CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Ruimtelijk onderzoek Upcycle Village (3 bijlage 1 brief ministerie infrastructuur en water Water en Bodem Sturend

Gemeenteraad 16 maart 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel ruimtelijk onderzoek Upcycle Village.15.747 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

> Retouradres Postbus 20901 2500 EX D en Haag

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Rijnstraat 8 2 5 15 XP D en Haag P ostbus 20901 2 5 00 E X Den Haag T 0 7 0-456 0000 F 0 7 0-456 1111 Ons kenmerk I E NW/BSK-2022/283041

Datum Betreft

25 november 2022 Water en Bodem sturend

Bijlage(n) 3

Geachte voorzitter, Deze brief gaat over ons water en onze bodem. Letterlijk de basis van ons bestaan, en daarmee van groot belang voor iedereen. We willen als kabinet meer rekening houden met deze basis, bij besluiten die we nemen over de indeling van ons land. In deze brief vertellen we waarom en hoe. Water en bodem zijn van grote invloed op ons dagelijks leven. We halen ons drinkwater uit de bodem. De bodem biedt stevigheid, als fundament voor onze wegen en huizen. Is de bodem te nat of juist te droog? Dan merken we dat aan lagere opbrengsten, schade aan de natuur of in de supermarkt aan hogere prijzen. Elk stukje bodem en oppervlaktewater in ons land is in gebruik, soms voor vele doeleinden tegelijk. En niet alleen wat je ziet. Ook onder de grond is het een drukte van jewelste. Buizen, pijpen, kabels, winning van grondstoffen. Op die bodem moeten we zuinig zijn. Tot duizend jaar geleden pasten de inwoners zich vooral aan de natuurlijke omstandigheden aan. Later veranderde dat, en zorgden we ervoor dat water en bodem zich aan ons aanpasten. Door bijvoorbeeld dijken en sloten aan te leggen. Dat heeft ons land doen groeien. Zo hebben we de voordelen van het wonen in een Delta, zoals goede bereikbaarheid over het water, weten te benutten. Daar zijn we trots op. Het vertrouwen in de maakbaarheid van ons landschap is groot.

Maar inmiddels lopen we steeds vaker tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem aan. Bodemdaling en lage waterstanden zorgen voor veel schade aan funderingen van gebouwen en extra onderhoud aan wegen en spoorwegen. Voldoende goed drinkwater is niet langer vanzelfsprekend. Het voortbestaan van planten- en diersoorten staat onder druk. De kwaliteit en beschikbaarheid van water en bodem hebben grote invloed op onze scheepvaart, landbouw, energievoorziening, industrie en natuur. Bovendien zet het veranderende klimaat alles op scherp. De zeespiegel stijgt. De afgelopen jaren hebben we in korte tijd te maken gehad met grote wateroverlast en extreme droogte. De beelden van de overstromingen in Limburg van juli 2021 hebben we nog scherp voor ogen. Duizenden mensen moesten worden geëvacueerd en het leger werd ingezet. Er was veel materiële schade en er vielen slachtoffers in buurlanden. Deze zomer was het wederom droog. Rivieren stonden zo laag dat scheepvaart werd gehinderd. Oogsten liepen terug. In het westen werden maatregelen genomen om het zoute water weg te houden. Met name op zandgronden in het zuiden en oosten liepen de o nttrekkingen van grondwater P agina 1 van 32

tegen grenzen aan. De waterkwaliteit nam af en op veel plaatsen kregen recreanten last van blauwalg en botulisme.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem, voldoende en schoon water. In programma’s als Ruimte voor de Rivier, Integraal Rivier Management (IRM) en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) werken we al vanuit de randvoorwaarden die het water- en bodemsysteem stellen. Met deze brief kijken we vooruit hoe we deze aanpak standaard kunnen maken bij nieuwe ontwikkelingen. Het Rijk maakt structurerende keuzes die richting geven voor de komende decennia. Veel keuzes kunnen en moeten we nu al doorvoeren in maatregelen. Door nu keuzes te maken, kunnen we ook aangeven hoe we met lange termijn ontwikkelingen om willen gaan. Zo kunnen overheden, ondernemers en inw oners hier al rekening mee houden. Om water en bodem sturend te laten worden heeft iedereen een rol en verantwoordelijkheid. De structurerende keuzes hebben deels betrekking op het nationale beleid, maar kunnen ook richting geven aan of doorwerking vinden in programma’s van provincies, gemeenten en waterschappen, gebiedsprocessen, bedrijven en burgers.

We sluiten daarbij aan bij de systematiek van het Nationaal Programma Landelijk gebied (NPLG), waarin structurerende keuzes worden uitgelegd als ’beleidsuitspraken over de (on-)wenselijkheid van activiteiten […] in het ruimtegebruik of ten opzichte van het functioneren van het water- en bodemsysteem’. In een iteratief proces vindt in samenwerking met de betrokkenen uitwerking van deze keuzes plaats. Wij geven hiermee input voor het oplossen van de soms ingewikkelde opgave van de ruimtelijke ordening in Nederland: wat kan het beste waar? Een deel van deze keuzes zijn aanscherpingen van bestaand beleid en andere keuzes zijn nieuw. Deze brief geeft zo uitwerking aan de afspraak uit het coalitieakkoord om water en bodem sturend te maken voor ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten We hanteren een aantal uitgangspunten om ‘w ater en bodem sturend’ vorm te geven. Met deze uitgangspunten volgen we de adviezen van de Deltacommissaris 1 en die van de heer Remkes 2. De Deltacommissaris beveelt aan voldoende ruimte te reserveren voor waterveiligheid, te zorgen voor voldoende zoetwater, strategische grondwatervoorraden te beschermen, ruimtelijke adaptatie, meerlaagsveiligheid en transitie van het landelijk gebied. De Deltacommissaris benadrukt daarbij dat de tijd van vrijblijvendheid voorbij is.

De heer Remkes geeft aan per direct te starten met ruimte maken voor nieuwe ontwikkelingen, een langjarig perspectief te bieden voor het landelijk gebied en om deze transitie gebiedsgericht te realiseren, waarbij water en bodem leidend zijn bij ruimtelijke keuzes.

https://www.deltaprogramma.nl/documenten/publicaties/2021/09/01/adviesbriefwoningbouw-en-klimaatadaptatie https://www.deltaprogramma.nl/deltacommissaris/documenten/publicaties/2021/12/06/brie fadvies-deltacommissaris-woningbouw-en-klimaatadaptatie-spoor-2 https://www.deltaprogramma.nl/documenten/publicaties/2022/04/11/adviesbrief-maakwerk-van-klimaatadaptatie 2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/10/05/wat-wel-kan 1

P agina 2 van 32

Dit brengt ons tot de volgende uitgangspunten: Niet afwentelen Het principe van ‘niet afwentelen’, zoals benoemd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), is op verschillende manieren van toepassing.  Niet afwentelen op toekomstige generaties. Dat betekent nu rekening houden met belasting van bodem en water, klimaatverandering én met toekomstige beheerkosten. Het goed behandelen van de bodem nu, zorgt er bijvoorbeeld voor dat de bodem voor volgende generaties geschikt blijft om gewassen op te verbouwen.  Niet afwentelen naar andere gebieden of functies. Dat betekent dat een actie op de ene locatie (denk aan bebouwing, grondwateronttrekking of inzet van gewasbeschermingsmiddelen), niet mag leiden tot een onbedoeld effect elders (wateroverlast, verdroging van natuurgebieden of vervuiling van water). Omdat invloed op andere gebieden of functies regelmatig onvermijdelijk is, blijven onderbouwde uitzonderingen hierop mogelijk. We hanteren maatwerk, zodat ook in de toekomst de verschillende belangen worden afgewogen.  Niet afwentelen van privaat naar publiek. Dat betekent onder meer bij investeringen voldoende rekening houden met klimaatverandering, bodemdaling, grond- en watervervuiling en het natuurlijke waterbergende vermogen van de bodem en met de kosten die daaraan verbonden zijn.

Door oog te hebben voor kosten van de gehele levenscyclus creëren we zoveel mogelijk waarde voor het geïnvesteerde geld. Niet alleen waarde voor vandaag, maar ook voor morgen.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Meer rekening houden met extremen De klimaatscenario’s en concrete incidenten als gevolg van he vige regenval én hitte en droogte geven op dit moment geen aanleiding tot optimisme. Daarom is het belangrijk om in ons beleid en onze aanpak veel meer dan nu rekening te houden met extremen. De extreme buien, die vorig jaar in Limburg vielen en voor overstromingen en veel wateroverlast zorgden, waren wat dat betreft een duidelijk signaal. Worstcasescenario’s zijn door het veranderende klimaat veel vanzelfsprekender geworden en maken het noodzakelijk ons daar nog beter op voor te bereiden. De Beleidstafel wateroverlast en hoogwater constateert dat in de toekomst niet alle schade te voorkomen is en dat we ons hier bewust van moeten zijn. In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en de bodem De afgelopen eeuwen is Nederland ingericht om overtollig water zo snel mogelijk af te voeren naar zee. Drogere perioden nemen echter toe en zeker in tijden van extreme droogte telt elke druppel regenwater. Omgaan met wateroverlast en droogte vraagt een samenhangende aanpak. Nederland moet van een vergiet weer een spons worden. Dit biedt ook kansen voor de kwaliteit van water en bodem. Al in het begin van deze eeuw hebben Rijk en decentrale overheden daarom het uitgangspunt vasthouden-bergen-afvoeren vastgelegd in een overeenkomst 3.

Dit bereiken we door een vitale bodem te bewerkstelligen, die als een spons het water opneemt, maar ook door het realiseren van voldoende bufferen afvoercapaciteit. Daarbij streven we naar een veerkrachtig ecosysteem, dat beter opgewassen is tegen de extra verstoringen door klimaatverandering. Meerlaagsveiligheid Om de risico’s van overstroming in de toekomst te beperken, vragen we als Rijk bij onze medeoverheden meer aandacht voor meerlaagsveiligheid 4. Aandacht voor waterveiligheid betekent meer dan preventief dijken en keringen aanleggen en 3 4

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2001-36-p8-SC27983.pdf Kamerstuk 33400-J, nr. 19

P agina 3 van 32

versterken (de eerste laag). Door breder te kijken naar de ruimtelijke inrichting achter de dijk maar ook bijvoorbeeld in beekdalen (tweede laag) en de crisisbeheersing (derde laag), kunnen we de Delta nog veiliger maken. Daarnaast heeft de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater op basis van de gebeurtenissen in Limburg geconcludeerd dat ook een snel en klimaatrobuust herstel van schade (als laag 4) en waterbewustzijn (als integraal onderdeel) belangrijk is om veel schade en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Conform het eerste advies 5 van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater passen we het principe van meerlaagsveiligheid niet alleen toe op het hoofdwatersysteem maar ook op het regionaal watersysteem.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen Als we verstandiger omgaan met de bodem, kunnen we de natuurlijke kracht van de bodem benutten. Een vitale bodem is van belang voor een vitale agrarische sector, helpt onze steden in de strijd tegen wateroverlast en hittestress. Duurzaam beheerde bodems zijn beter bestand tegen klimaateffecten als verdroging, slaan CO2 op en helpen in de vastlegging van stikstof. Verstandiger omgaan met onze bodem betekent onder meer dat we de bodem minder afdekken, niet onnodig afgraven (en grond elders dumpen) en niet verontreinigen. Integrale aanpak in de leefomgeving De water- en bodemopgaven staan niet op zichzelf. Ze hangen samen met elkaar, maar ook met andere opgaven in de leefomgeving. Zo kunnen doelen voor klimaatadaptatie, waterkwaliteit en bodem niet los gezien worden van verstedelijking, woningbouw, landbouw en energievoorziening. Een integrale aanpak met alle opgaven in de fysieke leefomgeving is dan ook noodzakelijk, waarbij het water- en bodemsysteem sturend is. In gebiedsprocessen en -programma’s zoeken we actief naar functiecombinaties. In sommige gevallen betekent ruimte voor water, minder ruimte voor bestaande functies of bebouwing.

Maar er liggen ook kansen voor vernieuwende of andersoortige vormen van landgebruik, bijvoorbeeld op het gebied van recreatie, energie , natuurinclusieve bedrijven of klimaatadaptieve bebouwing. Een klimaatadaptieve wijze van bouwen leidt bovendien tot een verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving. Op deze wijze kan de ruimtelijke kwaliteit van gebieden versterkt worden. Comply or explain Veel van de structurerende keuzes hebben het karakter van: ‘pas toe of leg uit’. De heer Remkes benadrukt dat voor bepaalde doelen onontkoombare en juridisch afdwingbare maatregelen nodig zijn. Dit betreft doelen die voortkomen uit Europese verplichtingen. Voor de Ka derrichtlijn Water (KRW) geldt daarbij ook een termijn; uiterlijk in 2027 moeten de maatregelen uitgevoerd zijn omdat de uitzonderingsgrond ‘haalbaar en betaalbaar’ uit de richtlijn daarna moeilijk is te motiveren. Voor andere maatregelen is ruimte voor ma atwerk. Daarbij kan de beschikbare kennis in de gebiedsprocessen worden benut. Wanneer wordt afgeweken geldt dat dit expliciet uitlegbaar en toetsbaar moet zijn en dat doelen nog steeds wel gehaald worden. Het principe ‘comply or explain’ geldt voor alle partijen waaronder ook het Rijk. Scope Bij het formuleren van de structurerende keuzes richten we ons op Nederland binnen haar kustsystemen en laten we de Noordzee buiten beschouwing.

Daar waar de Noordzee invloed heeft op het Nederland binnen de kust zal dit wel aan de orde komen. Voor wat betreft de Noordzee zelf is er al sprake van centrale overheidsregie op de ruimtelijke inrichting. Deze regie krijgt haar beslag in het Programma Noordzee als onderdeel van het Nationaal Waterprogramma. Het Caribisch gebied is niet expliciet meegenomen. Het water- en bodemsysteem in 5

Kamerstuk 32 698, nr. 64 P agina 4 van 32

Caribisch Nederland is wezenlijk verschillend en kent andere opgaven. Dat neemt niet weg dat bij de uitvoeringsstrategie wordt bekeken of er elementen zijn die ook op het Caribisch Nederland van toepassing zijn.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

De structurerende keuzes worden per gebied of thema beschreven, samen met een uitwerking van de urgentie, de inzet, de te nemen maatregelen en de consequenties. Eerst komen de thema’s water en bodem aan bod (1). Omdat de woningbouwopgave een grote impact gaat hebben op de ruimtelijke planvorming, en het huidig bebouwd gebied in 2050 klimaatbestendig moet zijn, zijn vervolgens structurerende keuzes voor bebouwd gebied geformuleerd (2). Daarna richten we ons op de uitwerking in gebieden, namelijk (3.1) het laagveengebied (de lage delen van Noord- en Zuid-Holland en Utrecht, de Zuidwesthoek van Friesland en de kop van Overijssel), (3.2) de verziltende kustgebieden (zoals delen van Zeeland, het westen voor Noord- en Zuid-Holland en noord Nederland) en tot slot (3.3) de hoge zandgronden (te vinden in Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg). Deze specifieke gebieden zijn gekozen omdat de grenzen van het bodem- en watersysteem daar in beeld komen, bereikt zijn of al overschreden zijn. Bij de keuzes en de maatregelen is zoveel mogelijk een tijdsaanduiding gegeven aan het tijdspad van een verandering of keuze. Hierin houden we concrete jaartallen aan waar mogelijk, of spreken we van ‘voor 2030’, ‘tussen 2030 en 2050’ en ‘na 2050’.

Er is sprake van een sterke verwevenheid met andere programma’s zoals het NPLG, de woningbouwprogramma’s, het Landbouwakkoord, het Programma NOVEX en de deltaprogramma’s. Daarom dient deze brief in samenhang met onder andere de woningbouwbrief, de toekomstbrief landbouw, de NPLG-brief en het startpakket voor de provincies uit het Programma NOVEX te worden bezien.

1. Water en Bodem 1.1 Voldoende en schoon (zoet)water Problematiek Minder water, meer vraag Door klimaatverandering nemen de extremen toe, krijgen we te maken met hogere temperaturen, meer verdamping en grotere neerslagtekorten in de zomer. De economische schade als resultaat van de droogte in 2018 is geschat tussen de 900 en 1.650 miljoen euro 6. Deze schatting is nog exclusief schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. Extreme zomers (zoals die in 2018) zullen in 2050 mogelijk twee keer zo vaak voorkomen, naar schatting eens in de 15 jaar. Deze droogte noopt enerzijds tot het zuinig omspringen met water en anderzijds tot transities in de inrichting en beheer van wateren en bodems, zodat we meer water kunnen vasthouden en bergen. Dat is nog geen vanzelfsprekendheid. We zien namelijk dat er in droge zomers op vele plekken in Nederland nog steeds meer water onttrokken wordt dan we van najaar tot voorjaar kunnen aanvullen. Daarnaast neemt de drinkwatervraag in de komende decennia toe als gevolg van economische groei en de verwachte bevolkingsgroei van 17,5 miljoen naar bijna 19 miljoen inwoners in 2035. Het is dus nodig om de watervraag van bestaande functies te verminderen en voldoende water beschikbaar te hebben voor bestaande en nieuwe drinkwatervragers, zoals huishoudens, industrie en landbouw. Niet alle functies kunnen altijd en overal op voldoende drinkwater rekenen.

6

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-916915.pdf P agina 5 van 32

Zeespiegelstijging Hoe verder de zeespiegel stijgt, hoe zwaarder onze duinen, dijken en stormvloedkeringen worden belast. Ook zal water uit rivieren, polders en binnenwateren in de toekomst steeds minder op natuurlijke wijze naar de zee kunnen stromen en zullen daarvoor op termijn steeds meer pompen moeten worden ingezet. Daarnaast dringt zout zeewater steeds meer door in ons gronden oppervlaktewater en zal langs de gehele kust in toenemende mate kwel optreden. Ook kunnen zandplaten, slikken en schorren van de Waddenzee, Westerschelde en Oosterschelde op lange termijn ‘verdrinken’ als ze de zeespiegelstijging niet kunnen bijhouden.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Toenemende verzilting en waterkwaliteit onder druk Verzilting van grond- en oppervlaktewater treedt nu al op. Om verzilting tegen te gaan, voeren we zoetwater aan uit de rivieren en het IJsselmeer. Dat blijven we doen, maar door klimaatverandering, zeespiegelstijging, langere periodes van droogte, verminderde rivierafvoeren en bodemdaling, zal het op termijn vaker voorkomen dat er langere periodes niet voldoende zoet water beschikbaar zal zijn om altijd de verzilting te bestrijden. Naast toenemende verzilting, is de waterkwaliteit ook nog niet op orde: de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voldoet momenteel niet aan de eisen en grondwaterbronnen raken steeds meer verontreinigd. Dit heeft niet alleen nadelige consequenties voor mens en dier, maar ook voor onze drinkwatervoorziening. In meer dan de helft van de 216 winningen in Nederland zijn nu of in de nabije toekomst problemen met de waterkwaliteit of de beschikbare hoeveelheid; in 135 van de winningen worden verontreinigende stoffen gevonden 7. Daarnaast stijgt door de combinatie van klimaatverandering en koelwaterlozingen de temperatuur van de grote rivieren steeds vaker boven de grenzen van het ecologisch systeem uit. Deze hoge temperaturen hebben samen met toenemende watertekorten eveneens een negatieve invloed op de waterkwaliteit.

Grenzen aan watersystemen en zoetwatervoorraad Nederland is als laaggelegen land, met veel water en grote rivieren kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Het extremere weer zorgt afwisselend voor hogere en lagere rivierafvoeren en voor meer opstuwing. Hierdoor neemt in buitendijkse gebieden het risico op schade toe. Daarbovenop kampen we in onze grote rivieren met bodemerosie. In de afgelopen zestig jaar is de bodem van het Rijntakkengebied (IJssel, Waal, Nederrijn en Lek), als gevolg van deze erosie, ongeveer een meter lager komen te liggen. Dit is niet alleen schadelijk voor scheepvaart, natuur en kabels en leidingen in de rivierbodem, maar heeft ook grote consequenties voor de afvoerverdeling van de grote rivieren en daarmee voor onze zoetwatervoorraad in het IJsselmeer. Het IJsselmeergebied is niet alleen onze nationale regenton, maar vervult ook een grote rol in de waterhuishouding van ons land en als ecologisch watersysteem. Veel wateropgaven komen hier samen en staan onder druk, zoals waterkwaliteit, zoetwatervoorziening, waterafvoer en Natura 2000-doelen. Tegelijkertijd is de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit van het IJsselmeergebied van grote waarde en zijn gebruiksfuncties als scheepvaart, recreatie, toerisme en visserij economisch van belang.

Als gevolg van klimaatverandering treden steeds vaker en steeds grotere peilfluctuaties op (een hoger en een lager peil). Daarnaast zien we dat door storm en golfoploop de huidige lokale waterstanden aan de oevers ook al aanzienlijk kunnen oplopen.

7

https://www.rivm.nl/publicaties/staat-drinkwaterbronnen P agina 6 van 32

Ook in regionale watersystemen, zoals duidelijk werd in de Limburgse beekdalen in 2021, ontstaat door klimaatverandering een grotere opgave. Enerzijds maken hogere waterstanden in het hoofdwatersysteem en op zee ee n vergroting van bergings- en/of afvoercapaciteit in het regionale systeem noodzakelijk. Anderzijds kan het regionale watersysteem vaak onvoldoende omgaan met grotere schommelingen als gevolg van klimaatveranderingen, als het veel natter of juist veel droger is.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Structurerende keuzes Voldoende water 1. Op basis van het huidige klimaatscenario, hanteren we voor het hoofdwatersysteem de ambitie om weerbaar te zijn tegen een droogte, die bij een scenario van grote klimaatverandering en sterke groei van economie en bevolking gemiddeld eens in de 20 jaar voorkomt. 2. De omvang van alle grondwateronttrekkingen wordt in beeld gebracht. Hiermee werken we toe naar een robuust grondwatersysteem en beperken we de nadelige effecten van grondwateronttrekking om ook in de toekomst zoveel mogelijk functies te faciliteren. We werken dit gezamenlijk met alle betrokkenen uit in het kader van NPLG. 3. We werken toe naar nieuwe en diverse drinkwaterbronnen. Hiermee zorgen we voor voldoende drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit. Provincies en drinkwaterbedrijven schalen daarbij op via regionale systemen naar een verbonden landelijk drinkwaternet. 4. We w erken toe naar een drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking van 100 liter in 2035 (thans 125 liter) en beperken laagwaardig gebruik van drinkwater. Grootverbruikers vragen we het drinkwatergebruik ook met 20% te reduceren. Zo beperken we het effect van toename van de watervraag in relatie tot de schaarsere beschikbaarheid van water. Schoon en gezond water 5.

We voeren maatregelen uit van de Kaderrichtlijn Water (KRW) Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 8, het 7 e Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2026 met bijbehorend addendum9, de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen. Provincies geven in samenwerking met waterschappen en andere gebiedspartners bij het maken van hun gebiedsprogramma’s 10 aan welke maatregelen waar nodig zijn om de doelen vanuit de KRW, de Nitraatrichtlijn, de Richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de Vogel- en Habitatrichtlijnen te halen. 6. We begrenzen de koelwaterlozingen op de grote rivieren. Daarmee blijft de temperatuur van het rivierwater op een acceptabel niveau. Ruimte voor water 7. We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Dit wordt vanaf heden door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de gebiedsprogramma’s opgenomen. Bijlage bij Kamerstukken 35 325, nr. 5 Kamerstukken 33 037, nrs. 431 en 437 10 Waar sprake is van gebiedsprogramma’s wordt bedoeld de gebiedsprogramma’s landelijk gebied onder het NPLG. 8 9

P agina 7 van 32

8. We houden rekening met grotere peilfluctuaties en de optie van peilaanpassingen van het IJsselmeer en het Markermeer. Hiermee borgen we de zoetwatervoorziening vanuit het IJsselmeer en Markermeer in de toekomst. Het betreft de optie om de huidige zoetwaterbuffer van 20 cm naar 50 cm te vergroten, door het zomerpeil verder te laten uitzakken en eventueel hoger op te zetten bij verwachte langdurige droogte. Daarnaast willen we de waterafvoer naar de Waddenzee vanuit het IJsselmeer veilig stellen, ook als de zeespiegel stijgt. Dit betreft de optie om het winterpeil met 30 cm te laten meestijgen. 9. We staan geen nieuwe landaanwinning (eilanden) toe in het IJsselmeergebied, behalve voor overstroombare natuur en om te voldoen aan de Natura 2000-doelen en KRW . Partijen houden hier vanaf heden rekening mee en het Barro of de BKL onder de Omgevingswet 11 wordt hierop in 2026 aangescherpt. Bestaande vergevorderde afspraken over uitbreidingsprojecten worden gerespecteerd. De voorwaarden voor buitendijks bouwen op het bestaande land worden aangescherpt. 10. We staan in de uiterwaarden (die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren) geen nieuwe bebouwing meer toe. Daarmee maken we onze rivieren klimaatrobuuster en voorkomen we toenemende schade. Partijen houden hier vanaf heden rekening mee. Er wordt onderzocht hoe de Beleidslijn grote rivieren (Bgr) wordt aangescherpt.

Dit is niet van toepassing op ontwikkellocaties, waar met het Rijk reeds bestuurlijke (beleids)afspraken over zijn gemaakt. 11. We actualiseren de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen (dijken en kust). Daarmee reserveren we ruimte voor toekomstige dijk- en kustversterkingen, en maken ze zo blijvend mogelijk. Ruimtelijke plannen en instrumenten van de gemeenten en provincies worden hierop aangepast. Dit pakken we in 2023 samen met de waterschappen, provincies en gemeentes op. 12. We verzoeken provincies, waterschappen en gemeenten zowel op dijken de biodiversiteit te bevorderen, als binnendijks naar ruimte te zoeken voor natuurlijke achteroevers (PAGW en NPLG). Hiermee zorgen we voor robuuste watersystemen. 13. We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. We voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen. 14. We staan kustuitbreiding vooralsnog niet toe. Hiermee voorkomen we onnodige druk op onze zandvoorraad, die cruciaal is om de kust orde te houden met het oog op zeespiegelstijging.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Inzet Zuinig met water Om gezonde grondwaterstanden en op de langere termijn voldoende drinkwater beschikbaar te houden, is het noodzakelijk dat de vraag naar drinkwater wordt beperkt. Dat vergt aanpassing van gedrag van burgers en meer focus op circulariteit bij bedrijven en bij nieuwbouw van woningen. Voor alle drinkwatergebruikers geldt een reductie doelstelling van 20%. We gaan in overleg met de Vewin en de VEMW 12 over toepassing van dit principe, rekening houdend met diversiteit watergebruikers, uitvoerbaarheid en handelingsperspectief en bezien samen hoe we invulling kunnen geven aan het beperken van het gebruik Barro = Besluit algemene regels ruimtelijke ordening; BKL = Besluit Kwaliteit Leefomgeving 12 Vereniging van Waterbedrijven in Nederland en Vereniging voor Energie, Milieu en Water 11

P agina 8 van 32

van drinkwater door huishoudens en bedrijven. We sluiten hierbij aan bij het ingezette proces vanuit de beleidsnota drinkwater en houden rekening met de kosten voor de consument.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Ook in de agrarische sector zijn er kansen om efficiënter met water om te gaan (minder gebruik, doelgericht gebruik voor onder andere beregening , en zorg voor infiltratie in de bodem) en om teelten aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Dit gebeurt nu al voor een deel via de kennis- en subsidiesporen van de Deltaprogramma’s Agrarisch Waterbeheer en Zoetwater. Door te zorgen voor een goede waterbalans (grondwater, regionaalwatersysteem en hoofdwatersysteem), willen we zo voorkomen dat schade toeneemt als gevolg van droogte en watertekorten. Voldoende water Blijvende beschikbaarheid van voldoende water is van eminent belang voor drinkwater, industrie, landbouw en de natuur. Daarom is het naast zuinig omspringen met water, noodzaak om water beter vas t te houden en te bergen. Voor het beschikbaar hebben en houden van voldoende water, zal ook extra ruimte gevonden moeten worden in het regionale watersysteem. Bodemverbetering en een verbeterde sponswerking kunnen aanvullend een bijdrage leveren aan de beschikbaarheid van voldoende water en tegelijkertijd bijdragen aan het voorkomen van wateroverlast. De doelstelling van het Deltaprogramma Zoetwater is dat Nederland in 2050 weerbaar is tegen watertekorten.

Voor het hoofdwatersysteem is de ambitie om weerbaar te zijn tegen een droogte die eens in de 20 jaar voorkomt bij een scenario van grote klimaatverandering en sterke groei van de economie 13. Met de strategie Klimaatbestendige Zoetwatervoorziening Hoofdwatersysteem en het programma Integraal Riviermanagement geven we hier invulling aan. Nieuwe klimaatscenario’s, die volgend jaar verwacht worden, gaan mogelijk gevolgen hebben voor de bovenstaande ambities. Conform het NWP, de Deltabeslissing Zoetwater en de NOVI, vangen we watertekort conform de volgende voorkeursvolgorde op: a. bij de ruimtelijke inrichting en het landgebruik rekening houden met waterbeschikbaarheid en grondwaterpeil condities; b. zuiniger omgaan met water; c. water beter vasthouden; vasthouden doen we zowel mogelijk in de bodem die als spons het water opneemt; extremen vangen we op in bergingen; d. water slim verdelen; e. (rest)schade accepteren. IJsselmeer als nationale zoetwaterbuffer Klimaatverandering maakt dat we in de toekomst, als gevolg van droogte, hoge rivierafvoeren en zeespiegelstijging een grotere zoetwaterbuffer en meer bergingscapaciteit nodig hebben in het IJsselmeergebied. Hiervoor is op lange termijn mogelijk ook een hoger peil noodzakelijk.

We weten nog niet wat er wanneer nodig is, maar de richting is wel duidelijk: we hebben ruimte nodig voor meer water in het IJsselmeer, Markermeer en de randmeren. Om het waterbergend vermogen in het IJsselmeergebied niet substantieel te verkleinen, is het aantal hectares dat per gemeente mag worden benut voor nieuwe bebouwing en landaanwinning buitendijks reeds gemaximeerd. Dit is vastgelegd in het Barro. Provincies en gemeenten zien hierop toe. Het Rijk zal komende jaren in overleg met de regio het beleid rond buitendijkse ontwikkelingen in het IJsselmeergebied actualiseren en daar de huidige https://www.deltaprogramma.nl/documenten/publicaties/2021/09/21/dp2022-ddeltaplan-zoetwater-2022-2027 13

P agina 9 van 32

regelgeving op aanscherpen. Om onze ‘nationale regenton’ te behouden wordt geen nieuwe landaanwinning (eilanden) in de meren toegestaan, behalve voor overstroombare natuur en om te voldoen aan de Natura 2000-doelen en KRW (conform de Barro). In een integrale verkenning kijken we naar kansen voor zonne-energie in combinatie met natuurontwikkeling in de noord-westhoek van het IJsselmeer, waarbij we voorkomen dat dit nadelig effect heeft op het waterbergend vermogen en de zoetwatervoorraad.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Schoon en gezond water Bij het verbeteren van de waterkwaliteit zetten we bronaanpak voorop. Dat doen we zowel voor puntbronnen, zoals lozingen uit de industrie en rioolwaterzuiveringsinstallaties, en diffuse bronnen, zoals uitspoeling van stoffen in het landelijk gebied. Zo voorkomen we dat het water wordt vervuild. Het Rijk streeft naar ruimte voor natuurlijke systemen en hoogwaardige natuur, op het land, de grote wateren en de Noordzee. Met de maatregelen uit de Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 en de huidige Natura 2000beheerplannen verbetert de ecologische waterkwaliteit op korte termijn. Voor het behalen van Natura 2000-doelen en voor een transitie naar toekomstbestendige watersystemen in de grote wateren is meer tijd en inzet nodig. Daarom werkt het Rijk met regionale overheden, maatschappelijke organisaties en marktpartijen in de Programmatische Aanpak Grote Wateren samen aan de ambitie om in 2050 te komen tot toekomstbestendige grote wateren met hoogwaardige natuur die goed samengaat met een krachtige economie. De temperatuur van het watersysteem is bepalend voor de ruimte die er is om koelwaterlozingen van bedrijven toe te staan. In de KRW is een doeltemperatuur opgenomen van 25 °C voor het ontvangende water, om de ecologie te beschermen. Om dit doel te kunnen halen zijn aanvullende maatregelen nodig.

Veilige en leefbare Delta Tot 2050 wordt met het hoogwaterbeschermingsprogramma gewerkt aan het versterken van ruim 1500 km aan dijken aan waterkeringen. Dit doen we om grote delen van Nederland klimaatrobuuster en toekomstbestendiger te maken. Maar klimaatverandering zet processen in gang die ook op de lange termijn voor verandering zorgen. Zo is een versnelling van de wereldwijde zeespiegelstijging aangetoond en duiden onderzoeken erop dat deze na 2050 mogelijk verder versnelt. Om ons hier goed op voor te bereiden, is in 2019 het Kennisprogramma Zeespiegelstijging gestart. Dit programma brengt niet alleen de mogelijke effecten van zeespiegelstijging in beeld, maar inventariseert ook hoe lang de huidige strategieën voor onze waterveiligheid – bijvoorbeeld voor onze stormvloedkeringen – houdbaar zijn, wanneer ze moeten worden aangepast en welke aanvullende maatregelen daarvoor eventueel nodig zijn. Deze kennis is nodig om ons, rekening houdend met alle onzekerheden, zo goed mogelijk voor te bereiden op de verschillende scenario’s voor zeespiegelstijging. Onderdeel hiervan is te weten welke beslissingen we nu moeten nemen of laten om mogelijke opties voor de lange termijn open te houden. In dit kader vindt in 2026 de herijking van de Deltabeslissing Waterveiligheid, Zoetwater en Klimaatadaptatie plaats.

Hierbij wordt de aanscherping van de normen voor vasthouden, bergen en afvoeren van het water nationaal en regionaal in onderlinge samenhang afgewogen. Zo blijft Nederland ook in de toekomst een veilige delta. Ruimte voor de rivier Om ook in de toekomst hogere rivierafvoeren veilig naar zee te kunnen afvoeren , is langs de rivieren meer ruimte nodig voor extra afvoercapaciteit en waterberging. Binnen het programma Integraal Riviermanagement (IRM) wordt uitgewerkt hoe dit gerealiseerd kan worden. Het streven is om in 2023 een programma onder de Omgevingswet voor het IRM te publiceren. Dit programma

P agina 10 van 32

omvat een visie op het rivierengebied tot 2050 met een doorkijk naar 2100, beleidsbeslissingen voor afvoercapaciteit en bodemligging en een aanpak om dit te realiseren door middel van rivierverruimende projecten, ruimtelijke reserveringen en maatregelen om bodemerosie tegen te gaan. Deze laatste maatregelen dragen ook bij aan de waterbeschikbaarheid in het IJsselmeergebied.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Geen nieuwe bebouwing in het rivierbed De koers wordt om geen nieuwe bebouwing in de uiterwaarden meer toe te staan. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe activiteiten of objecten in het rivierbed de plannen voor toekomstbestendigere rivieren duurder of onmogelijk maken. Ook wordt verdere schade voorkomen bij hoge waterstanden of overstromingen. De Beleidslijn Grote Rivieren (BGR) wordt hiervoor in 2023 geëvalueerd en aangescherpt. Ruimte voor dijken, waterkeringen en onze kust Rondom dijken, dammen, duinen en waterkerende kunstwerken is voldoende ruimte nodig om versterkingen te kunnen blijven uitvoeren, ook na 2050. Daar gaan we samen met waterschappen, provincies en gemeenten voor zorgen door te werken aan toekomstbestendige ‘profielen van vrije ruimte’. Dit doen we op basis van de meest recente informatie die het Kennisprogramma Zeespiegelstijging in 2023 oplevert. Geen kustuitbreiding Om te garanderen dat ook op de lange termijn voldaan kan worden aan de toenemende zandvraag voor het handhaven van de kustlijn is voldoende ruimte nodig voor zandwinning. Dat vraagt om zorgvuldige omgang met de huidige ruimtelijke reserveringen voor zandwinning en om integrale afwegingen ten aanzien van de consequenties die andere ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op de winbaarheid/beschikbaarheid van zand in deze gebieden op de Noordzee.

Uitkomst van deze afweging kan zijn dat meer gebieden voor zandwinning gereserveerd moeten worden. Hoeveel zand nodig is onder verschillende scenario’s van zeespiegelstijging, bij gelijkblijvende of andere strategieën, wordt onderzocht in het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Het realiseren van een kustuitbreiding kost veel zand en ook het duurzaam handhaven ervan vraagt jaarlijks extra zand. Vanwege het cruciale belang van zand voor de houdbaarheid van de kustlijn en de veiligheid van Nederland in de toekomst , kunnen kustuitbreidingen daarom in ieder geval niet plaatsvinden voordat meer inzicht is in de toekomstige zandvraag en de beschikbaarheid van voldoende zand is geborgd. Op dat moment kan ook worden bepaald in hoeverre een specifieke ontwikkeling past binnen verschillende kansrijke alternatieven voor de toekomst. Pilots gericht op kennisontwikkeling voor de toekomstige waterveiligheid zijn bij meerwaarde nog wel mogelijk. Ruimte voor waterberging Extreme buien zoals die van juli 2021 boven Duitsland, België en Limburg laten zien dat nu al rekening moet worden gehouden met uitzonderlijke neerslaghoeveelheden. Door de toename van neerslaghoeveelheden bereiken polder- en boezemsystemen steeds sneller hun grenzen.

Geen rekening houden met boven normatieve neerslag kan grootschalige en langdurige schade tot gevolg hebben met een economische en maatschappelijke schade die kan oplopen tot een miljard euro. Om wateroverlast in de toekomst te voorkomen is het van belang dat gebieden, zoals beekdalen, neerslag zo veel mogelijk zelf kunnen vasthouden en/of bergen, en te zorgen voor piekberging en waar nodig noodoverloopgebieden. Dit maakt ook dat we 5 à 10% van de diepe polders voor waterberging reserveren, bij voorkeur de diepste delen. Nieuwe bebouwing is niet toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen. Vanwege de diversiteit in de gebieden zullen deze ruimtelijke reserveringen in de gebiedsprocessen verder uitgewerkt worden, waarbij er ruimte is voor maatwerk.

P agina 11 van 32

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Maatregelen Zuinig met water In de gebiedsprocessen worden in het kader van het NPLG alle grondwateronttrekkingen in beeld gebracht via een meet- en registratieplicht van totaal onttrokken volumes. Afspraken worden gemaakt over de hoeveelheid grondwater die er per jaar in totaal onttrokken mag worden en over de verdeling hiervan. De borging daarvan wordt in afstemming met betrokken partijen nader uitgewerkt. De vergunningen en andere afspraken voor onttrekkingen uit grondwater worden aangepast, als de balans tussen het grondwatersysteem en grondwaterafhankelijke functies verstoord wordt. Provincies stellen hiervoor een grondwaterplafond op, waarin ook de kleine onttrekkingen mee worden genomen. Dit geldt zowel op provinciale schaal, als op het schaalniveau van verdrogingsgevoelige natuurgebieden. We betrekken toezicht en handhaving bij dit traject. Provincies en drinkwaterbedrijven werken toe naar een landelijk drinkwaternetwerk, door provincie-overstijgend samen te werken en netwerken te koppelen. We gaan samen met de partners werken aan een nationaal plan van aanpak voor drinkwaterbesparing, op basis van de verkenning naar maatregelen en instrumenten voor bewust en zuinig drinkwaterverbruik. We bekijken hoe het beleidsinstrument beprijzing het beste kan worden ingezet voor het toekomstbestendig maken van de drinkwatervoorziening , met waarborgen voor de betaalbaarheid.

Nieuwe drinkwateronttrekkingen worden toegestaan mits ze duurzaam inpasbaar zijn, ook in relatie tot verdrogingsproblematiek en effect op bestaand gebruik. Voor de korte termijn krijgt het drinkwaterbelang daar waar nodig en onder strikte voorwaarde prioriteit, vanwege de leveringsplicht van drinkwaterbedrijven en de zorgplicht van overheden. Met Vewin en VEMW worden afspraken gemaakt over drinkwaterbesparing bij alle watergebruikers. Het leveren van drinkwater voor koeling van grootzakelijke waterverbruikers, waaronder bijvoorbeeld datacenters, wordt beperkt. Voldoende water Op basis van de Strategie Klimaatbestendige Zoetwaterverdeling Hoofdwatersysteem vergroten we de waterbeschikbaarheid in het hoofdwatersysteem, door het aanwijzen van zoetwaterbuffers en -zones en het water situationeel te sturen naar waar het op enig moment nodig is. Tevens wordt de mogelijkheid van een tweede aanvoerroute via het Amsterdam-Rijnkanaal naar het IJsselmeer verkend. In 2026 vindt de herijking plaats van de Deltabeslissingen Waterveiligheid, Zoetwater, Klimaatadaptie en IJsselmeergebied. Hierbij wordt de aanscherping van de normen voor vasthouden, bergen en afvoeren van het water nationaal en regionaal in onderlinge samenhang afgewogen. In de provinciale gebiedsprogramma’s wordt ruimte opgenomen voor regionale waterbuffers, zodat daar water kan worden opgeslagen.

Verzilting via spui- en schutsluizen in de Afsluitdijk wordt verminderd. Zo besparen we zoet water, want hierdoor hoeft minder doorgespoeld te worden. Om de sponswerking te verbeteren en daarmee de waterbeschikbaarheid te vergroten zetten we in op: (a) vergroting grondwateraanvulling in bovenstroomse gebieden, door het dichten van greppels en sloten. (b) vertragen van waterafvoer door beken te laten hermeanderen en het oppervlak te verruwen, o.a. door het aanleggen van houtwallen en heggen.

P agina 12 van 32

(c) w ater beter laten infiltreren, door onnodige bodemafdekking te voorkomen. (d) w ater beter vasthouden in de bodem door duurzaam bodembeheer.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Schoon en gezond water We voeren maatregelen uit de Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 uiterlijk in 2027 uit. Bij de tussenevaluatie voor de KRW zal worden beoordeeld of met het uitvoeren van deze maatregelen Nederland op koers ligt om de doelen van de KRW te gaan halen. Waar mogelijk wordt de bronaanpak versterkt. Dat begint op Europees niveau door het gebruik van schadelijke stoffen te minimaliseren, denk aan PFAS. Vervolgens beoordelen we bepaalde stoffen in Nederland op onze specifieke omstandigheden, zoals bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot wordt bij vergunningverlening getoetst of lozingen van puntbronnen, bijvoorbeeld industrie, er niet toe leiden dat normen voor de waterkwaliteit worden overschreden. Hier zorgen we er voor dat betrokkenen voldoende kennis hebben van de ontwikkelingen rond nieuwe stoffen en bijbehorende normen. Zuivering aan het eind van de keten is ook nodig. Innovatie op rioolwaterzuiveringsinstallaties is een continu proces. Aanvullende zuivering is nodig om chemische stoffen, zoals geneesmiddelen te verwijderen. Daarnaast kan hier een bijdrage worden geleverd aan het terugwinnen van grondstoffen en de energietransitie. Voor nutriënten uit agrarische bronnen zijn de maatregelen van het 7 e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2022-2026) plus het addendum leidend, naast de voorwaarden die voortvloeien uit de derogatiebeschikking 14.

In het kader van het NPLG werken provincies de benodigde maatregelen uit voor de restopgave voor de KRW en de Nitraatrichtlijn, voor zover deze worden beïnvloed door agrarische bronnen. Voor nutriënten vormt dit tevens de invulling van de ‘gebiedsgerichte aanpak waterkwaliteit’ uit het 7 e Actieprogramma. Met betrekking tot de glastuinbouw werken Rijk, waterschappen en gemeenten aan preventie van emissies en aan een kwaliteitsimpuls voor het toezicht vanuit waterschappen en omgevingsdiensten, zodat nullozingen, lozingen op oppervlaktewater en indirecte lozingen adequaat worden gecontroleerd. Om normoverschrijding in grond- en oppervlaktewater te voorkomen, is meer aandacht nodig voor adequate vergunningverlening, toezicht en handhaving. Puntlozingen vanuit industrie, rioolwaterzuiveringsinstallaties en andere bronnen mogen het doelbereik KRW niet in de weg zitten. Om ervoor te zorgen dat nieuwe koelwaterlozingen geen nadelige gevolgen hebben voor het ontvangende oppervlaktewater van onz e grote rivieren, past het Rijk in 2023 de beoordelingssystematiek warmtelozingen aan. We werken hierbij toe naar een maximumtemperatuur in het ontvangend water van 25 °C conform de doelstelling in de KRW . We overleggen hierbij met relevante sectoren (o.a. VEMW, Energie Nederland) welke maatregelen daarvoor eventueel nodig zijn, rekening houdend met uitvoerbaarheid en handelingsperspectief.

Ruimte voor water We staan in de uiterwaarden (die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren) geen nieuwe bebouwing meer toe. Partijen houden hier vanaf heden rekening mee en de Beleidslijn grote rivieren wordt hierop aangescherpt en geëvalueerd hoe dit kan. We monitoren bestaande regels voor buitendijks bouwen rond het IJsselmeergebied. Het Barro, of BKL onder de Omgevingswet, wordt in 2026 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/09/28/conceptbeschikkingderogatie 14

P agina 13 van 32

-

-

-

aangepast, volgend op de herijking van de Deltabeslissingen Zoetwater en IJsselmeergebied. Over de bestaande vergevorderde afspraken gaan we met de betrokken partijen in gesprek. Op basis van het Programma onder de Omgevingswet Integraal Riviermanagement, komen er vanaf 2023 nieuwe projecten voor rivierverruiming, aanpassingen van de ruimtelijke reserveringen en maatregelen om de bodemerosie in de rivieren tegen te gaan. Dit heeft ook positieve effecten op de watertoevoer naar het IJsselmeergebied. Samen met waterschappen, provincies en gemeenten ontwikkelen we toekomstbestendige profielen van vrije ruimte. Op basis van bovenregionale stresstesten wordt het water- en bodemsysteem geoptimaliseerd. Dit was ook aangekondigd in de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater. In de provinciale gebiedsprogramma’s wordt ruimte opgenomen voor regionale waterbergingen. Omdat onze buurlanden te maken hebben met vergelijkbare problemen is en blijft internationale afstemming ten behoeve van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterverdeling noodzakelijk. We zullen het belang van het vasthouden van water ook bespreken met onze buurlanden in de diverse internationale overleggen.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Consequenties De waterkwaliteit en zoetwaterbeschikbaarheid vragen zowel op korte als op lange termijn een grote inzet. Op de langere termijn leidt dit vaak tot besparing: (a) Korte en lange termijn investeringen zijn nodig bij de industrie voor de reductie opgave, realisatie circulariteit en bronaanpak. (b) Korte en lange termijn aanpassingen en investeringen zijn nodig bij drinkwatervoorziening, voor realiseren van nieuwe duurzame drinkwaterbronnen en een hybride bedrijfsvoering. (c) Gevolgen voor agrarisch landgebruik en bedrijfsvoering, waarvoor de structurerende keuzes verder worden uitgewerkt in het NPLG. (d) Op korte termijn hogere kosten nieuwbouw door waterbesparende maatregelen en circulaire waterhuishouding. Klimaatverandering gaat meer ruimte vragen: rivierverruiming, ruimte voor waterberging, maar ook een ruimte langs dijken en waterkeringen. Hier liggen ook kansen voor andere opgaven, zoals het verbeteren van de waterkwaliteit en de realisatie van natuurdoelen. Omdat de ruimte in Nederland schaars is, wordt maximaal synergie gezocht. 1.2 Bodem; vitaal en efficiënt geordend Problematiek We vragen veel van de bodem We hebben de bodem nodig om huizen op te bouwen en voedsel op te produceren. We maken drinkwater uit ons grondwater en halen energie en grondstoffen uit de ondergrond. De bodem is ook ons archief met waardevolle archeologische en geologische informatie.

Grootschalige bodemafdekking voor woningbouw, industrie en infrastructuur zorgt echter voor problemen met de waterafvoer en het veroorzaakt hittestress in versteende gebieden. We hebben te maken met bodemdaling, verdroging, verzilting, een toename van CO 2-emissies, bodemverdichting en afname van organische stof en biodiversiteit in bodems. Op dit moment daalt de bodem in veel gebieden met een centimeter per jaar. De bodemdaling zal zelfs nog sneller verlopen als de opwarming van het klimaat aanhoudt. Hogere temperaturen zorgen immers voor een snellere veenafbraak en sterker uitzakkende grondwaterstanden. Daarnaast is de bodem met name in steden en oude industrieterreinen nog verontreinigd. Er is ook sprake van ondergrondse drukte. De ondergrondse ruimte is op veel plaatsen te vol, bijvoorbeeld door infrastructuur, fundering, bodemenergiesystemen, kabels en P agina 14 van 32

leidingen. Dit kan de ontwikkeling van woningbouw en duurzame energie belemmeren, vooral in bestaand stedelijk gebied. Bovendien bedreigt een verkeerde inrichting van de ondergrondse ruimte op diverse plaatsen de bodemkwaliteit en daarmee ook het grondwater. Het doorboren van afsluitende bodemlagen kan bijvoorbeeld zorgen voor verspreiding van verontreiniging of zoute kwel richting drinkwatervoorraden.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Verlies van bodemfuncties Als we niet anders met de bodem omgaan, verliezen we de natuurlijke kracht van de bodem die ons juist kan helpen in de grote opgaven op het gebied van klimaat, biodiversiteit, water en stikstof. We moeten de bodem herstellen, bescherme n en slimmer gebruiken om de natuurlijk aanwezige potentie te benutten. Een gezonde bodem werkt als spons voor waterbuffering, is beter bestand tegen verdroging, slaat koolstof op, houdt stikstof vast en draagt bij aan de biodiversiteit en waterkwaliteit. Vanzelfsprekend is een gezonde bodem van grote waarde voor de agrarische sector en heeft deze sector een strategische positie om de kwaliteit van bodem op peil te houden. De bodem is meer dan vierkante meters land; het is een levend ecosysteem. Als de bode m is aangetast kost het tijd en geld om haar te herstellen.

Structurerende keuzes Bodem 15. We versterken de regie op de inrichting van de ondergrond. Daarmee bereiken we een efficiënte inrichting ervan, zodat ontwikkelingen als woningbouw en energietransitie mogelijk worden gemaakt zonder de bodem aan te tasten. Rijk en gemeenten ontwikkelen hiervoor een gezamenlijk instrument. 16. We streven bij verstedelijking en infrastructuur naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Zo behouden we waardevolle organisch rijke landbouw- en natuurbodems en blijft de sponswerking van de bodem behouden. Samen met gemeenten en provincies zetten we in op beperking van onnodig landgebruik. 17. We sturen ook in bestaand bebouwd gebied op vermindering van onnodige bodemafdekking. De verstedelijkte omgeving wordt beter leefbaar als er minder hitte-stress is of wateroverlast tijdens piekbuien. Dit bereiken we door de bodem te herstellen en in te zetten op stedelijk groen. 18. We behouden ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. Dit doen we door maatregelen uit te werken voor het beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. Vanuit het Nationaal Programma Landbouwbodems trekken we samen met kennispartijen, de agrarische sector en de ketenpartijen op. Dit wordt in het Nationaal Strategisch Plan 15 verankerd. 19.

We gaan bodemverstoring door ontgraving tegen en hergebruiken grond hoogwaardig. Daarmee behouden we gezonde en vitale bodems. Samen met provincies en waterschappen start het Rijk hier als opdrachtgever zelf pilots voor. 20. We herijken de aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging. Dit doen we om de risico’s voor mens en milieu te beperken. Hiervoor is een gebiedsgerichte aanpak nodig, omdat geheel saneren praktisch vaak geen optie is. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/10/03/nederland-bereiktovereenstemming-over-nationaal-strategisch-plan 15

P agina 15 van 32

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Inzet Vitale bodems We willen een vitale bodem bereiken. Een bodem die haar waardevolle diensten zoals onder andere waterbuffering, opname van stikstof en vruchtbare grond voor landbouw ongestoord aan ons en aan toekomstige generaties kan blijven leveren. Dat is een minimaal verstoorde bodem die in balans is en vol leven. Er is nog onderzoek en ontsluiting van kennis nodig om vitale bodems ge heel te definiëren, dit wordt samen met kennisinstellingen uitgevoerd. Tegelijkertijd zijn er nu al veel dingen die we kunnen doen om de bodem vitaal te krijgen. Om onze bodems ook voor toekomstige generaties vruchtbaar en vitaal te houden, is het noodzakelijk ze duurzaam te beheren. Dit betekent dat we bij ontwikkelingen de bodem positief benutten en dat bij de inrichting en het gebruik de toestand van de bodem zoveel mogelijk verbeterd wordt. De inzet is dat natuurlijk kapitaal (de levende bodem) niet onnodig wordt weggegraven en vernietigd. Ook wordt door minder transport van grond minder CO 2 uitgestoten en voorkomen we het verspreiden van verontreinigde grond. Herstel van de bodem en duurzaam bodembeheer helpen bij een toekomstbestendige landbouw en leefbare steden. Dat is nodig om te voldoen aan de grote opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en -mitigatie, biodiversiteit, (grond)waterkwaliteit en stikstof.

Tot slot hoort daar ook bij dat we de waardevolle bodems behouden en onnodige afdekking tegengaan. Een samenhangede visie (nationaal) op bodembeleid is nodig. Samen met stakeholders wordt dit vertaald in het Nationale Programma Bodem en Ondergrond. Efficiënte ondergrondse ordening Voor de ondergrond willen we een zorgvuldig geordende, optimaal benutte ondergrondse ruimte, waar functies zoals bijvoorbeeld bodemenergie en grondwatervoorraden elkaar niet negatief beïnvloeden. Het gaat hierbij ook bijvoorbeeld om het in standhouden van bodemlagen en het beschermen van natuurlijke bodemschatten zoals grondwatervoorraden en het behoud (in situ) van archeologisch erfgoed. Hiervoor is het belangrijk om de beschikbare kennis en informatie over het gebruik van de bodem en ondergrond gestructureerd te ontsluiten. Omdat we de ondergrondse ruimte intensiever gaan benutten, zullen we vaker oude verontreinigingen tegenkomen. Ruimtelijke ontwikkelingen bieden mogelijkheden om bestaande verontreinigingen op een logisch moment aan te pakken. Dat betekent dat er regie nodig is op de ondergrondse ruimtelijke ordening. Met name de planning en keuze aangaande de aanleg van bodemenergiesystemen is hierin van belang. Maatregelen Regie inrichting van de ondergrond Het ruimtelijk ordenen van de ondergrond wordt verplicht gesteld voor zowel de Rijksoverheid als gemeenten en provincies.

Voor het bevorderen van de regie in de ondergrond ontwikkelen Rijk en gemeenten een gezamenlijk instrument. In eerste instantie gaat het om het ruimtegebruik in de bovenste 500 meter van de ondergrond. Voor de diepe ondergrond (dieper dan 500 meter) brengen EZK, IenW en IPO samen de toekomstige ontwikkelingen in beeld (bijvoorbeeld voor de energietransitie, energiehoofdstructuur en waterstofopslag), zodat ook de diepe ondergrond toekomstbestendig wordt ingericht. Hiermee wordt schade aan natuurlijke bodemschatten zoals grondwatervoorraden voorkomen. Het Rijk geeft vanuit de NOVI het afwegingsprincipe functiecombinaties boven enkelvoudig gebruik mee, als die op termijn vol te houden zijn (4D ruimtelijke ordening).

P agina 16 van 32

-

-

Er worden bestuurlijke afspraken gemaakt met provincies en gemeenten over een paragraaf bodem en ondergrond in omgevingsvisies waarin de toekomstige inrichting van de ondergrond wordt beschreven. Voor 2030 wordt samen met gemeenten en kennispartijen de ondergrond in kaart gebracht en wordt gewerkt aan een volwaardige afweging van bodem en ondergrond in Omgevingsplannen. Hetzelfde geldt voor provincies wat betreft de omgevingsverordening, in verband met de provinciale rol op het gebied van grondwater en regie op open warmte - en koudeopslag. Provincies, gemeenten en waterschappen stellen gezamenlijk gebiedsgerichte programma’s bodem en ondergrond op waarin de doelen uit het Nationale Programma Bodem en Ondergrond worden vertaald.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Behoud van waardevolle bodems Provincies passen de Ladder Duurzame Verstedelijking toe. Daarnaast verkennen we of aanvullend instrumentarium nodig is om bodemafdekking te verminderen, zowel in bestaand stedelijk gebied als bij nieuwbouw. Daarbij is bescherming van waardevolle onafgedekte bodems een belangrijk uitgangspunt. Duurzaam beheer van landbouwbodems Het Rijk stuurt met het Nationaal Programma Landbouwbodems aan op een duurzaam bodembeheer van landbouwbodems. Dit werken we uit samen met kennis- en onderzoeksinstituten, ketenpartijen in de voedselproductie, regionale overheden en agrarische partijen. Verstoring van de bodem en hergebruik van de grond We stellen randvoorwaarden aan het afgraven van grond. Zo wordt door provincies en gemeenten bijvoorbeeld beoordeeld of er alternatieven zijn en er minder ontgraven kan worden. Dit zorgt voor behoud van bodems, minder CO 2-uitstoot in projecten en minder verspreiding van diffuus verontreinigde grond. Er wordt gewerkt met de voorkeursvolgorde: (1) Beperkt afgraven, alleen waar het civieltechnisch nodig is; (2) Grond die toch afgegraven wordt, wordt zo hoogwaardig mogelijk hergebruikt en zoveel mogelijk ter plekke toegepast. (3) Is direct hergebruik in het project niet mogelijk, dan wordt grond binnen het gebied hergebruikt. Ook hier geldt dat hoogwaardig gebruik de voorkeur heeft.

Met name gemeentelijk beleid en opdrachtverlening vanuit alle overheidslagen zal hier veel meer op aansturen. De Rijksoverheid geeft het goede voorbeeld door in de opdrachtverlening voor grondverzet de voorkeursvolgorde voor grondgebruik te borgen. Hier worden pilots voor gestart (2023-2025). Daarin wordt onder meer ervaring op gedaan met de impact van deze volgorde op het civiel-technisch werk bij de ontwikkeling en het beheer van infrastructurele netwerken. Hierna wordt samen met decentrale overheden verkend hoe dit centraal vorm gegeven kan worden. Preventie bodemverontreiniging en sanering IenW herijkt de bestaande aanpak van bodemverontreiniging in het licht van de grote veranderingen van klimaatverandering tot woningbouw. Hierbij is er aandacht nodig voor: (a) drinkwater; we willen voorkomen dat (resterende) bodemverontreinigingen een bedreiging kunnen vormen voor grondwater bestemd voor drinkwaterproductie of permeatie van drinkwaterleidingen. (b) de opwarming van de ondergrond, omdat dit nadelige effecten heeft op de kwaliteit van de ondergrond en ecologie. Provincies en gemeenten zien toe op voldoende scheiding van drinkwaterleidingen, warmtenetten en clusters van energiekabels.

P agina 17 van 32

(c) de bodemaspecten in vergunningverlening, toezicht en handhaving die in lijn met de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen worden versterkt. Zo is een vergunningssystematiek voor ondiepe warmtewinning voor bodemenergiesystemen voor de ondiepe ondergrond (tot 500 m) minder goed gewaarborgd dan voor de diepe ondergrond onder de mijnbouwwet. (d) voor de gebiedsgerichte aanpak van bestaande bodemverontreiniging ten behoeve van (her)ontwikkeling. Doordat we meer gebieden en meer ruimte (ook ondergronds) innemen, zal bij een (her)ontwikkeling soms verdere sanering van aanwezige bodemverontreiniging nodig zijn. Deze concrete maatregelen worden nader uitgewerkt met provincies en gemeenten, omdat de verantwoordelijkheid hier ligt en keuzes afhankelijk zijn van het gebiedstype.

-

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Consequenties Er zijn aanpassingen nodig in de wijze van projectontwikkeling en de aanpak van grondverzet als de grond zo min mogelijk wordt afgedekt, zo min mogelijk wordt vergraven, verplaatst en zo mogelijk lokaal wordt hergebruikt. Voor alle sectoren betekent dit dat er mogelijk aanpassingen worden gevraagd in de uitvoeringspraktijk om onze bodems ook duurzaam gezond en vruchtbaar te houden. Zo kan de keuze van de bestemming of een geschikte teelt hierdoor worden beïnvloed.

2. Bebouwd gebied Problematiek In de periode tot en met 2030 wordt ingezet op de bouw van 900.000 nieuwe woningen. Een deel hiervan ligt in kwetsbare delen waar zich risico’s met betrekking tot overstromingen, wateroverlast en/of bodemdaling voordoen. De druk op het water- en bodemsysteem is hoog en door klimaatverandering neemt zoals eerder in deze brief beschreven de problematiek rond bodemdaling, overstromingen, wateroverlast, en verdroging toe. Nieuw te ontwikkelen bouwlocaties moeten hier tegen bestand zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor het bestaand bebouwd gebied. Problemen die door bodemdaling veroorzaakt zijn, worden nu nog te vaak afgewenteld op andere gebieden, naar de toekomst of van private naar publieke financiering. Daarnaast dekken we steeds meer van onze bodem af voor onder andere nieuwe woningbouw en andere functies. Dat maakt dat Nederland de hoogste bodemafdekking in Europa kent. Maar liefst 12,6% van ons land is bedekt, waar het Europese gemiddelde 4,2% bedraagt16.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12492662/1