CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 bp Beekseweg 4a (4 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Beekseweg 4a".12.420 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Vastgesteld

Bestemmingsplan “Beekseweg 4a” Gemeente Hilvarenbeek

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

Datum: 15 februari 2022 Status: Vastgesteld plancode: NL.IMRO.0798.BPBeekseweg4a-VG01.

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Toelichting

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................. 7 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................. 7 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................ 7 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 7 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................... 7 1.5 LEESWIJZER............................................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ....................................................................................... 9 2.1 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR ............................................................................... 9 2.2 BESTAANDE SITUATIE ............................................................................................................... 9 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ........................................................................................

11 3.1 NIEUWE ONTWIKKELING .......................................................................................................... 11 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 13 4.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 13 4.2 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................................................. 14 4.3 GEMEENTELIJK BELEID............................................................................................................ 16 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................. 18 5.1 INLEIDING .............................................................................................................................. 18 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING .................................................................................................... 18 5.3 WATER .................................................................................................................................. 18 5.4 NATUUR.................................................................................................................................

20 5.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ...................................................................................... 21 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................. 23 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 29 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 30 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 31 5.10 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................... 33 5.11 EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................................................. 33 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR............................................................................................... 35 5.13 GEZONDHEID ......................................................................................................................... 35 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING..................................................................

39 6.1 VERANTWOORDING PLANVORM ............................................................................................... 39 6.2 SYSTEMATIEK BESTEMMINGEN ................................................................................................ 39 6.3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................................................. 39 HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 41

HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ...................................................................................................... 42 8.1 VOOROVERLEG ...................................................................................................................... 42 8.2 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 42 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 43

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Voor terrein aan de Beekseweg 4 in Diessen, gelegen aan de westzijde van de bestaande woning wordt beoogd om een nieuwe woning te realiseren. Op grond van artikel 16.1.2 onder a mag het aantal woningen per bouwperceel niet meer bedragen dan het bestaande aantal. Daarnaast vindt een gedeeltelijke afwaardering van de noordelijk gelegen bedrijfsbestemming plaats. Om de bouw van de woning te vergunnen en de gedeeltelijke afwaardering van het bedrijfsbestemming mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Hilvarenbeek, aan de Beekseweg 4 in het dorp Diessen. Onderstaande luchtfoto’s geven zicht op het westelijk deel van het dorp Diessen en de ligging van de locatie. De rode aanduiding in luchtfoto 1 is het kader van luchtfoto 2.

Luchtfoto: noordelijk deel van Diessen, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3

Doel

Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een regeling om de bouw van een nieuwe woning aan de Beekseweg gelegen tussen de huisnummers 4 en 6 te vergunnen.

1.4

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Kern Diessen” en “Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018”. Een deel van het perceel kent de bestemming ‘Wonen’. Op het perceel is deels de aanduiding ‘vrijstaand’ opgenomen. Binnen deze zone zijn bestaande, vrijstaande woningen toegestaan. De maximale bouwhoogte en goothoogte zijn aangeduid en bedragen 9, respectievelijk 4 meter. Het andere deel van het plangebied kent de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’, zonder bouwvlak. Dat wil zeggen dat de met deze bestemming aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven ten hoogste tot en met milieucategorie 3.2 (als BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

vermeld in de staat van bedrijfsactiviteiten. Een deel van de bestemming beschikt over een bouwvlak. Binnen dit bouwvlak is het bouwen van gebouwen toegestaan. De volgende afbeelding toont de bestemmingen ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede bestemmingsplankaart ruimtelijkeplannen.nl

1.5

“Kern

Diessen”

met

in

rood

het

plangebied,

bron:

Leeswijzer

Het bestemmingsplan Beekseweg 4a bestaat uit een set regels en verbeelding en een toelichting daarop. Voorliggende toelichting bevat bovendien de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen van het beoogde nieuwe bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de ontwikkeling past binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de ontwikkeling. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied waar de nieuwe woning is gepland, is onderdeel van de bestaande lintstructuur van de Beekseweg. Deze weg vormt een belangrijke infrastructurele drager van het dorp Diessen. De bebouwingsstructuur is zeer divers. Er komen veelal vrijstaande woningen voor die allen een eigen uitstraling en vorm hebben. Naast de woonfunctie is ook (kleinschalige) bedrijvigheid aan de straat gelegen. Het plangebied zelf wordt aan de west en oostzijde door woningen omgeven. De volgende foto geeft zicht op de Beekseweg ter hoogte van het plangebied. Links op de foto is de locatie van de nieuwe woning gelegen.

Foto bestaande situatie en omgeving aan de Beekseweg Aan de noordzijde van het plangebied is het bedrijventerrein De Buskes gelegen.

2.2

Bestaande situatie

Het nieuwe bouwperceel ten behoeve van de nieuwe woning is op dit moment onbebouwd. Een deel van het plangebied valt binnen het bedrijfsperceel aan de Buskes 12. Ter plaatse van het nieuwe bouwperceel is een bijgebouw en een zwembad met bijbehorende voorzieningen gesitueerd. Het perceel is met veel groen omzoomd. Het deel van het perceel waar de nieuwe woning is gepland is vrij van bebouwing.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Luchtfoto ingezoomd op de locatie. Bron: www.Quadrant4

10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1

Nieuwe ontwikkeling

Dit bestemmingsplan voorziet in een regeling op basis waarvan de bouw van maximaal 1 woning kan worden mogelijk gemaakt. De nieuwe woning is ten opzichte van de voorgevel van nummer 4 en 6 verder naar achter gesitueerd. Op deze manier blijft voldoende openheid op het perceel bestaan en behoud de karakteristieke woning op nummer 4 haar eigenheid. De maximale bouwhoogte bedraagt 6 meter en de maximale goothoogte bedraagt 4 meter. Dit sluit aan op de hoogten die is geregeld in de bestemming “Wonen” die ook geldt voor alle andere woonpercelen in de directe omgeving.

Illustratie van de beoogde nieuwe situatie De volgende afbeeldingen tonen de voorgevel en een doorsnede van de woning. Onder de woning is een kelder gepland.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Voorgevel van de beoogde nieuwe woning.

Doorsnede van de beoogde nieuwe woning met daarin zichtbaar de kelder.

Het bedrijfsperceel aan de noordzijde aan De Buskes 12 blijft de bestemming ‘Bedrijventerrein’ houden. Deze wijziging voor dit deel van het perceel houdt in dat de milieucategorie verlaagd wordt, namelijk van een milieucategorie 3.2 naar 3.1. Voor het overige blijft de bedrijfsbestemming in stand.

12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • •

de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - Rijksvaarwegen; - Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen - Elektriciteitsvoorziening; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuur Netwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om één nieuwe woning te realiseren. Volgens jurisprudentie is de bestemming van één nieuwe woning niet te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toepassing van de Ladder is daarom niet aan de orde.

Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de nieuwe ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wel moet worden onderbouwd. De wijze waarop de bouw van één vrijstaande woning zich verhoudt tot het volkshuisvestingsbeleid en de regionale afstemming hierover is opgenomen in paragraaf 4.3 van de toelichting.

4.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat de woning op een passende wijze stedenbouwkundig is ingepast en onderdeel wordt van een bebouwingslint.

Bovendien wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor de ruimteclaim op natuur en landschap voor woningbouw buiten het bestaand stedelijk gebied kleiner wordt. Bovendien wordt ten behoeve van de nieuwe woning een deel van de ten noorden gelegen bedrijfsbestemming afgewaardeerd tot een lagere milieucategorie. De beoogde ontwikkeling past daarom binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

verwachting treedt de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden.

In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Op basis van kaart 3 voor gemeenten – stedelijke ontwikkeling en erfgoed is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijke kern” en dat sprake moet zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving.

Uitsnede kaart 3, Interim Omgevingsverordening

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 1 woning. Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma zoals beschreven in paragraaf 4.3 en is daarmee in het regionaal ruimtelijk overleg afgezet tegen de actuele behoefte. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De woonfunctie is passend binnen de omgeving die gedomineerd wordt door woningen. Hierdoor wordt er aangesloten op de bestaande lagen (ondergrond- netwerk- en bovenste laag). Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in de bestaande bebouwde kom van Diessen. Het bestaand bebouwingspatroon aan de Beeksweg wordt aangevuld. De bouwhoogten zijn afgestemd op de hoogten van de bestaande panden.

De ontwikkeling past daardoor binnen de omgeving en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door het beter benutten van gronden in bestaand stedelijk gebied. De lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond (zoals bodem, grondwater en archeologische waarden), de netwerklaag (zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen en een goede afwikkeling van personen en goederenvervoer) en de bovenste laag (zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functies en de bebouwing de effecten op bestaande toekomstige functies en de effecten op volksgezondheid en milieu). In deze toelichting is beschreven hoe wordt omgegaan met de verschillende effecten op de drie lagen. Hieruit blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op de waarden in het gebied met de beoogde ontwikkeling. Hierbij speelt nog dat een bestaand bebouwingspatroon aan de Beekseweg wordt aangevuld. Hierdoor moet worden geconcludeerd dat vanuit het verleden gezien het plangebied is gelegen op een plek die van oudsher geschikt werd gevonden om te bewonen. Er is sprake van een toekomstbestendige ontwikkeling. De meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierbij kan de fysieke verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Doordat sprake is van een opvullen van een open ruimte in een bestaand dorpslint en dus een versterking van de bestaande (dorps)structuur is sprake van een verbetering van de ruimtelijke structuur.

4.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Hilvarenbeek, een hartveroverende heerlyckheid Op 25 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de structuurvisie vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Hilvarenbeek wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. De structuurvisie heeft per kern en per deelgebied een aantal uitgangspunten benoemd die gelden 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

voor nieuwe, nog niet bestemde ontwikkelingen. De locatie is gelegen in de zone “Verbindend lint”. Voor deze zone geldt met betrekking tot nieuwe initiatieven in algemene zin en woningbouw in het bijzonder dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm zullen worden veroorzaakt. Er zal aangesloten moeten worden op het actuele woonbeleid. Volkshuisvesting; Woonvisie Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in 2009 haar woonvisie vastgesteld. De inhoud en strekking van deze woonvisie is de visie van de gemeenteraad betreffende de gewenste ontwikkelingen op het beleidsterrein wonen. De gemeenteraad geeft daarmee kaders aan voor de beleidsuitvoering op dit terrein. Kort samengevat worden de kernvragen beantwoord, zoals welk type woningen moeten in de sociale of vrije sector worden gebouwd voor welke doelgroepen, in welke aantallen en tegen welke prijs. De gemeenteraad legt hiermee de onderbouwde en beargumenteerde keuzes vast. Dit beleid is het woonbeleid voor de komende 10 jaren met een doorkijk naar de tien jaren daarna. Het is goed periodiek kort stil te staan bij de resultaten van het uitgevoerde beleid en indien nodig daarop bij te sturen De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van een woning voor zogenaamde doorstromers.

Het woonbeleid voor deze doelgroep is vooral gericht op het bouwen van woningen die aansluiten bij de wooncarrière van deze huishoudens en het stimuleren van de doorstroming zodat ook voor deze doelgroepen interessante woningen beschikbaar komen. Met de beoogde bouw van deze woning wordt rechtstreeks uitvoering gegeven aan het beleid voor deze doelgroep.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1

en

planologische

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

5.2

Parkeren en ontsluiting

De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Hilvarenbeek het “Parkeerbeleidsplan 2015-2020” vastgesteld. Dit plan is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor elke ontwikkeling speelt de vraag wat de parkeerbehoefte is en of deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom wordt een norm van maximaal 2,7 parkeerplaatsen aangehouden. Met de nieuwbouw op het terrein met een dergelijke omvang is er voldoende ruimte om dit aantal op te vangen op het eigen terrein. Ontsluiting en verkeersgeneratie De ontsluiting van de nieuwe woning zal plaatsvinden via een bestaande inrit op de Beeksweg. De verkeersgeneratie van een vrijstaande woning bedraagt op basis van de verkeersgeneratietool van de CROW 8 voertuigbewegingen per etmaal. De wegcapaciteit van de Beekseweg is groot en kan deze geringe toename gemakkelijk verwerken.

5.3

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd.

De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de 18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Op planniveau is conform het beleid van het waterschap voor de realisatie van een woning en (plannen kleiner dan 500 m2) geen compensatie vereist en hoeft geen watertoets doorlopen te worden. Het gemeentelijk waterbeleid; “Hemel en Grondwaterbeleid Hilvarenbeek” Volgens de Nieuwe Waterwet uit 2009 beginnen de nieuwe zorgplichten op hemel- en grondwater bij de perceelseigenaar. Zij moet het in eerste instantie op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet redelijkerwijs kan. Met de Nieuwe Waterwet heeft de gemeente nu ook juridische instrumenten om een meer duurzame omgang met water af te dwingen. Bij de woningbouwontwikkelingen wordt getracht een betere onderbouwing te krijgen van de bouwplannen in relatie tot optredende grondwaterstanden. De laatste jaren streeft de gemeente Hilvarenbeek ook naar het afkoppelen van hemelwater van het vuile rioolwater bij de uitvoering van rioolvervangingen.

Om wateroverlast te voorkomen is het ook nodig om op de ontwikkellocatie maatregelen tot het vasthouden van hemelwater te nemen. Om de afkoppelambitie van de gemeente op een doelmatige manier te realiseren is, buiten de aanpassingen in het rioolstelsel en openbare ruimte, de aanscherping ten opzichte van het hydrologisch neutraal bouwen ten opzichte van de Keur nodig. Hierbij moet het afstromend hemelwater worden behandeld volgens de hierboven genoemde voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Op basis van de in bijlage 2 van het “hemel en grondwaterbeleid” van de gemeente is de watertoetsprocedure doorlopen. Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermde zone”. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Voor de toekomstige verharding zijn reële aannames gedaan. Door de planontwikkeling met 1 woning en het deels verharden van het terrein met terreinverharding neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie toe. De toename van de verharding als gevolg van het dakvlak en terreinverharding bedraagt circa, 550 m2. Bodem en Grondwater Op basis van de de bodemdata van BIS Nederland is de Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gelegen op 40 tot 80 centimeter onder maaiveld (grondwatertrap VI).

Ook valt uit de bodematlas af te leiden dat de bodem bestaat uit zandige enkeerdgrond. Zand is uitermate geschikt voor infiltratie. De bodemgesteldheid en de ligging van het grondwater maakt dat de bodem geschikt is voor infiltratie. Oppervlaktewater Op het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater In de nieuwe situatie is het verhard oppervlak 550 m2. Gelet op de te bergen opgave van 60 mm volgens de webgispublisher van waterschap de Dommel, behoort 33 m3 te worden geborgen, waarna het vertraagd mag infiltreren in de bodem. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

Op het perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor de aanleg van een voorziening van de berging en infiltratie van hemelwater. Ook zal het gehele dakvlak worden uitgevoerd met sedum waardoor er sprake zal zijn van een vertraagde afvoer. Deze vertraagde afvoer, indien nodig in combinatie met opvang is mogelijk. Opvang kan in de vorm van een vijver of zaksloot. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal dit worden uitgewerkt. Met het gemeentelijk waterbeleid is dit geborgd. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden aan het bestaand gemeentelijk riool. Geconcludeerd moet worden dat voor het aspect water geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling. Op 19 februari 2021 heeft het Waterscha aangegeven in te kunnen stemmen met het planvoornemen.

5.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren), de Waddenzee maar ook Kempenland-West). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid.

Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar verordening toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Gezien de kleinschaligheid van de bouwactiviteiten, en de afstand (> 1.000 meter) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Kempenland-West) is het niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten heeft op natuurgebieden. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. 20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor het project is daarom een AERIUS berekening opgesteld. Een concreet uitgewerkt bouwplan is nog niet beschikbaar. De berekening in het kader van de herziening van het bestemmingsplan gaat uit van een algemeen bouwproces. Het uiteindelijk bouwplan en het daarbij horende bouwproces kan tot een andere stikstofdepositie leiden.De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit de stikstofberekening blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Kempenland-West circa 1,0 km bedraagt.

Gelet hierop en gelet op het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 1,0 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Kempenland-West kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Het plangebied ter plaatse van de locatie voor de nieuwe woning is braakliggend en heeft geen leegstaande gebouwen. De bestaande begroeiing langs de perceelgrenzen zal blijven bestaan. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 het archeologiebeleid ‘Verborgen tussen het BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

groen’ vastgesteld. Hierin is de archeologische verwachtingswaarde voor het gehele gemeentelijke grondgebied in kaart gebracht. Uit de beleidskaart kan worden opgemaakt dat het plangebied een ‘middelhoge/ onbekende archeologische verwachting’ kent (zie de volgende afbeelding).

Uitsnede archeologiebeleidskaart Hilvarenbeek; Bron gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in een aantal gevallen haar archeologiebeleid reeds doorvertaald naar haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied is dat nog niet het geval. De verwachtingswaarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 2.500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Het beoogde bouwplan zal niet groter zijn dan 2.500 m2 en dieper reiken dan 50 centimeter. Een onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verder geldt dat als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Het beleid met betrekking tot cultuurhistorie in de gemeente Hilvarenbeek is vastgelegd in De Cultuurhistoriekaart van juni 2013. De kaart maakt inzichtelijk welk cultuurhistorisch-landschappelijk en historisch- (steden)bouwkundig erfgoed in de gemeente Hilvarenbeek aanwezig is.

De cultuurhistoriekaart heeft daarmee allereerst een belangrijke attentiewaarde. Het betreft een basisdocument van waaruit zaken als waardering, erfgoedbeleid en publiekseducatie verder uitgewerkt kunnen worden. Tevens maakt de kaart het mogelijk om te bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen bedreigend kunnen zijn voor de cultuurhistorische waarden.

22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede cultuurhistoriekaart; Bron gemeente Hilvarenbeek Het plangebied zelf kent geen cultuurhistorische waarden. Wel is de Beekseweg aangeduid als “historische geografie, weg voor 1840” en is het bestaande pand aan de Beeksweg 4 aangeduid als “historische bouwkunst, overige historische bouwkunst’. Het pand heeft geen monumentale status. De Beekseweg wordt in de cultuurhistoriekaart verwoord als de steenweg naar Diessen en Middelbeers. De bouw van een nieuwe woning zal de cultuurhistorische waarde van deze weg niet verstoren. Doordat de nieuwe woning een open stuk binnen de bestaande lintstructuur bebouwd wordt de weg als lijnvormig element juist beter zichtbaar. Voor panden met de aanduiding ‘overige historische bouwkunst’ is in de cultuurhistoriekaart beschreven dat wanneer zich wijzigingen of ingrepen voordoen er onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de cultuurhistorische waarden. Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen wijzigingen of ingrepen aan het pand aan de Beekseweg 4 plaatsvinden. Onderzoek is daarom niet nodig. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van een woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd. Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. In de nabijheid van de ontwikkeling zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan meerdere bestemmingen gevestigd waaronder ‘Bedrijventerrein’, ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Groen’. Het gebied streeft daarmee een menging van verschillende functies na. Algemeen uitgangspunt In het kader van dit bestemmingsplan wordt een nieuwe woning toegevoegd en daarmee wordt voorzien in een nieuw gevoelig object. Door het naastgelegen bedrijfsperceel dient het aspect milieuzonering nader te worden beschouwd. Het woon- en leefklimaat van de nieuwe woning dient te worden beoordeeld. Daarnaast dient te worden beoordeeld of het desbetreffende bedrijf niet nadelig wordt belemmerd met betrekking tot de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Zonering In de nabijheid van het de projectlocatie is het bedrijf aan de Buskes 12 en 12a aanwezig.

Gemengd gebied Zoals beschreven kent de VNG-brochure verschillende omgevingstypen. Het gemengd gebied wordt als volgt beschreven: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingsgebied gemengd. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het gebied is te beschouwen als een “gemengd gebied”. De bepalende milieubelastende factor van de in de omgeving aanwezige bedrijven is het aspect geluid. De afstand mag met één afstandsmaat worden verlaagd. Bedrijf een de Buskes 12 en 12a Het bedrijf aan de Buskes 12 en 12a (aangeduid met 1 op onderstaande afbeelding) kent de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en is aangeduid met een functieaanduiding ‘bedrijf tot en met milieucategorie 3.2’. Op basis van de VNG-brochure bedraagt de richtafstand voor dit type bedrijf in een gemengd gebied 50 meter. De afstand van de achterkant van de nieuwe woning tot het bedrijfsperceel bedraagt ca. 43 meter.

Aan de richtafstand kan niet worden voldaan. De initiatiefnemer van dit plan is tevens eigenaar van het bedrijf aan de Buskes 12 en 12a. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een afwaardering van het naastgelegen bedrijfsperceel aan de Buskes 12 en 12a. Zo wordt het bedrijfsperceel, afgewaardeerd tot een bedrijfsperceel met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met milieucategorie 3.1’. Het bedrijf is een installatiebedrijf. Voor dit gebruik is een milieucategorie 3.1 toereikend. Voor bedrijven met de milieucategorie 3.1 geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Door de afwaardering kan worden voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure. Ook is daarmee het woon- en leefklimaat van de nieuw te bouwen woning gegarandeerd.

24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

1

Uitsnede bestemmingsplan met de ligging van het bedrijf aan Buskes 12 en 12a. bron: ruimtelijkeplannen.nl Overige bedrijven aan Buskes De overige bedrijfspercelen noordwestelijk van de binnen het plangebied gelegen woonbestemming hebben ook de milieucategorie 3.2. Deze bedrijven hebben allemaal een afstand van meer dan 50 meter ten opzichte van de nieuwe woning. De bedrijven westelijk gelegen hebben een toegestane milieucategorie 2. De richtafstand in een gemengd gebied voor deze categorie is 10 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand waardoor kan worden aangenomen dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat de belangen van de bedrijven niet worden geschaad. Bovendien is de nieuwe woning voor de omliggende bedrijven niet maatgevend. Er zijn immers al woningen op kortere afstand gelegen. Hierdoor worden de belangen van de bedrijven in de omgeving niet geschaad. De volgende afbeelding toont de ligging van de percelen met de betreffende milieucategorie.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

Cat 3.2

70 meter Cat 2 65 meter

Uitsnede bestemmingsplan met de ligging van overige bedrijven aan Buskes met milieucategorie en afstand tot de nieuwe woning. bron: ruimtelijkeplannen.nl In 2016 is het bestemmingsplan Kern Diessen voor een deel herzien. Het actuele bestemmingsplan Timmermans Transport Diessen heeft een deel van de bedrijfsbestemming noordoostelijk van de binnen het plangebied gelegen bestemming Wonen afgewaardeerd naar het gebruik als kantoor. Een deel van de woonbestemming is herzien naar de bestemming Maatschappelijk. Het gebruik van gebouwen en gronden voor kantoordoeleinden wordt in de VNG-brochure beschouwd als milieucategorie 1. De richtafstand in een gemengd gebied is hiervoor 0 meter. De bedrijfsbestemming noordelijk van het kantoor heeft de milieucategorie 3.2. Hiervoor geldt in dit gebied een richtafstand van 50 meter. De maatschappelijke bestemming met het daarbij horende gebruik wordt in de VNG-brochure ook beschouwd als milieucategorie 1. De richtafstand is 0 meter. De volgende afbeelding toont de ligging van de verschillende bestemmingen met de afstanden tot de beoogde nieuwe woning. Aan de richtafstand wordt voldaan. Er kan daarom worden aangenomen dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat de belangen van de in de omgeving aanwezige bedrijven niet worden geschaad.

26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Cat 3.2 Kantoor (Cat 1)

65 meter

Maatschappelijk (Cat 1) 85 meter 20 meter

Uitsnede bestemmingsplan met de ligging van overige bedrijven aan Buskes met milieucategorie en afstand tot de nieuwe woning. bron: ruimtelijkeplannen.nl Overige bedrijvigheid Aan de overzijde van het plangebied is nog een bedrijfsbestemming aanwezig. Op basis van de regels uit het bestemmingsplan is bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2 toegestaan. De richtafstand voor deze categorie in een gemengd gebied is 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan waardoor aangenomen moet worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat belangen van deze bedrijven niet worden geschaad. De volgende afbeelding toont de ligging van de bedrijfsbestemming aan de overzijde van de weg en de afstand tot de beoogde nieuwe woning.

30 meter

Cat 2

Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woning. Ter verzekering hiervan is in de regels een zone opgenomen dat het bouwen en gebruiken van verblijfsruimten in die zone uitsluit. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

27

Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; • Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. Op basis van de kaartbank van de provincie Noord-Brabant is gekeken of en zo ja wat voor agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Uitsnede uit de kaartbank veehouderijbedrijven; bron: provincie Noord-Brabant Er zijn geen agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied gelegen. Beoordeling van het leefklimaat Voor de beoordeling of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat is inzicht in de achtergrondbelasting nodig. Omdat in de directe omgeving geen sprake is van intensieve veehouderijen is een cumulatie berekening tan aanzien van geurhinder niet vereist. Om te beoordelen of er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat is inzicht gezocht in de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (odzob). Op basis van deze kaart blijkt dat sprake is van een ‘zeer goed’ woonklimaat. Er is dus sprake van een gezond woon-, en leefklimaat.

28

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede uit de kaart achtergrondbelasting; bron: odzob. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijvigheden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.

de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

29

Recent heeft de Raad van State uitspraak gedaan naar de mogelijke noodzaak voor het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie). (Uitspraak: 201901439-1-r1). Naar het oordeel van de Afdeling kan de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie) behoeft daarom niet te worden uitgevoerd.

5.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling een nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.

Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. De projectlocatie is gelegen binnen de zone van de Beekseweg. Een geluidsonderzoek is daarom verplicht. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de woning gelijkvloers wordt vormgegeven. Vanuit architectonische overwegingen heeft de woning een hogere bouwhoogte dan dat voor één woonlaag noodzakelijk zou zijn. Omdat de regels van het bestemmingsplan formeel genomen het ook mogelijk maken om een tweede woonlaag te realiseren is in het akoestisch onderzoek ook de gevelbelasting op deze theoretische tweede woonlaag berekend. Er is een onderzoek uitgevoerd. (Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen, K+ Adviesgroep, 26 juli 2021). Dit rapport is in zijn geheel als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Beekseweg/Julianastraat N395 • De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N395 is maximaal 56 dB (incl. aftrek art. 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11262242/1