CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 bp Het Doel tussen 9 en 15 (3 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 2 februari 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Doel tussen nrs. 9 en 15".11.518 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Vastgesteld

Bestemmingsplan “Het Doel ongenummerd” Gemeente Hilvarenbeek

plancode: NL.IMRO.0798.BPHetDoel1113-VG01

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

Datum: 24 januari 2023 Status: Vastgesteld

.

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Toelichting

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................. 7 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................. 7 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................ 7 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 7 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................... 7 1.5 LEESWIJZER ............................................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE...................................................................................... 10 2.1 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR ............................................................................. 10 2.2 BESTAANDE SITUATIE.............................................................................................................. 10 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING.........................................................................................

12 3.1 NIEUWE ONTWIKKELING .......................................................................................................... 12 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 14 4.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 14 4.2 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................................................. 15 4.3 GEMEENTELIJK BELEID ............................................................................................................ 17 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................. 19 5.1 INLEIDING ............................................................................................................................... 19 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING .................................................................................................... 19 5.3 WATER .................................................................................................................................. 20 5.4 NATUUR .................................................................................................................................

22 5.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ....................................................................................... 25 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES .................................................................................. 27 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 30 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 31 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 32 5.10 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................... 33 5.11 EXTERNE VEILIGHEID .............................................................................................................. 33 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR ............................................................................................... 35 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING .................................................................. 36 6.1 VERANTWOORDING PLANVORM ................................................................................................

36 6.2 SYSTEMATIEK BESTEMMINGEN ................................................................................................ 36 6.3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................................................. 36 HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 39

HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ...................................................................................................... 40 8.1 OMGEVINGSDIALOOG .............................................................................................................. 40 8.2 VOOROVERLEG ...................................................................................................................... 40 8.3 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 40 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 41

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Voor een terrein aan Het Doel in Hilvarenbeek wordt beoogd om in gelijke vorm als de rest van de straat twee geschakelde woningen te realiseren. Het plangebied is tot op heden in gebruik geweest bij de bestaande woningen aan de Doelenstraat, direct westelijk gelegen. Om de bouw en het gebruik van de twee woningen te vergunnen is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Hilvarenbeek, tussen de bestaande woningen aan Het Doel 9 en 15 in het dorp Hilvarenbeek. Onderstaande luchtfoto’s geven zicht op het noordelijk deel van het dorp Hilvarenbeek en de ligging van de locatie.

Luchtfoto: noordelijk deel van Hilvarenbeek, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3

Doel

Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een regeling om de bouw en gebruik van twee geschakelde woningen te vergunnen.

1.4

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is voor het grootste deel van het plangebied het bestemmingsplan “Kern Hilvarenbeek” en “Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018”. Het perceel kent de bestemming ‘Wonen’. Binnen de bestemming zijn alleen bestaande woningen toegestaan. Omdat de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding -1’ is opgenomen is een niet permanente woning toegestaan. De maximale bouwhoogte en goothoogte zijn aangeduid en bedragen 9, respectievelijk 6,5 meter. Ter bescherming van archeologische waarde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Ter bescherming van de werking van de aan de Doelenstraat gelegen molen is een molenbiotoop van kracht. Een deel van het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Woongebieden en bedrijventerreinen Hilvarenbeek’. Net als voor de rest van het plangebied geldt de bestemming ‘Wonen’ en is de bouw BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

van nieuwe woningen uitgesloten. De maximale bouwhoogte en goothoogte zijn aangeduid en bedragen 9, respectievelijk 6 meter. De volgende afbeelding toont de bestemming ter plaatse van het plangebied voor zover gelegen in het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Hilvarenbeek’.

Uitsnede bestemmingsplankaart ruimtelijkeplannen.nl

“Kern

Hilvarenbeek”

met

in

rood

het

plangebied,

bron:

De volgende afbeelding toont de ligging van het plangebied voor zover gelegen in het vigerend bestemmingsplan ‘Woongebieden en bedrijventerreinen Hilvarenbeek’.

Uitsnede bestemmingsplankaart “Woongebieden en bedrijventerreinen Hilvarenbeek” met in rood het plangebied, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.5

Leeswijzer

Het bestemmingsplan Het Doel ongenummerd bestaat uit een set regels en verbeelding en een toelichting daarop. Voorliggende toelichting bevat bovendien de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen van het beoogde nieuwe bestemmingsplan.

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de ontwikkeling past binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de ontwikkeling. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied waar de twee geschakelde woningen zijn gepland zijn gelegen aan Het Doel in Hilvarenbeek. Op de locatie is nu een bestaande schuur aanwezig. Het betreft een ‘gat’ in de bestaande stedenbouwkundige structuur van de straat. Het Doel is een woonhof waar rond het hofje dezelfde woningen (vrijstaand, geschakeld) aanwezig zijn. Binnen de omgeving overheerst de woonfunctie. De volgende foto’s tonen de bestaande situatie. De rode lijn geeft het straatbeeld ter plaatse van het plangebied weer.

Foto’s bestaande situatie en omgeving aan Het Doel. Bron: Google.com.

2.2

Bestaande situatie

Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen met nummers Sectie E: 5201, 5415 en 5417. De totale oppervlakte van het plangebied is 447 m2. Het plangebied op dit moment deels bebouwd met een bestaande schuur (circa 40 m2) voor de stalling van auto’s. Het plangebied is bereikbaar via Het Doel. Hiervoor is een verharding aangelegd (circa 40 m2). De bestaande schuur is relatief laag en valt door de vooruitgeschoven positie uit de toon in het bestaande stedenbouwkundige patroon van Het Doel. 10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Ook wordt het plangebied gebruikt als tuin. Het perceel met nummer 5201 wordt gebruikt bij de woning aan Het Doel 15. De andere twee kadastrale percelen (5415 en 5417) worden gebruikt door de woning aan Doelenstraat 48. De volgende foto geeft zicht op de bestaande situatie binnen het plangebied.

Luchtfoto ingezoomd op de locatie. Bron: kadastralekaart.com

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1

Nieuwe ontwikkeling

Dit bestemmingsplan voorziet in een regeling op basis waarvan de bouw van twee vrijstaand, geschakelde woningen kan worden vergund. Beide woningen hebben een zelfde vorm als de reeds bestaande woningen aan Het Doel. Op die manier wordt het ‘gat’ in de bestaande stedenbouwkundige structuur op een zorgvuldige wijze aangevuld. Rekening houdend met actuele eisen in het bouwbesluit gaan de woningen beschikken over een goothoogte van circa 6 meter en een bouwhoogte van circa 9,5 meter. Dit sluit aan op de hoogten van de aanliggende panden.

Impressie van de inpassing van de twee nieuwe woningen in het straatbeeld. Bron: Asten Doomen Architecten.

12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Illustratie van de hoogten van nieuwe woningen. Bron: Asten Doomen Architecten.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • •

de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - Rijksvaarwegen; - Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen - Elektriciteitsvoorziening; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuur Netwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om twee nieuwe woningen te realiseren. Volgens jurisprudentie is de bestemming van twee nieuwe woningen niet te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toepassing van de Ladder is daarom niet aan de orde.

Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de nieuwe ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wel moet worden onderbouwd. De wijze waarop de bouw van twee vrijstaand, geschakelde woningen zich verhouden tot het volkshuisvestingsbeleid en de regionale afstemming hierover is opgenomen in paragraaf 4.3 van de toelichting.

4.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat de nieuwe woningen op een passende wijze stedenbouwkundig zijn ingepast en onderdeel worden van een bestaand woonhof.

Bovendien wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut voor de huisvestingsopgave waardoor de ruimteclaim op natuur en landschap voor woningbouw buiten het bestaand stedelijk gebied kleiner wordt. De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden.

In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Op basis van kaart 3 voor gemeenten – stedelijke ontwikkeling en erfgoed is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijke kern” en dat sprake moet zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving.

Uitsnede kaart 3, Interim Omgevingsverordening De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van twee vrijstaand, geschakelde woningen. Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma zoals beschreven in paragraaf 4.3 en is daarmee in het regionaal ruimtelijk overleg afgezet tegen de actuele behoefte. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor sprake is van 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

zorgvuldig ruimtegebruik. De woonfunctie is passend binnen de omgeving die gedomineerd wordt door woningen. Hierdoor wordt er aangesloten op de bestaande lagen (ondergrond- netwerk- en bovenste laag). Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in de bestaande bebouwde kom van Hilvarenbeek. Een bestaand ‘gat’ in het bebouwingspatroon aan het woonhof Het Doel wordt stedenbouwkundig verantwoord afgerond. De bouwhoogten zijn afgestemd op de hoogten van de bestaande panden. De ontwikkeling past daardoor binnen de omgeving en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door het beter benutten van gronden in bestaand stedelijk gebied.

De lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond (zoals bodem, grondwater en archeologische waarden), de netwerklaag (zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen en een goede afwikkeling van personen en goederenvervoer) en de bovenste laag (zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functies en de bebouwing de effecten op bestaande toekomstige functies en de effecten op volksgezondheid en milieu). In deze toelichting is beschreven hoe wordt omgegaan met de verschillende effecten op de drie lagen. Hieruit blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op de waarden in het gebied met de beoogde ontwikkeling. Hierbij speelt nog dat een bestaand, oorspronkelijk bebouwingspatroon in een bestaande woongebied van het dorp Hivarenbeek wordt benut voor een reeds jarenlang bestaande functie (wonen). Hierdoor moet worden geconcludeerd dat vanuit het verleden gezien het plangebied is gelegen op een plek die van oudsher geschikt werd gevonden om te bewonen. Er is sprake van een toekomstbestendige ontwikkeling. De meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierbij kan de fysieke verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Doordat sprake is van een afronding van een bestaande hofstructuur, is sprake van een versterking van de bestaande stedenbouwkundige eenheid.

4.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Hilvarenbeek, een hartveroverende heerlyckheid Op 25 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de structuurvisie vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Hilvarenbeek wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. De structuurvisie heeft per kern en per deelgebied een aantal uitgangspunten benoemd die gelden voor nieuwe, nog niet bestemde ontwikkelingen. De locatie is gelegen in de zone “Woongebied dorps”. Voor deze zone geldt met betrekking tot nieuwe initiatieven in algemene zin en woningbouw in het bijzonder dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm zullen worden veroorzaakt. Er zal aangesloten moeten worden op het actuele woonbeleid. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

Met de inpassing van woningen die van gelijke vorm en type zijn als de woningen in de directe omgeving moet geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan het gestelde in de Structuurvisie. Volkshuisvesting; Woonvisie Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in 2009 haar woonvisie vastgesteld. De inhoud en strekking van deze woonvisie is de visie van de gemeenteraad betreffende de gewenste ontwikkelingen op het beleidsterrein wonen. De gemeenteraad geeft daarmee kaders aan voor de beleidsuitvoering op dit terrein. Kort samengevat worden de kernvragen beantwoord, zoals welk type woningen moeten in de sociale of vrije sector worden gebouwd voor welke doelgroepen, in welke aantallen en tegen welke prijs. De gemeenteraad legt hiermee de onderbouwde en beargumenteerde keuzes vast. Dit beleid is het woonbeleid voor de komende 10 jaren met een doorkijk naar de tien jaren daarna. Het is goed periodiek kort stil te staan bij de resultaten van het uitgevoerde beleid en indien nodig daarop bij te sturen De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van twee woningen voor zogenaamde doorstromers. Het woonbeleid voor deze doelgroep is vooral gericht op het bouwen van woningen die aansluiten bij de wooncarrière van deze huishoudens en het stimuleren van de doorstroming zodat ook voor deze doelgroepen interessante woningen beschikbaar komen.

Met de beoogde bouw van deze woningen wordt rechtstreeks uitvoering gegeven aan het beleid voor deze doelgroep.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1

en

planologische

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

5.2

Parkeren en ontsluiting

De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Hilvarenbeek het “Parkeerbeleidsplan 2015-2020” vastgesteld. Dit plan is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor elke ontwikkeling speelt de vraag wat de parkeerbehoefte is en of deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor een vrijstaande koopwoning in de rest bebouwde kom wordt een norm van 1,9-2,7 parkeerplaatsen per woning aangehouden. Met het bouwplan worden er per woning 2 parkeerplaatsen op het eigen erf aangelegd waarmee voldaan is aan deze norm. De volgende afbeelding toont in rood de ligging van de parkeerplaatsen.

Ligging van de parkeerplaatsen. Bron: Asten Doomen Architecten. Ontsluiting en verkeersgeneratie De ontsluiting van de nieuwe woningen zal plaatsvinden via een eigen inrit per woning. De inrit weegt uit op Het Doel. Met de ontwikkeling wordt een beperkte toename verwacht als gevolg van de nieuwe woningen. Doordat de ontsluiting van het perceel voor het gebruik van de woning aan de Doelenstraat komt te vervallen zal de toename aan verkeersbewegingen verwaarloosbaar klein zijn. De BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

wegcapaciteit van Het Doel is geschikt voor de beperkte toename aangezien ze gebruikt en ingericht is als woonerf. De verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw kan gemakkelijk door de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld.

5.3

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd.

De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Op planniveau is conform het beleid van het waterschap voor de realisatie van plannen met een verhardingstoename kleiner dan 500 m2 geen compensatie vereist en hoeft geen watertoets doorlopen te worden. Het gemeentelijk waterbeleid; “Hemel en Grondwaterbeleid Hilvarenbeek” Volgens de Nieuwe Waterwet uit 2009 beginnen de nieuwe zorgplichten op hemel- en grondwater bij de perceelseigenaar. Zij moet het in eerste instantie op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet redelijkerwijs kan. Met de Nieuwe Waterwet heeft de gemeente nu ook juridische instrumenten om een meer duurzame omgang met water af te dwingen. Bij de woningbouwontwikkelingen wordt getracht een betere onderbouwing te krijgen van de bouwplannen in relatie tot optredende grondwaterstanden.

De laatste jaren streeft de gemeente Hilvarenbeek ook naar het afkoppelen van hemelwater van het vuile rioolwater bij de uitvoering van rioolvervangingen. Om wateroverlast te voorkomen is het ook nodig om op de ontwikkellocatie maatregelen tot het vasthouden van hemelwater te nemen. Om de afkoppelambitie van de gemeente op een doelmatige manier te realiseren is, buiten de aanpassingen in het rioolstelsel en openbare ruimte, de aanscherping ten opzichte van het hydrologisch neutraal bouwen ten opzichte van de Keur nodig. Hierbij moet het afstromend hemelwater worden behandeld volgens de hierboven genoemde voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Op basis van de in bijlage 2 van het “hemel en grondwaterbeleid” van de gemeente is de 20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

watertoetsprocedure doorlopen. Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermde zone”. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Voor de toekomstige verharding zijn reële aannames gedaan. Door de planontwikkeling met 2 woningen en het deels verharden van het terrein met terreinverharding neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie licht toe. De verharding als gevolg van het dakvlak en terreinverharding bedraagt circa, 300 m2. In de bestaande situatie is sprake van een schuur van 40 m2 en een terreinverharding van 40 m2. De verharding neemt hierdoor toe met 220 m2. Het gemeentelijk beleid stelt dat stelt dat bij her- en nieuwbouw van meer dan 250 m2 hemelwater op eigen terrein moet worden opgevangen. Een verhard oppervlak van 300 m2 moet dus ook volgens gemeentelijk beleid worden opgevangen op eigen terrein. Bodem en Grondwater Op basis van een in de nabijheid van het plangebied gelegen, beschikbaar booronderzoek in het DINOloket (ID: B50F0732) bestaat de bodem tot een diepte van ruim drie meter uit zand. Zand is uitermate geschikt voor infiltratie. De maaiveldhoogte is gelegen op 16,20 meter t.o.v NAP. De Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is op basis van de bodematlas gelegen op 40 tot 80 centimeter onder maaiveld (grondwatertrap VI).

De bodemgesteldheid en de ligging van het grondwater maakt dat de bodem geschikt is voor infiltratie. Oppervlaktewater Op het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater In de nieuwe situatie is het verhard oppervlak 300 m2. Gelet op de te bergen opgave van 60 mm volgens de webgispublisher van waterschap de Dommel, behoort 18 m3 te worden geborgen, waarna het vertraagd mag infiltreren in de bodem. Bij de uitwerking zal ook een noordoverlaat worden opgenomen met een afvoer naar een bestaande waterafvoer in de omgeving zoals bijvoorbeeld een bestaande straatkolk. Op het perceel is ter plaatse van de twee opritten bij de woningen voldoende ruimte om middels de aanleg van infiltratiekratten te voorzien in berging. De exacte hoeveelheid te bergen hemelwater zal bij de uitwerking van de bouwplannen worden berekend. De inpassing van een bergingsvoorziening is nog niet uitgewerkt. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal dit worden uitgewerkt. Met het gemeentelijk waterbeleid is dit geborgd. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw.

Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden aan het bestaand gemeentelijk riool.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

Geconcludeerd moet worden dat voor het aspect water geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Natuuronderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is een natuuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in zijn geheel toegevoegd aan dit bestemmingsplan. De conclusie luidt als volgt; Gebiedsbescherming Het plangebied, gelegen in de bebouwde kom van Hilvarenbeek, is niet gelegen in een Natura-2000 gebied of behorende tot NNB gebieden. Natura 2000 gebied Kempenland-West ligt hemelsbreed op 2,3 kilometer afstand. Tussen de planlocatie en het Natura 2000 gebied ligt onder de halve bebouwde kom van Hilvarenbeek en agrarisch buitengebied. De instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000 gebieden zullen naar alle waarschijnlijkheid geen negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkelingen (gedeeltelijke sloop) als het gaat om emmissie van licht en geluid. Dit door de grote afstand, de bebouwde omgeving, het ontbreken van Habitatrichtlijn-soorten ter plaatse of geschikte biotopen hiervoor en de kleinschaligheid van de ontwikkeling.

De emmissie van stikstof en het effect hiervan op de omliggende Natura-2000 gebieden is in een losse berekening bij het plan gevoegd. De locatie is hemelsbreed gelegen op een afstand van 600 meter van een terrein behorende tot het provinciale deel van NNB. Dit betreft vochtig hooiland. Tussen dit gebied en de planlocatie ligt 550 meter bebouwde omgeving en vervolgens de provinciale weg N269. Op de planlocatie zelf of de directe omgeving ervan komen geen vergelijkbare na-tuurtypen voor zoals vochtig hooiland. De geplande ontwikkelingen hebben geen significant meetbare negatieve effecten op de dichtstbijliggende NNB gebieden. Dit door de grote afstand, de bebouwde omgeving, de provinciale weg N269, het ontbreken van geschikte of ondersteunende natuurtypen ter plaatse en de kleinschaligheid van de ontwikkeling. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden of andere provinciaal beschermde gebieden zoals de blauwgroene mantel. Er vindt geen verhoogde emmissie van licht, geluid of stoffen plaats, significant anders dan het huidig gebruik. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Flora Bij de bureaustudie kwamen geen waarnemingen of meldingen van wettelijk beschermde soorten naar voren in de directe nabijheid van het plangebied . Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan.

De locatie laat zich omschrijven als aangelegde tuin en garage binnen de bebouwde kern. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Ongewervelden Bij de bureaustudie kwamen geen waarnemingen of meldingen van wettelijk beschermde soorten naar voren in de directe nabijheid van het plangebied. Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen en kevers, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten 22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Amfibieën, vissen en reptielen Bij de bureaustudie kwamen geen waarnemingen of meldingen van wettelijk beschermde soorten naar voren in de directe nabijheid van het plangebied. Potentiële geschikte natuurlijke water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. De aangelegde vijver in de achtertuin is niet in gebruik als biotoop voor beschermde beschermde amfibieën- of vissoorten. De vijver ligt volledig ingebouwd in de bebouwde omgeving en heeft geen connecties met overige waterlichamen of natuurlijke natte biotopen. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaat-sen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing).

Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Broedvogels Bij de bureaustudie van NDFF gegevens kwamen er diverse waarnemingen of meldingen van wettelijk beschermde soorten met jaarrond beschermde nesten naar voren in de directe nabijheid van het plangebied (zie bijlage NDFF gegevens: het-doel4983638560236056095. pdf). In de bebouwde kom van Hilvarenbeek zijn diverse waarnemingen gedaan van huismus en gierzwaluw. Ook de nestlocaties van deze soorten genieten jaarronde bescherming. Op de planlocatie zelf zijn geen waarnemingen gedaan. In theorie zou de lage garage kunnen dienen als verblijfslocatie voor huismussen. Voor gierzwaluwen is de bebouwing te laag en is de dakconstructie niet stijl genoeg. Er is met nadruk gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, gierzwaluwen en huismussen, soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd kunnen zijn. Alle potentiële nestlocaties waren visueel goed te onderzoeken.

Er zijn geen huismussen waargenomen op of in de directe omgeving van de planlocatie. Er zijn geen nesten of sporen hiervan, prooiresten of uitwerpselen van huismussen aangetroffen in de te slopen bebouwingsdelen. Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Kap in deze periode verkleind de kans op verstoring van broedende vogels. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.

Initiatiefnemer dient rekening te houden dat de ontwikkelingen geen fysieke verstoring van nestlocaties van broedende vogels (zoals vernietiging, verplaatsing of bewuste verjaging) tot gevolg heeft. Zoogdieren Bij de bureaustudie kwamen geen waarnemingen of meldingen van wettelijk beschermde soorten naar voren in de directe nabijheid van het plangebied. Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de bunzing, boom- en steenmarter, hermelijn en wezel eveneens beschermd. In potentie zou de locatie (bebouwing) geschikt leefgebied kunnen bevatten voor de genoemde marterachtigen. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Alle bebouwingsdelen op de planlocatie waren visueel goed te onderzoeken. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Ook de directe omgeving van de planlocatie, dichtbewoonde bebouwde kern, vertoont geen directe sporen of potentieel leefgebied voor marters. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten.

De checklist van het Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtpunten: • Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam,- zomer- en paarverblijf-plaatsen, • zijn er sporen van aanwezigheid en • is er sprake van een foerageergebied? De bebouwing is uitvoerig geïnspecteerd op het voorkomen van sporen en potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen in de diverse seizoenstadia. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Hiervoor is eveneens een camera met endoscoop voorhanden gebruikt. De garagebox heeft geen spouwopeningen en vertoont nergens tussenruimtes of holtes die geschikt zijn als verblijfslocatie voor vleermuizen. Meststrepen op de muren, uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duidden op de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen ontbreken. De bebouwing is niet in gebruik als verblijfslocatie door vleermuizen. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen.

Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken. De planlocatie wordt gevormd door de onderbreking van een bebouwingslint. Men is voornemens dit lint te verdichten met woningen. In de omgeving van de planlocatie zijn meer dan voldoende lijnvormige structuren aanwezig alsmede alternatieve vliegroutes voor cultuurvolgende vleermuizen die zich in de meer dichtbebouwde kom bevinden. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woningen is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat.

Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Een stikstofberekening is uitgevoerd en als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Per 1 juli 2021 geldt op basis van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering een vrijstelling voor de tijdelijke stikstofemmissie als gevolg van de aanlegfase in de bouwsector. De berekening van de emissie als gevolg van de aanlegfase is om die reden niet uitgevoerd. 24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Ten aanzien van de gebruiksfase geldt dat de woningen door middel van elektrische installaties worden verwarmd. Ten aanzien van het gebruik geldt dat alleen de verkeersbewegingen van en naar de woningen zal leiden tot een uitstoot van stikstof. Hiervoor is door middel van het programma AERIUS een berekening gemaakt. Op basis van de kengetallen van het CROW zijn per woning 8 motorvoertijgbewegingen per etmaal aangehouden. Het totaal aantal voertuigbewegingenbedraagt daardoor (2 x 8) 16 per etmaal. In de berekening is een lijnbron ingevoerd die opgaat in de Schutterseweg en Doelenstraat. Gezien het aantal verkeersbewegingen aan de Doelenstraat kan worden aangenomen dat zodra de voertuigen als gevolg van het project de Doelenstraat hebben bereikt, ze zijn opgegaan in het heersend verkeersbeeld. Als rekenjaar is 2022 aangehouden. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 2 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van Natura-2000 gebieden kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in de gebruiksfase.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 het archeologiebeleid ‘Verborgen tussen het groen’ vastgesteld. Hierin is de archeologische verwachtingswaarde voor het gehele gemeentelijke grondgebied in kaart gebracht. Uit de beleidskaart kan worden opgemaakt dat het plangebied een ‘middelhoge/ onbekende archeologische verwachting’ kent (zie de volgende afbeelding).

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

Uitsnede archeologiebeleidskaart Hilvarenbeek; Bron gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in een aantal gevallen haar archeologiebeleid reeds doorvertaald naar haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied is dat nog niet het geval. De verwachtingswaarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 2.500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Het beoogde bouwplan zal niet groter zijn dan 2.500 m2 en dieper reiken dan 50 centimeter aangezien de oppervlakte van het plangebied slechts 447 m2 bedraagt. Een onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verder geldt dat als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Het beleid met betrekking tot cultuurhistorie in de gemeente Hilvarenbeek is vastgelegd in De Cultuurhistoriekaart van juni 2013.

De kaart maakt inzichtelijk welk cultuurhistorisch-landschappelijk en historisch- (steden)bouwkundig erfgoed in de gemeente Hilvarenbeek aanwezig is. De cultuurhistoriekaart heeft daarmee allereerst een belangrijke attentiewaarde. Het betreft een basisdocument van waaruit zaken als waardering, erfgoedbeleid en publiekseducatie verder uitgewerkt kunnen worden. Tevens maakt de kaart het mogelijk om te bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen bedreigend kunnen zijn voor de cultuurhistorische waarden.

26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede cultuurhistoriekaart; Bron gemeente Hilvarenbeek Het plangebied zelf kent geen cultuurhistorische waarden. Wel is ze gelegen in de zone ‘Molenbiotoop’. Deze zone is bedoeld ter bescherming van de werking en cultuurhistorische waarden van de molen. Molenbiotoop In de nabijheid van het plangebied is op een afstand van 105 meter een molen aanwezig. Ter bescherming van de werking en uitstraling van dit cultureel erfgoed geldt een molenbiotoop. De regels voor nieuwe bebouwing zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Nieuwe bebouwing op een afstand van meer dan 100 en tot 400 meter gemeten vanaf de molen dient rekening te houden met een maximale hoogte van 3,72 meter + 1/30 van de afstand van de bebouwing tot de molen. 1/30 x 105 meter is 3,50 meter. Dit maakt dat de totale hoogte 3,72 + 3,50 meter = 7,22 meter mag bedragen. Deze hoogte is onvoldoende om het gewenste bouwplan te realiseren echter met toepassing van een afwijkingsregel in het bestemmingsplan (artikel 28.2.23) kan een omgevingsvergunning worden verleend om van de hoogtebepaling af te wijken. De vrije windvang, het functioneren en het zicht op de molen mag net in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast.

Door de reeds aanwezige bebouwing rond het plangebied dat bovendien dichter op de molen is gelegen dan de beoogde nieuwe woningen dat doen, staat vast dat de windvang en het zicht op de molen niet verder beperkt wordt door de nieuw op te richten bebouwing. Van een onevenredigheid is geen sprake. Een hogere bouwhoogte dan volgens de molenbiotoop is toegestaan is mogelijk en zal de werking en uitstraling van de molen niet schaden. Middels een binnenplanse afwijking zal vergunning worden verleend aan het bouwplan. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

27

toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van een woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd. Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging.

Algemeen uitgangspunt In het kader van dit bestemmingsplan worden twee nieuwe woningen bestemd en daarmee wordt voorzien in nieuwe gevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen dient te worden beoordeeld. Daarnaast dient te worden beoordeeld bestaande bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied niet nadelig wordt belemmerd met betrekking tot de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Zonering In de nabijheid van het de projectlocatie zijn enkele maatschappelijke bestemmingen en een bestemming voor dienstverlenende activiteiten gelegen. Het gaat om de volgende activiteiten. Bedrijfsactiviteiten Zuidelijk van het plangebied is een tweetal maatschappelijke bestemmingen gelegen. In de volgende afbeelding zijn deze aangeduid. Aan Schuttersweg 40 is dat een voormalig politiekantoor (1). Aan de Doelenstraat is dat een bestaande begraafplaats (2). Maatschappelijke bestemmingen kennen activiteiten met een maximale milieucategorie 2. De richtafstand hiervoor is 30 meter. Voor een begraafplaats geldt op basis van de VNG-brochure een milieucategorie 1. De richtafstand is 10 meter. De afstand van deze bestemmingen tot het plangebied is veel groter. Noordelijk van het plangebied, gelegen aan Doelenstraat is een bestaande molen (3) (maatschappelijke bestemming) en een bestemming voor dienstverlenende activiteiten (4) aanwezig.

Zoals beschreven geldt voor en maatschappelijke bestemming de maximale milieucategorie 2. Voor de molen geldt daarnaast nog de molenbiotoop. Hier is op ingegaan in paragraaf 5.5. Ook voor de bestemming Dienstverlenig geldt een maximale milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan.

28

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3 55 meter

4 45 meter 75 meter

2

55 meter

1

Uitsnede bestemmingsplan met aangeduid de bedrijfsbestemmingen. Bron: ruimtelijkeplannen.nl Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woningen. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; • Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12368652/1