsvaren (Osmunda regalis)
X X
FF1 = algemene soorten FF2 = overige soorten FF3 = streng beschermde soorten
Figuur 20. Groeiplaats koningsvarens en dubbelloofvarens (rode lijn)
Overige beschermde soorten Alle kleinere wateren werden tijdens het veldbezoek met een steeknet bemonsterd op het voorkomen van amfibieën en vissen. Beschermde vissen werden daarbij niet aangetroffen. Faunaconsult nam tijdens het veldwerk geen bijzondere amfibieën en geen reptielen waar. Wel werd een groot aantal bastaardkikkers en bruine kikkers waargenomen. Omdat het veldwerk pas in augustus plaatsvond, zegt dit niet alles over het gebruik van de bemonsterde wateren als voortplantingswater voor amfibieën. Op een aantal waarnemingen na van de levendbarende hagedis op de heide ten zuiden van Papschot, meldt de website van waarneming.nl voor de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen van reptielen of bijzondere amfibieën op Landgoed Gorp & Roovert. De levendbarende hagedis komt voor op de heide ten zuiden van Papschot. Deze soort komt, net als de alpenwatersalamander, vinpootsalamander, heikikker, poelkikker en hazelworm, op verschillende locaties rond Landgoed Gorp & Roovert voor (Rijsewijk en Van Delft, 2010a, -b en 2011; Hovens et al., 2012). Het is daarom goed mogelijk dat sommige van deze soorten ook op de met pijpenstrootje vergraste heide ten zuiden van het Haneven (3.1.7) voorkomen en in het te ontwikkelen vochtig hakhout en middenbos (3.1.20). De mogelijk voorkomende soorten zijn in tabel 4 weergegeven.
23
Wegens de hoge waterstanden in de winter vormen deze locaties in de winter geen geschikte habitat voor strenger beschermde herpetofauna. De naast het te ontwikkelen vochtig hakhout en middenbos (3.1.20) gelegen sloot is tijdens het veldbezoek bemonsterd, waarbij diverse tiendoornige stekelbaarzen werden gevangen. Dit maakt deze watergang ongeschikt als voortplantingswater voor de strenger beschermde amfibieën. De vijver in de Warande (3.14) is, wegens de volledige bedekking met puntkroos, eveneens ongeschikt als voorplantingswater voor strenger beschermde amfibieën. De overige planlocaties hebben weinig dekking op de bodem, waardoor ze voor strenger beschermde herpetofauna geen geschikte habitat vormen. Tabel 4. In het plangebied voorkomende beschermde herpetofaunasoorten. De status van de soorten in de Flora- en faunawet is eveneens weergegeven Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Levendbarende hagedis (Lacerta vivipara) Kleine watersalamander (Triturus vulgaris) Bastaardkikker (Rana esculenta) Poelkikker (Rana lessonae) Gewone pad (Bufo bufo) Bruine kikker (Rana temporaria) Hazelworm (Anguis fragilis) Heikikker (Rana arvalis)
X X X X X X X X
FF1 = algemene soorten FF2 = overige soorten FF3 = streng beschermde soorten
Insecten Onder ‘Vaatplanten’ is al gemeld dat er op de vochtige heide ten zuiden van het ven Papschot klokjesgentianen groeien. Tijdens het veldbezoek werden op enkele daarvan eitjes van het gentiaanblauwtje aangetroffen. Op de planlocaties is deze soort echter afwezig. In de Rovertsche Leij komt nog een krachtige populatie bosbeekjufffers voor. Op 27 mei 2012 werden hier zelfs 100 mannetjes en 100 vrouwtjes van deze soort waargenomen (waarneming.nl). Zowel het gentiaanblauwtje als de bosbeekjuffer zijn niet beschermd krachtens de Flora- en faunawet. Beide soorten zijn echter zeer zeldzaam en komen voor op de Nederlandse Rode Lijst in de categorie ‘bedreigd’. In het te realiseren speel-, klim- en educatiebos (in de lariksopstand) bevindt zich een circa 1.40 m hoge mierenhoop van de kale rode bosmier (zie foto voorkant en figuur 21). In de overige planlocaties zijn geen nesten van deze soort aangetroffen. Tabel 3 geeft de op de planlocaties voorkomende beschermde insecten en hun beschermingsstatus weer. Tabel 3. In het plangebied voorkomende beschermde insectensoorten. De status van de soorten in de Flora- en faunawet is eveneens weergegeven Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Kale rode bosmier (Formica polyctena) X FF1 = algemene soorten FF2 = overige soorten FF3 = streng beschermde soorten
24
Figuur 21. De locatie met het koepelnest van de kale rode bosmier (rode stip) in het te ontwikkelen speelklim en educatiebos
25
5
Effecten van de voorgenomen maatregelen
5.1 De ingreep In figuur 22 is de ligging van elke planlocatie weergegeven met een verwijzing naar de paragrafen waarin ze worden beschreven. In de onderstaande tekst wordt kort uitgelegd welke beheersmaatregelen worden voorgestaan. Een uitgebreide uitleg is te vinden in het ontwikkelingsplan (Duijf, 2012).
Figuur 22. Ligging van de planlocaties
Natuurmaatregelen In 2011 is op locatie ‘t Molentje (3.1.2) 2,5 ha populierenopstand omgevormd naar vochtig hooiland. Daarnaast wil men twee bospercelen naast de Leij (samen ongeveer 0,5 ha) omvormen naar historische akkernatuur (3.1.13 en 3.1.17). En een verdroogd elzenbos vernatten, door de aanleg van een dam in de ontwateringssloot (3.1.20). Twee schuilkelders wil men inrichten als vleermuizenkelder (3.1.3 en 3.1.8) en langs de Beeksedijk wil men een wildakker en een grove dennenopstand omvormen in 1,3 ha heide (3.1.5). Bij het Haneven en Horstven wil men ca. 1 ha sterk vergraste vochtige heide herstellen door het afplaggen van de humuslaag, aanwezige greppels niet meer te laten afwateren en een stuw
26
verder benedenstrooms te plaatsen (3.1.7). De 4,5 ha gagelstruweel ten zuiden van de Roovertse dijk (3.1.18) wil men herstellen door de aangeplante grove dennen sterk te dunnen. Om de natuurwaarden in en rond het Bankven (3.1.6) te herstellen wil men in overleg met de ecologen van Waterschap De Dommel een aantal beheersmaatregelen uitvoeren. Momenteel is nog niet duidelijk welke maatregelen er zullen worden uitgevoerd. Maatregelen om de (be)leefbaarheid van het landgoed te vergroten De 5 ha bos ten zuiden van het Gorps Baantje worden omgevormd tot speel-, klim- en educatiebos (3.1.12). Hiertoe wordt een deel van het bestaande bos in gebruik genomen als speelbos voor kinderen tot 12 jaar. Een ander deel van het bos wordt ingericht met avontuurlijke outdoor activiteiten (altijd begeleid door gediplomeerde instructeurs), gekoppeld aan informatie over de natuur (flora, fauna en de kansen en bedreigingen van klimaatverandering en natuurprotectie). Een deel van het aanwezige bos zal worden omgevormd tot grasveld voor activiteiten als roofvogelshows, koning schieten, cricket etc. Ook komt hier een ‘klimaatveld’, met een weerstation en informatiepanelen. Op het braakliggende terrein ten zuiden van het Gorps Baantje komt een recreatieve poort van 1,9 ha (3.1.11).
Dit terrein wordt ingericht met struweel, haagbeplanting, solitaire bomen, parkeerplaats, informatievoorziening, paardenstandplaats, fietsenstalling, horecavoorziening, terras, openbare toiletvoorziening, speel- en recreatieweide en een bedrijfswoning. Op de bestaande zandwegen wordt een aantal verharde fietspaden aangelegd (3.1.9). Daarnaast worden ‘gaten’ in de laanstructuren in de Warande (3.1.14) en elders (3.1.10) hersteld door de aanplant van nieuwe bomen. Mogelijk worden hiertoe ook kleiner gebleven bomen gekapt. Het sterk vervallen voormalige pompgebouw (3.1.4) zal, mede vanwege veiligheidsrisico’s worden gesloopt. Kostendragers Om de bovenstaande maatregelen te kunnen uitvoeren is een aantal kostendragers nodig. Gorp & Roovert wil daarom de Roovertsche schuur herbestemmen tot woning (3.1.19) en een nieuwe langgevelboerderij laten bouwen (3.1.15) in een bestaand bosperceel. 5.2 Effecten op vleermuizen In paragraaf 4.2 is al uitgelegd dat het voormalige pompgebouw en de Roovertsche schuur mogelijk zomerverblijven van vleermuizen bevatten. Om de effecten van de sloop van het voormalige pompgebouw en de verbouwing van de Roovertsche schuur op gebouwbewonende vleermuizen te kunnen bepalen, dienen deze locaties met een batdetector te worden onderzocht op het voorkomen van vleermuizen.
Een groot aantal laanbomen op het landgoed bevat spechtengaten of andere holten die zeer geschikt zijn voor boombewonende vleermuissoorten. Ook een aantal beuken in het te realiseren speel- klimen educatiebos (3.12) en de Warande (3.14) bevat gaten waarin vleermuisverblijven aanwezig kunnen zijn. Het heeft sterk de voorkeur er voor te zorgen dat er geen bomen met holten worden gekapt, door bijvoorbeeld de beukenopstand in het aan te leggen speel- klim- en educatiebos te behouden en door laanbomen die een gevaar vormen voor het verkeer te kandalaberen (snoeien van de kroon). Indien er bomen met holten moeten worden gekapt, dan is er vooraf onderzoek met een batdetector nodig om te bepalen of er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in aanwezig zijn. De herstelmaatregelen in het Bankven en de hermeandering van de Roovertsche Leij hebben waarschijnlijk geen noemenswaardig effect op de waarschijnlijke functie van foerageerhabitat van deze locaties. Bij de bouw van een langgevelboerderij en omvorming van de Roovertsche schuur tot langgevelboerderij, dient er rekening te worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van vaste
27
vliegroutes van vleermuizen, door geen omhoog gerichte buitenverlichting rond deze gebouwen te plaatsen. Dat geldt ook voor het speel- klim en educatiebos. 5.3 Effecten op algemene beschermde soorten in het plangebied Het foerageergebied van enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren en amfibieën zal tijdelijk (deels) verdwijnen. Holen en individuen van algemeen voorkomende zoogdieren zullen hierbij mogelijk worden verstoord of verdwijnen. Voor al deze soorten biedt de directe omgeving van het plangebied voldoende andere habitats. Door de te verwijderen vegetaties en het voormalige pompgebouw in de winter te verwijderen (dus in de periode 31 oktober – 1 maart), wordt schade aan amfibieën en reptielen en aan vogels, hun eieren en nesten voorkomen. 5.4 Effecten op strenger beschermde vogelnesten Jaarrond beschermde vogelnesten zijn op de planlocaties niet aanwezig. Een groot aantal laanbomen op het landgoed bevat spechtengaten of andere holten die zeer geschikt zijn als nestlocatie voor de zogenaamde ‘omgevingsscansoorten’ (dat zijn soorten waarvan Dienst Regelingen (2009b) een omgevingsscan eist). Ook een aantal beuken in het te realiseren speel- klim- en educatiebos (3.12) en de Warande (3.14) bevat gaten waarin tijdens het broedseizoen nesten van omgevingsscansoorten aanwezig kunnen zijn.
Het heeft sterk de voorkeur er voor te zorgen dat er geen bomen met holten worden gekapt, door bijvoorbeeld de beukenopstand in het aan te leggen speel- klim- en educatiebos te behouden en door laanbomen die een gevaar vormen voor het verkeer te kandalaberen. Indien er desondanks bomen met holten moeten worden gekapt, dan dient dit buiten het broedseizoen (dus buiten de periode 15 maart – 15 juli) plaats te vinden. 5.5 Effecten op beschermde en bijzondere planten De dunning van grove dennen in het gagelstruweel naast de weg Gorp (3.1.18) zal er voor zorgen dat er meer water voor de gagelstruiken beschikbaar komt. Het is bij de kapwerkzaamheden wel van belang dat de aanrij- en afvoerroute niet over de (naast het perceel gelegen) greppel met dubbelloofvarens en koningsvarens wordt neergelegd. De locatie van deze varens is weergegeven in figuur 5. Bij de herstelmaatregelen in en rond het Bankven zal rekening worden gehouden met het voorkomen van bijzondere planten als gesteeld glaskroos en oeverkruid. De aanleg van heide langs de Beeksedijk en het herstel van de vergraste heide ten zuidwesten van het Haneven zullen leiden tot het ontstaan van een geschikte habitat voor soorten van natte heide.
5.6 Effecten op herpetofauna De ten zuidwesten van het Haneven aanwezige horsten van het pijpenstrootje vormen in de zomer een geschikte landhabitat voor herpetofauna als de levendbarende hagedis. Horstvorming treedt bij pijpenstrootje vooral op als de vegetatie ’s winters onder water staat. In de winter zullen hier daarom geen beschermde amfibieën of reptielen voorkomen. Door de voorgenomen plagmaatregelen in de winter uit te voeren (dus in de periode 15 oktober – 15 februari), wordt directe schade aan herpetofauna voorkomen. De andere planlocaties bevatten vrijwel geen ondergroei (dichte sparren- of dennenopstanden) of een ondergroei die volledig door bochtige smele wordt gedomineerd. Wegens de afwezigheid van structuur op deze planlocaties, vormen ze geen geschikt leefgebied voor herpetofauna. Het Bankven wordt mogelijk gebruikt als voortplantingswater van bijzondere amfibieën. Door de herstelmaatregelen aan dit ven in de winter uit te voeren (dus in de periode 15 oktober – 15 februari), wordt schade aan amfibieën voorkomen. De voorgenomen maatregelen zullen de hoeveelheid heide fors doen toenemen, waardoor de hoeveelheid voortplantingshabitats en foerageerhabitats van herpetofauna fors toeneemt.
28
5.7 Effecten op bijzondere insecten De meeste bijzondere insecten die op het landgoed voorkomen komen voor op de natte of droge heide. Voor deze soorten kan zonder meer worden gesteld dat de voorgenomen heideontwikkelingen heideherstelmaatregelen een flinke toename opleveren van hun habitat. Met name voor de op de Papschotse heide voorkomende populatie gentiaanblauwtjes kan dit van groot belang zijn, omdat de huidige populatie op de Papschotse heide te klein wordt geacht (Wallis de Vries, 2008). 5.8 Effecten op waterorganismen in de Roovertsche Leij Voor de bosbeekjuffer geldt dat de geplande aankoppeling van oude meanders aan de Roovertsche Leij de lengte van dit belangrijke leefgebied vergroten. Uiteraard dienen de maatregelen in de Roovertsche Leij zodanig plaats te vinden dat er zo weinig larven en eieren van de bosbeekjuffer verloren gaan. Het waterschap zal de hermeandering verzorgen en verder uitwerken. Hun ecologen zullen de werkzaamheden zodanig begeleiden dat er zo weinig mogelijk larven van de bosbeekjuffer verloren gaan. Figuur 22. Klokjesgentiaan met eitjes van het gentiaanblauwtje
5.9 Effecten op de kale rode op de Papschotse heide (Foto: Faunaconsult) bosmier In het westelijke lariksvak van het te realiseren speel-, klim- en educatiebos bevindt zich een circa 1.40 m hoge mierenhoop van de kale rode bosmier. Omdat een mierenhoop van deze omvang spectaculair is te noemen en omdat het bos een educatiefunctie zal krijgen, heeft het de voorkeur de mierenhoop te behouden. Om vernieling te voorkomen dient deze te worden uitgerasterd en te worden voorzien van een bord met informatie over het nut en de levenswijze van rode bosmieren. Omdat de mierenhoop erg beschaduwd wordt, heeft het de voorkeur enkele sparren te kappen, zodat er ’s ochtends meer zonlicht op de mierenhoop schijnt. Voor hun voedsel zijn rode bosmieren aangewezen op boombewonende bladluizen. Het is daarom van belang dat er ruim voldoende (naald)bomen bij de mierenhoop blijven behouden. Op deze wijze kan het voortbestaan van de kale rode bosmier worden gewaarborgd. 5.10 Effecten op prioritaire habitats en soorten van Natura 2000 gebied Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ is voor de volgende habitats Habitatrichtlijngebied aangewezen: Stuifzandheiden met struikhei
en
soorten
als
29
Zwakgebufferde vennen Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Pioniervegetaties met snavelbiezen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Kleine modderkruiper Drijvende waterweegbree
De voorgestane natuurherstelmaatregelen zullen leiden tot een herstel van de kwaliteit en/of kwantiteit van de prioritaire habitats ‘Zwakgebufferde vennen’, ‘Vochtige heiden’, ‘Droge heiden’, ‘Pioniervegetaties met snavelbiezen’ en ‘Vochtige alluviale bossen’. De in heide om te vormen bospercelen worden in de boomlaag gedomineerd door naaldhout en hebben geen noemenswaardige bedekking in de kruidlaag. Geen van deze bospercelen heeft kenmerken van de prioritaire habitattypen. De voorgestane realisatie van enkele woningbouwlocaties vindt plaats op een redelijke afstand van de kwalificerende habitats en soorten. Netto hebben de voorgestane maatregelen een sterk positief effect op de prioritaire habitats van Natura 2000 gebied Kempenland-West’, en geen noemenswaardig effect op de prioritaire soorten. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ zijn er geen directe effecten op dit gebied te verwachten. 5.11 Effecten op de EHS De effecten op de belangrijkste natuurwaarden in de EHS zijn in het voorgaande besproken. Netto zijn er sterk positieve effecten op de natuurwaarden in de EHS te verwachten.
30
6.
Consequenties vanuit de wet- en regelgeving
6.1 Flora- en faunawet Beschermde dieren uit de categorie ‘algemene soorten’: vrijstelling Voor het vernietigen van holen etc. en verstoren van beschermde zoogdieren en amfibieën van de categorie ‘algemene soorten’ voor ruimtelijke ingrepen, bestaat een vrijstelling op grond van ‘AMvB artikel 75’ van de Flora- en faunawet (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2010). Er hoeft daarom geen ontheffing voor algemene soorten te worden aangevraagd. Vleermuizen: geen straat- of buitenverlichting bij de Roovertsebaan en Tuldensedijk Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn streng beschermd onder de Flora- en faunawet. De beuken in het te realiseren speel- klim- en educatiebos, de laanbomen in de Warande en langs de wegen op het landgoed met spechtengaten of andere holten vormen mogelijk een vaste rust- en verblijfplaats van boombewonende vleermuissoorten. Het heeft sterk de voorkeur er voor te zorgen dat er geen bomen met holten worden gekapt, door bijvoorbeeld de beukenopstand in het aan te leggen speel- klim- en educatiebos te behouden en door laanbomen die een gevaar vormen voor het verkeer te kandalaberen. Indien er toch bomen met holten moeten worden gekapt, dan is er vooraf onderzoek met een batdetector nodig om te bepalen of er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in aanwezig zijn.
Om de effecten van de sloop van het voormalige pompgebouw en de verbouwing van de Roovertsche schuur op gebouwbewonende vleermuizen te kunnen bepalen, dienen deze locaties met een batdetector te worden onderzocht op het voorkomen van vleermuizen. Bij de bouw van een langgevelboerderij en omvorming van de Roovertsche schuur tot langgevelboerderij, dient er rekening te worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van vaste vliegroutes van vleermuizen, door geen omhoog gerichte buitenverlichting rond deze gebouwen te plaatsen. Dat geldt ook voor het speel- klim en educatiebos. In dat geval hoeft er voor vleermuizen geen ontheffing op de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Strenger beschermde vogelnesten: geen ontheffing nodig Nesten van omgevingsscansoorten (dat zijn soorten waarvan Dienst Regelingen (2009b) een omgevingsscan eist) zijn niet jaarrond beschermd, maar hun lokale voortbestaan dient middels een omgevingsscan te worden gewaarborgd (Dienst Regelingen, 2009b). Door de laanbomen, beuken in het te realiseren speel- klim- en educatiebos (3.12) en bomen in de Warande (3.14) met holten te sparen blijven er voldoende nestlocaties op het landgoed aanwezig. Dat kan door bijvoorbeeld de beukenopstand in het aan te leggen speel- klim- en educatiebos te behouden en laanbomen die een gevaar vormen voor het verkeer te kandalaberen.
Indien er desondanks enkele bomen met holten moeten worden gekapt, dan dient dit buiten het broedseizoen (dus buiten de periode 15 maart – 15 juli) plaats te vinden. Omdat het merendeel van de laanbomen blijft behouden, is het lokale voortbestaan van omgevingsscansoorten gewaarborgd en hoeft er in dat geval geen ontheffing voor deze soorten te worden aangevraagd. Algemene vogels: geen directe schade Door het verwijderen van de vegetatie en het voormalige pompgebouw buiten de periode 15 maart tot 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren, wordt directe schade aan algemeen voorkomende vogels, hun nesten en eieren voorkomen. Vogelsoorten waarvan het nest buiten het broedseizoen als een vaste rust- en verblijfplaats wordt gezien, zijn waarschijnlijk afwezig. Er hoeft dus geen ontheffing voor vogels te worden aangevraagd.
31
Herpetofauna: werkzaamheden in de winter uitvoeren Ten zuidwesten van het Haneven komen in de zomer mogelijk beschermde amfibieën en reptielen voor. Door de voorgenomen plagmaatregelen in de winter uit te voeren (dus in de periode 15 oktober – 15 februari), wordt directe schade aan herpetofauna voorkomen. Het Bankven wordt mogelijk gebruikt als voortplantingswater van bijzondere amfibieën. Door de herstelmaatregelen aan dit ven in de winter uit te voeren (dus in de periode 15 oktober – 15 februari), wordt schade aan amfibieën voorkomen. Doordat volgens deze werkwijze schade aan herpetofauna wordt voorkomen, hoeft er geen ontheffing voor herpetofauna te worden aangevraagd. Uiteindelijk zullen deze maatregelen leiden tot een betere habitat voor herpetofauna. Kale rode bosmiernest: nest liefst behouden Vanwege de ‘algemene zorgplicht’ dient het nest van de kale rode bosmier in het te ontwikkelen speelklim en educatiebos te worden behouden of te worden verplaatst naar een nabijgelegen bosrand. In 4.9 is al uitgelegd dat (en hoe) het mierennest het best kan worden behouden. Behoud van het miernest heeft alleen zin als er voldoende bomen in de directe omgeving van het nest aanwezig blijven en als het nest wordt uitgerasterd. Indien het nest niet kan worden behouden moet het worden verplaatst.
Dat kan het beste geschieden met een graafmachine, of volgens de door Al (1995) beschreven methode. Omdat de kale rode bosmier valt in de beschermingscategorie ‘algemene soorten’ is er voor het verplaatsen van de nesten geen ontheffing op de Flora- en faunawet nodig. Ten aanzien van ruimtelijke ingrepen, zoals het kappen van bos, bestaat voor dergelijke soorten een vrijstelling op grond van ‘AMvB artikel 75’ (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2010). Beschermde en bijzondere planten Door er voor te zorgen dat bij de dunning van grove dennen in het gagelstruweel naast de weg Gorp (3.1.18) niet over de (naast het perceel gelegen) greppel met dubbelloofvarens en koningsvarens wordt gereden (zie figuur 5), wordt vernietiging van beide soorten varens voorkomen. Koningsvarens zijn beschermd in de beschermingscategorie ‘algemene soorten’. Bij de herstelmaatregelen in en rond het Bankven dient verder rekening te worden gehouden met het voorkomen van bijzondere planten als gesteeld glaskroos en oeverkruid. Deze soorten zijn weliswaar niet beschermd, maar de in de Flora- en faunawet genoemde ‘algemene zorgplicht’ is er ook op van toepassing. Voorkomen doden of verwonden dieren De in de Flora- en faunawet genoemde ‘algemene zorgplicht’ is ook op beschermde soorten uit de categorie ‘algemene soorten’ van toepassing.
Beschermde diersoorten (ook die van de categorie ‘algemene soorten’) die tijdens het verwijderen van vegetatie en het vergraven van grond worden aangetroffen, moeten direct worden gevangen en na afloop van de werkzaamheden in het aangrenzende gebied worden vrijgelaten. 6.2 Overige regelgeving Netto zijn er positieve effecten op de EHS te verwachten. Vanwege de voorgestane bouw van twee langgevelboerderijen (de kostendragers) dient er wel overleg met de provincie plaats te vinden. Omdat er wel sterk positieve, maar geen noemenswaardige negatieve effecten op Natura 2000 gebied ‘Kempenland-West’ zijn te verwachten, is er geen vergunning nodig op grond van de Natuurbeschermingswet (ex artikel 19d lid 1).
32
Literatuur
Al, E. 1995. Als bosmieren een probleem zijn…IKC Natuurbeheer, Wageningen. Bakker, T., H. Everts, P. Jungerius, R. Ketner-Oostra, A. Kooijman, C. van Turnhout en H. Esselink. 2003. Preadvies Stuifzanden. Expertisecentrum LNV, Ede. Bijlsma, R.G., F. Hustings en K.C.J. Camphuysen. 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff. 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden; European Invertebrate Survey, Leiden. Dijkstra, K.B., V.J. Kalkman, R. Ketelaar en M.J.T. van der Weide (red.). 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Duijf, G. 2012. Ontwikkelingsplan Landgoed Gorp & Roovert. 24 augustus 2012. Opdrachtgever Gorp & Roovert BV. Praedium, Veghel en Duijf advies en projectmanagement, Vught. Hovens, J.P.M., R.P.J. Janssen en G. Lenstra. 2012. Rapport Quickscan Flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet Landgoed De Utrecht. In opdracht van ASR Vastgoed. Aeres Milieu, Roermond en Faunaconsult, Belfeld. Limpens, H.G.J.A., K. Mosterd en W. Bongers. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.
KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2010. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten! Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2005. Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Roomen, van, M.W.J., A. Boele, M.J.T van der Weide, E.A.J. van Winden en D. Zoetebier. 2000. Belangrijke vogelgebieden in Nederland, 1993-97. Actueel overzicht van Europese vogelwaarden in aangewezen en aan te wijzen speciale beschermingszones en andere belangrijke gebieden. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Schaminée, J.H.J., A. Jansen en F. Bink. 1998. Wegen naar natuurdoeltypen. Ontwikkelingsreeksen en hun indicatoren voor herstelbeheer en natuurontwikkeling (sporen A en B). IKC Natuurbeheer. IKC, Wageningen. SOVON Vogelonderzoek Nederland. 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 19982000.Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Wallis de Vries, M. 2008. Evaluatie beschermingsplan gentiaanblauwtje 2003-2007: van soort naar leefgebied. De Vlinderstichting, Wageningen. Weeda, E.J., R. Westra, C. Westra en T. Westra. 1987. Nederlandse oecologische flora.
Wilde planten en hun relaties 2. KNNV Uitgeverij, IVN. Weeda, E.J., R. Westra, C. Westra en T. Westra. 1994. Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 5. KNNV Uitgeverij, IVN. Weeda, E.J., R. Westra, C Westra en T. Westra. 2003. Nederlandse oecologisc he flora. Wilde planten en hun relaties 1. KNNV Uitgeverij/IVN.
33