CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (4 toelichting op verordening)

Gemeenteraad 20 april 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van de verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2023.10.055 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2023 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities Definities die zijn opgenomen in de Jeugdwet en de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen. Dorpsnetwerk We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning. Individuele voorziening en maatwerkvoorziening De Jeugdwet en de Wmo 2015 hanteren verschillende termen voor de voorzieningen op basis waarvan ondersteuning wordt ingezet. Dit leidt tot verwarring. Als het een ondersteuning betreft in het kader van de Jeugdwet dan spreken we over een ‘individuele voorziening’. Binnen onze gemeente noemen dit ook ‘maatwerkvoorziening jeugd’. Binnen de Wmo hebben we het over een ‘maatwerkvoorziening’. Ook voorzieningen in het voorliggende veld worden binnen de Wmo en de Jeugdwet anders genoemd.

Binnen de jeugdwet wordt dit overige voorziening genoemd terwijl binnen de Wmo dit een voorliggende voorziening wordt genoemd. De terminologie die de onderscheidende wetten hanteren wordt in deze verordening aangehouden. Melding De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag. Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.) Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk. QuickScan De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Vraaganalyse In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een ( integrale) vraaganalyse weergegeven.

Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak. Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft. Artikel 1.2. Reikwijdte verordening

1

Om in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening moet iemand ingezetene zijn van de gemeente Hilvarenbeek. Iemand is ingezetene als hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als inwoner van de gemeente. Wie als ingezetene van de gemeente wordt beschouwd vanuit de Jeugdwet wordt bepaald door toepassing van het woonplaatsbeginsel. Dit kan voor de jeugdigen heel ingewikkeld liggen, bijvoorbeeld bij gescheiden ouders, voogdij kind en instelling. Artikel 1.3. Vertegenwoordiger In de Wmo 2015 is de vertegenwoordiger gedefinieerd als “persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.

Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.

Hoofdstuk 2 Toegang tot voorzieningen Artikel 2.1. Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt. Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig. Artikel 2.2. Clientondersteuning Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning. In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.

Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk. Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen. Artikel 2.3. Melding hulpvraag in de gemeente

2

Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing voor zowel op maatschappelijke ondersteuning als op jeugdhulp. Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening. Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch. Artikel 2.4 Onderzoek en weergave naar aanleiding van de melding Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt of door een gecontracteerde aanbieder als er noodzaak bestaat voor wmo begeleiding.

Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit. Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse. Heeft de melding betrekking op beschermd wonen, dan geldt hiervoor dat deze landelijk toegankelijk is. Dit betekent dat een inwoner overal terecht moet kunnen voor opvang en beschermd wonen (woonplaatsbeginsel). Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek.

Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken. Op basis van de nieuwe inkoop kan het plan van aanpak ook opgesteld worden door een door het college aangewezen derde. Een gedeelte van de inkoop die met ingang van 1 januari 2023 gaar gelden is taakgericht. Hierbij wordt als bij een eerste gesprek met de toegang blijkt dat er een maatwerkvoorziening nodig is de zaak doorgezet naar een combinatie van zorgaanbieders die het onderzoek dan op zich neemt en zal uitwerken in een plan van aanpak. Mocht de client kiezen voor de inzet van ondersteuning in de vorm van een Pgb dan zal de combinatie met een advies komen. Artikel 2.5. Toegang jeugdhulp via het medisch domein In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vr ijtoegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen.

Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus in overleg feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).

3

De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag. Artikel 2.6. Toegang jeugdhulp via justitieel kader Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdzorg wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid Jeugdwet, door het college van de gemeente waar de jongere woont ingediend. De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de GI die het genoemde verzoek indi ent en niet het college.

In de Memorie van Toelichting bij de Veegwet VWS 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.” Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Veegwet VWS 2015, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren. Artikel 2.7. Spoedeisende ondersteuning Indien er een melding plaatsvindt voor spoedeisende hulp, is het college op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 gehouden een tijdelijke voorziening te treffen, totdat het onderzoek is afgerond en er een aanvraag is ingediend op basis waarvan een reguliere maatwerkvoorziening kan worden verstrekt.

Het college kan derhalve in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Het college kan voorts in het dringende belang van de cliënt een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling nemen zonder ondertekende (integrale) vraaganalyse , indienen zolang de cliënt niet in staat of bereid is de (integrale) vraaganalyse te ondertekenen. Een besluit tot spoedeisende ondersteuning wordt door het college in de beschikking duidelijk gemotiveerd, zodat het voor de cliënt inzichtelijk is waarom tot ambtshalve verstrekking is overgegaan. Crisisopvang kan plaats vinden in het geval van huiselijk geweld, maar kan ook in andere situaties noodzakelijk zijn. Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kan het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader. Artikel 2.8. Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde.

Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het experteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid Wmo 2015 en artikel 8.1.2 Jeugdwet van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal,

4

indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase. Artikel 2.9. Aanvraag individuele voorziening of maatwerkvoorziening Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening, moet dit schriftelijk gebeuren. In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen. Artikel 2.10. Beschikking Een beschikking genoemd in lid 1 kan bij Wmo begeleiding en bij hoog specialistische jeugdhulp ook een plan van aanpak zijn. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget. Derde lid, onder a, en vierde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden. Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt.

Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij wmo begeleiding en bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.

Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen Paragraaf 3.1. inzet individuele en maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1.1. Inzet voorzieningen De wetgever waagt zich binnen de Jeugdwet niet aan een definitie voor voorziening, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Een maatwerkvoorziening is in de Wmo 2015 gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Het gaat hierbij om ondersteuning op maat, waarvoor een beschikking wordt afgegeven. Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn.

Bijvoorbeeld dat een scootmobiel overdekt moet worden gestald, dat iemand in de opvang

5

mee moet werken aan het opstellen en nakomen van een ondersteuningsplan of dat iemand zich in een instelling voor beschermd wonen houdt aan de leefregels die daar gelden. Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken. In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten. Zelfzorg en gezondheid bij personen met een somatische, lichamelijke of psychogeriatrische grondslag valt onder de zorgverzekeringswet en valt daarom voor deze doelgroep niet onder de Wmo 2015. Artikel 3.1.3 Vervoer van en naar hulpaanbieder Met dit artikel willen we de verantwoordelijkheid voor het vervoer voor jeugdhulp zoveel als mogelijk de verantwoordelijkheid van de ouders laten zijn.

Paragraaf 3.2 Criteria voor verstrekking van een individuele en een maatwerkvoorziening Artikel 3.2.1. Algemene criteria voor een individuele voorziening en een maatwerkvoorziening In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de wet Wmo 2015. In dit artikel wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: - Beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; - Problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; - Een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen; Daarnaast dragen algemene voorzieningen onvoldoende bij aan een oplossing. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren.

Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende, lichte ondersteuning door een professional uit het dorpsnetwerk of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals een huiskamer binnen het dorp voor dagbesteding De maatwerkvoorziening of individuele voorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als voorliggende opties niet voldoende zijn. Voor opvang voor een persoon die de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, geldt niet dat er sprake moet zijn van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen. Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening of individuele voorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant. Een cliënt heeft het recht een eigen keuze te maken uit de gecontracteerde partijen voor het resultaatgebied waarop ondersteuning wordt geboden. Wil of kan de cliënt geen keuze maken dan zal de gemeente deze keuze maken. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt.

Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten. Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet.

6

In het tweede lid wordt verwezen naar artikel 2.3 van de Jeugdwet waar een algemene kader is opgenomen waarbinnen het college gehouden is overige voorzieningen of individuele voorzieningen te treffen. Er moet sprake zijn van opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen. Daarnaast moet er sprake zijn van ontoereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Ook kan er onder in de wet genoemde voorwaarden jeugdhulp aan de orde zijn om de ouders in staat te stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen als er sprake is van een jeugdige tot 18 jaar. Deze voorzieningen kunnen worden verstrekt in de vorm van overige voorzieningen of individuele voorzieningen. In het tweede lid is benoemd wanneer een jeugdige in aanmerking kan komen voor een individuele voorziening. Deze criteria sluiten aan bij hetgeen hierover in de Jeugdwet is opgenomen. De verwijzing in het derde lid heeft betrekking op kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclasseringswerkzaamheden en spoedeisende jeugdhulp. Lid 4 van dit artikel is nieuw. Hierin is opgenomen dat voor jongeren van 16+ een plan van aanpak opgesteld wordt waarin perspectief geboden wordt richting het bereiken van de 18 jarige leeftijd. Er ligt hier breed een verplichting voor zowel de gemeentelijke toegang, het medisch domein, gecertificeerde instelling en de jeugdhulp aanbieder.

Bij het bereiken van uiterlijk de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en zo ja hoe de ondersteuning er na het bereiken van de 18 jarige leeftijd de ondersteuning eruit ziet. Artikel 3.2.2. Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening In dit artikelen zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening, gericht op zelfredzaamheid of participatie. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 legt de nadruk op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Die eigen verantwoordelijkheid heeft meerdere kanten: - Het college kijkt naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van gebruikelijke hulp, van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen, de mogelijkheid om gebruik te maken van voorzieningen in zijn buurt, zoals een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van algemene voorzieningen die het college ter beschikking stelt. Een burger zal zich rekenschap moeten geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan de beperkingen die hij heeft en aan nieuwe levensfases.

Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning. Dat betekent dat een cliënt tijdig maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij kan verhuizen naar een meer geschikte woning, die past bij zijn levensfase en omstandigheden. Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven betekent eveneens dat de burger ervoor zal moeten zorgen dat hij voldoende is verzekerd en eventueel gebruik kan maken van de faciliteiten van een thuiszorgorganisatie voor de situatie dat hij tijdelijk ondersteuning nodig heeft, zoals tijdelijk gebruik van hulpmiddelen of waar gebruik maakt van hij hand- en spandiensten. - Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen bij jonge mensen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen. - Het kan ook betekenen dat rollen in huis anders verdeeld moeten worden of dat een kind dat toch op bezoek komt, meteen wat boodschappen meeneemt.

- Waar een burger niet meer in staat is om zelf te voorzien in zijn zelfredzaamheid en

7

participatie, kan hij een beroep doen op ondersteuning door het college. Als dit alles onvoldoende is om de cliënt voldoende te ondersteunen in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan de cliënt een aanvraag indienen voor een (aanvullende) maatwerkvoorziening. Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor de cliënt of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht heeft, niet in aanmerking komen voor een aangepaste fiets of een snelle scootmobiel. Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. In lid 2 van dit artikel worden een aantal weigeringsgronden op basis waarvan geen voorziening wordt verstrekt. Hier onder vat oa. de anti revaliderende werking. Bijvoorbeeld een scootmobiel toekennen waardoor client te weinig loopt. Hiervoor is wel een objectief onderzoek nodig. Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat een objectieve beoordeling niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Dit is een reden om de voorziening te weigeren.

Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is. Artikel 3.2.3. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning met verblijf Mantelzorgondersteuning met verblijf is slechts gedurende maximaal 3 etmalen per week mogelijk. Als er behoefte is aan meer etmalen per week, dan moet de cliënt een beroep doen op de Wet langdurige zorg. Daarnaast moet duidelijk zijn dat ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is. Daarbij is het verhaal van de mantelzorger leidend. Artikel 3.2.4. Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening doventolk De doventolk is bestemd voor ondersteuning in de dagelijkse privésituatie. Als een doventolk noodzakelijk is voor het werk of het volgen van een opleiding, dan kan een beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening via het UWV. Het college kan het aantal uren dat het beschikbaar stelt maximeren. Artikel 3.2.5. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening sociaal-recreatief vervoer Het sociaal recreatief vervoer is bestemd voor lokaal vervoer. Op grond van bestaande jurisprudentie wordt er vanuit gegaan dat een cliënt met een gemaximeerd aantal kilometers met een taxi of collectief aanvullend vervoer kan voldoen in zijn behoefte aan maatschappelijke participatie.

Het college zal regels stellen omtrent het maximaal aantal kilometers. In individuele gevallen kan hiervan, op basis van een gemotiveerd verzoek van de cliënt, worden afgeweken. Het primaat ligt bij het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV). Dat wil zeggen dat als het CVV naar het oordeel van het college volstaat om te voldoen in de behoefte aan participatie van de cliënt, de cliënt een pasje voor het CVV ontvangt. Als betrokkene is aangewezen op het CVV, dan kan hij in aanmerking komen voor een pgb ten behoeve van het sociaal-recreatief vervoer. De vergoeding van het Pgb kan hierbij nooit hoger zijn dan de kosten van het CVV. Het primaat van het CVV laat onverlet dat een cliënt wel in aanmerking kan komen voor een vervoermiddel voor de korte afstand, zoals een scootmobiel of een aanpassing aan de fiets.

8

Artikel 3.2.6. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen Om te kunnen blijven wonen in de eigen woning kan het noodzakelijk zijn daarin de noodzakelijke voorzieningen te treffen, zodat de cliënt voldoende zelfredzaam blijft. Het college doet dit pas als het de afweging heeft gemaakt dat een verhuizing voor de cliënt niet een meer aangewezen oplossing is. De term eigen woning impliceert dat de voorzieningen alleen aangebracht kunnen worden op het adres waar de cliënt woont. De aanpassing kan derhalve geen betrekking hebben op verblijfplaatsen die niet geschikt of bestemd zijn om het gehele jaar door te worden bewoond. Als betrokkene in een instelling verblijft op grond van de Wet langdurige zorg, is een woonvoorziening niet aan de orde. Er is immers geen sprake van verbetering of handhaving van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt en bovendien is de Wet langdurige zorg in dat geval voorliggend. Als een cliënt in de opvang verblijft, kan een woonvoorziening wel aan de orde zijn. Een instelling voor beschermd wonen wordt geacht toegerust te zijn op bewoners met een beperking. Een woonvoorziening kan ook betrekking hebben op het bezoekbaar maken van een woning. Dit gebeurt in principe slechts bij één woning. Slechts in uitzonderingssituaties is het mogelijk nog een andere woning aan te passen.

Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de ouders van een kind gescheiden zijn en het kind hierdoor één van de ouders niet thuis kan bezoeken. De eigenaar van de woning is er voor verantwoordelijk dat de woning bewoonbaar is. Problemen zoals lekkages, schimmelvorming etc. kunnen tot een voor de cliënt ongezonde situatie leiden, doch behoren in principe niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. Ook worden wooncomplexen welke bestemd zijn voor de doelgroep van de Wmo, te weten huisvesting van ouderen of personen met een beperking niet meer aangepast. Bij het realiseren van deze woning wordt er vanuit gegaan dat deze wooncomplexen zijn ingericht op de doelgroep. Er mag vanuit gegaan worden dat dit dan ook niet meer tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort. Artikel 3.2.7. Aanvullende criteria voor beschermd wonen. Beschermd wonen wordt voor als nog uitgevoerd door de gemeente Tilburg als centrum gemeente. De regels van de gemeente Tilburg zijn hier dan ook op van toepassing. In deze regels is niets opgenomen omtrent de inzet van beschermd wonen in het buitenland. Bij de uitvoering en de mogelijkheid tot toezicht wordt aangenomen dat dit niet mogelijk is. Echter om onduidelijkheid te voorkomen is het verstandig om dit op te nemen in de verordening.

Paragraaf 3.3 Een gezin, een plan een aanspreekpunt Artikel 3.3.1. Verstrekking binnen een gezin Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.

Paragraaf 3.4 Waardering mantelzorgers Artikel 3.4.1. Blijk van waardering voor mantelzorgers Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. De wijze waarop is vrij. Het college zal zorgdragen voor passende invulling. Waarbij op voorhand niet wordt gekozen voor één soort compliment, maar voor flexibiliteit en aansluitend op de behoefte van de mantelzorgers. De waardering wordt op maat ingevuld (waarbij geen onderscheid gemaakt wordt op basis van inkomen, intensiteit van de mantelzorg of de afstand tot de cliënt). Het compliment wordt toegekend aan de mantelzorger

9

Paragraaf 3.5 Tegemoetkoming meerkosten Artikel 3.5.1. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen De centrale overheid heeft de landelijke regelingen Wtcg en CER afgeschaft. De gemeente heeft beleidsvrijheid in de besteding van deze middelen. De intentie van de gemeente is om inwoner met een beperking of een chronisch probleem te compenseren voor de meerkosten. Hoe hier verder invulling aangegeven wordt is aan het college. Te denken valt aan minimaregelingen. Een tegemoetkoming kan hierbij wel inkomensafhankelijk zijn.

Hoofdstuk 4 Ondersteuning in de vorm van een pgb Artikel 4.1. Mogelijkheden tot het kiezen voor een pgb Op grond van artikel 8.1.1. van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn: - hij moet, al dan niet met ondersteuning, in staat zijn om een pgb te beheren. Dat wil zeggen dat hij de administratieve verantwoordelijkheden aankan, maar ook kan bepalen wat hij nodig heeft en door hem ingeschakelde personen kan aansturen; - hij kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; de jeugdige of zijn ouders moeten zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de aanbieder niet passend acht; - de diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het pgb wenst in te kopen worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt en dragen bij aan het behalen van het beoogde resultaat.

Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren: - voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de individuele dan wel maatwerkvoorziening; of - indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb. Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen. Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 8.1.1. Jeugdwet en artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015 genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn.

Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is. Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding. In het derde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen: Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past

10

binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden. Als Collectief Vraagafhankelijk Vervoer als maatwerkvoorziening voor een cliënt passend wordt geacht, is een pgb in principe niet mogelijk. Het college kan daarop een uitzondering maken als het pgb wordt bestemd voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. Voorwaarde is wel, dat hij voor 5 jaar afziet van het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer op Maat. Dit is opgenomen in artikel 2.3.6, derde lid. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden. Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven. Artikel 4.2. Hoogte van het pgb en begroting De basis voor de vaststelling van de hoogte van het pgb is de door de cliënt ingediende begroting. De pgb bedragen worden hierbij begrensd. Voor het vaststellen van het Pgb tarief worden tarieven gehanteerd welke gerelateerd zijn aan de kostprijs voor de ondersteuning in natura.

Bij een pgb voor dienstverlening wordt er bij de toekenning van een pgb een differentiatie toegepast afhankelijk of de ondersteuning ingezet wordt door een geregistreerde (zorg) organisatie / instelling een ZZP of door informele zorg. Bij de ondersteuning door een (zorg)organisatie/instelling en ZZP wordt voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb een percentage van 90% van de ondersteuning in natura. Dat komt omdat aan gecontracteerde aanbieders een aantal aanvullende eisen wordt gesteld met betrekking tot de administratie (declaratie via vastgestelde systemen en registratie van kwaliteitsindicatoren die zowel landelijk als regionaal uitgevraagd worden), klachtenregeling, leveren van overbruggingszorg en social return on investment. Formele hulpaanbieders die op basis van een pgb ondersteuning leveren, hoeven hier niet aan te voldoen. Het pgb-tarief is daarom voor een formele hulpverlener lager vastgesteld dan het zorg in natura-tarief. In eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RBOVE:2017:2773) is bepaalt dat het hanteren van een pgb-tarief dat 10% lager ligt dan vergelijkbare zorg in natura, in beginsel redelijk is. Wel moet vaststaan dat met het verstrekte budget de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn.

Bij informele zorg is men inmiddels ook gehouden om, ingeval van een arbeidsovereenkomst, het Wettelijk minimum loon uit te betalen. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zal op basis van de vastgestelde tarieven de cliënt een pgb verstrekt krijgen waarmee het minimum loon uitbetaald kan worden. Blijkt in een individueel geval dit toch tot problemen te leiden dan zal er op basis van maatwerk gekeken worden of er reden is om het pgb aan te passen. Indien er meerdere aanbieders zijn die een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening leveren, wordt het laagste tarief als uitgangspunt gehanteerd. Ook de marktprijs wordt gebaseerd op de laagste prijs. In lid 6 wordt het college de mogelijkheid gegeven om rekening te houden met kosten die geen betrekking hebben op specifieke salariskosten. Artikel 4.3. Pgb overige maatwerkvoorzieningen Voor overige maatwerkvoorzieningen, zoals woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen wordt het maximale pgb-tarief afgeleid van de kostprijs van de voorziening in natura. Het college kan daarbij wel rekening houden met verlaging van de kostprijs als er bijvoorbeeld geen sprake is van arbeidsloon door een aannemer, omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het informele circuit.

11

Artikel 4.4. Besteding en verantwoording van het pgb De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient. Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb. Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten. Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.

Hoofdstuk 5 Bijdragen voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen Artikel 5.1. Compensatie algemeen gebruikelijke kosten Als een cliënt gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening, dan kan de aanbieder van deze voorziening een bijdrage vragen voor de kosten die onderdeel uitmaken van de voorziening maar feitelijk algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat daarbij om kosten van bijvoorbeeld maaltijden, het doen van de was, kosten van vervoer die niet hoger zijn dan de kosten van het openbaar vervoer, een reguliere toegangs- of lidmaatschapsprijs of bijdrage aan materiaalkosten bij een creatieve activiteit. Het college maakt hierover afspraken met de aanbieder van de voorziening. De aanbieder moet transparant zijn over de kosten die hij in rekening brengt en dit op een duidelijke en begrijpelijke manier kenbaar maken aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening. Dit kan op een website, met een brief of op een andere duidelijke wijze. De gemeente zal bij het uitvoeren van het onderzoek en het opstellen van een plan van aanpak zoveel als mogelijk de kosten, welke verbonden zijn aan de in het plan van aanpak opgenomen voorzieningen, inzichtelijk maken voor de cliënt. Artikel 5.2. Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb Met ingang van 1 januari 2019 geldt het Abonnementstarief, waarbij het tarief dat een cliënt moet betalen gemaximeerd is.

De berekening van de eigen bijdrage is in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 opgenomen. Als gemeente volgen we deze systematiek. In het tweede en derde lid is opgenomen hoe lang iemand een eigen bijdrage verschuldigd is. Bij dienstverlening geldt dat de eigen bijdrage verschuldigd is over iedere periode waarin dienstverlening is geboden. Ook als bijvoorbeeld een week geen dienstverlening is geboden, maar de andere weken wel, is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. In hoeverre de kostprijs van de dienstverlening hierdoor wijzigt, is afhankelijk van het contract dat de gemeente met de dienstverlener heeft afgesloten. Zodra de indicatie voor de dienstverlening wordt ingetrokken, vervalt ook de verschuldigdheid van de eigen bijdrage. Voor een voorziening in natura is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de cliënt in het bezit is van de voorziening. Als de kostprijs eerder is voldaan, eindigt de verplichting tot het betalen van de eigen bijdrage zodra de kostprijs is voldaan. Ditzelfde geldt voor de eigen bijdrage over een eenmalig pgb. Bij een periodieke pgb-verstrekking is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd over iedere periode waarin een pgb is verstrekt. De gemeente informeert een cliënt omtrent de te betalen eigen bijdrage.

Voor een woningaanpassing van een minderjarig kind is een eigen bijdrage verschuldigd indien er door de woningaanpassing een waardevermeerdering heeft plaatsgevonden. De eigen bijdrage wordt dan in rekening gebracht op de waardevermeerdering van de woning. Om te bepalen of hier sprake van is zal er door het college nadere regels gesteld worden. Deze eigen bijdrage wordt in rekening gebracht bij de

12

onderhoudsplichtige ouders, waaronder ook wordt verstaan de stiefouders en anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook wordt tot de ouders gerekend de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen. Daarnaast kan de eigen bijdrage in rekening worden gebracht bij degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige. In de wet is opgenomen dat geen bijdrage is verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. In de wet is tevens opgenomen dat als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald, alleen die ouder bijdrageplichtig is die onmiddellijk voorafgaand aan de verstrekking van de woningaanpassing of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag heeft. In het derde lid is opgenomen dat voor een aantal voorzieningen geen eigen bijdrage verschuldigd is. Hieronder valt ook de Ontwikkelingsgerichte Arbeidsmatige Dagbesteding. De ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding is losgemaakt van Wmo begeleiding en beschermd wonen. Met het uitgangspunt “Participatie is de beste zorg” willen we stimuleren dat zoveel mogelijk mensen meedoen in de samenleving. Omdat vanuit de Participatiewet geen eigen bijdrage gevraagd wordt voor deelname aan participatie-instrumenten willen we dat voor OAD ook niet doen.

In de wet is geregeld dat voor cliëntondersteuning geen eigen bijdrage verschuldigd is. Aangezien een doventolk in het verlengde hiervan ligt, is ook voor de doventolk geen eigen bijdrage verschuldigd. Artikel 5.4 Bijdrage CVV Voor het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor sociaal-recreatief is een bijdrage verschuldigd die door het college nader wordt vast gesteld. Deze bijdrage is niet inkomensafhankelijk en gekoppeld aan de Ov tarieven zoals deze door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer worden vastgesteld. Er worden bij deze bijdrage rekening gehouden met het tijdstip waarop men reist en de kosten van het verstrekken van een reizigerspas kunnen op de inwoner verhaald worden.

Hoofdstuk 6 Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening en pgb Wmo 2015 Artikel 6.1. Vaststelling kostprijs pgb De kostprijs van een pgb is altijd gelijk aan de hoogte van het pgb. In lid 3 worden de kostprijs voor de Pgb CVV vastgesteld op basis van het tarief van Binnenlandse reizen Cao Rijk. Hiermee wordt aangesloten bij de regels omtrent het leerlingenvervoer en regels welke we als gemeente gebruiken voor de dienstreizen. Artikel 6.2. Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening in natura Bij een maatwerkvoorziening in natura zijn diverse situaties mogelijk: - Er is sprake van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, opvang of beschermd wonen. Bijvoorbeeld voor een woonvoorziening, rolstoel of scootmobiel. Als de gemeente de maatwerkvoorziening inkoopt, dan is de kostprijs gelijk aan de inkoopprijs die de gemeente verschuldigd zou zijn. Hier kunnen ook de onderhoudskosten bij inbegrepen zijn. In dat geval wordt de kostprijs derhalve afgeleid van de contracten die de gemeente heeft met leveranciers of wordt vastgesteld op basis van marktonderzoek of het opvragen van offertes. Als de gemeente de maatwerkvoorziening huurt, dan wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is deze gelijk aan de huurprijs die de gemeente per periode betaalt. - Er is sprake van een voorziening voor dienstverlening, opvang of beschermd wonen.

Een dergelijke voorziening wordt over meerdere periodes verstrekt, waardoor er geen eenmalig bedrag aan is op te hangen. De kostprijs wordt daarom per periode vastgesteld op de kosten die de gemeente op grond van een subsidierelatie of contract met de aanbieder verschuldigd is voor de dienstverlening, opvang of beschermd wonen.

13

Hoofdstuk 7 Kwaliteit, klachten en inspraak Artikel 7.1. Kwaliteitseisen In artikel 3.1 Wmo 2015 staat dat de aanbieder van een voorziening er zorg voor moet dragen dat een voorziening van goede kwaliteit is. De voorziening wordt in ieder geval: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; b. afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; c. verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; d. verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. In dit artikel worden de wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder verder uitgebreid. Zo worden er eisen gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de deskundigheid van het ingezette personeel. In de Jeugdwet worden in paragraaf 4.1 vergelijkbare kwaliteitseisen gesteld aan de hulp die de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aanbiedt. In dit artikel worden deze wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder, verder uitgebreid. Zo zal het college een keurmerk of vergelijkbare kwaliteit eisen van een aanbieder, als er voor zijn branche een keurmerk bestaat. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het ingezette personeel.

Ook wordt er op gewezen dat de hoofdaannemer er zorg voor draagt dat de door hem ingezette onderaannemers aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten die met de aanbieders worden afgesloten. De kwaliteitseisen hebben tevens betrekking op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. Welke kwaliteitseisen de cliënt wil stellen, is in eerste instantie aan de pgb-houder. Echter, slechts voor professionele dienstverlening wordt het formele tarief verstrekt. Het college kan de kwaliteit van de aanbieder toetsen in relatie tot het bereiken van de in het pgb-plan gestelde doelen en resultaten, de doelmatigheid en de veiligheid. Het college weegt bij de beoordeling mee of de diensten, hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. De gemeente vraagt hiervoor de cliënt dit inzichtelijk te maken. Het college stelt hier nadere regels voor. Het college ziet toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen onder andere door het instellen van een periodiek cliëntervaringsonderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat een cliënt in staat moet zijn om te beoordelen of een resultaat behaald wordt en daarmee ook de nodige kwaliteit. Artikel 7.2.

Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door aanbieders Op 1 juni 2017 trad het gewijzigde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in werking. Er is een nieuw artikel 5.4 toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dat tot doel heeft dat een gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. Naar aanleiding hiervan wordt de verordening aangepast. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van (vervoer)hulpmiddelen en woningaanpassingen. De Nota van Toelichting bij dit gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verbreedt de nieuwe regels ook tot het beleidsdomein Jeugdhulp. Want gemeenten en aanbieders werken aan nieuwe vormen van dienstverlening aan cliënten over de grenzen van de afzonderlijke wetten voor het sociaal domein. Hoewel het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit alleen ziet op diensten in het kader van de Wmo 2015, levert dat geen beperking op voor het verlenen van sociaal domein brede opdrachten. Artikel 2.12 van de Jeugdwet bevat immers eenzelfde inhoudelijke strekking als artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 en

14

vraagt op vergelijkbare wijze van de gemeenteraad bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening. In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. Wmo 2015, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2. Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten.

De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Het derde lid stelt dat het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal moet baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het vijfde lid stelt dat het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 7.3.

Melding calamiteiten en geweld De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening en aanbieders van de Jeughulp dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit geldt ook voor het door het college aangewezen medewerkers en beroepskrachten in het dorpsnetwerk waar inwoners zich kunnen melden. De aanbieder en de medewerker heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Artikel 7.4. Klachten tegen medewerkers De cliënt heeft de mogelijkheid om bij de gemeentelijke organisatie een klacht in te dienen over de wijze waarop hij bejegend wordt dan wel de wijze waarop de afhandeling van melding en aanvraag heeft plaats gevonden door een door het college aangewezen medewerkers. Artikel 7.5. Klachten aanbieders Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening en iedere aanbieder van Jeugdhulp is verplicht te beschikken over een klachtenprocedure. Tot deze klachtenregeling kan ook behoren een cliënt ervaringsonderzoek.

15

Artikel 7.6. Medezeggenschap Voor aanbieders van maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening en aanbieders jeugdhulp is het verplicht om een regeling te treffen voor medezeggenschap. Dit zal in veel gevallen een cliëntenraad zijn. Op deze manier kunnen cliënten invloed uitoefenen op besluiten die voor hen van belang zijn. Paragraaf 4.2.b Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. De aanbieders zijn verplicht helder te maken hoe de medezeggenschap en klachtenregeling bij hun organisatie is geregeld. Artikel 7.7. Betrokkenheid ingezetenen bij de uitvoering van de wet Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015. Het wordt aan het college overgelaten hoe invulling te geven aan de medezeggenschap van burgers. Hier is deels invulling aangegeven middels de Verordening Participatieraad Sociaal Domein gemeente Hilvarenbeek 2019. Het uitgangspunt van deze verordening is dat de vertegenwoordiging zo breed als mogelijk binnen het sociaal domein moet worden vorm gegeven. De hierboven genoemde verordening staat er echter niet aan in de weg dat het college ook nog op andere wijze de ingezetenen betrekt bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Hoofdstuk 8 Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet Artikel 8.1. Tegengaan oneigenlijk gebruik De raad zet in op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe is in dit artikel een aantal maatregelen opgenomen die in dit kader in ieder geval van het college worden verwacht. Het gaat bijvoorbeeld om een goede toegangsprocedure, resultaatsturing, monitoring en het aanwijzen van toezichthouders. Ten aanzien van pgb-verstrekkingen speelt daarnaast een rol dat er in geval dienstverlening sprake is van een trekkingsrecht: de cliënt krijgt het pgb niet in handen, maar de rekeningen worden gedeclareerd bij het SVB die deze vervolgens na controle uitkeert. Artikel 8.2. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Het artikel is voor een groot deel een herhaling van wat in de jeugdwet en de Wmo 2015 is opgenomen. Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In lid 2 onder en lid 5 is de mogelijkheid gegeven om bij een derde (zorgaanbieder) een pgb terug te vorderen.

Daarnaast wordt bij overlijden of bij verhuizing buiten de gemeente de restwaarde van de voorziening terug gevraagd Er is geen juridische basis voor het terug vorderen van het pgb, maar de voorziening is verstrek met gemeenschapsgeld en ligt voor de hand dat dit geld terug vloeit naar de gemeente. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder d (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). Lid vier maakt een onderscheid tussen de Jeugdwet en de WMO 2015. Binnen de Jeugdwet is terug vordering mogelijk als de verstrekking van de voorziening heeft plaatsgevonden op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Binnen de Wmo 2015 daarbij sprake zijn van opzet. Is er geen sprake van opzet dan kan er ook niet terug gevorderd worden. Voor beide geldt overigens ook dat er teruggevorderd kan worden als door de cliënt medewerking verleend is aan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens. De terugvordering van een maatwerkvoorziening geschiedt op basis van de kostprijs van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12616958/1