12 Bindend advies BOPA Westerwijk 4 Diessen (4 onderbouwing BOPA)
Tekst van het document
24 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
4.4.
Milieuzonering
Het begrip 'inrichting' uit de voormalige Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; dit is vervangen door ‘milieubelastende activiteiten’. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. In hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek zijn regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.
Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. In oktober 2024 is een nieuwe VNG-handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ uitgebracht. Deze is primair gericht op de regulering van milieuhinderlijke activiteiten en de inpassing van bedrijventerreinen in het omgevingsplan. De handreiking is minder geschikt als ondersteuning bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van functies in het buitengebied. Daarom is in dit geval gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009). In deze publicatie wordt een handreiking gedaan ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de grond die is aangewezen voor de functie bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-publicatie hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhindergevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhindergevoelige functies acceptabel geacht.
25 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn indicatief. Van die richtafstanden kan, mits voldoende onderbouwd, worden afgeweken. Dit is alleen toegestaan indien, ondanks de afwijking, alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Voor het projectgebied van deze BOPA wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘buitengebied’. In onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie uit de VNG-brochure weergegeven. Milieucategorie Rustige woonwijk/buitengebied Gemengd gebied 1 10 0 2 30 10 3.1 50 30 3.2 100 50 4.1 200 100 Tabel 4.4.1: Richtafstanden milieuzonering (bron: VNG-Brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009).
Toets initiatief Op de locatie Westerwijk 4 wordt de agrarische functie in de vorm van een intensieve veehouderij omgezet naar een woonfunctie. De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning. Daarnaast worden er vier nieuwe woningen op de locatie gebouwd. De bestaande woning op de locatie Westerwijk 4 betreft reeds een milieuhindergevoelige functie. Met de bouw van de nieuwe woningen op de locatie worden nieuwe milieuhindergevoelige functies toegevoegd. Beoordeeld moet dan ook worden of deze nieuwe woningen geen belemmering vormen voor bedrijven in de omgeving. In het kader van de woningbouwontwikkeling Vroonacker IV is een inventarisatie gedaan naar bedrijven in de nabijheid van het plangebied: Adres Westerwijk 6 & 8
Type
Categorie
Richtafstand (m)
Recreatiebedrijf (hotel en 1 10 pensions met keuken) Westerwijk 5 Intensieve veehouderij 3.2 100 (voormalig bedrijf; vergunning ingetrokken op 26 mei 2020) Westerwijk 11 Intensieve 3.2 100 melkrundveehouderij Waterstraat 21 Paardenhouderij 3.1 50 Waterstraat 18 Boomkwekerij 2 30 Waterstraat 16 Paardenhouderij/manege 3.1 50 Waterstraat 14a Schapenhouderij 3.1 50 Krekelshof 2 Recreatiebedrijf 1 10 Tabel 4.4.2: Overzicht omliggende bedrijven Vroonacker IV en afstanden.
Afstand tot woonfunctie (ca./m) 75 15 meter tot Westerwijk 4 145 meter tot de rest van Vroonacker IV 540 340 170 175 200 240
Gelet op de richtafstanden die behoren bij de nabijgelegen bedrijven en de werkelijke afstanden van de aanwezige bedrijven in de omgeving, kan geconcludeerd worden dat de woningen op voldoende afstand van deze bedrijven liggen, met uitzondering van de intensieve veehouderij Westerwijk 5 ten opzichte van de locatie Westerwijk 4. Ten opzichte van de overige delen van Vroonacker IV wordt wel voldaan aan de richtafstand. Echter is in mei 2020 de milieuvergunning van het bedrijf aan Westerwijk 5 ingetrokken, waardoor het niet langer mogelijk is om ter plaatse een intensieve veehouderij te voeren al dan niet dieren te houden. Het opnieuw verkrijgen van een omgevingsvergunning milieu voor het houden van vee is niet meer mogelijk gezien de ligging van het bedrijf in ‘beperkingen veehouderij’- gebied.
26 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
De woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4 wordt dus niet belemmerd door omliggende bedrijven en het plan vormt ook geen beperking voor de bedrijfsactiviteiten van deze bedrijven. Sterker nog, door het ‘wegbestemmen’ van de intensieve veehouderij op de locatie Westerwijk 4 verbetert het woon- en leefklimaat ter plaatse. Conclusie milieuzonering Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.5.
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De regels over geluid zijn terug te vinden in het Bkl alsook in de bruidsschat. Geluid door activiteiten Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn verhuisd naar het tijdelijke deel van het gemeentelijk omgevingsplan (de bruidsschat). Het betreft regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn de instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl), waarbij een omgevingsplan er onder andere in voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Bij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied kan in het kader van de beoordeling of dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gebruik gemaakt worden van bijlage 5 uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze bijlage omschrijft voor geluid een stappenplan.
Stap 1 betreft een beoordeling of de richtafstand wordt overschreden. Indien dit niet het geval is, kom je niet aan de volgende stappen toe. In paragraaf 4.4 is beoordeeld dat aan de richtafstanden, waaronder de richtafstand voor geluid, wordt voldaan. Een geluidsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is artikel 3.18 Bkl van toepassing. De instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (artikel 3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (artikel 3.20 Bkl). Door de K+ Adviesgroep is in het kader van de woningbouwontwikkeling Vroonackers IV te Diessen een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage d.d. 9 februari 2023 is als bijlage 5 bij deze onderbouwing gevoegd. Met name de conclusies vanwege de ligging in de geluidzone van de weg Westerwijk zijn relevant: • De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Westerwijk is maximaal 50 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh).
• De maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Dit betekent dat de gevel doof moet worden uitgevoerd of dat bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde. • Bij de gemeente Hilvarenbeek kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. • In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de betreffende woning wordt gebouwd naast bestaande woningen.
27 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
•
•
•
Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op € 60.000,- (200 m * 6 m * € 50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 4.1. t/m 4.5 is zichtbaar dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de linker-, rechter- en achtergevel is een geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.
In tabel 4.6 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.
De gemeente Hilvarenbeek is voornemens een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde te nemen, gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan Vroonacker IV. Omdat de procedure voor de omgevingsvergunning voor de BOPA onder de Omgevingswet valt, is het niet langer mogelijk om bij de gemeente een afzonderlijk verzoek tot het vaststellen van een hogere waarde in te dienen. De gemeente dient de hogere geluidbelasting daarom in het omgevingsplan op te nemen, waarbij de regels in het omgevingsplan moeten borgen dat de geluidbelasting voldoet aan de maximale geluidsnormen voor geluidgevoelige functies. De aanvullende voorwaarden en eisen, zoals hiervoor genoemd, kunnen opgenomen worden als voorwaarden bij de omgevingsvergunning voor de BOPA. Conclusie geluid Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4, indien in het omgevingsplan een hogere geluidbelasting wordt opgenomen.
4.6.
Luchtkwaliteit
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Volgens paragraaf 5.1.4.1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde. • De activiteit leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • De activiteit draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Achtergrondwaarden In de tabel op de volgende pagina zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit weergegeven die gelden voor de buitenlucht. Deze grenswaarden zijn afkomstig uit het Bkl. Deze grenswaarden zijn van toepassing op locaties waar mensen langdurig kunnen verblijven, zoals woongebieden en andere voor publiek toegankelijke plaatsen.
Voor locaties die niet toegankelijk zijn voor het publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland, rijbanen en ontoegankelijke middenbermen van wegen, gelden deze grenswaarden formeel niet, maar ze worden hier ter referentie weergegeven.
28 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
In de laatste kolom van de tabel worden de waarden van de genoemde stoffen ter plaatse van het projectgebied weergegeven. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de grenswaarden uit het Bkl binnen het projectgebied niet worden overschreden. Volgens de kaarten van Atlas Leefomgeving (peiljaar 2023) is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Stof Toetsing van Grenswaarde Waarde t.p.v. projectgebied Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 9,14 µg/m3 3 Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m 14,85 µg/m3 3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m 8,26 µg/m3 Tabel 4.6.1: Grenswaarden luchtkwaliteit WHO en waarden ter plaatse van het projectgebied.
Niet in betekenende mate Tenslotte is de mate van verhoogde concentraties van bepaalde stoffen in de lucht van belang. Artikel 5.53 en 5.54 Bkl leggen vast wanneer een activiteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een activiteit is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Daarnaast is er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere ‘kantoren, gebouwen met een woonfunctie tot ten hoogste 1.500 woningen’, artikel 5.54 Bkl. Infomil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan/project op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 3.432 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Van een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van het project geen sprake.
Het project voorziet in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en het toevoegen van vier nieuwe woningen. Er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Conclusie luchtkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.7.
Geur
In de Omgevingswet is bepaald dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Een verdere invulling van deze plicht vloeit voort uit artikel 5.92 Bkl. In dit artikel is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In artikel 5.91 is bepaald wat een geurgevoelig gebouw is. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Een gedeelte van een gebouw dat niet één van bovenstaande functies toelaat geldt niet als geurgevoelig.
Het gemeentelijk omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 29 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Toets initiatief Het project aan de Westerwijk 4 voorziet in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en het toevoegen van vier nieuwe woningen. De bestaande woning betreft reeds een geurgevoelig gebouw. De nieuwe woningen zijn nieuwe geurgevoelige gebouwen. Bij besluitvorming omtrent de functiewijziging van de agrarische bedrijfslocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad (belangen veehouderij en derden)? • Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd (belang geurgevoelig object)? Om deze vragen te beantwoorden is in het kader van de woningbouwontwikkeling Vroonacker IV door DLV een Omgevingstoets geurbelasting verricht. De rapportage d.d. 15 juli 2024 is toegevoegd als bijlage 6 bij deze onderbouwing. Hierna volgen de conclusies: • In de omgeving van het plangebied liggen enkele veehouderijen. De geurbelasting van deze bedrijven op het woongebied is berekend. • De geurbelasting (voorgrondbelasting) door de meest nabijgelegen veehouderijen blijft onder de geldende normen. • De cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) ter plaatse van het plangebied bedraagt maximaal 8,24 OUe/m³. Dit komt overeen met 10-15% geurgehinderden en wordt als een redelijk goed woon- en leefklimaat beschouwd.
• De vaste afstanden tussen veehouderijen en het woongebied zijn ruimschoots voldoende. Conclusie geur Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘geur’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.8.
Gezondheid
Eén van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow). Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en beidt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. Toetsing initiatief Met deze BOPA wordt de functie ‘(intensieve) veehouderij’ gewijzigd in een woonfunctie. Dit betekent dat geen diersoorten meer gehouden kunnen worden, behorend tot de categorie (intensieve) veehouderij. Er is sprake van een verbetering van de leefomgeving, met name vanwege de afname van emissies (geur, fijnstof en ammoniak).
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid door bijvoorbeeld instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit en geur. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds beoordeeld. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het project voldoet aan alle omgevingswaarden en er ter plekke sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierna wordt aandacht besteed aan een aantal actuele gezondheidsthema’s, zoals endotoxinen, geitenhouderijen en spuitzones. Tevens wordt aandacht besteed aan de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’.
30 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Endotoxinen Endotoxine is een celwandfragment van Gram-negatieve bacteriën dat potentiële gezondheidseffecten kan hebben op omwonenden van veehouderijen. Het onderzoeksprogramma 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden' (VGO), gestart in 2010, heeft aangetoond dat de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof invloed kan hebben op de gezondheid van omwonenden. Op 7 juli 2016 werd het rapport 'Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodelering' gepubliceerd door Wageningen UR Livestock Research. Dit rapport toonde aan dat rond varkens- en pluimveehouderijen mogelijk een overschrijding plaatsvindt van de door de Gezondheidsraad vastgestelde advieswaarde van 30 EU/m3. Deze conclusie was gebaseerd op metingen van stofdeeltjes en endotoxine-emissies in zes veelvoorkomende stalsystemen voor vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens. Voor de berekening van de endotoxineblootstelling werd een speciaal doorontwikkelde versie van het landelijke Stacks verspreidingsmodel gebruikt. Dit model werd aangepast om de endotoxineblootstelling te berekenen in lijn met de door de Gezondheidsraad voorgestelde advieswaarde. ErbrinkStacks Consult heeft op 5 september 2016 een aanvullend onderzoek uitgevoerd, getiteld 'Endotoxine concentraties rond stallen; indicatieve modelberekeningen'.
Dit onderzoek bouwde voort op de bevindingen van het eerdere rapport en leverde verdere inzichten in de verspreiding van endotoxinen rond stallen. Hoewel er momenteel geen wettelijk vastgelegde norm voor endotoxine bestaat, heeft de rijksoverheid een landelijk kader ontwikkeld als leidraad. Op basis hiervan hebben de provincie Noord-Brabant en het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Sommige gemeenten, zoals Hilvarenbeek, hanteren dit handelingsperspectief in afwachting van wettelijke toetsingskaders. In april 2018 publiceerde het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) in Noord-Brabant de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0'. Deze handreiking ondersteunt het bevoegd gezag bij besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden. De handreiking bevestigt de advieswaarde van 30 EU/m3 als maximale blootstelling aan endotoxine. Onderzoek wijst uit dat overschrijding van deze grenswaarde mogelijk is binnen een afstand van 200 meter van een varkensbedrijf en 500 meter van een pluimveebedrijf. Binnen 200 meter van de locatie Westerwijk 4 bevindt zich geen varkensbedrijf en binnen 500 meter bevindt zich geen pluimveebedrijf. Er liggen geen endotoxinecirkels over de toekomstige woonpercelen.
Ter plaatse van zowel de bestaande woning als de nieuwe woningen is geen sprake van een te hoge blootstelling aan endotoxine. Geitenhouderijen In de VGO-onderzoeken die tot nu toe zijn verricht is bevestigd dat er een verhoogd risico op longontsteking bestaat voor mensen die binnen een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven wonen. Dit verhoogde risico is het hele jaar door aanwezig en neemt toe naarmate mensen dichter bij een geitenbedrijf wonen. Het verhoogde risico op longontsteking is consistent aangetoond in verschillende studies en regio's, waaronder Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Tot op heden is er geen causaal verband aangetoond tussen de geitenhouderijen en de verhoogde incidentie van longontstekingen. Hoewel er 23 bacteriën zijn geïdentificeerd die mogelijk een rol spelen, is er geen definitieve oorzaak vastgesteld. Het risico op longontsteking neemt af naarmate de afstand tot geitenbedrijven toeneemt, met de grootste effecten binnen 2 kilometer. Gezondheidsautoriteiten, waaronder de GGD, adviseren om waar mogelijk afstand te houden tussen geitenbedrijven en woningen, zorginstellingen en scholen. Gezien deze bevindingen is het van belang om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de aanwezigheid van geitenbedrijven binnen een straal van 2 kilometer.
Binnen 2 kilometer van het projectgebied Westerwijk 4 liggen geen geitenhouderijen. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten is er dan ook geen verhoogd risico op longontsteking gerelateerd aan geitenhouderijen voor de toekomstige bewoners van het projectgebied te verwachten.
31 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Spuitzones Doordat het projectgebied in het buitengebied ligt, is het in het kader van het aspect gezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële (onaanvaardbare) risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. Hoewel in geen enkele wettelijke regeling aan te houden afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen c.q. functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ door het bevoegd gezag een ruimtelijke afweging te worden gemaakt. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en een te realiseren nieuwe gevoelige functie, zoals een woning, kan worden gehanteerd. Dit betreft meer een aandachtszone, daar er tot op heden geen wetenschappelijke grondslag bestaat voor het vastleggen van de 50 meter.
De directe noodzaak tot het opnemen van een vaste spuitzone ontbreekt nog in de wetenschap. Afwijken van deze afstand is mogelijk, mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet op de locatie toegesneden zijn. Voor het telen van gewassen in de openlucht gelden de algemene rijksregels uit het Bal. De milieubelastende activiteit telen van gewassen in de openlucht staat in paragraaf 3.6.3 van het Bal. Alle activiteiten die in de openlucht plaats vinden en die het telen functioneel ondersteunen, vallen ook onder het telen van gewassen in de openlucht. Dit geldt dus ook voor het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 3.209 van het Bal verwijst voor wat betreft het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen naar paragraaf 4.64 van het Bal. Deze paragraaf bevat de inhoudelijke regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten. Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 4.723c Bal) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Bal regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies).
Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. Het project aan de Westerwijk 4 voorziet in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en het toevoegen van vier nieuwe woningen. Het projectgebied krijgt een woonfunctie. De gronden die buiten het woonerf vallen, hebben of krijgen een groene of agrarische functie. Door CLM is een rapportage opgesteld waarin een inschatting is gemaakt over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rondom de nieuwe woonwijk Vroonacker IV. Deze rapportage d.d. december 2024 is opgenomen als bijlage 7 bij deze onderbouwing. Uit deze rapportage blijkt dat er binnen 50 meter van de woningbouwontwikkeling op de locatie Vroonakcer IV drie landbouwpercelen liggen (nummering conform rapportage): 2. Perceel oostzijde, kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummer 774: dit perceel wordt niet voor agrarische doeleinden gebruikt. Op dit perceel mogen dan ook geen professionele gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De minimale spuitvrije zone van 50 meter is gegarandeerd. 3. Perceel overzijde Westerwijk, kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie Q, nummer 1613: dit perceel wordt niet voor agrarische doeleinden gebruikt. Op dit perceel mogen dan ook geen professionele gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.
De minimale spuitvrije zone van 50 meter is gegarandeerd. 4. Perceel noord- en westzijde, kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek sectie P, nummer 701: dit perceel is in eigendom van initiatiefnemer. Deze grond is de afgelopen 5 jaar in gebruik geweest als grasland. Grasland wordt niet of nauwelijks bespoten.
32 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Tussen de gemeente en initiatiefnemer is desondanks een overeenkomst gesloten waarin is bepaald dat initiatiefnemer zich verplicht om af te zien van de toepassing/ het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op dit agrarisch perceel, zodat er een minimale spuitvrije zone van 50 meter is gegarandeerd. Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De GGD maakt gebruik van gezondheidskundige advieswaarden die gebaseerd zijn op de meest recente stand van zaken in de wetenschappelijke literatuur. Deze gezondheidskundige advieswaarden kunnen afwijken van de in de wet- en regelgeving opgenomen normen. Het GGD advies kan gebruikt worden om ‘omgevingsbewust handelen’ te stimuleren. In de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’, die door de GGD’s in Brabant wordt gehanteerd, is een stappenplan opgenomen. De handreiking wordt gebruikt bij het toetsen van plannen voor veehouderijen. De handreiking is in principe niet bedoeld voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar kan wel gebruikt worden om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. In de handreiking is een stappenplan opgenomen. Na het doorlopen van het stappenplan wordt duidelijk of een locatiespecifiek maatwerkadvies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. 1.
Endotoxine Voldoet: ter plaatse van zowel de bestaande woning als de nieuwe woningen is geen sprake van een te hoge blootstelling aan endotoxine, zie de toelichting hiervoor. De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en een gevoelige functie. 2. Emissies Voldoet: de ontwikkeling leidt tot een afname in de emissie van geur, fijnstof en/of ammoniak. 3. Geur Voldoet: In paragraaf 4.7 is het project getoetst in het kader van het aspect geur. Geconcludeerd is dat de beoogde ontwikkeling zowel buiten de vaste afstanden van omliggende veehouderijen als buiten de wettelijke geurcontouren van de omliggende agrarische bedrijven ligt. Tevens is geconcludeerd dat er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 3. Meerdere diersoorten Voldoet: In de nieuwe situatie worden geen dieren meer gehouden. Er bevinden zich binnen 100 meter van de ontwikkelingslocatie niet meerdere veehouderijen met verschillende diersoorten. 4. Afstanden Voldoet: de ontwikkelingslocatie ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij, binnen 1 kilometer van een pluimveebedrijf en/of binnen 250 meter van een overige veehouderij. 5. Mestbe- of verwerking Voldoet: er is geen sprake van mestbe- of verwerking 6. Ongerustheid Voldoet: bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.
De varkenshouderij is reeds beëindigd. Aan de hand van de doorlopen stappen kan er geconcludeerd worden dat advisering door de GGD niet wordt geadviseerd. Volgens de handreiking is er geen verhoogd risico voor de volksgezondheid te verwachten. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er sprake is van ‘omgevingsbewust handelen’. Conclusie gezondheid Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘gezondheid’ woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
geen
belemmering
vormt
voor
de
33 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
4.9.
Externe veiligheid
Externe veiligheid (ook wel omgevingsveiligheid genoemd) beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor de omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toestaan van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied zijn er regels en voorschriften wanneer sprake is van een activiteiten met gevaarlijke stoffen. Zo zijn in de regelgeving verschillende afstanden gebieden benoemd. Het gaat hierbij om het plaatsgebonden risico, de aandachtsgebieden en voorschriftengebieden. • Het plaatsgebonden risico (PR-contouren c.q. veiligheidsafstanden) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor individuele burgers. Het plaatsgebonden risico houdt kort gezegd in dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's.
De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Bkl. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. • Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar zich, bij een ongeval met gevaarlijke stoffen, levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brandaandachtsgebieden), overdruk (explosieaandachtsgebieden) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebieden). De aard en omvang van aandachtsgebieden wordt bepaald door de effecten van een scenario en niet door de kans. De begrenzing van de aandachtsgebieden ligt daar waar mensen binnenshuis in een standaard gebouw beschermd zijn tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Binnen elk aandachtsgebied geldt van rechtswege de verplichting om in het omgevingsplan rekening te houden met het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient hierbij af te wegen welke maatregelen worden ingezet om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Een brandaandachtsgebied (BAG) of een explosieaandachtsgebied (EAG) (of een deel hiervan) kan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van een bouwwerk.
De aanvullende bouweisen hebben tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Toets initiatief Het project aan de Westerwijk 4 voorziet in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en het toevoegen van vier nieuwe woningen. Woningen worden vanuit het perspectief van externe veiligheid aangemerkt als kwetsbare objecten. In dit geval worden er vier nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd. Op grond van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om de nieuwe woonpercelen. Uit de risicokaart blijkt dat het nieuwe woonperceel niet ligt binnen het invloedsgebied van enige risicobron op grond waarvan een nadere motivering van de externe veiligheidsrisico’s is vereist.
34 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Figuur 4.9.1: Uitsnede kaart Externe veiligheid omgeving locatie Westerwijk 4 (bron: Atlas Leefomgeving).
Conclusie externe veiligheid Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.10.
Trillingen
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Er zijn in de omgeving van het projectgebied geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. Naar verwachting leveren trillingen op deze locatie geen problemen op. Conclusie trillingen Geconcludeerd kan worden dat het aspect woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
‘trillingen’
geen
belemmering
vormt
voor
de
35 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
4.11.
Kabels en leidingen
Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het projectgebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. De locaties van deze leidingen en hun bijbehorende beschermingszones worden aangegeven in het omgevingsplan. Uit de risicokaart (zie paragraaf 4.8) en het Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek blijkt dat er geen relevante kabels en/of leidingen in of in de directe omgeving van het projectgebied liggen. Conclusie kabels en leidingen Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.12.
Water
De motivering van een ruimtelijk project beschrijft de waterhuishoudkundige belangen die van toepassing zijn op de ontwikkeling. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap De Dommel beschrijft de koers en ambities voor een toekomstbestendige waterhuishouding in het werkgebied. Centraal staat de watertransitie: het aanpassen van het watersysteem aan klimaatverandering, toenemende droogte, wateroverlast en de groeiende vraag naar ruimte en water. Het programma sluit aan bij Europese en nationale doelen, zoals de Kaderrichtlijn Water, en richt zich op een robuust, flexibel en natuurlijk watersysteem in 2050. Belangrijke punten uit het programma zijn: • Koersverandering: De Dommel kiest voor een integrale, gebiedsgerichte aanpak.
Niet alleen het beekdal, maar ook hoge zandgronden en stedelijk gebied krijgen aandacht. Water wordt niet langer zo snel mogelijk afgevoerd, maar zoveel mogelijk vastgehouden en slim benut. • Ambities: Het waterschap wil water vasthouden voor droge periodes, het grondwater aanvullen, de waterkwaliteit verbeteren en bijdragen aan natuurherstel, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. • Samenwerking: De Dommel werkt samen met partners, inwoners en bedrijven aan uitvoeringsplannen en innovatieve oplossingen voor een klimaatrobuust watersysteem. • Uitvoering: Het programma vertaalt zich in concrete maatregelen en projecten, gericht op waterveiligheid, schoon en voldoende water, en het vergroten van waterbewustzijn in de regio. Het Waterbeheerprogramma vormt de basis voor het beleid van De Dommel tot 2027 en is richtinggevend voor vergunningverlening, regelgeving en samenwerking in het gebied. Waterschapsverordening De Waterschapsverordening omvat samen met de Omgevingswet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Waterschapsverordening is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
36 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Legger De Waterschapsverordening verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Waterschapsverordening vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m².
Op basis van de Keur wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Het plan aan de Westerwijk 4 betreft de herontwikkeling van een agrarische bedrijfslocatie. Door de sanering van de agrarische bedrijfsbebouwing en verharding heeft een forse afname van het verhard oppervlak plaatsgevonden. Conform het beleid van het waterschap is sprake van een hydrologisch neutraal plan. Gemeentelijk beleid Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ maakte als bijlage deel uit van het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017-2021 en vormde daarmee het beleid voor de twee zorgplichten van de gemeente Hilvarenbeek. Dit beleid is inmiddels geactualiseerd en opgenomen als bijlage/beleidsdocument bij het Riool- en Waterprogramma 2022-2026. In de geactualiseerde uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht legt de gemeente vast welke keuzes zij maakt op het gebied van hemel- en grondwater.
Het beleid beschrijft onder andere wat de gemeente redelijkerwijs van bewoners en ontwikkelende partijen verwacht, en wat zij op hun beurt van de gemeente mogen verwachten. Daarnaast geeft het rapport inzicht in het wettelijke en beleidsmatige kader, en wordt de invulling van de hemel- en grondwaterzorgplicht concreet uitgewerkt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt standaard het proces van de watertoets doorlopen. Voor de dimensionering van hemelwatervoorzieningen worden de keurregels van het waterschap gevolgd, aangevuld met gemeentelijke regels waar nodig. Watertoets Voor Vroonackers IV is zowel een waterhuishoudkundig plan als een infiltratieonderzoek uitgevoerd ter onderbouwing van de diverse waterhuishoudkundig aspecten. Beide rapportages zijn als bijlagen (8 en 9) bij de toelichting opgenomen. De gemeente Hilvarenbeek heeft specifiek voor de locatie Westerwijk 4 een ontwerp voor de waterberging gemaakt. Als bijlage 10 bij deze onderbouwing is een ‘Overzichtstekening riolering en waterhuishouding’ opgenomen. In de groenzone aan de westkant en aan de noordoostkant van het woonerf worden wadi’s gerealiseerd met een totale inhoud van 96 m3. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste bergingsnorm. Conclusie water Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘water’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
37 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
4.13.
Archeologie en cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen.
Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: • monumenten zoals (bouw)werken; • tuinen en parken; • bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten; • stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen; De gemeente Hilvarenbeek heeft de archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden doorvertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies in het Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek. Archeologie Ter plaatse van de toekomstige woonkavels aan de Westerwijk 4 zijn de archeologische dubbelfuncties ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ in het omgevingsplan opgenomen. Vanwege de archeologische verwachtingswaarde op de locatie Westerwijk 4, maar ook in de rest van het woongebied Vroonacker IV, is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen verricht. De rapportage d.d. 25 juni 2024 is opgenomen als bijlage 11 bij deze onderbouwing. Hierna volgt de conclusie. Locatie 2 betreft de locatie Westerwijk 4. Locatie 1 betreft de rest van het woongebied Vroonacker IV. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied (locatie 1 en 2) bestaat uit een (deels) intacte enkeerdgrond of een ACbodemprofiel.
Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. Op basis van de bodemkundige gesteldheid blijft de (middel)hoge archeologische verwachting ter plaatse van Type-I boringen voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum nieuwe tijd gehandhaafd. De bodemopbouw ter plaatse van Type II-boringen bestaat uit een AC-profiel. De overgangen naar de natuurlijke ondergrond is veelal scherp. Op basis hiervan blijft de (middel)hoge verwachting voor de periode neolithicum - nieuwe tijd gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen ter plaatse van Type-I en II-boringen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Archeologische resten kunnen onder de humus houdende bovengrond (0-30 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn. Wanneer in locatie 1 graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan.
38 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Op basis hiervan wordt voor locatie 1 een vervolgonderzoek geadviseerd. Het vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld dat ter toetsing dient worden voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Hilvarenbeek). Bij het geadviseerde proefsleuvenonderzoek dient rekening te worden gehouden met de verwachte aanwezigheid binnen het plangebied van NGE (Nietgesprongen Explosieven). Voor locatie 2 geldt dat ondanks het deels intacte bodemprofiel deze locatie grotendeels diepgaand is verstoord tot 2,5-3,0 meter beneden maaiveld. Dit als gevolg van de gesloopte varkensstallen (zie Figuur 11 in het rapport). Op basis van het bestemmingsplan (Figuur 1 in het rapport) zal de onverstoorde zone (westelijke en noordelijk randzones) de bestemming agrarisch behouden en blijft de huidige bebouwing (woonhuis en schapenstal Westerwijk 4) in het zuidoostelijke deel behouden. Op basis hiervan wordt voor locatie 2 geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Voor de onverstoorde delen blijft wel een archeologische dubbelbestemming van kracht. De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Hilvarenbeek), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit heeft genomen.
De gemeente Hilvarenbeek heeft ingestemd met het door het Aeres Milieu gegeven selectieadvies, namelijk vervolgonderzoek te doen uitvoeren in de vorm van proefsleuven. De proefsleuven hoeven niet uitgevoerd te worden op de locatie Westerwijk 4. Monumentenhuis Brabant adviseert dat de locatie van de reeds gesloopte bebouwing bij Westerwijk 4 wordt vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de gemeente Hilvarenbeek onder de voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet. Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en de Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek blijkt dat de locatie Westerwijk 4 niet ligt in of nabij een gebied met cultuurhistorische waarden. De weg Westerwijk is aangeduid als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. De waterloop aan de oostkant van het projectgebied is aangeduid als historische waterloop. Met het plan op de locatie Westerwijk 4 blijven de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze lijnen intact. Conclusie archeologie en cultuurhistorie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.14.
Natuur
In de onderbouwing bij een BOPA moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. In het kader van de woningbouwontwikkeling Vroonacker IV is door Aeres Milieu een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. De rapportage d.d. 16 mei 2023 is als bijlage 12 bij deze onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de conclusies. Natura 2000 De plannen kunnen leiden tot een negatief effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Hierom is het nodig de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. In het navolgende onderdeel ‘stikstof’ wordt hier nader op ingegaan.
39 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
Natuurnetwerk Brabant De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Voorafgaand aan de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing op de locatie Westerwijk 4 is reeds een quickscan soortenbescherming verricht (in tegenstelling tot hetgeen is vermeld op pagina 10 van de rapportage). Hierbij was niets aangetroffen. Ook bij de later uitgevoerde quickscan natuurwetgeving is op de locatie Westerwijk 4 niets aangetroffen. Stikstof Tijdens de bouw van de vier nieuwe woningen kan er sprake zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De verwachte depositie van ammoniak en stikstofoxiden op Natura 2000-gebieden is berekend middels AERIUSCalculator. De AERIUS-berekening is als bijlage 13 bij deze onderbouwing gevoegd. In de bouwfase is geen sprake van depositie. Er zijn daarom geen significant nadelige gevolgen te verwachten op Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase is geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit noodzakelijk. Conclusie natuur Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘natuur’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
4.15.
Verkeer en parkeren
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties hoort ook goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn. De bestaande en nieuwe woningen worden ontsloten op de Westerwijk. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. In de nieuwe situatie zullen immers voornamelijk auto’s van en naar de woonlocatie bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de locatie zijn substantieel minder dan het geval is bij een agrarisch bedrijf. De gemeente Hilvarenbeek heeft in het ‘Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018’ gemeentelijk beleid vastgesteld waarin parkeernormen zijn opgenomen. Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. In de regels van dit plan wordt verwezen naar de parkeernormen uit het ‘Parkeerbeleidsplan 2015-2020’, dan wel in het beleidsplan dat is vastgesteld ter vervanging van dit parkeerbeleidsplan. Volgens de tabellen in het parkeerbeleidsplan geldt in het buitengebied een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per vrijstaande woning + 0,3 parkeerplaats per bezoeker.
Bij elk van de woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in twee tot drie parkeerplaatsen. Daarnaast worden op het erf vier parkeerplaatsen voor bezoekers gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. Conclusie verkeer en parkeren Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling op de locatie Westerwijk 4.
40 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
5.
Economische uitvoerbaarheid
5.1.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten alsook bij gebruiksactiviteiten die mogelijk worden op grond van een nieuwe toegedeelde functie aan de locatie. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten, zoals genoemd in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Opgemerkt dient te worden dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen specifieke activiteiten vanwege gebruikswijzigingen zijn aangewezen. Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, tevens eigenaar van de gronden waarop de nieuwe woningen worden gerealiseerd, fungeert als financiële drager van het voornemen en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan.
Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Ter uitvoering van het plan wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer, waarin diverse afspraken worden vastgelegd. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd.
5.2.
Bibob
Afhankelijk van de omvang, de kosten en het soort het initiatief wordt in de gemeente Hilvarenbeek een Bibobonderzoek vereist. Hiervoor worden de ‘Beleidsregels voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Hilvarenbeek’ gehanteerd. Conform deze beleidsregels is voor deze BOPA-procedure geen Bibob-onderzoek noodzakelijk.
5.3.
Nadeelcompensatie
Voor iedere BOPA wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb. Dit wordt geregeld in de anterieure overeenkomst, zie paragraaf 5.1.
41 Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit / aanpassing omgevingsplan ‘Westerwijk 4, Diessen’
6.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. In de voorgaande hoofdstukken zijn alle aspecten nader toegelicht. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.