CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Bestemmingsplan Kernen Esbeek en Hilvarenbeek (4b Bijlagen bij toelichting)

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Hilvarenbeek, Esbeek".17.016 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BIJLAGE 1 RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ESBEEKSEWEG 29

Ruimtelijke onderbouwing

Esbeekseweg 29 te Esbeek

Colofon

Gemeente:

Hilvarenbeek

Projectlocatie:

Esbeekseweg 29, 5085 EA te Esbeek

Datum:

06-12-2021

Status:

Concept

IMRO-Code:

NL.IMRO.

Opgesteld door:

Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl

Projectnummer:

JR/21148.003

Pagina 2 van 37

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 6

2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 7

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 8

3. Beleidskader..................................................................................................... 9 3.1.

Rijksbeleid....................................................................................................... 9

3.1.1. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................. 9

3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

Ladder duurzame verstedelijking ................................................................ 9 Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................... 9 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 10 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 11

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 15

3.3.1. 3.3.2.

Bestemmingsplan ..................................................................................... 15 Structuurvisie ........................................................................................... 15

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 17 4.1.

Waterhuishouding ........................................................................................... 17

4.1.1. 4.1.2. 4.1.3. 4.2.

Natuur ........................................................................................................... 19

4.2.1. 4.2.2. 4.3.

Waterrelevant beleid................................................................................. 17 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 19 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 19 Wet natuurbescherming ............................................................................ 21

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 23

4.3.1. 4.3.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 23 Archeologie .............................................................................................. 24

4.4.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 25

4.5.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 26

4.6.

Geur .............................................................................................................. 27

4.6.1. 4.6.2. 4.7.

Omgekeerde werking ................................................................................ 27 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 27

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 28

4.7.1. 4.7.2.

Niet in betekenende mate ......................................................................... 29 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 29

Pagina 3 van 37

4.8.

Geluid ............................................................................................................ 32

4.9.

Verkeer en parkeren ....................................................................................... 32

4.10.

Externe veiligheid ........................................................................................ 32

4.10.1. 4.10.2. 4.11.

Regelgeving ............................................................................................. 32 Toetsing aan beleid .................................................................................. 33 Technische infrastructuur ............................................................................. 34

5. Planologische afweging ................................................................................. 35 5.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 35

6. Bijlagen .......................................................................................................... 36

Pagina 4 van 37

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel De eigenaar heeft de locatie aan de Esbeekseweg 29 te Esbeek in eigendom. Voorheen was op de planlocatie een dierenpension aanwezig. Dit pension is beëindigd en het is niet het voornemen om de planlocatie bedrijfsmatig te gebruiken. Om deze reden wordt de planlocatie herbestemd naar een woonbestemming. Zo wordt geregeld dat de bedrijfswoning door iedere burger bewoond mag worden. Daarnaast behoudt de eigenaar alle bebouwing op de planlocatie. Het achterste gedeelte van de planlocatie heeft initiatiefnemer verkocht aan het naastgelegen bedrijf aan het adres Notelstraat 5 te Esbeek. Dit gedeelte betreft het kadastrale perceel gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummer 2848 en heeft een grootte van 478 m2. Dit perceel wordt ook meegenomen in de herontwikkeling, hierdoor krijgt dit perceel een passende bestemming. 1.2. Geldend planologisch regime In de planologische situatie wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het gemeentelijk beleid en aan de structuurvisie van de gemeente Hilvarenbeek. Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Kern Esbeek en bedrijventerrein De Mierbeek’ vigerend.

Binnen het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen:

Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan, plangebied rode pijl

In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Derhalve is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Voor deze planlocatie wordt de procedure doorlopen die hoort bij het veegplan van de gemeente Hilvarenbeek.

Pagina 5 van 37

1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor deze planlocatie wordt de procedure doorlopen die hoort bij het veegplan van de gemeente Hilvarenbeek. 1.4. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van het plangebied, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

Pagina 6 van 37

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied betreft de locatie Esbeekseweg 29 te Esbeek, het bouwvlak is kadastraal bekend als Hilvarenbeek P 2849 en 2848 (eigenaar Nostelstraat 5). Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied weergegeven.

Afbeelding 2: Ligging plangebied rood omcirkeld en blauw gearceerd

Het kadastrale perceel gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummer 2849 is in eigendom van de eigenaar. De planlocatie is gelegen in de kern van Esbeek, tegen het bedrijventerrein. De planlocatie grenst met de tuin aan het bedrijventerrein de Mierbeek. Daarnaast is de planlocatie op circa 80 meter ten zuiden van het sportpark van Esbeek gelegen. De omgeving rondom de planlocatie kent dus een gemengde gebruiksstructuur waar diverse bedrijven en woningen zijn gevestigd. Zie afbeelding 2. Op het perceel bevindt zich een bestaande bedrijfswoning. Daarnaast bevindt zich op de planlocatie een bijgebouw ter grootte van 106 m2. De planlocatie is bestemd met de bestemming ‘bedrijf’ ten behoeve van een dierenpension. Het achterste gedeelte van de planlocatie heeft initiatiefnemer verkocht aan het naastgelegen bedrijf aan het adres Notelstraat 5 te Esbeek. Dit gedeelte betreft het kadastrale perceel gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummer 2848 en heeft een grootte van 478 m2. De eigenaar van het bedrijf aan Notelstraat 5 te Esbeek heeft tevens op 23 december 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfshal op deze locatie. Deze vergunning is op 12 april 2021 verleend. Deze vergunning dient planologisch vastgelegd te worden. Momenteel rust op de locatie met het

Pagina 7 van 37

kadastrale nummer 2848 de functieaanduiding ‘dierenpension’. Dit gedeelte wordt ook meegenomen in de herbestemming, zodat ook dit perceel een passende bestemming krijgt voor in de toekomst. 2.2. Beoogde situatie Zoals reeds in de aanleiding is weergegeven, wordt de bedrijfslocatie (perceel P-2849) omgezet naar een woonbestemming (blauw gearceerd in afbeelding 3). Zo wordt geregeld dat de bedrijfswoning door iedere burger bewoond mag worden. Daarnaast behoud de eigenaar alle bestaande bebouwingen, aangezien deze passend zijn bij de woonbestemming. De bestaande bebouwingen op de planlocatie zijn namelijk nog in goede staat en zijn qua oppervlakte passend op de omvang van het perceel. Zoals omschreven is het achterste gedeelte van het perceel niet meer in eigendom. Dit perceel is echter wel gelegen binnen de huidige vigerende bedrijfsbestemming. Dit betreft het kadastrale perceel gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummer 2848 (rood omlijnd afbeelding 3). Zoals eerder benoemd is het perceel P-2848 is destijds verkocht aan de eigenaar van het naastgelegen bedrijf aan het adres Notelstraat 5 te Esbeek. Dit perceel is kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummer 2848 en heeft een grootte van 478 m2. Dit perceel dient in het veegplan voor de planlocatie meegenomen te worden, zodat dit perceel ook een passende bestemming krijgt.

De eigenaar van het bedrijf aan Notelstraat 5 te Esbeek heeft op 23 december 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfshal op deze locatie. Deze vergunning is op 12 april 2021 verleend. Deze vergunning dient planologisch vastgelegd te worden. Momenteel rust op de locatie met het kadastrale nummer 2848 de functieaanduiding ‘dierenpension’. Het rood gearceerde deel van het perceel P-2848 dient de enkelbestemming ‘bedrijventerrein’ te krijgen voor een bedrijf tot en met milieucategorie 2. Het deel van het perceel P-2848 met de woonbestemming krijgt de bestemming tuin in de beoogde situatie.

Afbeelding 3: Uitsnede overzicht percelen in de beoogde situatie

Pagina 8 van 37

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid

3.1.1. Ladder duurzame verstedelijking

In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het beoogde initiatief betreft een kleinschalige stedelijke ontwikkeling, gezien het feit dat er sprake is van de realisatie van één burgerwoning in het buitengebied en daarmee wordt voorzien in een (klein) deel van de regionale behoefte. Echter in het kader van de Ladder is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Voor wonen geldt namelijk dat pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladder plichtig is wanneer in de woningbouwlocatie 12 woningen worden gerealiseerd. Met dit plan wordt één burgerwoning mogelijk gemaakt hiervoor wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Ook wordt het perceel P-2848 omgezet naar de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met de milieucategorie 2 aangezien dit perceel verkocht is aan het bestaande bedrijf aan Notelstraat 5 in Esbeek. Dit perceel wordt in de beoogde situatie gebruikt voor de uitbreiding van het bestaande bedrijf aan de Notelstraat 5. Derhalve is verdere toetsing aan de Ladder niet nodig. 3.2.

Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘Werken aan de slimme netwerkstad’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Het stedelijk netwerk van Brabant functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabantse partijen werken aan de transformatie van het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Ondersteund door de digitale ontwikkelingen zijn er belangrijke stappen gezet in de richting van een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem. Bewoners uit alle geledingen van de bevolking voelen zich

Pagina 9 van 37

verbonden met hun omgeving en met elkaar doordat zij meedenken en meedoen aan de veranderingen in hun omgeving.’ Brabant doet het goed. Om top kennis- en innovatieregio te blijven en deze positie te versterken is het nodig dat Brabant zich sterker inzet voor een toekomstbestendig woon-, leef- en vestigingsklimaat met een robuust mobiliteitssysteem. Binnen het netwerk zullen de verschillen toenemen. In en rond de grote steden is er een relatief hoge dynamiek: de economie en de bevolking van de stedelijke regio’s groeit. Andere delen van Brabant, met name de grensregio’s, krijgen te maken met krimp. De verschillen vragen om maatwerk: enerzijds zorgdragen voor de vitaliteit van krimpgebieden en de aanhaking hiervan op het centrale stedelijke netwerk en anderzijds het ondersteunen en versterken van het centrale stedelijke netwerk. Daarnaast is het van belang de laagdynamische gebieden die rust, ruimte, cultuurhistorie en natuur bieden te koesteren. Om de doelen te bereiken wordt ingezet op een samenhangende ruimtelijke koers waarin stad, land en mobiliteit met elkaar worden verbonden. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De komende 10 jaar ligt er namelijk nog een forse woningbouwopgave, maar daarna loopt deze in omvang af.

Dit betekent dat er de komende 10 jaar interessante kansen liggen om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle wet- en regelgeving wordt voldaan. Door het herbestemmen van de bedrijfswoning naar burgerwoning wordt leegstand voorkomen en past dit binnen de marktvraag en is dit een kwalitatieve ontwikkeling. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 4, ligt de planlocatie in kernen in landelijk gebied. In kernen in landelijk gebied wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). In dit gebied passen stedelijke ontwikkelingen qua maat en schaal bij de kern. Er is ruimte beschikbaar voor specifieke verbeterprojecten van enige omvang. Het gaat om kwalitatieve verbeteringen in bestaand stedelijk gebied zoals het saneren van milieuhinderlijke bedrijvigheid in de kern.

In de beoogde situatie wordt de dierenpension beëindigt (milieucategorie 3.2) in kernen in landelijk gebied en wordt het achterste deel van het perceel toegevoegd aan het bedrijventerrein de Mierbeek (milieucategorie 2). Door deze ontwikkeling vindt er kwalitatieve verbetering plaats in bestaand stedelijk gebied, aangezien op perceel P 849 het dierenpension met milieucategorie 3.2 wordt beëindigt en het achterste deel van het perceel wordt verlaagd naar milieucategorie 2.

Pagina 10 van 37

Afbeelding 4: Uitsnede structurenkaart Sv 2014, plangebied rode pijl

3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘stedelijk gebied’, en ‘stalderingsgebied’, zie afbeelding 5.

Pagina 11 van 37

Afbeelding 5: Uitsnede Iov plangebied rood omlijnd

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

In de beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van een bestaand ruimtebeslag, aangezien het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, aangezien er sprake is van het herbestemmen van een bedrijfswoning naar burgerwoning. De woning en de bijbehorende bouwwerken zijn geconcentreerd binnen een bouwperceel. Op het perceel P-2848 wordt een bedrijfshal gebouwd conform de vergunning van 12 april 2021. Deze bedrijfshal hoort bij het bestaande bedrijf aan de Notelstraat 5 te Esbeek.

Pagina 12 van 37

Uit bovenstaande toetsing blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door het herbestemmen van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 3.42) Artikel 3.42 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van woonfuncties binnen Stedelijk gebied. Er is getoetst aan de gestelde voorwaarden uit artikel 3.42 van de Iov:

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Op basis van artikel 5.4 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant maakt de gemeente Hilvarenbeek regionale woningbouwafspraken. De basis voor deze afspraken zijn de bevolkings- en woningbehoefteprognoses van de Provincie Noord-Brabant. Eind 2020 heeft de provincie Noord-Brabant de meest recente prognoses uitgebracht. In lid 2 van artikel 3.42 van de Iov zijn voorwaarden opgenomen waaraan een duurzame stedelijke ontwikkeling dient te voldoen. Aan deze voorwaarden wordt hieronder getoetst:

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; Het beëindigen van het bestaande dierenpension (milieucategorie 3.2), inclusief de verkoop van perceel P-2848 waardoor de milieucategorie voor dit perceel verlaagd naar milieucategorie 2, en het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten draagt bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving.

Pagina 13 van 37

b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het gebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocatie in zowel stedelijk als landelijk gebied. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik door de mogelijkheden binnen de bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten.

c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; Voor de nieuw te bouwen woningen geldt sinds 1 juli 2018 een aardgasverbod. Dit betekent dat de woningen niet op het aardgas mogen worden aangesloten. Op de planlocatie is sprake van een bestaande bedrijfswoning die wordt herbestemd naar burgerwoning, deze woning is voor 1 juli 2018 gebouwd. Op de planlocatie is het mogelijk om een laadpaal te plaatsen, tevens is het ook mogelijk om op de planlocatie zonnepanelen te realiseren.

d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; Op de planlocatie veranderd de bebouwing niet, hierdoor kan er vanuit worden gegaan dat er voldoende ruimte is voor de opvang van water.

e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; Door het ontwikkelen van de woning in de kern van Esbeek zijn alle dagelijkse voorzieningen per fiets of te voet bereikbaar. Daarnaast kunnen eventueel laadpalen voor elektrische auto’s op eigen terrein worden gerealiseerd. Hierdoor wordt invulling gegeven aan duurzame mobiliteit en een gezonde leefomgeving.

f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. De voorgenomen ontwikkeling staat een duurzame, concurrerende economie niet in de weg. In de beoogde situatie is het mogelijk om zonnepanelen of een laadpaal op de planlocatie te realiseren. Aanvullende regels stalderen (artikel 3.52) Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Op de planlocatie is geen veehouderij aanwezig. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Pagina 14 van 37

3.3. Gemeentelijk beleid

3.3.1. Bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan voor de Esbeekseweg 29 te Esbeek is ‘Kern Esbeek en bedrijventerrein De Mierbeek’, vastgesteld op 20-12-2017. In onderstaande afbeelding is de vigerende verbeelding weergegeven.

Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan, plangebied rode pijl

In het vigerende bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen, voor het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen en ‘Bedrijventerrein’. In het vigerende bestemmingsplan is wel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van de milieucategorie in artikel 4.5.2. In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Derhalve is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Voor deze planlocatie wordt de procedure doorlopen die hoort bij het veegplan van de gemeente Hilvarenbeek. Onderstaan wordt getoetst aan de gemeentelijke visie.

3.3.2. Structuurvisie

Structuurvisie gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft op 25 februari 2010 een structuurvisie opgesteld. In deze structuurvisie is de toekomstvisie van de gemeente beschreven. De in 1900 opgerichte steenfabriek gaf al vroeg de aanleiding voor bedrijvigheid in Esbeek. De volgende zones zijn op basis van de oorspronkelijk gevormde hoofdstructuur te onderscheiden. Hierna is per zone een beschrijving te vinden. Op basis van de positie die de zone binnen de ruimtelijke structuur inneemt, de functionele analyse van het gebied en de beleidsuitgangspunten, is een aantal criteria voor nieuwe ontwikkelingen geformuleerd.

Pagina 15 van 37

Afbeelding 6: zonering Esbeek, plangebied rood omcirkeld

Zoals te zien op afbeelding 6 ligt de planlocatie binnen een verbindend lint. Het oorspronkelijk deel van de verbindingsweg tussen Hilvarenbeek en De Mierden ligt voor een klein deel in Esbeek. Hoewel met de aanleg van de N269 het verbindend karakter sterk is afgenomen is de Esbeekseweg nog het deel binnen Esbeek dat binnen de ruimtelijke structuur deze positie inneemt, de planlocatie ligt in aan de verbindingsweg met Hilvarenbeek. Regeling ruimtelijke kwaliteitsbijdrage Ingeval van een functiewijziging van de Enkelbestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ valt onder een categorie 1 ontwikkeling mits het bestemmingsvlak 70% wordt verkleind met maximaal 200 m2 voormalige bedrijfsbebouwing. Kwaliteitsverbetering is niet van toepassing voor een categorie 1 ontwikkeling. Woonvisie gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft op 5 juni 2019 de ‘Woonvisie 2020-2030’ vastgesteld. Hierin wordt aangegeven dat de woningmarkt in de gemeente krap is. De gemeente geeft aan dat ze mee willen werken aan woningbouwinitiatieven wanneer deze voldoen aan de beoordelingscriteria. De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van één burgerwoning in bestaande bebouwing binnen de bebouwde kom van Esbeek. Aan de beoordelingscriteria zoals parkeren en ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik wordt in deze ruimtelijke onderbouwing aangetoetst.

Conclusie visies Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief past binnen de structuur- en woonvisie van de gemeente Hilvarenbeek. Het herbestemmen van de bedrijfswoning naar burgerwoning aan de Esbeekseweg 29 te Esbeek zal een positief effect hebben op de ruimtelijke kwaliteit en de woning courantheid in de toekomst van de gemeente. Ook heeft de gemeente als doel de bestaande woningen te behouden en ruimte te bieden aan nieuwe woningen (behoud waardevolle panden).

Pagina 16 van 37

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.1.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: ▪ Voldoende water voor mens, plant en dier; ▪ Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); ▪ Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; ▪ Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals

Pagina 17 van 37

weergegeven is in Afbeelding 8 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water in bebouwd gebied’ toegekend gekregen. Het waterbeheer in deze gebieden richt zich op zodanige realisatie van de gewenste woon- en werkomstandigheden dat de waterhuishouding zoveel mogelijk bijdraagt aan de instandhouding en mogelijk verbetering van de grotere watersystemen waarvan het betreffende bebouwde gebied deel uitmaakt. Het beoogde initiatief betreft het herbestemmen van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, waarbij het achterste perceel P-2848 de bestemming bedrijventerrein krijgt. Door deze functiewijziging zijn er geen effecten op de grotere watersystemen te verwachten.

Afbeelding 8: Uitsnede kaart Provinciaal milieu-en waterplan, planlocatie rode pijl

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. ▪ Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); ▪ Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; ▪ Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; ▪ Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;

Pagina 18 van 37

▪

Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.

4.1.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. De aflozing van het hemelwater blijft in de beoogde situatie onveranderd van de huidige situatie. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Voor de bedrijfshal is op 12 april 2021 vergund, hierin is getoetst aan het aspect water.

4.1.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie zal het afvalwater van huishoudelijke aard van de om te zetten bedrijfswoning naar burgerwoning geloosd blijven worden op het gemeentelijk riool. In de verleende vergunning voor de bedrijshal op perceel P-2848 is getoetst aan het aspect water. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 mei 2021, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie is er geen toename van verhard oppervlak. Omdat er geen toename verharding is dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. 4.2. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.2.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

Pagina 19 van 37

Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 9. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Pagina 20 van 37

Afbeelding 9: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant Iov, plangebied roze pijl

4.2.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Regte Heide en Riels laag en Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout. De provincie NoordBrabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 1,1 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten

Pagina 21 van 37

kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in de bijlage, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurbescherming in werking getreden. In het kader van deze wet is geen AERIUS-berekening gemaakt van de woning aangezien deze alleen wordt herbestemd en er een afname is in vervoersbewegingen door de beëindiging van het dierenpension.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied KempenlandWest leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen belemmering in het kader van gebiedsbescherming. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Pagina 22 van 37

Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Esbeekseweg 29, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te herbestemmen woning, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het feit dat de planlocatie al jaren de bestemming ‘Bedrijf’ heeft en het perceel P-2849 wordt herbestemd naar ‘Wonen’ en het perceel P-2848 wordt herbestemd naar de bestemming ‘Bedrijventerrein’ vinden er geen activiteiten plaats die beschermde of bijzondere soorten kunnen verstoren. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een ontheffing in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. 4.3.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde herbestemming moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.3.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 10. Volgens de cultuurhistorische waarde kaart van Brabant ligt de planlocatie in een gebied dat zich kenmerkt door zwak golvend landschap (cultuurhistorisch landschap). Het gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zij n de middeleeuwse hoeves en buurtschappen. In de beoogde situatie is er sprake van het herbestemmen van de planlocatie hierdoor worden de waarden van dit landschap niet aangetast.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ Iov

Pagina 23 van 37

Afbeelding 11: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Brabant, planlocatie zwarte stip

4.3.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Kern Esbeek en bedrijventerrein De Mierbeek’ zijn geen archeologische aanduidingen opgenomen. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek ligt de planlocatie in hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jagers en verzamelaars. In het kader van archeologie hoeft er geen omgevingsvergunning (onderzoek) te worden aangevraagd wanneer de bebouwing onder 2500 m2 en 50 cm diepte blijft.

Pagina 24 van 37

Afbeelding 12: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Hilvarenbeek

De gronden ter plaatse van de beoogde burgerwoning zijn nu en in het verleden ingebruik als (bedrijfs) ‘woning’. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de planlocatie niet worden bewerkt. Ook is het aantreffen van archeologische waarden in de bovenste grondlaag nihil. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.4. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er is daarom door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, milieu hygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de gehele locatie. De gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie (bijlage 1).

Pagina 25 van 37

4.5. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk en rustig buitengebied is een gebied dat is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De Esbeekseweg 29 te Esbeek is gelegen in een omgeving nabij verschillende bestemmingen, waaronder wonen, sport en bedrijvigheid. Hierdoor is de planlocatie aan te merken met het omgevingstype ‘gemengd gebied’.

De hierbij behorende richtafstanden zijn per categorie in de onderstaande tabel weergegeven. In de beoogde situatie wordt de bedrijfsbestemming (milieucategorie 3.2) herbestemd naar ‘Wonen’ en verlaagt de milieucategorie van het perceel P-2848 naar milieucategorie 2. Bedrijven met milieucategorie 2, die gelegen zijn binnen een ‘gemengd gebied’, dienen een richtafstand van 10 meter aan te houden tot andere woningen. De woning gelegen op de planlocatie ligt op 30 meter afstand van het bedrijf. De bufferzone van 10 meter vanaf het bedrijventerrein ligt over het schuurtje op de planlocatie. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de bedrijfslocatie geen belemmeringen oplevert voor de woning aan de Esbeekseweg 29 te Esbeek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14896796/2