11 Programma van eisen Kindcentrum De Doelakkers (3k Bijlage 11 PvE - Rapport ICS adviseurs Technisch PvE Doelakkers)
Tekst van het document
Technisch Programma van Eisen Kindcentrum De Doelakkers Nieuwbouw voor onderwijs, kinderopvang en gymzaal
Opdrachtgever Gemeente Hilvarenbeek Referentienummer 2240245/20241204Lke02
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever DatumICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze waarmee uitgave. De inhoud2024 en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene 4 december voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is Auteur(s)inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in uitgesloten, een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, Esmée Boereboom, Iris Smits hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
5. 4
1.1
Doel en scope
4
1.2
Aanpak en proces: van grof naar fijn
4
1.3
Leeswijzer
4
Deel I - Algemene uitgangspunten
6
2.
7
Kaders en uitgangspunten 2.1
Wettelijk eisen, richtlijnen en handleidingen
7
2.2
Kaders vanuit Kindcentrum De Doelakkers
8
2.3
Wettelijke eisen, richtlijnen en handboeken
8
Deel II - Ambitie
10
3.
11
Ambitieniveau 3.1
Duurzaamheid
11
3.2
Logistieke kwaliteit
12
3.3
Menselijke maat
12
3.4
Veiligheid
13
3.5
Beheer en exploitatie
13
Deel III - Technische eisen
14
4.
15
Terrein 4.1
Algemeen
15
4.2
E- en W-installaties
16
4.3
Parkeren
16
4.4
Terreinafscheiding en omheining
16
4.5
Terrein- en gevelverlichting
17
2240245/20241204Lke02 | www.icsadviseurs.nl
6.
7.
Bouwfysische uitgangspunten
18
5.1
Energieprestatie
18
5.2
Binnenklimaat en binnenmilieu
18
5.3
Luchtvochtigheid
20
5.4
Akoestiek en geluidshinder
21
5.5
Daglicht
24
5.6
Zon- en helderheidswering
24
5.7
Buitenmilieu
25
5.8
Brandveiligheid
25
Bouwkundige eisen
27
6.1
Algemeen
27
6.2
Vloeren
27
6.3
Buitenwanden
28
6.4
Binnenwanden
29
6.5
Trappen en hellingen
30
6.6
Installatieruimten, schachten en kabelgoten
31
6.7
Hang- en sluitwerk
31
6.8
Sanitair
31
6.9
Spoel- en wasvoorziening
32
6.10 Schoonmaakruimten
32
6.11 Doucheruimten (gymzaal)
33
6.12 Glasbewassingsvoorziening
33
6.13 Bouwkundige voorzieningen technische installaties
33
6.14 Programma van Eisen-specifieke inrichting
33
Elektrotechnische installaties 7.1
Centrale elektrotechnische voorzieningen
35 35
2/51
8.
9.
7.2
Verlichting
38
7.3
Terrein- en gevelverlichting
39
7.4
Communicatie
40
7.5
Beveiliging
41
Werktuigbouwkundige installaties
43
8.1
Warmteopwekking
43
8.2
Koudeopwekking
44
8.3
Ventilatie
44
8.4
Luchtbehandelingsinstallatie
45
8.5
Regeltechnische installaties
46
8.6
Warm- en koudwatervoorziening
46
8.7
Brandbestrijdingsinstallaties
47
8.8
Vloeistofafvoersystemen
48
8.9
Opleverinspectie
48
Transporttechnische installaties
49
Deel IV - Bijlagen
50
Bijlage 1: Scorekaart Frisse Scholen
51
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.
2240245/20241204Lke02 | www.icsadviseurs.nl
3/51
1. Inleiding 1.1 Doel en scope Voor u ligt het T PvE (Technisch Programma van Eisen) dat de technische uitgangspunten voor de nieuwbouw voor onderwijs, kinderopvang en gymzaal in Hilvarenbeek omvat. Hierin zijn de technische eisen uitgewerkt met betrekking tot het gebouw en gebouwgebonden installaties. Tezamen met het Ruimtelijk-Functioneel Programma van Eisen (RF PvE), dat in samenwerking met de toekomstige hoofdgebruikers separaat wordt opgesteld, zijn deze documenten input voor de nog te selecteren adviseurs (o.a. architect, adviseur installaties, constructeur, adviseur bouwfysica, etc.). Deze documenten vormen tezamen de uitgangspunten voor de complete ontwerpopgave en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het T PvE heeft tot doel de technische uitgangspunten op hoofdlijnen te formuleren waarmee in de ontwerpfase, bestekfase en uitvoeringsfase van het gebouw rekening moet worden gehouden. Het betreft hier eisen die een minimaal prestatieniveau aangeven en voor het gehele gebouw gelden. De eisen zijn zoveel mogelijk geformuleerd als verwijzingen naar bestaande normen en praktijkrichtlijnen. Het T PvE schrijft aanbevelingen en aanvullingen voor op de eisen en richtlijnen die wettelijk gesteld worden.
Het in dit document omschreven prestatieniveau geldt als minimaal vereist kwaliteitsniveau voor huisvesting, welke op onderdelen uitstijgt boven het niveau van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving.
1.2 Aanpak en proces: van grof naar fijn Het T PvE maakt onderscheid tussen de algemene uitgangspunten (deel I), de ambitie (deel II) en de technische uitwerking (deel III). De technische uitwerking geeft de minimaal gewenste kwaliteit weer van het te realiseren gebouw. De door de ontwerpende partijen op te stellen plannen zullen aan de hand van de gestelde voorwaarden worden getoetst.
2240245/20241204Lke02 | www.icsadviseurs.nl
De technische uitgangspunten geven de prestatie-eisen weer. In principe worden geen oplossingen voorgeschreven. In het ontwerpproces zullen de door de ontwerpers gekozen oplossingen moeten worden goedgekeurd door (een vertegenwoordiging van) de opdrachtgever en gebruikers. Ontwerpende partijen, van wie een kritische houding wordt verwacht, hebben een adviserende functie ten aanzien van de realisatie van aandachtspunten in het gebouw. Zij dienen de opdrachtgever te wijzen op mogelijke alternatieve invullingen waarbij zij opdrachtgever informeren over de voor- en nadelen van de alternatieven teneinde een optimale afstemming te krijgen tussen ontwerp, wensen en mogelijkheden. Streven hierbij is het maximaal (technisch en financieel) haalbare te realiseren waarbij altijd kan worden teruggevallen op de eisen in dit document. Ook de opdrachtgever kan wijzigingen en alternatieven aandragen. Ook in dat geval adviseren de ontwerpende partijen opdrachtgever bij het maken van een keuze.
1.3 Leeswijzer Deel I en Deel II Na het inleidende eerste hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 met vermelding van de algemeen geldende wet- en regelgeving die van toepassing is en die bij de ontwerpende partijen als bekend mag worden verondersteld. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ambitieniveau weergegeven.
Deel III Dit deel geeft een korte schets van essentiële technische uitgangspunten. Deze uitgangspunten worden uitgewerkt in hoofdstuk 4 tot en met 9 in specifieke ontwerpuitgangspunten en technische richtlijnen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Terrein Bouwfysische uitgangspunten Bouwkundige eisen Elektrotechnische installaties Werktuigbouwkundige installaties Transportinstallaties
4/51
Markeringen Om het onderscheid aan te geven enerzijds tussen prestatie-eis, criteria en uitgangspunten en anderzijds aandachtspunten aan te duiden, worden de volgende markeringen in kaders gehanteerd: <betreffende eis> Dit betreft de minimale prestatie.
Uitgangspunten ▪
Uitgangspunten, als toelichting en/of aanvulling op de prestatie-eis.
Norm(en) De te hanteren normen, voor zover die niet zijn vervangen voor een meer recente versie die dient te worden gehanteerd. Deze zijn wettelijk verplicht.
Aandachtspunten ▪
Aandachtspunten zijn niet leidend of bindend maar onderdeel van het onderzoek van de ontwerpopgave. Deze dragen bij aan een verdere optimalisatie van gestelde uitgangspunten en bieden daarmee handvatten voor ontwerp- en/of bouwteam bij de verdere uitwerking.
Advies door Sommen Gosens Voor dit Technisch Programma van Eisen heeft de gemeente Hilvarenbeek advies ingewonnen over elektrotechnische en werktuigbouwkundige installaties bij Sommen Gosens. In soortgelijke kaders worden deze adviezen weergegeven.
2240245/20241204Lke02 | www.icsadviseurs.nl
5/51
Deel I - Algemene uitgangspunten De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.
2. Kaders en uitgangspunten
geven bepalingsmethoden aan waarmee aan de prestatie-eisen wordt voldaan. De normen worden uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). 2.1.1.2
2.1 Wettelijk eisen, richtlijnen en handleidingen Onverkort hetgeen in dit Technisch Programma van Eisen is gesteld, dient een gebouw te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Hieronder valt het vigerend Besluit Bouwwerken Leefomgeving incl. de hierop volgende wijzigingen en de daarin voorgeschreven NEN-normen, de gemeentelijke bouwverordening en het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast wordt ook voldaan aan de criteria die zijn gesteld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en eisen samenhangend met veiligheid. Indien in het onderliggende document onverhoopt kwaliteiten van een lager niveau dan de geldende wettelijke eisen en/of richtlijnen worden beschreven, prevaleren de wettelijke eisen en/of richtlijnen. Wanneer in het vervolg van deze rapportage wordt verwezen naar NEN-normen of andere richtlijnen, dient te allen tijde de meest actuele versie van de betreffende norm of richtlijn te worden gehanteerd, inclusief alle op deze norm of richtlijn betrekking hebbende verwijzingsbladen en/of correctiebladen. Het voorschrijven van deze regels ontneemt adviseurs nimmer de plicht om opdrachtgever te wijzen op andere, nieuwe en/of verbeterde wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen welke betrekking hebben op onderhavige opgave voor zover zij daar kennis van hebben of mag worden verondersteld dat zij daar kennis van hebben.
2.1.1 Wet- en regelgeving 2.1.1.1
Besluit Bouwwerken Leefomgeving
Toetsing ten behoeve van de omgevingsvergunning zal plaatsvinden aan de hand van de op dat moment geldende versie van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. De eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving voor nieuw te bouwen bouwwerken bevatten de minimum bouwtechnische voorschriften omtrent veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving staat welke NEN-normen van toepassing zijn en welke kwaliteitsverklaringen kunnen worden toegepast. De NEN-normen
www.icsadviseurs.nl
Gemeentelijke bouwverordening en omgevingsplan
De huisvesting dient te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de gemeentelijke bouwverordening en binnen het omgevingsplan. Er mag geen wettelijke belemmering bestaan om het gebouw en terrein in gebruik te nemen of te houden voor de beoogde functie. Er dient een BOPA-procedure te worden doorlopen. Tevens dient in de aanvraag van de omgevingsvergunning en bij ingebruikname rekening te worden gehouden met de bepalingen en voorschriften van de plaatselijke brandweer die opereert binnen de veiligheidsregio.
2.1.2 Richtlijnen 2.1.2.1
Arbeidsomstandigheden besluit (Arbowetgeving)
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving is afgestemd met het Arbobesluit met betrekking tot de bouwtechnische Arbo-voorschriften. Tevens dient ervoor te worden gezorgd dat het gebouw bij ingebruikname in overeenstemming is met onder meer de dan geldende eisen die ingevolge de Arbowet worden gesteld aan de arbeidsomstandigheden van gebruikers en bezoekers van het gebouw. De nodige aandacht dient derhalve te worden besteed aan de arbeidsomstandigheden, waarbij de van overheidswege vastgestelde voorschriften, wetten, normen en Arbo-informatiebladen (AI-bladen) in acht dienen te worden genomen. 2.1.2.2
GGD-richtlijnen t.b.v. kinderopvang (RIVM)
De richtlijnen vanuit de GGD t.b.v. kinderopvang zijn van toepassing. 2.1.2.3
Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang
Het Kwaliteitskader is een document met een aantal kwaliteitscriteria ten aanzien van de Beleving, Gebruik en Techniek van een kinderdagverblijf. Dit voor zowel de kinderopvang (0-4 jaar) als de buitenschoolse opvang (4-12 jaar). 2.1.2.4
Stedenbouwkundige kaders
De nieuwbouw vindt plaats op de huidige locatie, derhalve hoeft er geen bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Op het moment van schrijven (21-10-2024) wordt er wel een stedenbouwkundig onderzoek uitgevoerd.
7/51
2.1.2.5
Toegankelijkheid
Toegankelijkheid is de eigenschap van gemaakte voorzieningen (o.a. buitenruimten, producten en gebouwen) die maakt dat mensen alle ruimten in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen bereiken en betreden en alle functies in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen gebruiken. Het uitgangspunt hierbij is dat (standaard)voorzieningen die in het gebouw zijn opgenomen ook integraal toegankelijk zijn. De opvang, school en gymzaal kunnen separaat van elkaar functioneren middels het toevoegen van een eigen entree. Het gebouw dient zoveel mogelijk integraal bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te zijn voor iedereen, ook voor personen met een lichamelijke en/of functionele beperking. Hiermee worden niet uitsluitend rolstoelgebruikers bedoeld, maar ook bijvoorbeeld leerlingen met een functiebeperking van andere aard en mensen met een visuele, auditieve of andere beperking. Wat betreft de toegankelijkheid van het gebouw wordt gestreefd te voldoen aan de meest recente versie van het Handboek Toegankelijkheid. 2.1.2.6
Overig
De huisvesting moet voldoen aan alle wettelijke vastgelegde veiligheidseisen, zowel het eindresultaat alsmede de tijdelijke situatie gedurende de realisatiefase. Daarnaast gelden aanvullende eisen gericht op het bevorderen van de veiligheid en het waarborgen van de continuïteit van primaire en secundaire bedrijfsprocessen. De sociale veiligheid, gezondheid en het welbevinden moeten (door of vanwege de ligging van het gebouw) zijn gewaarborgd.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
2.3 Wettelijke eisen, richtlijnen en handboeken Onverkort hetgeen in dit Technisch Programma van Eisen is gesteld, dient het gebouw te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en richtlijnen, waaronder: ▪
▪
▪ ▪
▪
2.2 Kaders vanuit Kindcentrum De Doelakkers Het totale pakket van eisen dient zorgvuldig in acht te worden genomen. Daarbij dient voor samenhang tussen de volgende onderdelen te worden gezorgd: ▪
▪ ▪
De functionaliteit van het gebouw zoals omschreven in het RuimtelijkFunctioneel Programma van Eisen d.d. 04-12-2024 met kenmerk 2240245/20241204Lke01; De onderlinge samenhang van constructies, bouwonderdelen, materialen en installaties; Onderhoudsbewust gebouw;
www.icsadviseurs.nl
De duurzaamheid en milieuvriendelijkheid van constructies en materialen. Hierbij ook kijken naar exploitatiegerichte investeringen in materialisatie; Energie Neutraal Gebouw is de wens, Bijna Energie Neutraal Gebouw is de eis; De veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de gebruikers; Een prettig binnenklimaat, Frisse Scholen Klasse B; Een milieubewust energiebeheer.
▪
▪
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (bbl) en de daarin voorgeschreven NEN-normen, de gemeentelijke bouwverordening en het vingerende bestemmingsplan; Frisse Scholen (versie 2021) Klasse B. In bijlage 1 is een scorekaart toegevoegd met de Frisse Scholen classificering. Mogelijke afwijkende ambities worden onderbouwd bij het ambitieniveau in hoofdstuk 3; De criteria die gesteld zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbo) en eisen samenhangend met veiligheid; Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang (versie 2019 of recenter indien beschikbaar) en Kwaliteitskader Huisvesting Onderwijs (Ruimte-OK, meest recente versie) Het Handboek Toegankelijkheid dient als uitgangspunt voor ontwerp en maatvoering van verkeersroutes en toegangen op het terrein en in het gebouw; Voor bewegingsonderwijs dient het basisonderwijs te voldoen aan de richtlijnen in het Handboek huisvesting bewegingsonderwijs speellokaal (KVLO 2021 of recenter), Handboek huisvesting bewegingsonderwijs (KVLO 2019 of recenter), Basisinventarisatielijst bewegingsonderwijs (KVLO 2019 of recenter) en de Tekening belijning gymzaalindeling (Sika); Overige geldende wet- en regelgeving.
Deze documenten zijn als bijlagen toegevoegd bij dit Technisch Programma van Eisen.
8/51
Alle in dit document genoemde ambities die hoger liggen dan deze eisen, worden zo goed als mogelijk verwerkt in het ontwerp, passend binnen de financiële kaders. Samen met het ontwerpteam en de opdrachtgever worden tijdens het ontwerptraject de uiteindelijke keuzes en afwegingen bepaald, met de uitgangspunten van dit document als leidraad. Indien in het onderliggende document onverhoopt kwaliteiten van een lager niveau dan de geldende wettelijke eisen en/of richtlijnen worden beschreven, prevaleren de wettelijke eisen en/of richtlijnen, waaronder de in bijlage 1 opgenomen eisen vanuit Frisse Scholen. Wanneer in het vervolg van deze rapportage wordt verwezen naar wetgeving, NEN-normen of andere richtlijnen, is altijd de meest actuele versie van de betreffende wet, norm of richtlijn bedoeld, inclusief alle op deze wet, norm of richtlijn betrekking hebbende verwijzingsbladen en/of correctiebladen. Het voorschrijven van deze regels ontneemt adviseurs nimmer de plicht om de opdrachtgever te wijzen op andere, nieuwe en/of verbeterde wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen welke betrekking hebben op onderhavige opgave voor zover zij daar kennis van hebben of mag worden verondersteld dat zij daar kennis van hebben.
www.icsadviseurs.nl
9/51
Deel II - Ambitie
www.icsadviseurs.nl
10/51
3. Ambitieniveau
De draagconstructie dient zodanig te worden gekozen dat deze de functionaliteit en/of herindeling niet belemmert, zodat de mogelijkheden om ruimten multifunctioneel in te zetten toenemen.
Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van uitgangspunten die worden gehanteerd betreffende de algemene technische uitgangspunten die van belang zijn voor een goede basiskwaliteit van het nieuwe gebouw. De uitgangspunten zijn geclusterd naar aspecten die te maken hebben met het fysieke gebouw en de aspecten die te maken hebben met het gebruik.
Constructief vaste elementen in de opbouw van het gebouw zijn de constructieve trappen, de lift, de schachten en sanitaire groepen. Deze elementen dienen zoveel mogelijk te worden geconcentreerd teneinde de herindeling en flexibiliteit te vergroten.
De eis is om de nieuwbouw minimaal conform Programma van Eisen Frisse Scholen Klasse B, versie 2021 te realiseren. Zie hiervoor bijlage 1.
3.1 Duurzaamheid Bij duurzaamheidsinvesteringen is Total Cost of Ownership (TCO) het uitgangspunt voor besluitvorming. Dit betekent dat er niet enkel naar de aanschafprijs van een product wordt gekeken, maar naar alle kosten van een product gedurende de levenscyclus/gebruikscyclus. Hier horen bijvoorbeeld onder andere de onderhoudskosten, verzekeringen en afschrijvingen bij.
3.1.1 Flexibiliteit Ontwikkelingen en vernieuwingen in het onderwijs kunnen altijd plaatsvinden. De verwachting is dat bij De Doelakkers dit niet op korte termijn aan de orde is. Bij zowel het ruimtelijk/constructief concept als het installatietechnisch concept zijn aanpassingen na ingebruikname zeer kostbaar en lastig. Daarom dient bij het ontwerp te worden gestreefd naar aanpasbaarheid op de lange termijn om een dynamisch en toekomstbestendig gebouw te creëren, hetgeen op de lange termijn leidt tot lagere vervangingskosten. Voor het inrichtingsconcept is de mate waarin ruimten eenvoudig aan te passen zijn aan de wensen van het gebruik van dat moment van belang.
Indelingsflexibiliteit De stramienmaat van het gebouw dient op het gebruik te zijn afgestemd. De toepassing van een bepaalde keuze voor stramienmaat of meerdere stramienmaten dient consequent te worden opgezet.
www.icsadviseurs.nl
Installaties en installatieruimten dienen zodanig te worden ontworpen dat incidentele wijzigingen van de ruimten zonder ingrijpende wijzigingen van de basisinstallatie kunnen plaatsvinden. Hierdoor wordt de indeelbaarheid van het gebouw bevorderd. De basisinstallatie en hoofdinfrastructuur dienen hierin geen belemmerende factor te zijn.
Onderhoudsflexibiliteit Gebruikte materialen dienen goed uitwisselbaar te zijn, bij vervanging goed bereikbaar te zijn en dienen eenvoudig te kunnen worden gedemonteerd. Bij voorkeur worden geen voor het project ontwikkelde of aangepaste materialen toegepast.
3.1.2 Energie Als minimale eis wordt een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) gerealiseerd met als wens om een Energie Neutraal Gebouw te realiseren indien mogelijk. In een kaderstellend overleg dienen over de uitgangspunten en bekostiging nadere afspraken te worden gemaakt.
3.1.3 Circulariteit Nederland heeft zich ten doel gesteld om in 2050 100% circulair te zijn. Dat wil zeggen dat er niet meer gebruik wordt gemaakt van nieuwe grondstoffen (mineralen, metalen en fossiel). De ambitie is om een (gedeeltelijk) circulair gebouw te realiseren daar waar dit kostenneutraal kan worden uitgevoerd. Van de nog te selecteren adviseurs wordt een proactieve houding verwacht om hier in het ontwerp invulling aan te geven. In een kaderstellend overleg worden nadere afspraken gemaakt over toepassingen of maatregelen m.b.t. circulariteit.
11/51
3.1.4 Gezondheid In de nieuwbouw dient duurzaam en op een plezierige wijze te kunnen worden verbleven vanuit het oogpunt van gezondheid, welzijn, veiligheid en bruikbaarheid. Gebruik en beleving dragen hieraan bij doordat de omgeving als comfortabel, veilig en plezierig dient te worden beschouwd. Bijvoorbeeld door een comfortabel binnenklimaat, goede akoestiek en voldoende (dag)licht. Ook levend groen kan een bijdrage aan het welbevinden leveren. Dit maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave. Voor De Doelakkers is het uitgangspunt Frisse Scholen Klasse B (zie ook bijlage 1).
3.2 Logistieke kwaliteit Logistieke kwaliteit heeft te maken met de toegankelijkheid en de bruikbaarheid van het gebouw. Om het gebouw goed werkbaar te maken, dient het gebouw te beschikken over een duidelijke structuur dat overzicht biedt. De verkeersruimten en verticale transportmiddelen dienen een bepaalde capaciteit te hebben om de piekmomenten in de verkeersstromen op te kunnen vangen. Zowel opvang, onderwijs alsmede de gymzaal kunnen functioneren zonder dat dit invloed heeft op de overige delen. Hiertoe dient het gebouw te worden opgedeeld in een (beperkt) aantal clusters/compartimenten, zowel ruimtelijk als installatietechnisch. Delen van het gebouw moeten kunnen worden afgesloten en beveiligd, terwijl andere delen in gebruik zijn. In het ontwerp dient rekening te worden gehouden met deze afsluitbaarheid met het oog op veiligheid in brede zin en functionaliteit zoals gebruik kunnen maken van toiletten. Vanwege de verschillende gebruikstijden van kinderopvang en school wordt met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers een sluitplan opgesteld.
www.icsadviseurs.nl
3.3 Menselijke maat Primair biedt het gebouw aan gebruikers onderdak en bescherming tegen weersinvloeden. Daarnaast is het belangrijk dat het gebouw aansluit bij de activiteiten en behoeften van de gebruikers. De menselijke maat is een belangrijke factor in het ontwerp van het gebouw; de wijze waarop de mens als gebruiker zich door het gebouw beweegt en hoe hij dit bij gebruik van het gebouw ervaart, worden beïnvloed door de maat van het gebouw. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beleving van de ruimte voor iedereen anders is. De omvang van ruimten (zowel de vorm als de hoogte) dient te worden afgestemd op de menselijke maat. Een ruimte kan een verloren of benauwd gevoel oproepen; door rekening te houden met de verhouding tussen gebruiker en gebouw dient dit te worden voorkomen. Ooghoogte en uitzicht (zittend en staand) is een interessante maat voor de positionering van wanddoorbrekingen en de indeling van de open gevel. Een mens neemt afhankelijk van de activiteit een bepaalde beweegruimte in. Luisteren naar een presentatie vraagt om een andere ruimtebehoefte per persoon dan het spelen in een speelzaal. Samen met een inschatting van het aantal mensen in een ruimte bepaalt de beweegruimte de ruimtebehoefte van een activiteit of een functie.
Indien in een ruimte meerdere activiteiten (soms ook) tegelijkertijd zullen plaatsvinden, moet hiermee rekening worden gehouden. Naast de ruimte die de activiteit zelf vraagt, is ook de ruimte van belang die deze activiteit ondersteunt, zoals lopen, opruimen en ontmoeten. Het maken van inrichtingstekeningen (plattegrond met losse en vaste inrichting) maakt de ruimtelijke consequenties van de diverse activiteiten in een vertrek inzichtelijk. Van het ontwerpteam wordt het maken van deze inrichtingstekeningen gevraagd.
12/51
3.4 Veiligheid Veiligheid, beveiliging en toegangsbeheer hebben betrekking op het maximaliseren van het veiligheidsgevoel van gebruikers in het gebouw en op het terrein. De sociale veiligheid en het welbevinden dienen gewaarborgd te zijn. Het veiligheidsgevoel ontstaat door het voorkomen van inbreuken op de persoonlijke veiligheid en het voorkomen van fysieke en psychische overlast door nietgewenste bezoekers. De beveiligingsmaatregelen tegen onder meer inbraak, brand, diefstal en vandalisme kunnen worden opgesplitst in vijf hoofdgroepen, te weten: 1. 2. 3. 4. 5.
Planologische aspecten; Organisatorische maatregelen; Bouwkundige maatregelen; Compartimentering; Elektronische maatregelen.
Aan alle aspecten dient bij het ontwerp aandacht te worden besteed en dient te worden afgestemd met de betreffende interne verantwoordelijken. Het gebouw moet worden beschermd tegen de risico’s van inbraak en diefstal, vandalisme, brand, e.d. Adviseurs binnen het ontwerpteam dienen adequate op elkaar afgestemde veiligheidsvoorzieningen in het ontwerp op te nemen. Hulpdiensten moeten het terrein, het gebouw en de ruimten in het gebouw eenvoudig kunnen bereiken.
3.5 Beheer en exploitatie Het beheer en de exploitatie vormen na de initiële investering een behoorlijke kostenpost. Exploitatiekosten zijn onder meer de kosten voor energie, gebouwonderhoud, schoonmaak- en terreinonderhoud en de loonkosten van een conciërge of beheerder. Een optimaal exploitabel gebouw houdt in dat de som van de investeringen en exploitatiekosten over de levensduur van de gebouw- en installatieonderdelen zo laag mogelijk is. Slimme ontwerpkeuzes en/of een meerinvestering met als doel de exploitatiekosten te verlagen, verdienen zich in een aantal jaren terug. Van het ontwerpteam wordt verwacht de gebruikers hierover van advies te voorzien.
www.icsadviseurs.nl
13/51
Deel III - Technische eisen
www.icsadviseurs.nl
14/51
4. Terrein In dit hoofdstuk worden de eisen omschreven die door de gebruikers worden gesteld aan het terrein en de inrichting van het terrein. Het volledig afwerken en inrichten van het terrein valt binnen het ontwerp. Het betreft hier zaken zoals verhardingen, buitenverlichting, terreinafscheidingen, fietsenstallingen (overdekt en niet overdekt), parkeerplaatsen (auto), buitenbergingen, opstelplaats containers, elektrotechnische & werktuigbouwkundige voorzieningen (zoals riolering, drainage, verlichting, oplaadpunten elektrische fietsen en auto’s), groenvoorziening, waterberging & onverhard (school)plein, verhard (school)plein, ontsluitingen, banken, hekwerk, et cetera. Voor het terrein-, gebouw- en installatieontwerp dient vroegtijdig met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers te worden overlegd om zodoende hun eisen en procedure af te stemmen. Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Onderzoek in het kader van de Flora- en Faunawet. Onderzoek naar de waterhuishouding tijdens en na de bouw. Bodemonderzoek. Geluid als gevolg van omliggende wegen en toegangsroutes. Geluid als gevolg van eventuele installaties op het dak. Grondonderzoek.
4.1 Algemeen Indeling van het terrein en vaste terreininrichting dienen aan te sluiten bij de wensen ten aanzien van gebruiksindeling van het gebouw. Hierbij valt te denken aan onder andere zitmeubilair, afvalbakken, fietsenstalling voor leerlingen (niet overdekt) en medewerkers (overdekt en afsluitbaar) en autoparkeren. Op het terrein dient in het ontwerp te worden ingericht met: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Aandachtspunten ▪ ▪
▪
Grondonderzoek
▪
Ten behoeve van het funderingsontwerp worden door de constructeur voldoende sonderingen alsmede een verkennend en eventueel aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd en een funderingsadvies uitgebracht door ter zake gespecialiseerde onderzoeksbureaus. Onderzocht wordt:
▪
▪ ▪ ▪ ▪
Het draagvermogen van de bodem De samenstelling van de bodem De verontreiniging van de grond De grondwaterstand ten opzichte van NAP.
Verhardingen Vaste terreininventaris Groenvoorziening Riolering en straatkolken Contactdozen Waterpunten.
▪ ▪
Zoveel mogelijk scheiden van de verschillende verkeersstromen in verband met veiligheid. Het terrein dient een zodanige afwerking te hebben dat een duurzaam adequate afvoer van hemelwater i.c.m. benodigde waterberging is gegarandeerd. Op plaatsen waar vrachtverkeer komt in verband met bevoorrading dient de ondergrond en verharding hierop te zijn berekend. Laden en lossen moet veilig kunnen gebeuren en zo min mogelijk overlast geven aan de wijk. Houd rekening met de noodzakelijke vrije toegangs- en doorgangsroutes en opstelplaatsen voor brandweerauto’s, ambulances, taxi’s en vrachtauto’s ten behoeve van het lossen en laden van materiaal en materieel. Indien de glasbewassing geschiedt door middel van een hoogwerker, dient rondom het pand, minimaal één meter vanaf de gevel, een deel van minimaal 1,5 meter te zijn bestraat. Let hierbij op de ondergrond en de verharding ervan. Afweging of een waterberging nodig is (bijvoorbeeld wadi, infiltratiebak). Overlast door verkeersstromen in de wijk dient zo min mogelijk te zijn.
Bestaande grondonderzoeken kunnen worden toegepast mits zij voldoen aan de huidige eisen. Aan de hand van de resultaten van het funderingstechnisch bodemonderzoek worden de funderingsconstructies bepaald. www.icsadviseurs.nl
15/51
4.2 E- en W-installaties Uitgangspunten ▪
▪
▪
▪
Bouwactiviteiten in en om de bouwdelen en eventuele verzakkingen van omliggend terrein mogen geen gevolgen hebben voor het goed functioneren van leidingwerk in en om het gebouw (riolering, h.w.a., elektra, water, internet, etc.). Voedingen ten behoeve van alle in/op het terrein te plaatsen elektrische toestellen dienen te worden opgenomen. Ten behoeve van de uitpandige opslag, afvalcontainers en dergelijke rekenen op verlichting, wandcontactdozen, aansluitingen vuilpersen, et cetera. Buitenkranen (exact aantal n.t.b.) opnemen, daadwerkelijke positie n.t.b. Deze kranen en leidingen zo uitvoeren dat ze vorstvrij blijven en van binnenuit afsluitbaar zijn. Vandaalbestendige uitvoering. Indien veel groen wordt toegepast dienen oplossingen te worden aangedragen voor de eventuele beregeningsvoorzieningen.
4.3 Parkeren Het aantal parkeerplaatsen voor auto’s te realiseren conform de parkeernota zoals beschreven in het Ruimtelijk-Functioneel Programma van Eisen. Parkeren met auto’s en andere motorvoertuigen gebeurt op een plek waarbij aandacht is voor veiligheid van voetgangers. Dit zal in eerste instantie openbaar gebeuren. In het ontwerptraject zal moeten worden onderzocht of er voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig is om parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast zal er moeten worden afgestemd met de gebruikers of het gewenst is om (mantelbuizen voor) laadpalen bij deze parkeerplaatsen aan te leggen.
Laadinfrastructuur elektrische voertuigen Het huidig vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving geeft aan ‘Een gebouw met een parkeergelegenheid met meer dan tien parkeervakken op hetzelfde perceel heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste één op de vijf parkeervakken'. De realisatie van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen wordt gedurende het ontwerptraject nader afgestemd met opdrachtgever.
Kiss-and- ride In het ontwerptraject zal moeten worden onderzocht of er voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig is om een kiss-and-ride te realiseren ten behoeve van het halen en brengen van kinderen. Hierbij dient aandacht te zijn voor het scheiden van verkeersstromen.
4.4 Terreinafscheiding en omheining Het terrein dient duidelijk te zijn begrensd en moet voldoen aan ‘Kindveilige omheiningen voor openbare ruimten’. De begrenzing wordt aangegeven middels een afsluitbaar hek. Het terrein is niet openbaar. Er is een aparte speelplaats voor de kinderopvang conform Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang. Buitenruimte is voor kinderen gemakkelijk en veilig te bereiken, rechtstreeks vanuit de groepsruimte (zowel school als kinderopvang). Kinderen BSO spelen apart van 0- tot 4-jarigen (kinderopvang). Aandachtspunten ▪ ▪
Wateraansluiting(en) terrein te realiseren in overleg met toekomstige gebruikers. Afsluitbaar hek rondom het terrein.
Aandachtspunten kinderopvang ▪ ▪ ▪
www.icsadviseurs.nl
Afsluitbaar (te maken) van de openbare weg. Hek/afscheiding is minimaal 120 cm hoog. De spijlafstand is maximaal 8 cm en heeft geen opstapmogelijkheid.
16/51
4.5 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen worden aangelicht door nabij alle toegangen en op plaatsen waar ‘hangplekken’ kunnen ontstaan weer- en vandaalbestendige armaturen te plaatsen.
www.icsadviseurs.nl
17/51
5. Bouwfysische uitgangspunten 5.1 Energieprestatie Naast de verplichting van BENG is er de wens om een ENG-gebouw te realiseren. In het ontwerpproces dient middels een variantenstudie te worden aangetoond wat de meest doelmatige manier is op het gebied van investering én exploitatie om te komen tot het niveau van BENG, dan wel ENG. Dit heeft invloed op de bouwkosten. Deze meerkosten verdienen zich uiteraard (voor een deel) terug in de exploitatie i.v.m. energiereductie, maar werken ook exploitatiekosten verhogend vanwege het onderhoud aan deze duurzame technieken. Om aansluiting te vinden bij de financiële kaders ten aanzien van het investeringsbudget voor nieuwbouw dient te worden gestreefd naar zoveel mogelijk bouwkundige oplossingen die kunnen worden beschouwd als eenmalige investeringen. NEN norm(en) Berekend conform NTA8800
comforteisen, tijdroosters en werkingsregimes. Per ruimte is het binnenklimaat te regelen. NEN norm(en) Berekend conform NEN-EN ISO 7730 Bij nieuwbouw dient bij de bepaling van de verwarmingsinstallatie te worden uitgegaan van ontwerpruimtetemperaturen. In een wintersituatie bij een buitentemperatuur van -10ºC en een windsnelheid van 5 m¹/seconde en het volledig in gebruik zijn van alle verwarmings- en ventilatie-elementen dienen de volgende bandbreedten1 ten aanzien van de binnentemperatuur te worden bereikt: Operatieve temperatuur onderwijs
Operatieve temperatuur zomer
tussen de 23 °C en 26 °C
Operatieve temperatuur winter
tussen de 19 °C en 24 °C
Bandbreedte temperatuur handmatig regelbaar binnen +/- 2 °C
5.2 Binnenklimaat en binnenmilieu Het klimaat in een ruimte wordt in thermisch opzicht bepaald door de luchttemperatuur, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid en de luchtbeweging. Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen dat in het gebouw geen koude of warmte (of tocht) wordt ervaren die zodanig is dat het functioneren van de gebruiker daardoor wordt beperkt. Er mogen geen hinderlijke temperatuurverschillen ontstaan. Het ontwerp moet zo zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering, ventilatie en koeling. Ook dient er rekening te worden gehouden met de compartimentering van vertrekken met dezelfde- en vergelijkbare thermische behoeften,
Operatieve temperatuur kinderopvang Voor groepsruimten in het stookseizoen
tussen de 19 °C en 25 °C
Voor slaapruimten in het stookseizoen
tussen de 15 °C en 19 °C
Voor groepsruimten in de zomer
tussen de 22 °C en 27 °C
Voor slaapruimten in de zomer
maximaal 25 °C
1 Conform het PvE Frisse Scholen v. 2021, Klasse B.
www.icsadviseurs.nl
18/51
Individuele regeling
Aandachtspunten
De operatieve temperatuur in het stookseizoen voor ruimten waar niet wordt gewerkt of langdurig verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) is minimaal 18 °C.
▪
Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen per verblijfsruimte handmatig regelbaar met een bandbreedte van minimaal 4 °C binnen de gekozen grenswaarden voor de operatieve temperatuur.
Benodigd verwarmingsvermogen De bepaling van het verwarmingsvermogen dient te geschieden op basis van een buitentemperatuur van minimaal -10°C, een absolute luchtvochtigheid van 1 gr/kg en een windsnelheid van 5 m/s. Te bepalen op basis van NEN 5066 middels het Vabi-VA101 computerprogramma. Reeds in een vroeg ontwerpstadium dient te worden nagegaan of ten gevolge van zoninstraling, de aanwezigheid van personen, de interne warmteontwikkeling (waaronder verlichting, apparatuur en dergelijke) en de systeemkeuze de behaaglijkheidsgrens niet ontoelaatbaar wordt overschreden en/of onderschreden. Voor de meest kritische ruimten en vertrekken dient door middel van berekeningen van de temperatuuroverschrijdingen te worden aangetoond dat het aantal hierboven genoemde uren niet wordt overschreden. Met name ruimten met apparaten zoals computers of laptops en keukenapparatuur en ruimten met veel mensen vragen om aandacht.
▪
▪
Individuele bediening dient intuïtief te bedienen/gebruiksvriendelijk te zijn zonder dat dit de energetische prestatie negatief beïnvloedt. Positionering van individuele regeling is zodanig dat deze duidelijk zichtbaar is, niet in de weg zit voor regulier gebruik van de ruimte en er geen schade optreedt bijvoorbeeld bij het openen van de deur. Voor het gebruik van klaslokalen en groepsruimten dient te worden uitgegaan van 30 leerlingen + 1 docent.
5.2.1 Ventilatie en luchtbeweging Alle ruimten in het gebouw dienen in voldoende mate te worden geventileerd. De ventilatie in het gebouw dient minimaal te voldoen aan de ventilatie-eisen die zijn omschreven in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en in de Arboregelgeving. Verkeersgebieden waar zit-/werkplekken worden gerealiseerd dienen te worden geventileerd. CO2-concentratie De grenswaarde van de CO2-concentratie in de onderwijs- en kantoorruimten in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en Frisse Scholen Klasse B is bij nieuwbouw gesteld op 950 ppm CO2. Ventilatiedebiet van minimaal 8,5 dm3/s (30,6 m3/uur) per persoon. Voor de kinderopvang gelden andere eisen, maximaal 1.000 ppm in groepsruimten en maximaal 850 ppm in slaapruimten. De luchtkwaliteit wordt continu gecontroleerd, groeps- en slaapruimten zijn uitgerust met een CO²meter (met signaalfunctie) en is goed afleesbaar en slaat gegevens bij voorkeur minstens 12 maanden op. Let op positionering sensor. Zorgvuldig aandacht dient te worden besteed aan het samenspel tussen luchtinblaasrichting, reactiesnelheid, inblaassnelheid, inblaastemperatuur en de (te verwachten) comfortbeleving2 hiervan. De klimaatinstallatie dient op deze punten via het GBS instelbaar en meetbaar te zijn.
2 Bijvoorbeeld voor het voorkomen van ‘tocht’ en tochtgerelateerde klachten.
www.icsadviseurs.nl
19/51
Luchtsnelheden
Spuiventilatiecapaciteit4
Aan de luchtsnelheden in verblijfszones worden maxima3 gesteld:
Capaciteit van de spuiventilatievoorzieningen
6 dm³/s/m²
Verblijfsruimten
ten minste 4 te openen geveldelen
Oppervlak te openen delen boven 1,80 m
≥ 30%
Oppervlak te openen delen onder 1,80 m
≥ 30%
Maximale luchtsnelheden zomer (0,5 clo)
≤ 0,20 m/s
Maximale luchtsnelheden winter (1,0 clo)
≤ 0,16 m/s
Aandachtspunten ▪ ▪
▪
Beperk luchtsnelheden in toevoerkanalen ter voorkoming van geluidsoverlast. De ventilatie van opbergruimten voor schoonmaakmaterialen en opstelruimten van kopieermachines en de ventilatie van ICT-ruimten (computerruimten) inclusief de ruimte gereserveerd voor de server. Waar nodig aparte afzuiging toepassen bij dergelijke emissiebronnen. Geadviseerd wordt de verkeersruimten als verblijfsgebied te beschouwen zodat ook daar wordt geventileerd.
5.2.2 Spuiventilatie In ieder geval is in verblijfsruimten voorzien in mogelijkheden voor spuiventilatie. Spuiventilatievoorzieningen (te openen ramen) zijn licht bedienbaar staand vanaf de vloer en hebben meerdere fixeerstanden (incl. kierstand) of zijn traploos instelbaar. De spuiventilatievoorzieningen zijn tegelijkertijd met de buitenzonwering te gebruiken. De luchtstroom wordt niet door bijvoorbeeld buitenzonwering belemmerd. Te openen delen worden dermate gesitueerd dat deze niet door kinderen te bedienen zijn en draaien waar mogelijk naar buiten open. Draairichting van de te openen delen dient te worden afgestemd met opdrachtgever en toekomstige gebruikers. NEN norm(en) De spuiventilatiecapaciteit dient te worden bepaald conform de bepalingen uit NEN 1087.
Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Voorkom warmteophoping in ruimten zoals atria. Draag zorg voor een heldere communicatie over hoe om te gaan met spuiventilatie. Gevelopeningen bieden bij voorkeur geen doorgang voor personen in verband met veiligheid. Maak gebruik van ‘natuurlijke trek’ in atria om de energievraag voor ventilatie te reduceren. De samenhang van te openen delen en zonwering.
5.3 Luchtvochtigheid Een zeer lage (< 30%) of zeer hoge (> 70%) luchtvochtigheid dient gedurende het jaar zo min mogelijk voor te komen. Ten aanzien van de relatieve vochtigheid gelden voor alle verblijfsruimten, voorzien van mechanische ventilatie, de volgende eisen om een behaaglijke omgeving te handhaven. Luchtvochtigheid Minimale luchtvochtigheid
30%
Maximale luchtvochtigheid
70%
3 Conform het PvE Frisse Scholen v. sep 2021, Klasse B. 4 Conform het PvE Frisse Scholen v. sep 2021, Klasse B.
www.icsadviseurs.nl
20/51
Voorkeur
Luchtgeluidisolatie5
Minimale luchtvochtigheid
40%
Verblijfsruimte – verblijfsruimten, sanitair en technische ruimten (DnT, A)
≥ 39 dB
Maximale luchtvochtigheid
60%
Verblijfsruimte – verkeersruimte en bergingen (DnT, A)
≥ 25 dB
Verblijfsruimte – verblijfsruimten met deur in de wand (DnT, A)
≥ 34 dB
Verblijfsruimte – leerplein (DnT, A)
≥ 31 dB
5.4 Akoestiek en geluidshinder
Verblijfsruimte – overige ruimte (DnT, A)
≥ 39 dB
De eisen die in de volgende paragrafen omschreven worden, zijn prestatie-eisen die aan aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat.
Aandachtspunten
5.4.1 Luchtgeluidsisolatie
▪
In serverruimten dient statische elektriciteit door bouwkundige of installatietechnische ingrepen te worden voorkomen.
De geluidsisolatie tussen ruimten in het gebouw dient zodanig te zijn dat in een ruimte tijdens de activiteiten waarvoor de ruimte bestemd is geen last wordt ervaren. Hiertoe dienen de bouwkundige voorzieningen zodanig te worden ontworpen en samengesteld dat constructies voldoende geluidswerend en geluidsisolerend zijn. De werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties mogen de luchtgeluidsisolatie van de scheidingsconstructies niet verzwakken. Onderstaand staat voor de meest voorkomende schakelingen van wanden de gevraagde prestatie omschreven die in gebruik cruciaal is bij een nagalmtijd To zoals gedefinieerd in NEN 5077. De aannemer dient deze prestatie door middel van controlemetingen na oplevering aan te tonen.
5 Conform het PvE Frisse Scholen v. sep 2021, Klasse B.
www.icsadviseurs.nl
▪
Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies. Van belang is dat de lokalen geen geluidsoverlast ervaren van naastgelegen ruimten met veel geluidsproductie, zoals de aula.
5.4.2 Contactgeluidsisolatie Contactgeluidisolatie6 Verblijfsruimte – verblijfsruimte (LnT, A)
≤ 59 dB
Verblijfsruimte – verkeersruimte (LnT, A)
≤ 69 dB
Hinderlijke trillingen van de vloer of trappen door lopen/bewegen of muziek worden voorkomen
6 Conform het PvE Frisse Scholen v. 2021, Klasse B.
21/51
Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (bijvoorbeeld technische ruimten) gelegen zijn boven andere ruimten, dient veel aandacht te worden besteed aan (contact)geluidsisolatie waarmee last naar ondergelegen ruimten tot een minimum wordt beperkt. Uitgangspunten ▪
▪
Om contactgeluid via de vloerconstructie te voorkomen, dienen trillingsproducerende machines (zoals ventilatoren en luchtbehandelingskasten) trillingsvrij op de vloer te worden opgesteld. Leidingen waar van toepassing en eventuele andere geluidsproducerende apparatuur en/of bouwonderdelen dienen zodanig aan de constructie te worden bevestigd dat er géén rechtstreekse trillingen op deze constructies kunnen worden overgebracht, ter voorkoming van schade aan gebouw en installaties en zodat gebruikers er zo min mogelijk hinder van ondervinden.
Aandachtspunten ▪
▪
Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies. Van belang is dat de lokalen geen geluidsoverlast ervaren van naastgelegen ruimten met veel geluidsproductie, zoals de aula.
De volgende waarden zijn prestatie-eisen die aan de aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat. Nagalmtijd In ingerichte en niet-ingerichte verblijfsruimte7
≤ 0,6 s
In kantoor- en spreekruimten
≤ 0,6 s
In techniekruimte en verkeersruimten
≤ 1,0 s
In EHBO-, kleed- en doucheruimten
≤ 1,4 s
Open leerpleinen
≤ 1,0 s
Gym-/evenementenzaal
≤ 1,1 s
De nagalmtijden berekenen in de ontwerpfase en vaststellen in elk van de octaaf- en tertzbanden met middenfrequentie van 250, 315 (hum noise), 500, 1.000, 2.000 en 4.000 Hz (topfrequentie spraak). De in de 125 Hz octaafband gemeten nagalmtijd mag maximaal 30% afwijken van de gemiddelde nagalmtijd. De ontwerpende partijen dienen door middel van berekeningen aan te tonen dat de nagalmtijden worden gehaald. Aandachtspunten ▪
5.4.3 Nagalmtijd De volgende gemiddelde eisen worden gesteld aan de gemiddelde nagalmtijd (T30) in seconden, geldend voor ruimten in de frequentieband 250 t/m 2.000 Hz. Norm(en) Conform NEN 5077 Streefwaarden voor geluid met betrekking tot verstoring van communicatie en concentratie (geluidsniveau en nagalmtijd) conform NVN 3438
Open atria behoeven specifieke aandacht qua nagalm en ervaring van een prettige ruimtebeleving.
5.4.4 Geluid van installaties In verblijfsruimten mogen geen geluiden veroorzaakt door gebouwinstallaties worden waargenomen zodanig dat zij activiteiten waarvoor de ruimten zijn bestemd belemmeren. De ventilatie dient geruisloos te zijn. Buiten gebruiksuren mag, om aan de comforteisen te voldoen, het ventilatievoud worden verhoogd (meer installatiegeluid toegestaan) ten behoeve van nachtventilatie. Bij het verhogen van het ventilatievoud dient rekening te worden gehouden met de geldende voorschriften vanuit de Wet geluidhinder richting nabijgelegen functies.
7 Conform het PvE Frisse Scholen v. 2021, Klasse B.
www.icsadviseurs.nl
22/51
Installatiegeluid8 In verblijfsruimte In verblijfsruimte kinderopvang
≤ 33 dB ≤ 30 dB
Het geluidniveau ten gevolge van installaties in een op een aangrenzend perceel gelegen verblijfsgebied
≤ 30 dB
Uitgangspunten ▪
▪ ▪
De geluidsafstraling van de sanitaire installaties, zoals het doorspoelen van toiletten, moet in de geluidsgevoelige ruimten zodanig worden beperkt dat het vrijwel ‘onhoorbaar’ is. In andere ruimten mag het achtergrondgeluidsniveau van de sanitaire installaties (LI;A) niet meer dan 35 dB(A) bedragen. Het geluidniveau in ruimten waar niet wordt gewerkt of langdurige verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) t.g.v. installaties (LI, A) is maximaal 45 dB(A).
Aandachtspunten ▪ ▪
▪
Let op de invloed van flankerende geluidsoverdracht en kieren onder deuren op de berekende geluidsisolatie. Positioneer onderwijsruimten met grote capaciteit op ruime afstand van de luchtbehandelingsinstallatie om geluidsoverlast eenvoudiger te kunnen voorkomen. Verkeersruimten kunnen ook leer- en werkplekken zijn. Let op luchtsnelheid in hoofdtracés van kanalen ter voorkoming van geluidsoverlast.
5.4.5 Geluidsuitbreiding naar de omgeving Voor de geluidsoverlast, veroorzaakt door de technische installatie in of aan het gebouw naar de gevels van de eventueel omliggende bebouwing, worden de maximaal toelaatbare waarden aangehouden zoals deze worden vereist in de
8 Conform het PvE Frisse Scholen v. 2021, Klasse B.
www.icsadviseurs.nl
Wet milieubeheer en de plaatselijke voorschriften, gemeten op één meter voor de dichtstbijzijnde gevel.
5.4.6 Geluidwering gevels In het volgende overzicht zijn de relevante eisen opgenomen die worden gesteld aan de geluidwering van de gevels van geluidsgevoelige ruimten. De gecumuleerde geluidsbelasting dient te worden bepaald volgens de wettelijke bepalingen Wet geluidhinder (Reken- en Meetvoorschrift verkeerslawaai). Geluidwering gevels9 Geluidwering geluidsbelasting in verblijfruimten en verblijfsgebieden door omgevingsgeluid in GA;k [dB(A)]
Gecumuleerde geluidsbelasting minus ≥ 33 dB met een minimum van 20 dB
Norm(en) Conform NEN 5077 De geluidwering van de gevel GA dient te worden bepaald conform NEN 5077. De geluidwering dient te worden bepaald bij gesloten ramen, maar met de beoogde hoeveelheid luchtverversing.
5.4.7 Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie Eventueel aanwezige uitwendige scheidingsconstructies, de hieraan bevestigde voorzieningen (zonwering, vlaggenmasten, etc.) en de daarop gemonteerde installaties (schoorstenen, luchtbehandelingskasten, etc.) moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat deze geen bijzondere of hinderlijke geluiden maken of in resonantie raken bij wind, neerslag, thermische uitzetting, krimp of andere bewegingen. Ook windgeluid bij kieren en naden in daken en gevels dient te worden voorkomen.
9 Conform Besluit Bouwwerken Leefomgeving en het PvE Frisse Scholen v. 2021, Klasse B.
23/51
5.5 Daglicht
5.6.1 Buitenzonwering
In verblijfsruimten dient een daglichtfactor te worden gerealiseerd die zo hoog mogelijk is zonder hinder te veroorzaken. Gemiddelde daglichtfactor In verblijfsruimte
2,1% in meer dan 50% van ruimte
Op alle gevels behoudens de noordgevel is een vorm van buitenzonwering noodzakelijk. Bij toepassing van mechanisch bedienbare zonwering is deze vanuit verblijfsruimten individueel bedienbaar. In verband met bewassing en weersomstandigheden dient de buitenzonwering centraal aan te sturen te zijn via het GBS. In het kader van onderhoud dient te worden aangetoond dat de levensduur van buitenzonwering minimaal 20 jaar bedraagt.
5.6.2 Lichtwering Lichttoetredingsfactor beglazing
LTA-waarde
In verblijfsruimten, op een horizontaal vlak op 800 mm hoogte ≥ 0,6 Getint of gecoat glas mag alleen worden toegepast indien wordt voldaan aan de minimale LTA-waarde en indien het geen negatieve invloed heeft op het uitzicht en/of spiegelingen van lichtbronnen. Heldere beglazing met een kleurindex van 95% dient te worden toegepast. Het glas moet een kleurechte weergave bewerkstelligen.
De daglichttoetreding en de zoninstraling mogen voor de gebruiker geen hinder veroorzaken door bijvoorbeeld te grote helderheidsverschillen, verblinding, reflectie of directe zoninstraling. Elke werkplek aan de raamzijde dient te worden voorzien van afdoende middelen om het zonlicht/daglicht te kunnen temperen. Norm(en) Conform NEN-EN 12464-1:2011 nl Arbo-regelgeving
5.5.1 Zontoetreding De ZTA (zontoetredingsfactor) dient, afhankelijk van de resultaten van de temperatuuroverschrijdingsberekening, onder de 40% te liggen.
5.6 Zon- en helderheidswering Uitgangspunten
Aandachtspunten ▪ ▪
Bij het gebruik van de helderheidswering blijft een bepaalde mate van uitzicht naar buiten mogelijk. In onderwijsruimten (ook aan de noordzijde) kan helderheidswering worden toegepast, waarmee hinderlijk tegenlicht en hinderlijke reflecties worden voorkomen waarbij de maximale luminantieverhoudingen (‘contrasten’ in het gezichtsveld) tussen taak, directe omgeving (bijv. tafelblad) en periferie (bijv. raam) 1:3:10 (taak: directe omgeving: periferie) bedragen.
Zon- of heldersheidswering (lichtwering) dient: ▪ bestand te zijn tegen weersinvloeden zoals wind; ▪ vanuit elke verblijfsruimte regelbaar te zijn; ▪ centraal te bedienen te zijn via het GBS (overrulen).
www.icsadviseurs.nl
24/51
5.7 Buitenmilieu
NEN-norm(en) NEN 2686
5.7.1 Luchtdichtheid Met betrekking tot het energiegebruik van het gebouw worden eisen gesteld aan de luchtdoorlatendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. De luchtdichtheid dient hierbij zodanig te zijn dat warmteverlies (en tevens koudeverlies) van het gebouw wordt beperkt. Zodoende wordt de energievraag ten behoeve van verwarmen en/of koelen verminderd.
NEN 2778 ≤ 0,15 dm³/s/m²
Om aan de ENG-wens te voldoen dient de hierboven benoemde waarde minimaal te worden behaald. Hiervoor geldt dat extra aandacht nodig is voor detaillering, hang- en sluitwerk, keuze van het afdichtingsmateriaal en de uitvoering. NEN-norm(en) NEN 3661:1998
Controlemetingen De opdrachtnemer zal in de uitvoeringsfase door een onafhankelijke derde steekproefsgewijs de luchtdichtheid van de gevel laten controleren door middel van één of meer beproevingen conform de geldende NEN-normen. De opdrachtgever kan aanvullend een thermografisch/infraroodonderzoek met een warmtebeeldcamera laten uitvoeren, waarna eventueel corrigerende en/of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen. Direct na gereedkomen van het ontwerp dient een warmteverliesberekening te worden uitgevoerd waarbij de benodigde warmte opwekking en afgifte per ruimte wordt vastgelegd. Dit geldt ook voor de benodigde koelvermogens. De uitkomsten van deze berekeningen dienen onderdeel te worden van de aanbestedingsstukken.
www.icsadviseurs.nl
Voor de waterdichtheid zullen geen aanvullende eisen boven het wettelijk bepaald niveau worden gesteld. NEN-norm(en)
Luchtdichtheid Qv; 10
5.7.2 Waterdichtheid
5.7.3 Zonlichtreflectie Het gebouw dient geen hinderlijke zonlichtreflecties naar zijn omgeving of naar andere delen van het gebouw te veroorzaken. Het gebouw moet zo zijn gesitueerd en ontworpen dat geen hinderlijke zonreflecties zullen optreden door andere gebouwen, installaties of bijvoorbeeld wateroppervlakken indien relevant. Indien er redenen bestaan tot het vermoeden van hinderlijke zonreflecties dient een bezonningsonderzoek te worden verricht om dit uit te sluiten. Lichtreflectie Lichtreflectiefactor glasoppervlak
≤ 0,15 LrBu
5.8 Brandveiligheid De gebouwen moeten voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Voor de nieuwbouw gelden de eisen conform de paragrafen ‘nieuwbouw’ uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Voor de bestaande bouwdelen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Tijdens de ontwerpfase wordt een integraal ontwerp gevraagd, onder andere ten aanzien van de brandveiligheid, waarbij de nieuwbouw niet beperkend mag zijn ten opzichte van de bestaande bouw en vice versa.
25/51
In de ontwerpfase van het ontwerp dient het brandveiligheidsplan te worden opgesteld. Hierin moeten ten minste de volgende onderwerpen worden behandeld: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Compartimentering Vluchtroutes en vluchtplaatsen Brandmeldinstallatie/ontruimingsalarminstallatie Noodverlichting Vluchtwegaanduidingen Blusmiddelen en/of -systemen Brandklassen materiaalgebruik Aanvalsroute brandweer.
Om te voorkomen dat in de DO-fase het ontwerp ingrijpend moet worden aangepast door verplaatsing van brandcompartimenten, aanpassen trappenhuizen e.d., dient de verdeling in compartimentering en ontvluchting in de VO-fase reeds te worden getoetst aan de uitgangspunten van het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Het sluitsysteem binnen het gebouw moet zo zijn uitgevoerd dat de brandweer vanaf één toegang alle bouwdelen kan bereiken. Systeemkeuze in overleg met de brandweer. Aandachtspunten ▪
Deuren in brandscheidende constructies moeten zelfsluitend zijn, deuren waar kinderen gebruik van maken dienen bedienbaar te zijn door kinderen.
www.icsadviseurs.nl
26/51
6. Bouwkundige eisen 6.1 Algemeen In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die een prestatieniveau aangeven waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening dient te worden gehouden. Deze punten worden geacht in overleg met de in te schakelen adviseur(s) voor de technische installaties te worden uitgewerkt.
De keuze voor de vloerafwerking dient in overleg tussen de opdrachtgever, gebruikers en architect te worden bepaald, waarbij – gelet op de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte – moet worden gelet op een aantal algemeen geldende (praktische) uitgangspunten. Uitgangspunten ▪ ▪
6.2 Vloeren
▪
6.2.1 Constructieve vloeren
▪
In techniekruimten, een atriumvloer (BG) of gymzaal kan indien gewenst/ noodzakelijk een hogere veranderlijke vloerbelasting worden aangehouden (bijvoorbeeld voor een hoogwerker). Dit dient te worden afgestemd met opdrachtgever.
▪ ▪
Door middel van een berekening dient te worden aangetoond of de nuttige vloerbelasting niet wordt overschreden.
▪
Aandachtspunten
▪
▪
Houd bij de constructie en de detaillering van vloeren (verdiepings- en dakvloeren) rekening met de onderdelen die hieraan moeten worden bevestigd, zoals plafonds, geluids- en verlichtingsapparatuur, borden en overige installatievoorzieningen.
6.2.2 Vloerafwerking De vloer en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. De vloer moet voldoende massa en stijfheid hebben om geluidsoverlast in een ‘open’ plattegrond te voorkomen.
▪
Aandachtspunten ▪ ▪ ▪
▪ www.icsadviseurs.nl
Duurzaamheid en slijtvastheid (onder andere met betrekking tot verrijdbare bureaustoelen en rolstoelgebruikers). Onderhoudsvriendelijk/-arm, makkelijk reinigbaar, vochtbestendig. Weerstand tegen chemicaliën (bestand tegen zwakke zuren, basen, oxiderende stoffen, detergenten, oliën en vetten), schoonmaakmiddelen, et cetera. De entrees voorzien van schoon- en droogloopmatten (minimaal 4 m1) en/of roosters. Milieuvriendelijk reinigen moet voldoende zijn voor het regulier en jaarlijks onderhoud. Sterkte en weerstand tegen indrukken. Stroefheid/antislip, ook in combinatie met de gewenste verplaatsbaarheid van meubilair. Antistatische en antiallergische eigenschappen; stofbeperkend (de vloerafwerkingen mogen geen hinder opleveren voor CARA- en astmapatiënten). Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. Houd hier ook rekening met eventueel verschuiven van meubilair. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Besluit Bouwwerken Leefomgeving.
Esthetische aspecten: representativiteit, kleur en structuur. Beperk het aantal naden en voegen zoveel als mogelijk. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen (wanneer een ruimte groter wordt, wordt het belang van geluiddempende eigenschappen steeds belangrijker). Meer dan voldoende dilateren van vloervelden. 27/51
6.3 Buitenwanden De materiaalkeuze en de wijze van detailleren dienen zodanig te zijn dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering, vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks kan optreden gedurende een periode van 40 jaar.
Vermijd de mogelijkheid voor gebruiker van het gebouw om uit het raam te hangen of te klimmen. Uitgangspunt ▪
Sluitplan en sluitsystemen voor de school en opvang op basis van sleutels. Het sluitplan en sluitsysteem voor de gymzaal middels tokens. Elektrisch sluitsysteem toe te passen op de hoofdentree. Sluitplan op te stellen in overleg met opdrachtgever en gebruikers op basis van de gebruikstijden van de diverse functies.