10 Omgevingsvisie Hilvarenbeek (Inbreng omgevingsvisie VNMH en B-team)
Tekst van het document
Aan: Commissie Ruimte en leden van de gemeenteraad van Hilvarenbeek Van: Vereniging Natuur en Milieu Hilvarenbeek e.o. (VNMH) en Biodiversiteitsteam (B-team) Betreft: Reactie op het Ontwerp Omgevingsvisie en de ambtelijke reactie op onze zienswijzen
Inleiding Geachte commissieleden en raadsleden, Namens de Vereniging Natuur en Milieu Hilvarenbeek en het B-team Hilvarenbeek (B-team) reageren wij op de Ontwerp Omgevingsvisie en de reactie op de door ons ingebrachte zienswijzen. Zoals bekend is het B-team gevraagd en ongevraagd de adviseur van de gemeente Hilvarenbeek op terrein van het vergroten van de biodiversiteit. De VNMH is een vereniging van meer dan 400 leden, die zich inzet voor het behoud en de ontwikkeling van de natuur, een gezond milieu, een aantrekkelijk landschap en cultuur- historische waarden in de zes kernendorpen die samen de gemeente Hilvarenbeek vormen. Vanuit die verantwoordelijkheden vragen wij dringend uw aandacht voor het navolgende.
Wij waarderen/zijn positief over: • • •
dat gestreefd wordt naar Natuurinclusieve landbouw als uitgangspunt en het voornemen om nieuwe ontwikkelingen daaraan te toetsen. dat de natte ecologische verbindingszone in de visie is opgenomen. dat de definitie van natuurinclusieve landbouw is opgenomen in de visie.
Wat moet beter in de visie: 1: Veranker hogere kaders expliciet en consequent, het enkel volgen van (provinciaal) beleid is onvoldoende (zie o.a. zienswijze 44.6, 44.8) De visie dient helder te benoemen dat nationale en provinciale kaders leidend zijn en welke beperkingen daaruit volgen. Het gaat hierin in elk geval om: • Natuurnetwerk Brabant (NNB), onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, inclusief de functies, begrenzing en ecologische verbindingszones • Kaderrichtlijn Water (KRW) en regionale uitvoering; doel is uiterlijk 2027 goede toestand voor waterlichamen en dit doel staat zwaar onder druk . • Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 en het Uitvoeringsprogramma/Jaarplan 2025 als richtinggevend kader voor vermindering van middelengebruik en transitie in de landbouw. • Programma Overgangszones als leidraad voor het beleid en de initiatieven om de gebieden rondom bestaande natuurgebieden, ook wel 'overgangszones' genoemd, te ontwikkelen en versterken. Wat wij herhaaldelijk in onze bijdragen hebben benadrukt, is dat de visie weliswaar mooie voornemens en beloftes bevat, maar dat deze vaak te vaag blijven, waardoor in de toekomst nog in uiteenlopende richtingen kan worden gestuurd. Daardoor biedt de visie onvoldoende houvast en duidelijkheid voor de keuzes die gemaakt moeten worden.
De visie constateert zelf dat “de basis niet op orde is”. Het herstel van die basis vraagt om keuzes in de visie, niet alleen in uitwerkingsprogramma’s. De visie moet DE toetssteen zijn voor wat kan en wat niet. 2) Laat de visie daadwerkelijk richting geven (zie onze zienswijze 44.3 en 44.7) Te vaak wordt verwezen naar een latere toets “bij uitvoering”. Daarmee verliest de visie haar sturende waarde. Concreet vragen wij om: • Schrappen of verleggen van uitbreidingsrichtingen die aantoonbaar onwenselijk zijn, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van het bedrijventerrein in Diessen richting het Diessens Broek (natuurgebied met hoge weidevogelwaarden); • Correcte weergave van zoekgebieden voor windenergie conform de regionale REKS/RES Hart van Brabant en de ontwerp-Omgevingsvisiekaarten, waarbij bestaande natuur geen zoekgebied is. Pas de kaart en toelichting hierop (locatie pijlaanduiding) aan. 3) Stuur op gezonde agrarische transitie en minder bestrijdingsmiddelen (zie onze zienswijze 44.4, 44.8 en 44.9) Bij bedrijfsbeëindiging komen agrarische gronden vrij. We zien de laatste jaren dat daarop soms teelten met hoge middeleninzet verschijnen, met negatieve effecten op waterkwaliteit, biodiversiteit en gezondheid. Ook verlies van grasland verslechtert de waterhuishouding.
Wij vragen om: • Een kader voor functiewijziging en doorontwikkeling van deze gronden richting natuur, extensivering en versterking van NNB-doelen; • Een visie die sterker in lijn is met landelijke adviezen en beschikbare handreikingen. Hanteer hierin het voorzorgsprincipe (Gezondheidsraad), benut gemeentelijke instrumenten voor zonering rond kwetsbare functies. De veelgebruikte 50-meter vuistregel, zoals ook opgenomen in uw antwoord op onze zienswijze, volgt uit jurisprudentie en is geen generieke wettelijke norm; motiveer lokaal maatwerk en borg verantwoorde driftvrije zones waarin wij pleiten voor een zone van 250 meter ten opzichte alle gevoelige functies (nieuw en bestaand). 4) Bouwambitie: ENG boven BENG (zie onze zienswijze 44.1) Waar de wet BENG als minimum voorschrijft, zou de ambitie van de gemeente moeten zijn om bij eigen gebiedsontwikkelingen en aanbestedingen op gemeentegrond wel de eis van energie neutraal bouwen moeten gelden. ENG zou volgens ons het uitgangspunt moeten zijn en anticipeert de gemeente op toekomstige aanscherping van de regelgeving. 5) Natuur boven recreatie en toerisme (zie onze zienswijze 44.2, 44.6) De visie spreekt over natuurherstel, onder meer via buffers rond kwetsbare natuur en Natura 2000-gebieden. Tegelijkertijd lijkt toegankelijkheid en beleving prioriteit te krijgen (extra fiets- en wandelpaden).
Ons uitgangspunt is: een vitale natuur is voor mensen een levensvoorwaarde! Dat betekent: • Geen nieuwe paden door kwetsbare natuur en geen grootschalige recreatieve routes die leiden tot structurele verstoring. • Gebruik bestaande netwerken/paden, bij voorkeur paden opgenomen in het officiële wandelnetwerk) om verstoring te kanaliseren.
•
Besef dat “groen aangelegde” paden, zoals in de visie momenteel zijn opgenomen, verstoring van de natuur niet wegnemen.
Onze concrete verzoeken aan de raad: Wij vragen u de Omgevingsvisie op de volgende punten aan te scherpen: 1. Veranker hogere kaders expliciet en consequent, 2. Laat de visie daadwerkelijk richting geven 3. Stuur op gezonde agrarische transitie en minder bestrijdingsmiddelen 4. Bouwambitie: ENG boven BENG 5. Natuur boven recreatie en toerisme
Tot slot Als VNMH en B-team waarderen wij de doorlopen stappen en de gesprekken die de gemeente Hilvarenbeek met de samenleving heeft gevoerd. Met de door ons voorgestelde aanscherpingen wordt de Omgevingsvisie duidelijker, uitvoerbaar en toekomstbestendig, met de natuur als fundament.
Met vriendelijke groet,
Vereniging Natuur en Milieu Hilvarenbeek e.o. (VNMH) Biodiversiteitsteam Hilvarenbeek (B-team)
Bijlage: volledig ingebrachte zienswijze VNMH & B-team incl beantwoording gemeente Hilvarenbeek
44
44.1
44.2
44.3
Vraag De vereniging onderschrijft de ambities en doelstellingen uit de ontwerp Omgevingsvisie van een Gezonde gemeenschap, een Groene economie en een Natuurlijke leefomgeving. Zij ziet echter wel een discrepantie tussen hetgeen beschreven is in de Delen A en B waar het gaat om het belang en de waarde van natuur en milieu en de minimale uitwerking onder C. Ook is het een zeer omvangrijk maar onoverzichtelijk document. Op pagina 33 worden de randvoorwaarden genoemd voor bebouwing en buitenruimte. Uitgangspunt is BENG (Bijna Energieneutraal bouwen), zoals nu vastgelegd in 5.2. van het Bouwbesluit. Naar de mening van de vereniging moet dit aangescherpt worden tot ENG. Verwezen wordt naar het onderzoeksrapport 'Het implementeren van natuurinclusieve elementen en energieneutrale maatregelen in nieuwbouwprojecten in de Gemeente Hilvarenbeek'.
Op pagina 36 wordt onder meer de aanleg mountainbikeroutes genoemd om burgers in staat te stellen te bewegen. De vereniging is tegen de aanleg van mountainbikeroutes in natuurgebieden. Op de kaart 'Groene economie' (pagina 39) staat aangegeven dat de uitbreiding van het bedrijventerrein in Diessen mogelijk is. De ingetekende richting is niet gewenst, want deze uitbreiding wijst in de richting van het Diessens Broek.
Antwoord
De gemeente Hilvarenbeek hanteert BENG als wettelijke norm voor nieuwbouw, conform het Bouwbesluit. De wens om aan te scherpen naar ENG (Energie Neutraal Gebouw) wordt als ambitie herkend en gedeeld. ENG betekent dat een gebouw netto geen energie verbruikt, wat bijdraagt aan klimaatdoelen. Op dit moment is ENG echter geen afdwingbare wettelijke eis. De gemeente kan ENG daarom niet verplicht stellen, maar wel stimuleren. Waar mogelijk wordt energieneutraal bouwen aangemoedigd via beleid en samenwerking. De overgang van BENG naar ENG is een geleidelijk proces. De gemeente ondersteunt deze ontwikkeling binnen de wettelijke kaders. ENG blijft een richtinggevende ambitie voor de toekomst. We blijven inzetten op verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het is niet altijd mogelijk om voor bebouwing in de buitenruimte de eis ENG op te leggen. Daarom is er in de Omgevingsvisie gekozen om te streven naar ENG maar BENG als minimale norm te lezen. Zo vergroten we de haalbaarheid van diverse projecten in de omgeving. Zie reactie onder 28.3 → Wij zijn van mening dat beide ambities kunnen samengaan. In een omgevingsprogramma en/of omgevingsplan kan dit verder gespecificeerd worden. De omgevingsvisie geeft voor de lange termijn aan waar de gemeente potentie ziet om te ontwikkelen.
Dat is nog geen zekerheid, een dergelijke ontwikkeling wordt nader getoetst in de toekomst waarbij rekening wordt houden met landschappelijke waarden. Zie ook beantwoording zienswijze 32.5 → De gemeente erkent dat voor een gezonde economische groei ontwikkelruimte nodig is voor bedrijven die qua aard en schaal passen in de gemeente Hilvarenbeek en bijdragen aan een kwalitatieve leefomgeving. Omtrent de ontwikkelpotentie van extra bedrijventerreinen zijn wij gebonden aan
44.4
In de ontwerp omgevingsvisie ligt de nadruk op het bevorderen van natuurinclusieve, duurzame landbouw. Immers, natuur is niet beperkt tot aangewezen natuurgebieden of natuurnetwerken. Biodiversiteit speelt bij uitstek in gebieden met de bestemming landbouw. Zonder medewerking van agrariërs zal dat streven niet of moeilijk te realiseren zijn. Op pagina 42 staat dat het behoud van bestaande agrarische bedrijvigheid prioriteit heeft. Gevraagd wordt hoe dit beleidsvoornemen zich verhoudt met de doelstelling om te komen tot natuurinclusieve landbouw. Het bevorderen van natuurinclusieve landbouw is een belangrijke pijler in de visie en moet daarom integraal in de tekst worden opgenomen volgens betrokkene. De vraag hierbij is ook wanneer er sprake is van een natuurinclusief bedrijf. Voorgesteld wordt om in de visie een verwijzing te maken naar de 'Handreiking natuurinclusieve landbouw' van de provincie NoordBrabant waarin al een aantal voorwaarden is omschreven.
regionale en provinciale afspraken. Op dit moment zijn slechts de ruimtelijke uitbreiding op Mierbeek en SlibbroekNoord in beeld. Daarnaast biedt intensivering van het ruimtegebruik (efficiënter bouwen, en functies combineren waar mogelijk, hoger bouwen) en het verder tegengaan van verkleuring (transformatie naar werken) mogelijkheden om bedrijfskavels vrij te maken. We kijken voor de lange termijn naar de potenties voor ontwikkeling, en dit staat ook op de kaart met de pijlen aangegeven. De omgevingsvisie legt geen strengere regels op, het daadwerkelijk (wel/niet) opleggen van strenge(re) regels gebeurt via het omgevingsplan. Vanzelfsprekend op basis van keuzes in de omgevingsvisie. In het omgevingsplan vindt ook een concretiseringslag plaats (bijv, met hoeveel % uitstoot verminderd moet worden / wat de norm is voor een bepaalde uitstoot). Het uitsluiten van bedrijven met een groot ruimtebeslag is juist een keuze die op het niveau van de omgevingsvisie hoort. Idem de keuze welke eigenschappen bepalend zijn voor de afweging waar nieuwe/uitbreiding bedrijventerrein mogelijk is. De agrarische sector is van oorsprong en nog steeds belangrijk in Hilvarenbeek. Het behoud van agrarische bedrijvigheid is belangrijk, waarbij we streven naar een duurzame toekomstbestendige agrarische sector.
Verschillende transitiepaden kunnen leiden naar een duurzaam landbouwsysteem, dat uiteindelijk ook moet passen in een sterke natuur en biodiversiteit. De Omgevingsvisie is op hoofdlijnen. We vinden de genoemde informatie te specifiek om nu op te nemen in de Omgevingsvisie. De genoemde handreiking over natuurinclusieve landbouw kan gebruikt worden bij de verdere uitwerking, zoals in een omgevingsprogramma en/of de formulering van regels in het omgevingsplan. Zie ook reactie onder 8.1. → De gemeente ambieert duurzame landbouw en een gezonde leefomgeving. (De gemeente is niet van 'technische oplossingen' aanreiken voor de bedrijfsvoering voor individuele bedrijven.) Het is aan ondernemers zelf welke keuzes zij in de bedrijfsvoering precies maken om tot een toekomstgerichte bedrijfsvoering te komen. Wanneer daar een ruimtevraag bij hoort, dan wordt dat voor die situatie afgewogen tijdens bijvoorbeeld een vergunningprocedure. Keuzes op hoofdlijnen over onder andere ontwikkeimogelijkheden voor agrarische bedrijven horen thuis in de
44.5
Er is nu alleen een droge Ecologische Verbindingszone ingetekend. Gepleit wordt om zowel de droge, als de natte EVZ in te tekenen op de kaart en dan vooral voor de zones die van zuid naar noord lopen.
44.6
In de ontwerp-visie is de ambitie over het behoud en versterken van natuurgebieden opgenomen (pagina 43). Bij de nadere uitwerking wordt deze ambitie volgens betrokkene helaas afgezwakt en worden natuurgebieden ondergeschikt aan toerisme en recreatie, waarbij natuurgebieden toegankelijk moeten zijn door het uitbreiden van fiets- en wandelpaden. Iedere extra aanleg van paden voor fietsers,
omgevingsvisie. De gemeente streeft naar een duurzamer, natuurinclusief en circulair landbouwsysteem. Te denken valt hierbij aan gebruik van minder chemie en meer biodiversiteit en ook aan kringlooplandbouw. De omgevingsvisie zou hier wat duidelijker kunnen worden. Daarnaast blijft er ruimte voor milieuvriendelijke stalsystemen waarbij extra bedrijfsruimte die past bij de kaders van het beleid bespreekbaar is. Monovergisting van eigen mest op een bedrijf is en blijft mogelijk. Het oprichten van nieuwe grote mest- of covergistingsinstallaties kan niet binnen de gemeente Hilvarenbeek. Tegelijkertijd: het daadwerkelijk creëren van deze mogelijkheden is voor het omgevingsplan, omdat daar -op basis van keuzes in de omgevingsvisieregels in kunnen worden uitgewerkt. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) hanteert een definitie voor natuurinclusieve landbouw. Hierbij sluiten wij aan. We voegen de definitie toe in de Omgevingsvisie. Zie reactie zienswijze 35.9. → We sluiten aan bij de kaart van de provinciale Omgevingsverordening op zowel de specifieke natte EVZ opgave als Natura2000 bescherming van de strook agrarische grond op de kaart.
De natte ecologische verbindingszone Spruitenstroompje/Hoogeindse Beek nemen we in de gewijzigde versie van de kaart op, we nemen dit onderdeel van uw zienswijze over. De strook agrarische grond binnen het landgoed Gorp en Roovert heeft geen Natura 2000 status. Daarom leidt dit niet tot een wijziging in de omgevingsvisiekaart. De strook agrarische grond is op de omgevingsvisiekaart geduid als Natuurnetwerk Brabant (donkergroen op de kaart). De arcering (stippen) die hierover heen ligt is Natura 2000 inclusief 250 m buffer. Doordat de strook smal is en de bufferzone van 250 m rondom de strook ligt, valt het gehele gebied binnen de bufferzone rondom Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Brabant maakt al onderdeel uit van de integrale omgevingsvisiekaart. Wij zijn van mening dat beide ambities kunnen samengaan waarbij gezorgd moet worden voor voldoende robuuste natuur om verstoring van flora en fanau zoveel mogelijk te voorkomen. In een omgevingsprogramma en/of omgevingsplan het kan dit verder gespecificeerd worden
44.7
44.8
maar ook voor wandelaars levert verstoring op. De Flora en fauna en de natuur staan al onder druk. Hiervoor is niet alleen behoud maar ook herstel nodig. Er zou volgens betrokkene moeten worden aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie Noord-Brabant die doorgaat met het realiseren van een robuust Brabants natuurnetwerk en het inrichten en beschermen van de natuurgebieden. De natuur moet op de eerste plaats als waarde op zich worden beschouwd. Niet de mens moet hier centraal staan, maar de natuur zelf Op de kaart staat met een lange pijl een zoekgebied voor windmolens in nieuw aan te planten bos aangegeven. Onduidelijk is wat nu precies het zoekgebied is omdat deze pijl ook over bestaande natuur is ingetekend.
Aangedrongen wordt om meer concrete aandacht in de visie om het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op gewassen aan banden leggen. De basis is niet op alle onderdelen in orde, waaronder de kwaliteit van het water dat onder de maat is. Voorgesteld wordt om aan te sluiten bij de (Europese) Kaderrichtlijn Water.
Bij de totstandkoming van het REKSbod 1.0 is afgesproken dat de regio de mogelijkheden onderzoekt voor het combineren van windenergie met nieuw aan te planten bos. In dat kader is op de kaart een zoekrichting aangegeven met een pijl, die verwijst naar een gebied waar deze combinatie in de toekomst mogelijk onderzocht kan worden. De pijl op de kaart is bedoeld als een indicatieve aanduiding van deze zoekrichting en géén exacte begrenzing van een zoekgebied. We begrijpen dat de huidige weergave verwarring kan oproepen, omdat de pijl ook over bestaande natuurgebieden loopt. Dat is nadrukkelijk niet de bedoeling. Bestaande natuur is uitgesloten van windenergieontwikkeling. Bij een eventuele verdere uitwerking zal het zoekgebied nauwkeuriger worden afgebakend, met uitsluiting van bestaande natuur en met zorgvuldige afweging van landschappelijke, ecologische en ruimtelijke aspecten. De zienswijze helpt ons om dit in de vervolgfase duidelijker te communiceren. In de Omgevingsvisie staat al beschreven in 7.5.4 dat de waterkwaliteit de komende jaren ook heel belangrijk is en het wettelijk verplicht is om te voldoen aan Kaderrichtlijn Water. Ook volgen we de ontwikkelingen van provinciaal beleid zoals Actieplan gewasbescherming en Programma Overgangszones. Die houden ook verband met waterkwaliteit. Zie reactie zienswijze 8.5.
→ Bepaalde agrarische activiteiten worden niet uitgesloten op basis van de visie, maar iedere nieuwe agrarische activiteit moet wel getoetst worden aan het omgevingsplan. In de Omgevingsvisie geven we aan welke ambities voor het agrarisch buitengebied belangrijk zijn. Zoals een natuurinclusieve agrarische sector, bodem- en water sturend, cultuurhistorie, de aansluiting bij het oorspronkelijke landschapstype e.a.
44.9
44.10
In de ontwerp visie is volgens betrokkene terecht aandacht voor de vraag wat er met de bebouwing moet gebeuren van agrariërs die bedrijfsactiviteiten beëindigen. In de visie wordt ten onrechte geen aandacht besteed aan de vraag wat er met de agrarische gronden gebeurt. Op deze gronden ontstaat nu vaak monocultuur. Bij de teelt van deze gewassen worden doorgaans veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Dit heeft volgens betrokkene een negatief effect op de biodiversiteit. De komst van deze monoculturen belemmert bovendien het noodzakelijke landschapsherstel. In de ontwerp visie wordt de betekenis van (historische) linten onderschreven en de noodzaak om deze te versterken. Betrokkene wil in de visie opgenomen zien dat tussen bebouwing en buitengebied groene corridors moeten komen als overgang met aandacht voor kwaliteit van de visueel-ruimtelijke aspecten van de bebouwingsranden.
Onderdeel van de natuurinclusieve agrarische sector is ook dat de belasting op de fysieke leefomgeving zo laag mogeljk wordt gehouden waarbij ook gekeken wordt naar de ruimtelijke ligging van de specifieke agrarische activiteit. Voorwaarden waar agrarische activiteiten aan moeten voldoen kunnen worden uitgewerkt in het Omgevingsplan. Wat betreft gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt in de omgevingsvisie een toevoeging opgenomen. Wij willen spuitvrijezones met een afstand van 50 meter hanteren ten opzichte van nieuwe gevoelige functies, zoals 'wonen' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. De percelen binnen deze zone behouden de bestemming agrarisch en kunnen als zodanig voor agrarische activiteiten gebruikt (blijven) worden. Andere vormen dan chemische gewasbeschermingsmiddelen voor het bestrijden van plagen en het beschermen van gewassen tegen ziekte en overwoekering door onkruid blijven toegestaan. Voor kennisgeving aangenomen. De gemeente heeft het thema gezondheid een prominente plaats gegeven in de Omgevingsvisie. In lijn met de Omgevingswet werken we hard om de druk op het milieu te verlagen. Dit werkt door in keuzes en beslissingen. We kiezen nu vooral voor het faciliteren van activiteiten waarbij de leefomgeving positief beïnvloed wordt. In het agrarisch gebied sturen we op het verlagen van de milieubelasting.
De gemeente blijft bij het punt dat die geen ruimte biedt voor het uitbreiden of starten van agrarische bedrijfsvoering en praktijken met een negatieve invloed op de lokale leefomgeving, zoals bijvoorbeeld lelieteelt. Dit aandachtspunt wordt impliciet benoemd bij de uitwerking van het thema Herkenbaar dorps karakter. 'Het is van groot belang dat de identiteit en de kenmerkende waarden van elke kern behouden blijven. Die omvatten de ruimtelijke structuur, de dorpse identiteit, de historische en beeldbepalende elementen, het erfgoed, de routing, zichtlijnen en cultuurhistorie." en kan worden getoetst in het afwegingskader waar 'behoud van een herkenbaar dorps karakter' onderdeel van is. Dit is terug te zien in de aansluiting van de kernen en linten op de landschappelijke structuren. Ontwikkelingen staan we alleen toe binnen de bestaande concentraties. Nieuwe initiatieven die daarbuiten vallen, wegen we zorgvuldig per locatie af met als doel om voor de agrariër verbreding mogelijk te maken.
44.11
44.12
Gesteld wordt dat de ontwerp omgevingsvisie in sommige opzichten vaag is en in het algemeen concrete normen ontbreken. Onduidelijk is waaraan getoetst wordt bij de verlaging van geuroverlast en stikstofuitstoot, aldus betrokkene. Gesproken wordt over bijsturing van landgebruik in het buitengebied. Voorgesteld wordt om hierin een keuze te maken. Bijvoorbeeld dat landbouw en vooral de veehouderij geleidelijk maar significant extensiveert. Daarnaast wordt in de beschrijving van het toekomstbeeld de expliciete aandacht voor flora en fauna gemist, waaronder het belang van het terugkrijgen van soorten die vroeger gangbaar waren en nu bedreigd zijn. Ten aanzien van de PlanMER worden de volgende opmerkingen gemaakt.- Het beleid in de omgevingsvisie heeft een positieve of licht negatieve invloed op de meeste indicatoren. Hoe moet de combinatie van die twee gevolgen gelezen worden?- Er zijn kansen en uitdagingen om de gewenste (milieu)kwaliteiten per gebied te bereiken. Hoe wordt dit gemonitord om waar nodig bij te sturen?Aanbevolen wordt om de uitbreiding van bedrijven met hogere milieubelasting uit te werken in de visie. Het is belangrijk om hiervoor richtlijnen te geven of specifieke criteria. Voorgesteld wordt om in de visie meer concrete doelen en normen op te nemen in plaats van vage termen. Hierdoor zijn de milieu-effecten ook beter te beoordelen en inzichtelijk te maken.
Concrete normen staan in een omgevingsplan (soms in een omgevingsprogramma), niet in een omgevingsvisie. De omgevingsvisie bepaalt wel of een hogere of lagere norm gaat gelden (eventueel per thema en per gebied). Via de 'mengpanelen' in hoofdstuk 7 is hier grotendeels invulling aan gegeven. Met de richting die we inslaan met de ambities van de omgevingsvisie, leidt dit al tot een ontwikkeling naar extensivering en ook naar herstel van flora en fauna. Op het onderwerp flora en fauna wordt ook binnen een omgevingsprogramma nog aandacht besteedt
We stellen dat veel van het voorgenomen beleid van de Omgevingsvisie een positief effect zal hebben op de leefomgeving. Echter, dit geldt niet voor al het beleid; er is ook beleid dat niet of gedeeltelijk een negatief effect heeft op een of enkele thema's. Uiteindelijk is het een beoordeling per saldo, waarin op basis van de verschillende plussen en minnen een eindoordeel per thema wordt gegeven. Als er zowel positieve effecten als negatieve effecten wordt dit ook als zodanig beschreven.- In hoofdstuk 10 van het MER wordt uitgebreid op monitoring ingegaan. De gemeente zal dit na vaststelling van de visie verder concretiseren.- In het verlengde van voorgaande antwoord: dit is iets wat de gemeente in het vervolg op de visie verder zal uitwerken. Een en ander kan zover relevant overgenomen in de Omgevingsvisie 2.0. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft de Ontwerp Omgevingsvisie bekeken en ziet ook dat ambities nog concreter kunnen. In een aanvulling op het MER maken we nu wat zaken concreter voor zover mogelijk. Dit wordt een bijlage bij de omgevingsvisie.