09 bp Tongerloseweg 3 (6c toelichting bijlage 3 Rapport quickscan flora en fauna)
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Tongerloseweg 3 Diessen
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Quickscan flora en fauna
in opdracht van ZLTO T.a.v. de heer B. Westerveld Postbus 100 5201 AC ‘S-HERTOGENBOSCH betreffende locatie Tongerloseweg 3 5087 KX te Diessen documentkenmerk 1906/163/JOW-02 versie 1 vestiging Nuenen datum 7 oktober 2019
opgesteld door: ing. L. Bouwmans
gecontroleerd door: ing. A. Paulusse
Projectleider ecologie
Projectleider ecologie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.
Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid T.
Tritium Advies is gevestigd in:
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Bronnenonderzoek
3
2.1
Gebieden
3
2.2
Soorten
6
3
Veldbezoek
7
4
Resultaten
8
4.1
Flora
8
4.2
Vogels
8
4.3
Grondgebonden zoogdieren
9
4.4
Vleermuizen
10
4.5
Amfibieën, reptielen en vissen
11
4.6
Ongewervelden/overige soorten
11
5
Conclusies
12
5.1
Beschermde gebieden
12
5.2
Soorten
12
5.3
Zorgplicht
13
5.4
Eindconclusie
14
6
Literatuurlijst
15
Bijlagen 1.
situatietekening plangebied
2.
fotobijlage veldbezoek van 5 september 2019
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
1 Inleiding In opdracht van ZLTO (Zuidelijke land- en tuinbouworganisatie) is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om op de locatie Tongerloseweg 3 te Diessen een ruimte-voor-ruimtewoning met bijbehorende bijgebouwen te realiseren. De bestaande stallen en schuren worden hiervoor gesloopt. Het voornemen bestaat om de half open schuur die zich aan de zuidelijke kant van het plangebied bevindt te behouden. Het plangebied betreft een gedeelte van het kadastrale perceel van de gemeente Hilvarenbeek, sectie Q, nummer 1351.
Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) (bron: http://kadasterloep.nl)
Het plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor deze locatie wordt derhalve een juridisch-planologische procedure doorlopen conform de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van deze procedure dient onder andere een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen.
pagina 1 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied in het buitengebied van Diessen is gelegen. In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.
Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)
pagina 2 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016), de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant” en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.
2.1 Gebieden In onderstaande figuur 3 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. De donkergroene highlights betreffen het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) in de provincie Noord-Brabant ook wel Natuurnetwerk Brabant (verder: NNB) genoemd. Het Natura 2000-gebied is met de limegroene kleur aangeduid. De Natura 2000-gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. De Natura 2000-gebieden die geen onderdeel zijn van het NNN betreffen vooral agrarische gebieden en hebben een beperkte beschermingsregime. Van de gebieden die wel binnen NNN zijn gelegen worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.
Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied is gelegen. Op circa 170 meter afstand is een NNB-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 170 meter ten oosten van het plangebied gelegen en betreft de beek de Reusel. De beek maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied “Kempenland-West”.
pagina 3 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Het heide- en vennengebied van Kempenland bestaat uit enkele enigszins verspreid liggende delen: in het westen de Rovertse Heide, meer naar het oosten de Mispeleindsche Heide en Neterselsche Heide, dan de Landschotsche Heide en tenslotte nog verder naar het oosten tussen Vessem en Wintelre, het Grootmeer. Tussen deze heideterreinen stromen de meanderende lopen van de laaglandbeken, Reusel, Groote Beerze en Kleine Beerze. De Rovertsche heide, oorspronkelijk een groot heidegebied dat in de 20ste eeuw met naaldhout is bebost, omvat hier de Rovertsche Leij met beekbegeleidend bos alsmede het ven Papschot. De Mispeleindsche en Neterselsche Heide zijn droge en vochtige heiderestanten met vennen (De Flaes, Het Goor) van de voorheen uitgestrekte en kenmerkende Kempische heiden. De Neterselsche Heide omvat het gebied ‘Grijze Steen’ (met snavelbiesbegroeiingen) en broekbossen. De Landschotse Heide bestaat uit overgangen van droge en vochtige heiden met hierin enkele heidevennen (Keijenhurk, Kromven, Wit Hollandven en Berkven). Het Groot en Klein Meer zijn voormalige heidevennen te midden van een groot bosgebied. In het Natura 2000-gebied zijn verschillende doelsoorten opgenomen, zoals de kleine modderkruiper en de drijvende waterweegbree. Daarnaast zijn habitattypen zoals droge en natte heide onderdeel van de instandhoudingsdoelstellingen.
In de navolgende figuur 4, overgenomen uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant is wederom het aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat het plangebied niet in een beschermd gebied ligt. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het NNB is op een afstand van circa 170 meter ten oosten van het plangebied gelegen.
Figuur 4:
kaart NNB. Het plangebied en omgeving is rood omcirkeld (bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan)
pagina 4 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Het plangebied is op 170 meter van een NNB-gebied gelegen. Tussen het erf van het plangebied en het NNB-gebied is echter een akker aanwezig. Gezien de beperkte ingreep (sloop van de bestaande varkensstallen en schuren en de realisatie van één nieuwe woning) en de tussenliggende akker is een negatief effect niet te verwachten. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 170 meter op relatief kleine afstand gelegen. Het Natura 2000-gebied betreft enkel de beek de Reusel. De ingreep zal geen effect hebben op de kwaliteit van deze beek, omdat de directe omgeving van de beek niet wijzigt. Het bestaande akkerlandschap blijft bestaan. Tevens wordt een gedeelte van het plangebied omgezet naar een woonbestemming, waardoor er een minder belastend effect ontstaat voor de directe omgeving. Door de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect ook hier niet te verwachten. In de navolgende tabel zijn in het kort de verstoringen ten opzichte van NNB- en Natura 2000-gebieden zichtbaar gemaakt. Storingsfactoren Licht
Geluid
Trilling
Stikstof
NNB-gebied
Natura 2000-gebied
De bestaande stallen worden
De bestaande stallen worden
gesloopt waarvoor een
gesloopt waarvoor een
woonhuis in de plaats komt.
woonhuis in de plaats komt.
Een negatief effect door licht is
Een negatief effect door licht is
hierdoor niet te verwachten.
hierdoor niet te verwachten.
Het nieuw te realiseren
Het nieuw te realiseren
woonhuis zal niet meer geluid
woonhuis zal niet meer geluid
produceren dan het gebruik
produceren dan het huidige
van de huidige stallen. Een
gebruik van de stallen. Een
negatief effect door geluid is
negatief effect door geluid is
hierdoor niet te verwachten.
hierdoor niet te verwachten.
Door de bestemmingswijziging
Door de bestemmingswijziging
zal het nieuw te realiseren
zal het nieuw te realiseren
woonhuis niet meer trillingen
woonhuis niet meer trillingen
veroorzaken dan de huidige
veroorzaken dan de huidige
situatie van het plangebied.
situatie van het plangebied.
Een negatief effect door trilling
Een negatief effect door trilling
is hierdoor niet te verwachten.
is hierdoor niet te verwachten.
Niet van toepassing
De bestaande agrarische bestemming wordt gewijzigd naar een woonbestemming, waarbij meerdere stallen worden verwijderd en maar één woning voor in de plaats komt. Hierdoor valt een negatief effect niet verwachten.
pagina 5 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas en de “Werkatlas amfibieën en reptielen van Noord-Brabant”. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X:140 / Y:386. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in pootafdrukken) in de periode van 1989 tot 2019 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, steenmarter, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, wezel, bunzing, Amerikaanse nerts, rosse woelmuis, watervleermuis, franjestaart, muskusrat, konijn, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, zwarte rat, eekhoorn, tweekleurige bosspitsmuis, dwergspitsmuis en mol.
Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat enkel de volgende soorten in de periode van 1995 tot en met 2004 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad en bruine kikker. In de periode 2000-2019 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, vinpootsalamander, kleine watersalamander, poelkikker, bruine kikker, kamsalamander, hazelworm en levendbarende hagedis.
pagina 6 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
3 Veldbezoek Het plangebied is op 5 september 2019 in de ochtend bezocht. Er was sprake van licht bewolkt weer, met windkracht 2 Bft en een temperatuur van circa 18 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit enkele varkensstallen en schuren. De varkensstallen zijn niet meer in gebruik voor de veehouderij.
Wel worden er nog diverse kippen gehouden op het terrein en zijn er enkele fruitbomen aanwezig. De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 7 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.
4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Het gebied is geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het “stedelijk- en bos gebied” voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor weide-en struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. De daken van de stallen en schuren die zich in het plangebied bevinden zijn niet geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van de huismus (Passer domesticus) of gierzwaluw (Apus apus) vanwege het ontbreken van ruimtes en openingen onder de daken. De daken van de voormalige varkensstallen bestaan uit golfplaten waaronder geen ruimtes aanwezig zijn voor de eerdergenoemde soorten. De schuur direct ten oosten van de woning beschikt over een dakpannen dak. De dakpannen sluiten op elkaar aan en hebben een platte vorm. Daarnaast sluiten de gevelpannen van zowel de westelijke als oostelijke kopgevel aan op de gevels van de schuur, waardoor er geen geschikte openingen zijn voor gierzwaluwen om onder het dak te kunnen verblijven en te nestelen. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen exemplaren van gierzwaluwen en huismussen waargenomen binnen of in de directe omgeving van het plangebied.
De half open schuur die zich aan de zuidelijke zijde van het plangebied bevindt is geschikt voor vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust-of verblijfplaats zoals de kerkuil (Tyto alba) of steenuil (Athena noctua). Deze schuur bevat een open gedeelte waar vogels naar binnen kunnen vliegen en onder het dak kunnen schuilen. Tevens is hier een open ruimte in de nok van het dak aanwezig waar steenuilen mogelijk in kunnen verblijven. In de notenboom in het zuiden van het plangebied, gelegen naast deze half open schuur, bevindt zich tevens een steenuilenkast. Tijdens het veldbezoek zijn er echter geen vogels waargenomen in of rondom deze schuur en kast. Er zijn tevens geen sporen zoals voedselresten, uitwerpselen of braakballen gevonden waaruit blijkt dat steenuilen of kerkuilen recentelijk actief zijn geweest in het plangebied. Daarnaast is het voornemen om deze schuur te behouden, waardoor er geen negatief effect te verwachten is. Mocht deze schuur toch gesloopt worden, dan is er eveneens geen negatief effect te verwachten, aangezien de schuur niet in gebruik is als jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaats van vogels.
pagina 8 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Tijdens het veldbezoek zijn twee koolmezen (Parus major), een houtduif (Columba palumbus) en een merel (Turdus merula) aangetroffen in de directe omgeving van het plangebied. Tevens zijn er enkele (oude) nesten aangetroffen in de aanwezige bebouwing. Een nest van een kauw (Corvus monedula) is aangetroffen in de nok van de westelijke kopgevel van de half open schuur. In deze schuur is ook een nest aangetroffen van een houtduif. Daarnaast is er een nest van een boerenzwaluw (Hirundo rustica) aangetroffen in de meest zuidelijke varkensstal. Alle aangetroffen nesten waren ten tijde van het veldbezoek onbewoond. Rondom de nesten zijn geen uitwerpselen, voedselresten of andere sporen gevonden waaruit blijkt dat de nesten recentelijk bewoond zijn geweest. De boerenzwaluw is een vogelsoort die vaak terugkeert naar hun bestaande nest, maar wel over voldoende flexibiliteit beschikt om indien nodig, elders een nieuw nest te bouwen (categorie 5). Daarom is deze soort en zijn de verblijfplaatsen hiervan enkel jaarrond beschermd wanneer ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen. In dit geval zijn er voor deze vogel voldoende mogelijkheden in de directe omgeving aanwezig, zoals de te behouden loodsen en stallen van omliggende percelen, om een nieuw nest te bouwen. Het bestaande nest van voorgenoemde soort is hierdoor niet jaarrond beschermd.
De bomen die aanwezig zijn binnen en op de grens van het plangebied bevatten geen geschikte holtes voor jaarrond beschermde vogelsoorten. Ook zijn er geen nesten in deze bomen aangetroffen. Conclusie: een aantal vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten. Door de beoogde sloop van de stallen zal er meer foerageergebied bijkomen, aangezien niet het hele vrijkomende terrein opnieuw wordt bebouwd. Daarnaast bieden het agrarische karakter van de omgeving en het naastgelegen bos voldoende alternatief foerageergebied. Wel wordt bij de voorgenomen bouwwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.
4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. In de omgeving van het plangebied komt de steenmarter (Martes foina) voor. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap en heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De aanwezige varkensstallen en schuren zijn geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter. Deze gebouwen zijn echter volledig afgesloten met onder andere kippengaas, omdat de verblijven in beperkte mate in gebruik zijn als kippenhok c.q. kippenren. Daarnaast zijn er geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. Daarnaast komen er in de directe omgeving van het plangebied kleine marterachtigen zoals de bunzing (Mustela putorius) en wezel (Mustela nivalis) voor. De bunzing geeft de voorkeur aan gebieden met oppervlaktewater en schuilmogelijkheden zoals heggen, houtwallen en bosranden. De wezel geeft de voorkeur aan open, droge natuur en cultuurlandschappen die dekking bieden door middel van bosschages, houtstapels of heggen. Het plangebied beschikt over geschikt
pagina 9 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
leefgebied voor eerdergenoemde soorten. In de directe omgeving is echter geschikter leefgebied aanwezig in de vorm van akkerland en een beek, de Reusel. Ook is er een hond aanwezig op het terrein. In verschillende studies zijn in dergelijke situaties negatieve effecten waargenomen op wilde zoogdieren (Hennings, 2016). Dit komt onder andere doordat kleine marterachtigen de hond als predator beschouwen. Daarnaast zijn er geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van akkerland, bos en een beek om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Daarnaast komt er door de sloop van de panden meer ruimte beschikbaar als foerageergebied. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.4 Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. De voormalige varkensstallen met de golfplaten daken zijn ongeschikt als vaste verblijfplaats. De stallen bieden geen in- of uitvliegmogelijkheden voor vleermuizen, vanwege het ontbreken van geschikte openingen en ruimtes. Daarnaast is er in en rondom deze stallen veel spinrag aangetroffen, wat aanduidt dat vleermuizen geen gebruik maken van deze gebouwen. Ook de half open schuur in het zuidelijke gedeelte van het plangebied bevat geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen vanwege het golfplaten dak en de open structuur van het gebouw. Het dakpannen dak van de schuur direct ten oosten van de woning bevat geen geschikte openingen waar vleermuizen onder kunnen verblijven. Ook de kopgevels van dit gebouw zijn niet geschikt als verblijfplaats, vanwege de afgedichte gevelpannen. Aan de noordelijke zijde van het gebouw onder de dakrand mist een baksteen, waardoor er een opening is ontstaan. Direct onder deze opening bevindt zich echter een golfplaten aanbouw en direct daarboven zijn overhellende dakpannen aanwezig, waardoor het in- of uitvliegen van vleermuizen wordt bemoeilijkt. Tegenover deze opening is op korte afstand een varkensstal aanwezig, dat een eventuele in-of uitvliegroute belemmert.
Daarnaast zijn er geen sporen zoals uitwerpselen of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. In de bomen, aanwezig binnen en op de grens van het plangebied, zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals het naastgelegen bos, de erven van de omliggende boerderijen en de aangrenzende beek de Reusel. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. De bomen ten zuiden en oosten van het plangebied kunnen dienst doen als vliegroute. De bomen zullen echter niet worden aangetast door de voorgenomen plannen en kunnen dus blijven dienen als vliegroute. Conclusie: er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het
pagina 10 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
onderzoeksgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde.
4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Er is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor de aanwezigheid van beschermde vissen kan worden uitgesloten. De vinpootsalamander (Lissotriton helveticus) en kamsalamander (Triturus cristatus) komen voor in de omgeving van het plangebied. De vinpootsalamander geeft de voorkeur aan bronpoeltjes, bospoelen en kleine zwakstromende beekjes die zich bevinden in heidegebieden of op hogere zandgronden. De kamsalamander komt voor op zandgronden en in beekdalen en geeft de voorkeur aan een bosrijk landschap met houtwallen en struwelen. Deze soort komt vooral voor in poelen, vijvers, vennen en leemputten. Op ongeveer 170 meter ten oosten van het plangebied is de beek de Reusel aanwezig. De Reusel is een zwakstromende beek die geschikt is als leefgebied voor de vinpootsalamander. Op ongeveer 200 meter ten noordoosten van het plangebied is een poel aanwezig. Deze poel is omgeven door een bosrijk gebied en is geschikt als leefgebied voor voorgenoemde soorten. Het plangebied is daarentegen ongeschikt als leefgebied voor beide soorten, door de afwezigheid van heide en bosrijk landschap. Daarnaast blijft de aangrenzende akker die direct grenst aan de Reusel behouden.
Deze akker scheidt de geschikte beek van het plangebied. Gezien de beperkte aard van de ingreep en het behoud van de akker is een negatief effect niet te verwachten. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6 Ongewervelden/overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
pagina 11 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Het plangebied is op 170 meter van een NNB-gebied gelegen. Tussen het erf van het plangebied en het NNB-gebied is echter een akker aanwezig. Gezien de beperkte ingreep (sloop van de bestaande varkensstallen en schuren en de realisatie van één nieuwe woning) en de tussenliggende akker is een negatief effect niet te verwachten. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 170 meter op relatief kleine afstand gelegen. Het Natura 2000-gebied betreft enkel de beek de Reusel. De ingreep zal geen effect hebben op de kwaliteit van deze beek, omdat de directe omgeving van de beek niet wijzigt. Het bestaande akkerlandschap blijft bestaan. Tevens wordt een gedeelte van het plangebied omgezet naar een woonbestemming, waardoor er een minder belastend effect ontstaat voor de directe omgeving. Door de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect ook hier niet te verwachten.
5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen bewoonde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nesten verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.
Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel
pagina 12 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen.
Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen.
pagina 13 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •
de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;
•
om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;
•
nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;
•
een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;
•
voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
pagina 14 van 15
documentkenmerk: 1906/163/JOW-02, versie 1
6 Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Delft, J.J.C.W. van, Schuitema, W. (2005) Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting Ravon Hennings, L. (2016) The impacts of dogs on wildlife and water quality: A literature review. Metro Parks and Nature. NDFF (2019) Geraadpleegd op 3 oktober 2019 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2019) Geraadpleegd op 3 oktober 2019 via http://www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2019) Geraadpleegd op 3 oktober 2019 via http://www.zoogdiervereniging.nl/
pagina 15 van 15
Situatietekening : 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Geplande situatie
pagina 1
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 1
Foto 2
Foto 3
Pagina 1
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 4
Foto 5
Foto 6
Pagina 2
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 7
Foto 8
Foto 9
Pagina 3
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 10
Foto 11
Foto 12
Pagina 4
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 13
Foto 14
Foto 15
Pagina 5
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 16
Foto 17
Foto 18
Pagina 6
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 19
Foto 20
Foto 21
Pagina 7
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 22
Foto 23
Foto 24
Pagina 8
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 25
Foto 26
Foto 27
Pagina 9
Fotobijlage: 1906/163/JOW-02, Tongerloseweg 3 te Diessen
Foto 28
Foto 29
Foto 30
Pagina 10