10 Wijziging omgevingsplan Biest-Houtakker (7 bijlage 3a Oplegnotitie wijziging omgevingsplan)
Tekst van het document
Zaaknummer: 1022039
Oplegnotitie wijziging omgevingsplan Achtergronden van het Omgevingsplan Hilvarenbeek, voor de eerste wijziging van het omgevingsplan (gebied: kern Biest-Houtakker)
1
Uitgangspunten voor de eerste wijziging 1. Beleidsarme verhuizing van de regels van het bestemmingsplan Kern Biest-Houtakker (juli 2024 vastgesteld) naar het omgevingsplan. 2. Geen nieuwe ontwikkelingen meenemen in het wijzigingsbesluit. 3. Geen wijzigingen aanbrengen in de ‘bruidsschat’ (opgenomen in hoofdstuk 22 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan). 4. De regels worden geformuleerd op een dusdanige wijze dat deze zo veel als mogelijk 1op-1 toepasbaar zijn voor andere (kern)gebieden die in latere wijzigingsbesluiten verhuisd gaan worden naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het worden algemeen toepasbare regels. 5. Daar waar specifieke regels voor een bepaalde locatie gelden, worden deze gerespecteerd en mee verhuisd naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. 6. De gemeente laat het omgevingsplan op een organische en cyclische wijze verder ontwikkelen tot een gebieds- en thema-dekkend omgevingsplan voor de hele gemeente. Hiervoor wordt de tijd genomen tot aan het einde van de wettelijke transitieperiode (31 december 2031). 7. Deze wijziging gaat niet over het opnemen van één of meerdere omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (“Bopa’s”).
De uitgangspunten zijn verder beschreven in het Transitieplan voor het omgevingsplan zoals eerder met de gemeenteraad gedeeld. Meer algemene informatie over de aanleiding en aanpak van het omgevingsplan Hilvarenbeek vind u terug in het Algemene deel van de Toelichting bij de regels.
Bij toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan kan er wel sprake zijn van het opnemen van één of meerdere onherroepelijke Bopa’s. Als hier sprake van is, wordt duidelijk aangegeven welke delen van het omgevingsplan een verwerking zijn van welke Bopa. Zodat duidelijk is welke delen van het omgevingsplan niet opnieuw open staan voor besluitvorming (en daarmee ook geen onderdeel zijn van een participatietraject) omdat er reeds een besluit is genomen op de Bopa. Dit helder aangeven stelt eenieder, inclusief het college van B&W, de gemeenteraad, inwoners, de initiatiefnemer aan wie de Bopa is verleend en andere belanghebbenden in staat om te verifiëren dat de Bopa juist verwerkt is.
Zaaknummer:
2
Hoofdstructuur Omgevingsplan
De hoofdstructuur van het omgevingsplan wordt gevormd door de hoofdstukken, titels, afdelingen en (sub)paragrafen. Deze onderdelen worden ook wel ‘structuurelementen’ genoemd. Onder elke paragraaf hangen de regels die het juridisch bindende deel van de regeling vormen. Om praktische redenen is de hoofdstructuur voor een groot deel al opgebouwd, maar in meerdere hoofdstukken nog niet gevuld met regels. Deze hoofdstukken staan op de status ‘gereserveerd’ (zie paragraaf 3.2) en komen zo ook terug in het DSO. Elke gemeente is vrij om een eigen indeling van de hoofdstructuur te kiezen. De Hilvarenbeekse hoofdstructuur is gebaseerd op het voorstel van de VNG. En ziet er ongeveer zo uit:
2
Zaaknummer:
3
Structuur omgevingsplan
3.1 Activiteiten leidend voor structuur De structuur van het omgevingsplan is bepaald door de activiteiten. De burger moet uiteindelijk weten welke activiteiten waar zijn toegestaan. Zo heeft de wetgever de Omgevingswet ook ingestoken en zo is ook het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ontworpen. Het DSO is de digitale raadpleegomgeving die landelijk is voorgeschreven door de Rijksoverheid. Het bekendste onderdeel van het DSO is het Omgevingsloket (link: https://omgevingswet.overheid.nl/home). Hier kunnen burgers en andere gebruikers nagaan of een vergunning nodig is, een vergunning aanvragen, en ook het omgevingsplan raadplegen. Van belang is daarbij ook wat de doelen en ambities van de gemeente zijn die in het omgevingsplan moeten worden verankerd in de vorm van regels. En in welke gebieden welke doelen prioriteit hebben. In de vorm van functies die in een gebied wel of niet worden toegelaten. Daarmee zijn de 4 hoofdingrediënten van het omgevingsplan benoemd: a. b. c. d.
Doelen Gebieden Functies Activiteiten.
3.2 Functies Voor het hoofdingrediënt ‘functies’ is iets bijzonders aan de hand. Het begrip ‘functie’ uit het omgevingsplan wordt vaak vergeleken met het begrip ‘bestemming’ uit het bestemmingsplan. Tot zekere hoogte is dat een goede vergelijking. Er is echter een cruciaal verschil in de werking van beide begrippen. Aan de hand van een voorbeeld: Als op een adres de ‘functie wonen’ geldt, betekent dat nadrukkelijk NIET dat er ook op dit adres gewoond mag worden. Het wonen mag alléén plaatsvinden als op datzelfde adres óók de ‘activiteit wonen’ is gekoppeld. Een functie duidt in een omgevingsplan alléén aan wat het hoofdgebruik van een locatie is. Een activiteit mag alléén op een locatie, zoals een adres, plaatsvinden als die activiteit ook gekoppeld is aan die locatie. Het zijn de activiteiten, niet de functies, die het hart vormen van het omgevingsplan en die juridisch bindend zijn.
3.3 Gereserveerde hoofdstukken en paragrafen Voor de gereserveerde onderdelen gelden de bestaande regels, of zal eerst beleid opgesteld moeten worden in – met name – de omgevingsvisie of omgevingsprogramma’s. Voorbeelden zijn eventuele financiële regels over exploitatie bij ontwikkelingen, het handhavingsbeleid van de gemeente of de bestaande LIR-regeling. Ter illustratie voor het thema financiële regels over exploitatie bij ontwikkelingen. Regels over dit onderwerp landen in beginsel in het hoofdstuk over kostenverhaal. De voorkeursroute blijft
3
Zaaknummer:
echter om te werken met een anterieure overeenkomst, dat is ook het advies vanuit de VNG. Als er met een anterieure overeenkomst wordt gewerkt, kan het kostenverhaal niet nogmaals worden geregeld in het omgevingsplan. Hierom, en omdat deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is dit hoofdstuk leeg. Over het algemeen zijn dit regels die gelijk voor de hele gemeente vastgesteld moeten worden en dus via een thematische wijziging in het omgevingsplan moeten landen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het handhavingsbeleid en de bestaande LIR-regeling. Het voorliggende wijzigingsbesluit gaat uitsluitend over Biest-Houtakker. Daar waar mogelijk is wordt al een start gemaakt met beleidsontwikkeling. De omgevingsvisie vormt hiervan het vertrekpunt.
3.4 Bruidsschat blijft nog in stand Op dit moment laten we de bruidsschat nog helemaal in stand. De bruidsschat bestaat uit regels die tot en met 31 december 2023 in het beheer waren van de Rijksoverheid, en die met de Omgevingswet zijn gedecentraliseerd naar gemeenten. De Rijksoverheid wilde voorkomen dat er een gat zou vallen. Hierom had elke gemeente op 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, hetzelfde hoofdstuk in het omgevingsplan staan. Bij elke gemeente was dat op 1 januari 2024 hoofdstuk 22. Bijna alle gemeenten kiezen ervoor om hoofdstuk 22 niet aan te passen. De achtergrond van deze keuze staat nader toegelicht in (de bijlagen van) het raadsvoorstel. Deze regels uit hoofdstuk 22 gelden gewoon en er is geen urgentie om deze regels (inhoudelijk of in structuur) aan te passen. Hoofdstuk 22 wijkt wel af van de gekozen hoofdstructuur van het gemeentelijke omgevingsplan. Er zitten bijvoorbeeld ook regels in over bouwactiviteiten die eigenlijk in afdeling 6.4 thuis horen. Of regels voor sloopactiviteiten die in afdeling 6.7 worden geregeld. Echter, er staan ook onderdelen uit de bruidsschat ter discussie om weer terug te gaan naar de Rijksoverheid. Bijvoorbeeld over windmolens en geur van dierenverblijven.
En het verhuizen van de bruidsschatregels vraagt ook om herformulering en hernummering van de bruidsschatregels omdat deze simpelweg heel anders zijn opgebouwd en vol zitten met verwijzingen naar bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten (MBA’s). Het past niet bij de uitgangspunten voor deze eerste wijziging om aanpassingen te doen aan de bruidsschat.
4
Insluiten van activiteiten
Van belang is dat de omgevingsplanregels dusdanig zijn opgesteld dat het omgevingsplan activiteiten ‘insluit’. Dit betekent dat in artikel 6.3 een algemene regel is opgenomen die bepaalt dat activiteiten alleen zijn toegestaan (met of zonder toestemming) als die concreet zijn opgenomen in hoofdstuk 6 of hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Staat in het omgevingsplan NIET dat een bepaalde activiteit op een locatie, dan mag die activiteit ook niet plaatsvinden.
4
Zaaknummer:
Gedurende de transitiefase tot aan 2032 wordt deze veiligheidsmaatregel noodzakelijk geacht omdat er nog te veel gebreken en ‘gaten’ in de Omgevingswet, de bijbehorende Omgevingsbesluiten van de Rijksoverheid, het overgangsrecht en ook in het omgevingsplan zullen zitten, waardoor ongewenste ontwikkelingen kunnen ontstaan. Dit is inmiddels ook al gebleken uit de landelijke ‘vangnetregelingen’ die de Rijksoverheid heeft moeten doorvoeren om ‘hiaten’ te repareren. Uitsluiten is het tegenovergestelde van insluiten: je staat dan alles toe (Ja, mits…) tenzij je het specifiek uitsluit (in een gebied). Vooralsnog worden er te veel risico’s bij gezien om volledig het ja, mits principe toe te passen. Ter vergelijking: voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold het ‘nee, tenzij’ principe. Dat betekende, als niet in een bestemmingsplan stond dat het mocht, dat het niet mocht. Effectief sluit het omgevingsplan aan bij de aanpak van een bestemmingsplan. Hiermee is ook zeker dat deze veiligheidsmaatregel er niet voor zorgt dat inwoners in hun mogelijkheden beperkt worden. Deze wijziging van het omgevingsplan leidt niet tot inperking (en ook niet tot vergroting) van mogelijkheden ten opzichte van de bestaande situatie.
5
Omgevingsvisie en nieuwe regels
Momenteel ligt een eerste wijzigingsbesluit aan de raad voor. Met beleidsarme omgevingsplanregels. Er is nog geen noodzaak om nieuwe (inhoudelijk andere) regels op te nemen in deze wijziging. De gemeente heeft immers het belangrijkste beleid voor de fysieke leefomgeving nog in voorbereiding: de omgevingsvisie. Pas nadat de omgevingsvisie is vastgesteld, is er een noodzaak om het omgevingsplan van andere regels te voorzien. Voor zover de omgevingsvisie een beleidswijziging bevat. Immers, het omgevingsplan mag niet strijdig zijn met de ambities en doelen uit de eigen omgevingsvisie van de gemeente. Het omgevingsplan is, net als het instrument omgevingsprogramma, een uitwerking van de omgevingsvisie.
5