10 bp Larestraat1A (3a toelichting Bijlage 1 Quick scan Flora & Fauna)
Tekst van het document
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
LOCATIE: LARESTRAAT 1A, ESBEEK RAPPORTNUMMER: 2020BE-0801 In opdracht van: Van Dun Advies B.V. Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten
E Brabant Eco Ecologische dienstverlening
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2020BE-0801
Opdrachtgever Van Dun Advies B.V. Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten
Contactpersoon Dhr. C. van der Heijden
Locatie Larestraat 1a, Esbeek
Opleverdatum 13 November 2020
Uitvoerder
Brabant Eco Ecologische dienstverlening De Lange Kant 27 5061PX Oisterwijk 06-24218274
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
P a g i n a |1
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Inhoudsopgave
1.
Inleiding en onderzoek………………………………………………………....4
2.
Beleidskader
………………………………………………………………...5
Wet natuurbescherming 3.
Plangebiedsbeschrijving …………………………………………………..… .8 Huidige situatie Voorgenomen ontwikkeling
4.
Praktijk ecologische quickscan
………………………………..…..………12
Bureaustudie Veldonderzoek Praktijktoetsing 5.
Beschermde natuurwaarden………………………………………..….……..18 Flora Zoogdieren Vogels Amfibieën, vissen en reptielen Overige soorten
6.
Resultaten en advies
……………………………………………………….25
7.
Lijst van bronnen
…………………………………………………….…27
8.
Bijlagen
…………………………………………………………………..…..28
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |2
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Samenvatting
Opdrachtgever heeft het bedrijf aan de Larestraat 1a te Esbeek bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) aangemeld voor de warme saneringsregeling varkenshouderij 2020. Daardoor zullen de aanwezige varkensstallen worden gesloopt en zal het huidige intensief agrarische bestemmingsplan worden omgezet naar agrarisch. De op het perceel gevestigde intensieve varkenshouderij zal volledig verdwijnen waardoor er een verbetering van de milieukwaliteit zal plaatsvinden door het definitief vervallen van geurhinder, ammoniakemissie en uitstoot van stikstof. De aanwezige bedrijfswoning met bijbouw, paardenstal en loods zullen blijven staan. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Voor de sloopvergunning heeft opdrachtgever de vraag gekregen tot het laten uitvoeren van een onderzoek naar beschermde natuurwaarden. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora e fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco November 2020
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |3
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
1. INLEIDING EN ONDERZOEK 1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever van Dun advies is het bedrijf aan de Larestraat 1a te Esbeek aangemeld bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) voor de warme saneringsregeling varkenshouderij 2020. Daardoor zal het varkensbedrijf volledig worden gesaneerd. De bestaande bedrijfsgebouwen, zijnde twee varkensstallen met biologische luchtwasser, worden gesloopt. De op het perceel gevestigde intensieve varkenshouderij zal volledig verdwijnen. De beoogde ontwikkeling betreft de wijziging van het geldende bestemmingsplan met intensief agrarische bestemming. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl) o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |4
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
2. BELEIDSKADER 2. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.
Gebiedsbescherming 2.1 Natura-2000 Natura-2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn als de EU-habitatrichtlijn. In Natura-2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheersplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura-2000 gebieden.
2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In de EHS geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast een 20 Nationale parken, meren, rivieren, kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.
2.3 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. o Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. o Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |5
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
2.4 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in standhouden van alle natuurlijk in Europa in het wild levende vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De Eu-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).
Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
2.5 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.
2.6 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |6
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming
Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |7
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Larestraat 1a te Esbeek in de gemeente Hilvarenbeek. De gemeente Hilvarenbeek ontstond op 14 mei 1810 , telt 15.617 inwoners (1 augustus 2020, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 97 km². De gemeente bestaat naast Esbeek uit de dorpskernen Baarschot, BiestHoutakker, Diessen, Haghorst en Hilvarenbeek. Het dorp Esbeek telt zo'n 1.220 inwoners en bestaat naast Esbeek uit de buurtschappen Groenstraat en Hoogeind. De Larestraat is gelegen tussen Esbeek en Baarschot en is een zijstraat van de Groenstraat en loopt richting het oosten door in de Esbeeksedijk. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische percelen, intensieve veehouderijen met bouw- en weilanden en burgerwoningen Op 950 meter ten westen ligt de kern Esbeek en op 2.200 meter ten oosten ligt de kern van Baarschot. Op 680 meter van het plangebied loopt de N269, de verbindingsweg tussen Reusel en Tilburg. De oostkant van het plangebied wordt begrenst door het Spruitenstroompje.
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is oranje omcirkeld. Bron: Google Earth.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |8
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Met globaal omlijnd de totale planlocatie in blauw, te slopen bedrijfsgebouwen in oranje en bedrijfswoning met bijbouw en loods in geel. Bron: Google Earth
Natura 2000 In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen Natura 2000 gebieden. Op 1,7 kilometer afstand ten oosten en op 1,9 kilometer ten westen bevindt zich het Natura-2000 gebied Kempenland-West.
Natura 2.000 gebieden, plangebied met pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |9
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
NatuurNetwerkNederland Ten noorden binnen het plangebied en ten zuiden aan de overkant van de Larestraat bevinden zich NNBgebieden met het beheertype vochtig bos met productie. Grenzend aan de oostkant van het plangebied bevindt zich het Spruitenstroompje. Dit beekje is een ecologische verbindingszone van het beheertype Beek en Bron. Het Spruitenstroompje ontspringt als Hoogeindsche beek aan de Nederlands-Belgische grens, ten zuidwesten van Esbeek. Het stroomt oostelijk langs Esbeek waarna het samen met de Roodloop het Spruitenstroompje vormt, welke later uitmondt in de Reusel. De directe omgeving valt onder agrarisch beheertype.
2 x Natuur Netwerk Nederland gebieden. Bron: kaartbank Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 10
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Opdrachtgever heeft het plan om de intensieve varkenshouderij die op deze locatie gevestigd is, volledig te saneren. Dit houdt in dat de varkensstallen gesloopt zullen worden. De intensieve varkenshouderij zal volledig verdwijnen. Initiatiefnemer wil de bestaande paardenfokkerij voortzetten en uitbreiden. In de toekomst wordt mogelijk een schuur gebouwd met enkele recreatie appartementen. Met het ontmantelen van de intensieve veehouderij op deze locatie wordt er door de sloop van de varkensstallen een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst geboekt. Ook zal er een verbetering van de milieukwaliteit optreden door het definitief vervallen van geurhinder, ammoniakemissie en uitstoot fijn stof. Er zal totaal ongeveer 2.931 vierkante meter aan varkensstallen worden gesaneerd. Waarna eventueel 1541 vierkante meter herbouwd zal worden zodat de totale bebouwing met 1.390 vierkante meter af zal nemen. Tevens zal er 1.285 vierkante meter erfverharding verdwijnen.
Beoogde situatie. Bron: Van Dun advies.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 11
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora en fauna potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl (bijlage 1) aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere ravon, sovon, floron en waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Met de quickscanhulp.nl is een actueel overzicht verkregen van waarnemingen van beschermde soorten nabij de locatie uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF).
Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (EHS). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 12
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Flora Naast de bedrijfswoning met bijbouw en tuin bestaat het plangebied uit een paardenstal, een loods en twee varkensstallen. Het erf naar en rond de stallen is geheel verhard en omringd door bouwland. De directe omgeving bestaat uit sterk bemeste agrarische percelen. Volgens gegevens uit het NDFF (Project: Larestraat, Referentie: BE0801, d.d. 31 oktober 2020) komt binnen een straal van één kilometer geen beschermde soorten flora voor. (Zie bijlage 1) Van 1 tot 5 kilometer afstand van het plangebied zou volgens de NDFF Drijvende waterweegbree voor kunnen komen. Deze plant staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als zeer zeldzaam en zeer sterk afgenomen en is sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd in het kader van de Wet Natuurbescherming. Drijvende waterweegbree is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. Ze komt voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen. Ze groeit op zonnige plaatsen in stilstaand of zwak stromend, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur tot licht basisch water met een bodem van meestal niet of maar weinig humeus zand. Dit soort biotoop komt niet voor binnen het plangebied. Plantensoorten die op de lijsten vermeld staan van de strikt beschermde plantensoorten van de Habitatrichtlijn en provinciaal beschermde soorten worden niet verwacht.
Voor dergelijke soorten, die veelal specifieke eisen stellen aan hun leefomgeving, ontbreken geschikte biotopen in het plangebied.
Fauna Volgens de gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna zijn er binnen een straal van één kilometer in de omgeving waarnemingen van boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief. De genoemde roofvogelsoorten zouden leefgebied kunnen vinden in de bossen in de omgeving van het plangebied. Volgens bronnenonderzoek komen naast huismus en roek ook de bunzing, eekhoorn, egel en steenmarter voor in de omgeving binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied. (Bijlage 1). Direct grenzend aan de oostelijke zijde van het plangebied stroomt het Spruitenstroompje. De ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten, zoals de bastaardkikker, bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant (bijlage 4). Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied.
Soortgroep Flora Vogels Zoogdieren Amfibieën Reptielen Insecten Vissen
Mogelijke aanwezigheid Nee Ja Ja Ja, in landfase Nee Nee Nee
Soorten na literatuuronderzoek
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 13
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
4.2 Veldonderzoek Op woensdag 11 november 2020 in de middag heeft ecoloog Frenk van de Wal het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt, een zuidenwind met windkracht 2 en droog bij het veldonderzoek. De gemiddelde temperatuur lag rond de 14 graden Celsius. Het onderzoek vond dus onder herfstachtige omstandigheden plaats, waarin veel natuurwaarden minder actief zijn. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bebouwing is zowel aan de binnenzijde als buitenzijde uitgebreid visueel onderzocht.
Totale plangebied Het totale plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 2 hectare, is gedeeltelijk bebouwd met twee varkensstallen, een bedrijfswoning met bijgebouw, paardenstal en een loods. In totaal is ongeveer 2.931 m2 bebouwd als varkensstal. Het erf naar, rond en tussen de gebouwen is verhard met betonklinkers met een oppervlakte van 4.300 vierkante meter. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een klein bosgebied met het beheertype vochtig bos met productie, dit zal behouden blijven. Het onderzoekgebied komt overeen met de grenzen van het plangebied en de directe omgeving hiervan. Ten westen van de paardenstal is een paddock met op de hoek een valkenkast, welke volgens de bewoner de afgelopen jaren niet bewoond is geweest. Tijdens het veldonderzoek zijn in de paardenstal nesten van boerenzwaluw aangetroffen. De paardenstal met paddock blijft zoals deze nu zijn. Aan de te behouden loods is een uilenkast, hierbij kunnen de uilen via een doorgang in de damwandpanelen de kast aan de binnenzijde van de loods betreden.
Woonhuis met tuin Het woonhuis blijft behouden zoals deze nu is. Verder zullen de tuin en beplanting blijven met struiken, gazon, lindebomen, diverse fruitbomen, laurier-, beuken- en hederahagen. Ook het bijgebouw wat gebouwd is voor de paardenstal zal blijven zoals dit nu is. Het woonhuis bestaat uit een rode baksteen met spouwmuur en een pannendak. Het pannendak is afgeschermd met vogelschroot.
Bedrijfswoning.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Achterzijde huis vanuit paddock.
P a g i n a | 14
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Te behouden paardenstal.
Te behouden loods
Bedrijfsgebouwen Loods De in het plangebied aanwezige loods zal niet worden gesloopt. De loods heeft een oppervlakte van ongeveer 814 vierkante meter en wordt deels gebruikt als opslag en stalling van groter materiaal en deels voor intensieve varkenshouderij, welke zal verdwijnen. De muren zijn van rode baksteen en witte kalkzandsteen met een spouwmuur daartussen. De muren zijn volledig afgesloten en zonder stootvoegen. Het dak is van golfplaten. De loods bestaat voor 40 procent uit opslag en voor 60 procent uit het houden van varkens. De opslag is verhoogd met damwandprofielen welke niet zijn geïsoleerd. Op de damwandprofielen bevindt zich een uilenkast welke uitkomt aan de binnenzijde bij de opslag. De dakranden van de loods zijn volledig afgesloten met vogelschroot.
Varkensstallen De varkensstallen bestaan uit een golfplaten dak, aan de onderzijde geïsoleerd met dupanel. De muren zijn van rode baksteen met een spouwmuur, afgedekt met een muurplaat en aan de binnenzijde kalkzandsteen. De voor- en achtergevels zijn gemetseld met rode bakstenen en toegankelijk via deuren aan de voorzijde. Ook deze gevels zijn volledig dicht en zonder stootvoegen. Onder de windveren zitten latten ter afsluiting van de spouw. Alle kieren en mogelijke openingen in muren of dakranden zijn volledig afgesloten door middel van vogelschroot. De bedrijfsgebouwen hebben dienstgedaan in het professioneel en intensief huisvesten van varkens. Zodoende zijn er altijd afdoende maatregelen genomen om andere dieren buiten te sluiten van deze varkensstallen. Om de biosecurity van het bedrijf te waarborgen zijn alle stallen rondom voorzien van vogelschroot en zijn alle luchtinlaten ook afgeschermd voor dieren. Op het moment van veldbezoek waren de stallen volledig bezet met varkens.
Vooraanzicht stallen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Stal 2 zijaanzicht met Spruitenstroompje.
P a g i n a | 15
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Tussen stallen in.
Aanzicht stal vanaf Larestraat
Afgesloten stallen.
Biologische luchtwasser
Centrale gang.
Binnenzijde stal met altmansysteem.
De bedrijfsgebouwen zijn zowel aan de buitenzijde als ook aan de binnenzijde onderzocht op het voorkomen van beschermde diersoorten. De gebouwen zijn uitvoerig bekeken op het voorkomen van nestlocaties van vogels. Hiervan werden mede door het hermetisch afgesloten zijn van het bedrijf geen aanwijzingen gevonden. Er is met nadruk gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, gierzwaluwen en huismussen. Soorten waarvan nesten jaarrond beschermd zijn. Hierbij is vooral gekeken naar de aanwezigheid van nesten, meststrepen op muren, eventuele kieren onder dakplaten of zijwanden. Sporen van aanwezigheid zoals invliegopeningen, uitwerpselen, dode dieren of afgebeten vleugels etc. die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van gebouw bewonende vleermuizen ontbreken volledig. Verborgen tussenruimtes ontbreken. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 16
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Afgesloten dakranden
Afgesloten dakranden
Binnenzijde paardenstal met nesten boerenzwaluw.
Te behouden loods. met ingang uilenkast
Paddock met valkenkast.
Binnenzijde loods met uilenkast.
4.3 Praktijktoetsing Op basis van de gegevens van de literatuurstudie en het veldonderzoek wordt een inschatting gemaakt wat de effecten van de voorgenomen ingrepen op potentieel aanwezige beschermde soorten zal zijn. Dit in relatie tot de geplande ontwikkelingen. Er is bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat nog een aanvullend onderzoek nodig is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 17
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Algemeen Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Flora Het volledige plangebied is bebouwd of bestraat. Ook de directe omgeving bestaat uit sterk bemeste agrarische percelen. Hierdoor ontbreekt het volledig aan geschikte plaatsen voor vegetatie en plekken waar beschermde planten kunnen groeien. Ondanks gericht zoeken zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten waargenomen. Enkel algemene soorten van verstoorde en bemeste bodem tussen de betonklinkers en gaten in de erfverharding werden aangetroffen zoals paarse dovenetel, herderstasje, vogelmuur en paardenbloem. De aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten wordt gezien de aanwezige biotopen uitgesloten. Er worden geen bomen gekapt die vallen onder houtopstanden. Een nadere toetsing houtopstanden is niet nodig.
Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte habitats is het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied uit te sluiten.
5.2 Zoogdieren Algemeen beschermde soorten Het is zeer aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de bouwlocatie in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Eekhoorn, wild zwijn, bever en damhert. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In het plangebied valt weinig te foerageren voor de eekhoorn door het ontbreken van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 18
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Nederland kent twee "officiële" leefgebieden voor het wild zwijn: het eerste gebied is de Veluwe, waaronder de deelgebieden Nationaal Park De Hoge Veluwe, Kroondomein Het Loo en het Nationaal Park Veluwezoom vallen. Het tweede gebied is Nationaal Park De Meinweg in Limburg. Voor overig Nederland hanteert men een zogenaamd nulstandbeleid - wat wil zeggen dat men ze liever helemaal ziet verdwijnen. Toch weten de wilde zwijnen zich in enkele regio's ver buiten hun officiële leefgebied goed te handhaven en zelfs uit te breiden, mede omdat er veel weerstand vanuit de maatschappij is tegen het afschieten van grote zoogdieren, en jagers niet alle wilde zwijnen afschieten. Behalve in de Meinweg en op de Veluwe leven er mede door het instromen van wilde zwijnen uit Duitsland ook een toenemende aantal in onder andere Het Leudal. Op de planlocatie zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor genoemde zoogdieren. De bever is afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Ze hebben een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, begroeid met zacht hout, en houden zich voornamelijk op langs de trager stromende delen van de rivier. Ook zijn ze te vinden langs meren, beken, poelen en moerassen. Van het damhert komen grote vrij levende populaties in bepaalde delen van Nederland voor. Vanuit deze natuurgebieden zwerven dieren regelmatig uit naar de omgeving.
Door het hele land worden damherten gehouden op kinderboerderijen en hertenkampen. Daar ontsnappen wel eens dieren zodat er verspreid over Nederland in vrijwel welke provincie meerdere groepjes in de vrije natuur voorkomen. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onder begroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. Geen van bovengenoemde biotoop voorwaarden zijn aanwezig binnen de het plangebied. Steenmarter, wezel, bunzing en boommarter. Op een afstand tot 5 kilometer komen volgens bronnenonderzoek de steenmarter, wezel, bunzing en das mogelijk voor in het plangebied. De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Verder zijn groenstroken heggen, bosjes, bermen en greppels voor de steenmarter van belang omdat hij daar zijn voedsel zoekt.
Het is niet uitgesloten dat de steenmarter het plangebied gebruikt als onderdeel van zijn leefgebied. Het leefgebied van de steenmarter is relatief groot en de soort kan per nacht 10 tot 15 kilometer afleggen. Het ontbreekt binnen het plangebied aan geschikte locaties die kunnen dienen als verblijfplaats. Het plangebied is opgeruimd en het ontbreekt aan schuilplaatsen en mogelijkheden om de ruimtes in de hallen binnen te dringen. Zodoende is het uitgesloten dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het leefgebied van de steenmarter. Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen.
Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van marterachtigen. Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. De varkensstallen zijn ontoegankelijk en in de overige gebouwen zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van de steenmarter.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 19
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
De boommarter heeft een voorkeur voor volgroeide gemengde bossen en naaldwouden. Ook laat hij zich weleens zien in loofbossen en op rotswanden. De boommarter waagt zich overdag niet buiten het bos, en mijdt dan open plekken in het woud. De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen. Hiervan zijn geen aanwijzingen gevonden. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes). Volgens de waarnemingen van de NDFF kunnen binnen een straal van 5 kilometer van het plangebied de volgende soorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis. Volgens het cursusdictaat ‘Vleermuizen en planologie’, (Limpens et al 2014), kunnen in dit deel van het land daarnaast ook o.a. watervleermuis, de rosse vleermuis, kleine dwergvleermuis en grijze grootoorvleermuis voorkomen.
Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied zijn geen bomen met geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Alle bomen blijven sowieso behouden. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De bebouwing is uitvoerig geïnspecteerd op het voorkomen van sporen en potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen in de diverse seizoenstadia. In de te slopen afgesloten varkensstallen zijn geen potenties voor vleermuisverblijfplaatsen. De te slopen varkensstallen zijn opgetrokken uit geheel dichte stenen spouwmuren zonder stootvoegen en gedekt met golfplaten dak met afgedichte ruimtes voorzien van isolatiepanelen en vogelschroot. De te verversen lucht wordt in de stallen door ventilatoren bij de luchtwasser centraal aangezogen via de centrale gang en daarna door het geperforeerde plafond de afdelingen ingezogen op basis van onderdruk.
De afvoer loopt volledig via de biologische luchtwasser. Hierdoor ontstaat voor vleermuizen te veel tocht. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Het plangebied vormt aan de randen foerageergebied van redelijke kwaliteit voor vleermuizen. Met de beoogde herontwikkeling blijven alle groenstructuren behouden en worden nadien versterkt door de landschappelijke inpassing. De foerageermogelijkheden voor vleermuizen zullen daarmee verbeteren. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken. Er is vastgesteld dat er geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. Foeragerende vleermuizen in de omgeving van het plangebied kunnen zeker wel voorkomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 20
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Conclusie Het voorkomen van beschermde landzoogdieren met vaste verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. In het plangebied en directe omgeving komen verder geen beschermde soorten voor die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de ‘Andere soorten’, (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.
5.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. Tijdens het veldonderzoek werden diverse vogels gezien: vink, merel en kauw. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht.
Categorie 1-4 Vogels met vaste verblijfplaatsen in gebouwen Uit deze zwaarste beschermingscategorie zijn in het plangebied mogelijk een aantal soorten aanwezig die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk zijn van bebouwing. Binnen een straal van één kilometer vermelden de NDFF-gegevens dat de huismus voor zou kunnen komen. Binnen een straal van vijf kilometer komen er enkele uilensoorten en gierzwaluw voor. Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Op de planlocatie zou de bedrijfswoning de enige plaats kunnen zijn waar een gierzwaluw zich zou kunnen nestelen als deze in een meer bebouwde omgeving zou staan. De woning blijft zoals deze is dus blijft ook deze eventuele biotoop bestaan. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied is in de loods een uilenkast aanwezig verder ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden.
Tevens is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren onder mogelijke roestplekken in het plangebied. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Huismus Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters. Geschikt leefgebied van de huismus bevat een combinatie met voldoende voedsel- en schuilplaatsen. Voor het voedselaanbod is het van belang dat er voldoende ruigte en overhoekjes aanwezig zijn, waar zowel zaadplanten als voldoende insectentrekkersaanwezig zijn. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 21
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Beschutting is zeer belangrijk voor de huismus ter bescherming, maar ook om vanuit te foerageren. Daarom moeten er schuilplaatsen aanwezig zijn in de vorm van heggen en hagen, waarbij de voorkeur uitgaat naar streekeigen soorten (bijv. Haagbeuk, meidoorn en Gelderse roos). De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van de gebouwen. Tijdens veldbezoek is er gericht gezocht naar de aanwezigheid van huismussen of nesten hiervan. De bebouwing is volledig afgesloten met vogelschroot. Waardoor de aanwezigheid van huismussen uit te sluiten is. Boerenzwaluw De boerenzwaluw staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels en de nestplaatsen ervan zijn jaarrond beschermd. In het plangebied zijn vijf nesten in de paardenstal aangetroffen. Van de boerenzwaluw zijn nestplaatsen jaarrond beschermd als er weinig of geen vervangende nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn. Broedvogels keren jaarlijks terug naar dezelfde kolonie, al zijn vooral de vrouwtjes minder plaats trouw. Jonge vogels zoeken een geschikte nestplek in de omgeving van hun ouderlijk nest. De paardenstal blijft behouden waarmee ook de nestgelegenheid en de nesten van de boerenzwaluwen volledig behouden blijft.
Categorie 1-4 Vogels met vaste verblijfplaatsen in bomen Volgens gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen op een afstand van minder dan één kilometer uit deze categorie boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief voor. Iets verderop zijn slechtvalk en zwarte wouw waargenomen volgens NDFF. Alle genoemde roofvogelsoorten kunnen leefgebied vinden in de bossen in de omgeving van het plangebied. Ook voor de ransuil die broedt in oude kraaien- of eksternesten en bij voorkeur roestplaatsen onderhoud in naaldbomen, ontbreekt geschikte nestgelegenheid. In het plangebied zijn geen beschermde nesten uit categorie 1-4 aanwezig, en worden ook niet verwacht. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zo zeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Binnen het plangebied bevind zich een valkenkast.
Deze is volgens bewoner de laatste jaren niet bezet geweest. De valkenkast zal behouden blijven zoals deze nu is. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen nesten foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 22
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Conclusie Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen In het plangebied is geen geschikte habitat waargenomen voor deze vogels. De te slopen varkensstallen zijn volledig ongeschikt als verblijfplaats. Er zijn in de te slopen stallen geen waarnemingen gedaan van sporen van uilen. De aanwezige uilenkast blijft behouden. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, uilen of gierzwaluwen verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in bomen Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. De voorgenomen plannen hebben geen negatieve effecten op het broed- en foerageergebied. In het plangebied en in de omgeving blijft voldoende geschikt broed- en foerageergebied behouden. Als het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Overige Vogelrichtlijnsoorten Alle vogels en hun actief in gebruik zijnde nesten zijn beschermd maar er zullen geen broedplaatsen direct verstoord worden door de werkzaamheden. Mogelijk dat ook de in de directe omgeving aanwezige vegetatie gebruikt wordt om te schuilen of te broeden.
Door de sloop van de bedrijfsgebouwen zal de kwaliteit van deze vegetatie niet verloren gaan en wordt het habitat van de vogels niet aangetast. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken. Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, boomrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd.
Het broeden in bebouwd gebied, en met name in dorpen waar een beek doorheen loopt, komt in de bolwerken (Twente, Achterhoek, Limburg) van de grote gele kwikstaart regelmatig voor. In de laatste decennia zijn grote gele kwikstaarten ook in steden buiten het reguliere broedgebied vastgesteld, zoals in Groningen en Breda. In het voorjaar en 's zomers zijn ze te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF zouden genoemde drie vogelsoorten in de buurt van het plangebied voor kunnen komen. Geen van de biotopen komt echter voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze drie uitgesloten kan worden.
5.4 Amfibieën, vissen, reptielen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemeen amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 23
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Dit is hier van toepassing. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vlinders en libellen In het plangebied zullen enkele algemene vlindersoorten voorkomen zoals klein koolwitje, boomblauwtje en citroenvlinder. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Overige soorten Overige beschermde soorten insecten, zoals verschillende kevers zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuild, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving.
Conclusie In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten.
5.5 Gebiedsbescherming Alle Natura 2000 gebieden liggen op minimaal 1,7 kilometer afstand van het plangebied. Het plangebied ligt direct aangrenzend aan een Natuur Netwerk Brabant (NNB) gebied. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. De sanering van de intensieve varkenshouderij met de daarbij behorende ammoniakemissie en de sloop van de stallen betekent een sterk verminderde milieudruk. In of in de directe nabijheid zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. De bestemmingswijziging zal niet leiden tot aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de omliggende NNB-gebieden. De intensieve varkenshouderij verdwijnt van het nabij gelegen Spruitenstroompje, de nieuw te bouwen loods word verder van het Spruitenstroompje vandaan gebouwd. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNB zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 24
Ecologische quickscan Larestraat 1a Esbeek
6. RESULTATEN EN ADVIES Resultaten en advies Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie
6.1 Voorkomende diersoorten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Voor de overige soortgroepen, waaronder vleermuizen uilen, huismus en gierzwaluw zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De soorten worden niet verstoord. De biotopen blijven behouden.
6.2 Resultaten De onderzoeksresultaten geven aan dat de planlocatie Larestraat 1a in Esbeek een zekere landschappelijke waarde heeft die met duurzame zorg gewaarborgd kan worden. Het erf functioneert aantoonbaar als leefgebied voor diverse soorten dieren, waarvoor verbeteringen zullen ontstaan. De intensieve varkenshouderij maakt plaats om de bestaande paardenfokkerij uit te breiden, tevens wordt er op de plaats waar nu de varkensstallen staan in de toekomst een schuur gebouwd met enkele recreatie appartementen. De aangetroffen en potentieel voorkomende soorten zijn merendeels algemene cultuur volgende soorten, juridisch vallend onder het lichte beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Met de herontwikkeling worden meer groenstructuren aangeplant waardoor foerageermogelijkheden voor onder andere huismussen worden verbeterd.