CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 bp Klein Westerwijksestraat 5 (3f Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling)

Gemeenteraad 16 juni 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan “Klein Westerwijksestraat 5”.3.473 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling plan

Onderwerp

: Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling plan Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’

Opgesteld door Datum

: ing. L.M.M. Soetens : April 2021, gewijzigd december 2021

1. Aanleiding 1.1 Inleiding Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat, onder bepaalde omstandigheden, de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die via een bestemmingsplanherziening mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is om een milieueffectrapportage (MER) op te stellen. Voorliggende aanmeldnotitie is opgesteld in het kader van het bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’. Deze aanmeldnotitie gaat vergezeld van het (ontwerp)bestemmingsplan, met bijbehorende bijlagen en onderzoeksrapportages. In deze aanmeldnotitie wordt dan ook, waar mogelijk, verwezen naar voornoemde documenten en deze documenten dienen in samenhang te worden beschouwd. In deze aanmeldnotitie zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en weergegeven. Op basis van deze aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage. Dit besluit wordt gemotiveerd in het bestemmingsplan.

1.2 Samenvatting planvoornemen Het bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’ heeft betrekking op de herbestemming van de bestaande niet-agrarische bedrijfslocatie van een (vrachtwagen)garagebedrijf, naar een agrarisch technisch hulpbedrijf, zijnde een bedrijf gericht op het totaalaanbod (vervaardigen, metaalbewerking, leverancier, montage en service) van stalinrichting en aanverwant (stalsystemen, onderdelen landbouwmechanisatie), met een nevenactiviteit kozijnenhandel (ook overwegend ten behoeve van de agrarische sector). Initiatiefnemer heeft de locatie aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek aangekocht ten behoeve van de voorgenomen bedrijfsvestiging. Naast de functiewijziging van de bestaande bebouwing en het terrein, is het daarbij tevens doelstelling om de aanwezige bedrijfsbebouwing uit te breiden met een nieuw te bouwen loods van circa 1.700 m2. In de huidige situatie is er sprake van een bestaande niet-agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied. Het huidige planologische ruimtebeslag betreft 1,01 hectare (bestaande uit het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ (6.488 m2) en de aanduiding ‘parkeerterrein’ (3.630 m2)), met een toegestane omvang aan bedrijfsgebouwen van 2.020 m2.

In de beoogde situatie vindt deels een planologische functiewijziging plaats (van het bestaande terrein en de bestaande bedrijfsbebouwing) en wordt het ruimtebeslag ingeperkt tot circa 0,85 hectare (bestaande uit bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ (6.350 m2) en aanduiding ‘parkeerterrein’

LS Plan & Advies | Berktweg 3, 5076 PA Haaren | www.lsplanadvies.nl KvK-nr. 67701051 | Tel nr. 06 31 58 00 26 | E-mail: linda@lsplanadvies.nl

(2.160 m2)). Dit betreft een afname in het ruimtebeslag van ruim 1.600 m2 ten opzichte van de huidige situatie (10.118 m2). De toegestane omvang van bedrijfsgebouwen wordt daarbij echter wel uitgebreid met 1.700 m2, tot een totaal van 3.720 m2. De beoogde bedrijfsactiviteiten worden daarbij gereguleerd onder de algemene milieuregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Er is geen sprake van een benodigde omgevingsvergunning, activiteit milieu. De beoogde bedrijfsopzet is niet passend in de geldende bestemming (met name wegens de toegestane bedrijfsactiviteiten en de toegestane omvang bedrijfsbebouwing). Derhalve zal het bestemmingsplan worden herzien.

2. Wet milieubeheer en Besluit milieueffectrapportage 2.1 Inleiding Het planvoornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten, waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor plannen gelden de onderstaande criteria als uitgangspunt om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Plannen als genoemd in onderdeel 2 en 3 kunnen direct leiden tot een m.e.r.-plicht. In onderhavige situatie is geen sprake van een plan waarvoor een passende beoordeling is benodigd. Bovendien is het planvoornemen niet aangewezen als m.e.r.-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Derhalve resteert een beoordeling van onderdeel 1. Voor onderdeel 1 is er sprake van een plan-m.e.r.-plicht indien het plan kaderstellend is voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Het dient dan om een activiteit te gaan boven de drempelwaarden (gevallen) uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Indien het een activiteit betreft als genoemd op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r., maar de activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden, dan dient beoordeeld te worden of het doorlopen van een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is. Dit betreft de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. De procedure van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarbij bovendien afhankelijk van of het plan genoemd wordt in Kolom 3 Plannen of Kolom 4 Besluiten. Indien het plan genoemd wordt in Kolom 4 besluiten, dan is de procedure als opgenomen in artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit milieueffectrapportage van toepassing. Indien het plan is opgenomen in Kolom 3 Plannen, dan is de vormvrije m.e.r.-beoordeling echt vormvrij. Dan dient in het uiteindelijke moederbesluit (bijvoorbeeld in de plantoelichting) de beslissing te worden gemotiveerd over het wel of niet uitvoeren van een m.e.r. Verder gelden er dan geen andere wettelijke vereisten.

Indien er geen sprake is van activiteiten als genoemd op de C- of D-lijst is er geen sprake van een benodigde m.e.r.(-beoordeling) en gelden eveneens geen wettelijke vereisten hieromtrent.

2

2.2 Inhoudsvereisten aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling houdt in dat onderzocht dient te worden of er bij het initiatief sprake is van bijzondere omstandigheden of belangrijke milieueffecten, waardoor toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij worden de selectiecriteria uit Bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) gehanteerd. Deze criteria betreffen o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de mededeling, of wel aanmeldnotitie, wordt de volgende informatie verstrekt: • Een beschrijving van de activiteit, met in het bijzonder: o Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerken; o Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. • Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; • Een beschrijving, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van: o Indien van toepassing, de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen.

o Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. • Bij het verstrekken van de informatie houdt de initiatiefnemer rekening met de relevante criteria van Bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van gevolgen voor het milieu. Bijlage III noemt drie beoordelingscriteria: 1. De kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen). 2. De plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu). 3. De kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect). Tevens kan de mededeling een beschrijving bevatten van de geplande maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. Deze onderwerpen worden in de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 nader uitgewerkt. 2.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling vanwege Besluit m.e.r. Voor onderhavig ruimtelijk plan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen op grond van het Besluit m.e.r. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.(beoordelings)plichtig is:

3

Categorie D 11.2

Kolom 1 Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Kolom 2 Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Kolom 3 Plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Kolom 4 Projecten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de herbestemming van een niet-agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Het ruimtebeslag wordt hierbij ingeperkt (bestemmingsvlak en aanduiding parkeerterrein), maar de omvang in bedrijfsbebouwing wordt verruimd. De ontwikkeling is an sich niet concreet opgenomen op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Een vestiging en uitbreiding van een bedrijfslocatie kan, al naar gelang de omstandigheden van het geval, mogelijk wel worden beschouwd als zijnde een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als opgenomen in D11.2. Het voornemen valt hierbij ruimschoots beneden de genoemde gevallen. Indien het voornemen is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is derhalve een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r., hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij spelen onder meer mee of het bebouwde oppervlak toeneemt en in hoeverre het voorgenomen gebruik verschilt van wat momenteel in het bestemmingsplan is toegestaan. Dit is derhalve casuïstisch van aard en niet gelijk te stellen met de jurisprudentie omtrent stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking.

Het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ laat ruimte voor interpretatie en hangt onder andere af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang (van de voorziene wijziging) van de stedelijke ontwikkeling een rol. In de Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. wordt deze activiteit als volgt omschreven: ‘Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.’ Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Dit lijkt blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. qua aard al niet het type project te zijn waar ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ voor is bedoeld. De aard van de ontwikkeling is buitengebied-gerelateerd en de locatie is ook gelegen in het buitengebied (en niet in het bestaand stedelijk gebied).

Bovendien gaat de ontwikkeling gepaard met een afname van het ruimtebeslag (van 1,01 hectare, naar 0,85 hectare), maar vindt bij die ontwikkeling wel een toename van de bedrijfsbebouwing plaats (uitbreiding met 1.700 m2, tot in totaal 3.720 m2 bedrijfsgebouwen).

4

In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking zijn jurisprudentielijnen uitgezet om te kunnen beoordelen of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening). Ondanks dat de jurisprudentielijnen wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking niet één-op-één toepasbaar zijn voor de beoordeling van stedelijke ontwikkelingsprojecten in de m.e.r.wetgeving, kan deze wel worden gebruikt ter indicatie. Uit deze jurisprudentie volgt o.a. dat indien er sprake is van een uitbreiding van een gebouw, met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, dat deze ontwikkeling in beginsel als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. In de jurisprudentie aangaande de m.e.r.-wetgeving is hierbij nog geen vergelijkbare casus bekend. Gelet op het voorgaande is het echter ‘worst case’ om te concluderen dat de ontwikkeling wel is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd, deze wordt in onderhavig document uitgevoerd. Bij categorie D11.2 is het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, als hier van toepassing, opgenomen in kolom 4, besluiten. Na de vaststelling van het plan is immers geen m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit meer benodigd.

3. Beschrijving van de activiteit Een nadere beschrijving van het planvoornemen, de bestaande en beoogde situatie, en de ligging van de locatie is uitgebreid opgenomen in de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan. In paragraaf 1.2 van onderhavige aanmeldnotitie is de activiteit kort samengevat.

4. Kenmerken van het project 4.1 Toetsingscriteria Conform Bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: • De omvang van het project; • Cumulatie met andere projecten; • Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • De productie van afvalstoffen; • Verontreiniging en hinder; • Het risico van zware ongevallen en/of rampen; • Risico’s voor de menselijke gezondheid. 4.2 De omvang van het project Het plan heeft betrekking op de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf op een bestemmingsvlak van 6.350 m2, met een aanduiding parkeerterrein van 2.160 m2. Het totale ruimtebeslag is derhalve 8.510 m2, of wel 0,85 hectare. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt bovendien 3.500 m2 ingezet voor landschappelijke inpassing. Het voornemen zorgt voor een afname van het toegestane ruimtebeslag. In de huidige situatie is er sprake van een bestaande niet-agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied. Het huidige planologische ruimtebeslag betreft 1,01 hectare (bestaande uit het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ voor een (vrachtwagen)garage en de aanduiding ‘parkeerterrein’), met een toegestane omvang aan bedrijfsgebouwen van 2.020 m2. In de beoogde situatie vindt deels een planologische functiewijziging plaats (van het bestaande terrein en de bestaande bedrijfsbebouwing) en wordt het ruimtebeslag ingeperkt tot circa 0,85 hectare.

Dit betreft een afname in het ruimtebeslag van ruim 1.600 m2 ten opzichte van de huidige situatie (10.118 m2). De toegestane omvang van bedrijfsgebouwen wordt daarbij echter wel uitgebreid met 1.700 m2, tot een totaal van 3.720 m2. 4.3 Cumulatie met andere projecten Er is bij het project geen sprake van cumulatie met andere projecten. In de omgeving van het plangebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van

5

milieueffecten. Er zijn voor het overige geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. 4.4 Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. Eventuele bouwactiviteiten worden verricht met standaard bouwmaterialen, grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. 4.5 De productie van afvalstoffen Het voornemen heeft geen betrekking op een relevante wijziging in de productie van afvalstoffen. 4.6 Verontreiniging en hinder De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf worden o.a. gereguleerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Door te voldoen aan de algemene wet- en regelgeving, en de voorschriften uit deze geldende milieuwetgeving in acht te nemen, wordt verontreiniging en hinder (bijvoorbeeld ten aanzien van de bodemkwaliteit) voorkomen. Hiervoor wordt bovendien aanvullend verwezen naar Hoofdstuk 4 van de toelichting bij het (ontwerp)bestemmingsplan. 4.7 Het risico van zware ongevallen en/of rampen Het bedrijf betreft geen risicobron. De ontwikkeling behelst niet het gebruik van risicovolle stoffen, transportassen of buisleidingen.

4.8 Risico’s voor de menselijke gezondheid De beoogde bedrijfsactiviteiten zijn geen risico voor de menselijke gezondheid.

5. Locatie van het plan 5.1 Toetsingscriteria De mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het plan van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • Het bestaande grondgebruik; • De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; • Het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval bijvoorbeeld Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 5.2 Het bestaande grondgebruik Op de locatie Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek is in de bestaande situatie reeds een nietagrarisch bedrijf aanwezig. Het betreft in de huidige situatie een (vrachtwagen)garagebedrijf in milieucategorie 3.2. De beoogde bedrijfsvestiging is eveneens aan te merken als milieucategorie 3.2. Daarbij vindt echter een afname plaats van het toegestane ruimtebeslag en zullen de hoeveelheden zwaar verkeer (vrachtwagens) afnemen. 5.3 Natuurlijke hulpbronnen Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het plan, dan wel een effect hebben op het plan.

6

5.4 Opname vermogen / gevoeligheid van het milieu Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten (zie toelichting bij (ontwerp)bestemmingsplan en bijbehorende onderzoeksrapportages) volgt dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmerd.

6. Kenmerken van de potentiële effecten 6.1 Toetsingscriteria Bij de potentiële effecten van het plan wordt voor zover relevant gekeken naar: • De orde van grootte en het (ruimtelijk) bereik van het effect; • De aard van het effect; • Het grensoverschrijdende karakter van het effect; • De intensiteit en de complexiteit van het effect; • De waarschijnlijkheid van het effect; • De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het plan; • De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; • De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. De mogelijke effecten worden, voor zover relevant voor het planvoornemen, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Vanwege de aard van de ingreep wordt nader aandacht besteed aan de potentiële (milieu)effecten die kunnen optreden. 6.2 Toets van het plan aan de criteria Het bereik van het effect betreft de directe omgeving van de planlocatie. Er is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter van de ontwikkeling. Hierna wordt ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten. Omgevingsaspecten

Beschrijving van de mogelijke effecten

Bodem

Verwezen wordt naar paragraaf 4.1 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan

Milieuhinder ten gevolge van bedrijvigheid Geluid industrielawaai Veehouderijen en geur Veehouderijen en volksgezondheid Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen

Ter bescherming van de bodemkwaliteit worden de regels en voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer in acht genomen. Hierdoor (door het treffen van reguliere voorzieningen, welke worden voorgeschreven o.g.v. de geldende regelgeving) worden negatieve effecten op de bodemkwaliteit voorkomen. Verwezen wordt naar paragraaf 4.2 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.3 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.5 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.6 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan

Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk? Nee

Nee

Nee Nee Nee Nee

7

Geluid – wegverkeerslawaai Waterhuishouding Luchtkwaliteit Natuur / ecologie Flora en fauna Externe veiligheid Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Cultuurhistorie Archeologie

Verwezen wordt naar paragraaf 4.7 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.8 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.9 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.10 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.11 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.12 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.13 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan

Nee

Verwezen wordt naar paragraaf 4.14 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan Verwezen wordt naar paragraaf 4.15 van de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan

Nee

Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Nee

7. Conclusies en advies In het kader van deze aanmeldnotitie (en de bijbehorende plandocumenten) is in voldoende mate inzicht verkregen in de milieugevolgen van het planvoornemen. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het bevoegd gezag wordt verzocht om hieromtrent een besluit te nemen.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11571220/1