CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

09 bp Rogier van Leefdaelstraat 23 (3 bijlage 1 Toelichting)

Gemeenteraad 11 mei 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Rogier van Leefdaelstraat 23, Hilvarenbeek”.13.988 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Soortenbescherming

Het plangebied is bestemd voor en in gebruik als woning met tuin. Met deze worden twee woningen toegevoegd. Bij deze woningen blijft tuin aanwezig. Door Lomans Ecoworks is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 9 augustus en projectnummer 2126 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels categorie 1-4 jaarrond beschermde nesten in bomen en bebouwing aanwezig. Overtreding van artikel 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten Het plangebied vormt geschikt foerageergebied en nestgelegenheid voor een aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Met het verwijderen van een aantal bomen en struiken in de achtertuin zullen nest- en foerageermogelijkheden voor een aantal algemene struweel- en tuinvogels afnemen. In de directe groene omgeving blijven voldoende alternatieven beschikbaar. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied Vaste vliegroutes voor vleermuizen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Het plangebied vormt foerageergebied van goede kwaliteit. Met het verwijderen van bomen en struiken zullen foerageermogelijkheden afnemen. In de directe groene omgeving zijn voldoende alternatieven van goede kwaliteit en kwantiteit ter beschikking. Vleermuizen: verblijfplaatsen In de bomen binnen het plangebied zijn geen potenties voor vleermuisverblijfplaatsen aanwezig. In het te slopen lage schuurtje met plat dak en de open carport kunnen vleermuisverblijfplaatsen redelijkerwijs worden uitgesloten.

Negatieve effecten worden niet verwacht. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Op basis van het veldbezoek kan het voorkomen van landzoogdieren met jaarrond beschermde verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied en directe omgeving worden verder geen beschermde soorten verwacht die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de ‘Andere soorten’, (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Negatieve effecten zijn niet aan de orde. Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals egel, bruine kikker, gewone pad en enkele algemene spits- en woelmuizen. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht (zie blz. 11) is altijd van kracht. Er zijn geen belemmeringen voor herbestemming van het plangebied in het kader van soortenbescherming.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.6

Geluid

5.6.1

Beleidskader

5.6.1.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 5.6.1.2

Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

5.6.2

Toets

5.6.2.1

Wegverkeerslawaai

Binnen de planlocatie worden maximaal twee woningen toegevoegd. Hiervoor is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Dit onderzoek, uitgevoerd door Tritium Advies, met datum 9 juni 2021 en rapportnummer 2102/124/SH-01 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen. “Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Koestraat, Veldhoven en het gedeelte van de Bolakker met een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Bolakker, Rogier van Leefdaelstraat en Papenstraat. Voor de 30 km/uur wegen Papenstraat en Rogier van Leefdaelstraat en het gedeelte van de Bolakker met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de gezoneerde wegen Koestraat en Veldhoven en het gedeelte van de Bolakker met een snelheidsregime van 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde.

Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.” ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

In het kader van wegverkeerslawaai is sprake van een akoestisch woon- en leefklimaat. 5.6.2.2

Industrielawaai

Binnen het plangebied noch in de omgeving is sprake van industrielawaai. Nader onderzoek in het kader van industrielawaai is voor deze herbestemming niet noodzakelijk.

5.7

Geur

5.7.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

5.7.2

Beleidskader

5.7.2.1

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 5.7.2.2 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Het is middels een verordening mogelijk maatwerk per gebied. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, dienen op grond van de wet vaste afstanden aangehouden te worden.

De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen en indien het binnen de bebouwde kom is gelegen minimaal 100 meter. 5.7.2.3

Geurverordening

De gemeente Hilvarenbeek heeft de op 22 september 2011 vastgestelde geurverordening op 17 december 2015 gewijzigd. De gemeenteraad heeft gebieden met een afwijkende geurnorm vastgesteld. Dit zijn de volgende gebieden: ‘invloedsgebied van de woonkernen’, ‘invloedsgebied met primaat wonen’, ‘invloedsgebied zoekgebieden wonen’, ‘invloedsgebied sportparken’ en het ‘buitengebied’. Het plangebied is gelegen binnen het ‘Invloedsgebied woonkernen’, waarmee een norm van 2 ouE/m³ van toepassing is voor het plangebied.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.7.2.4

Achtergrondbelasting

Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. 5.7.2.5

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld, van die veehouderij die de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting is in afwijking van de achtergrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat als de waarde van de voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. Een ontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen tevens niet onevenredig belemmeren.

5.7.3

Toets

5.7.3.1

Voorgrondbelasting

In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. Het plangebied is buiten de aan te houden vaste afstand van 100 meter tot veehouderijen gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen die een emissie hebben die er toe leidt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. 5.7.3.2

Achtergrondbelasting

Door de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant is een kaart opgenomen waarop de indicatieve achtergrondbelasting en het woon- en leefklimaat in relatie tot veehouderijen is weergegeven. Navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 13: Uitsnede kaart met indicatieve achtergrondbelasting waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Binnen het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 3 tot 7 ouE/m³. Hiermee is er binnen het plangebied sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De herbestemming van het plangebied is in het kader van de achtergrondbelasting acceptabel.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.7.3.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Het plangebied is gelegen in het de dorpskern van Hilvarenbeek. De herbestemming van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven niet.

5.8

Gezondheid

5.8.1

Beleidskader

5.8.1.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek heeft op 23 oktober 2018 de 'handreiking veehouderij en volksgezondheid' vastgesteld. In dit beleid heeft de gemeente vastgelegd dat de gemeente de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid’ betrekt bij de verlening van vergunningen voor veehouderijen. 5.8.1.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. De GGD adviseert het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor drift in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.8.2

Toets

5.8.2.1

Endotoxinen

Het plangebied betreft een bestaande woonbestemming binnen het stedelijke gebied. Het gehele plangebied is geschikt en in gebruik voor de woonfunctie. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van veehouderijen. Deze herbestemming is in het kader van endotoxinen contouren geen bezwaar. 5.8.2.2

Geitenhouderijen

Het plangebied betreft een bestaande woonbestemming binnen het stedelijke gebied. Het gehele plangebied is geschikt en in de huidige situatie ook in gebruik voor de woonfunctie met tuin. Ten noorden van Hilvarenbeek is aan Kleine Voort 12 een geitenhouderij gelegen. Deze locatie is gelegen op een afstand van meer dan 1.800 meter tot het plangebied. Tussen de geitenhouderij en het plangebied is het dorp Hilvarenbeek gelegen. Woningbouw dient bij voorkeur te worden gerealiseerd binnen de kern. Met deze bestemmingsplanprocedure is een afweging gemaakt tussen het belang van volksgezondheid en de realisatie van woningbouw. Afgewogen is dat het wenselijk is om binnen het plangebied woningen te realiseren. Aannemelijk is dat de ligging van het geitenbedrijf ten noorden van de kern Hilvarenbeek niet leidt tot een onaanvaardbaar gezondheidsrisico bij realisatie van maximaal twee extra woningen aan de zuidzijde van het dorp. Op een afstand van 1.400 meter ten westen van het plangebied is aan Groot Loo 1 een bedrijf gelegen waar naast paarden, tevens 1 geit mag worden gehouden. Dit heeft geen gezondheidsrisico binnen het plangebied tot gevolg. Deze herbestemming is in het kader van de ligging van het plangebied ten opzichte van geitenbedrijven geen bezwaar. 5.8.2.3

Gewasbeschermingsmiddelen

Het plangebied betreft een bestaande woonbestemming binnen het stedelijke gebied. Het gehele plangebied is geschikt en in gebruik voor de woonfunctie met tuin. Rondom het plangebied zijn andere woonbestemmingen gelegen. Binnen het plangebied of in de direct nabijheid hiervan worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Deze herbestemming is in het kader van de ligging van het plangebied ten opzichte van gewasbeschermingsmiddelen geen bezwaar.

5.9

Bedrijven en milieuzonering

5.9.1

Beleidskader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.9.2

Toets

Het plangebied is gelegen in het zuiden van het dorp Hilvarenbeek. Het plangebied wordt gekenschetst als gelegen binnen een rustige woonwijk in het kader van bedrijven en milieuzonering. In de omgeving van het plangebied zijn slechts woonbestemmingen gelegen. Met deze herbestemming wordt de functieaanduiding ‘gezondheidszorg’ verwijderd uit het plangebied. Er volgen geen belemmeringen voor herbestemming uit de richtlijn Bedrijven en milieuzonering.

5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Beleidskader 5.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: −

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

−

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

−

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

−

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

−

Structuurvisie buisleidingen;

−

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

−

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 5.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;

2.

Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 5.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

5.10.2 Toets 5.10.2.1 Risicovolle inrichtingen Binnen het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die vanwege de aanwezigheid of het werken met gevaarlijke stoffen, beperkingen opleveren voor de omgeving. In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder het Bevi. Het aspect ‘inrichtingen’ vormt geen belemmering voor herbestemming van het plangebied. 5.10.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt niet binnen de invloedszone van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wegen vormen geen belemmering voor herbestemming van het plangebied. Er bevindt zich geen buisleiding binnen of nabij het plangebied. Transportleidingen vormen geen belemmering voor herbestemming van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen een risicocontour van een luchtvaartterein. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In de omgeving zijn ook geen hoogspanningslijnen aanwezig. Deze aspecten hebben geen invloed op dit plan. 5.10.2.3 Groepsrisico Deze herbestemming wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten. Gezien de ligging van het plangebied en de aard van de ontwikkeling is het plan niet van invloed op het groepsrisico

5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.11.2 Beleidskader 5.11.2.1 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 5.11.2.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

5.11.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), zoals kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

5.11.3 Toets 5.11.3.1 Uitstoot schadelijke stoffen Met dit plan worden maximaal twee woningen binnen het plangebied toegevoegd. Daarmee valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’, waardoor de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een substantiële verkeersaantrekkende werking door deze ontwikkeling. Het verkeer dat toeneemt door realisatie van maximaal twee extra woningen betreft overigens ook slechts personenautoverkeer.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.11.3.2 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Fijnstof Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De beoogde herbestemming is in relatie tot fijn stof geen bewaar. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied

Figuur 14: Fijnstof 2019 PM10 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Plangebied

Figuur 15: Fijnstof 2019 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Stikstofdioxide Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied

Figuur 16: Stikstofdioxide 2019 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 14-16 µg/m Deze herbestemming is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar. 5.11.3.3 Besluit gevoelige bestemmingen Binnen het plangebied worden geen gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit luchtkwaliteit toegevoegd. Dit besluit is niet van toepassing op deze herbestemming.

5.12 MER 5.12.1 Beleidskader 5.12.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht.

Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. 5.12.1.2 Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². 5.12.1.3 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

5.12.2 Toets 5.12.2.1 Drempelwaarden Deze herbestemming van het plangebied met toevoeging van twee woningen overschrijdt de drempelwaarde zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage van 2.000 woningen niet. Op basis van deze bijlage is geen MER noodzakelijk. 5.12.2.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt, waardoor geen MER dient te worden opgesteld. De Raad van State heeft geoordeeld dat realisatie van enkele woningen geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft waarmee geen mer-aanmeldnotitie noodzakelijk is.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

6.

JURIDISCHE VORMGEVING

6.1

Inleiding

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2

Toelichting op de verbeelding

De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Het plangebied is aangeduid. De bestemming ‘Wonen’ is met een gevellijn opgenomen. Daarnaast is aangeduid dat binnen de toegevoegde woonbestemming maximaal 2 woningen mogen worden toegevoegd. Daartoe zijn de bouwaanduidingen 'vrijstaand’ en ‘specifieke bouwaanduiding – geschakeld’ opgenomen.

6.3

Algemene toelichting op de regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden in deze volgorde worden opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Nadere eisen;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. Met betrekking tot de regels is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

6.4

Toelichting op de bestemmingen

6.4.1

Wonen

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, tuinen en erven, groenvoorzieningen, water- en waterhuiskundige voorzieningen. In de regels zijn bouwregels opgenomen voor de woning aan Rogier van Leefdaelstraat 23 en twee toe te voegen woningen. Op de verbeelding zijn de gevellijnen aangeduid. De aanduiding ‘vrijstaand’ is opgenomen. De maximale goot- en bouwhoogte is op de verbeelding aangeduid. Dit betreft voor de bestaande woning een goot- en bouwhoogte van 6 meter en voor de toe te voegen woningen een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 9 meter aan de zijde van de Bolakker. Aansluitend hieraan is een maximaal goot- en bouwhoogte van 3,5 meter opgenomen. Beoogd wordt binnen het plangebied twee levensloopbestendige woningen te realiseren. Hiermee zal het volume voornamelijk op de begane grond vloer gerealiseerd worden. Binnen het bestemmingsvlak voor de toe te voegen woningen is opgenomen dat twee wooneenheden kunnen worden toegevoegd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn in afdeling 6.4 Wro en afdeling 6.2 Bro regels opgenomen voor grondexploitatie bij een ruimtelijke ontwikkeling. Centraal doel van deze regels voor grondexploitatie is, om te komen tot een verbetering van het stelsel van kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie en een verbetering van de gemeentelijke regie met betrekking tot locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van het dit stelsel vormt de verplichting tot kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat een gemeente de te maken kosten op de exploitant moet verhalen in het geval deze exploitant tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. Deze verplichting wordt vormgegeven door het verplicht stellen van een grondexploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Bij deze ontwikkeling is sprake van het verzekeren van kostenverhaal door het sluiten van een anterieure overeenkomt tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Verankerd is dat het bij een planologische maatregel die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief.

De gemeente Hilvarenbeek zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan wordt als ontwerpbestemmingsplan ter zienswijze gepubliceerd. Naar aanleiding van uitkomsten van de zienswijzenprocedure vindt een heroverweging plaats en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

8.

PROCEDURE BESTEMMINGSPLAN

8.1

Procedure

De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren bren-

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeen-

gen aan de gemeenteraad; teraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend ge-

-

maakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; -

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.

-

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld.

8.2

Omgevingsdialoog

Dit plan is toegelicht aan de directe omgeving. Dit betreft eigenaren van de woningen aan Rogier van Leefdaelstraat 21, 25 en 28, Bolakker 1, 3, 6 en 8. Uit deze omgevingsdialoog is gebleken dat onduidelijk was of dit plan toe ziet op realisatie van 1 of 2 woningen. Inmiddels is dit verduidelijkt in dit ontwerpbestemmingsplan. Er is kenbaar gemaakt dat men vreest voor de privacy door dit bouwplan, mede ook door de omvang van de bouwmogelijkheden. In het kader van de omgevingsdialoog aan de omgeving voorgelegde verbeelding was een goot- en bouwhoogte van 6 meter respectievelijk 10 meter opgenomen. De maximale goot- en bouwhoogte is in dit ontwerpbestemmingsplan verlaagd naar een goot- en bouwhoogte van 6 meter respectievelijk 9 meter voor een gedeelte van de woonbestemming dat direct gelegen is aan de Bolakker en naar een goot- en bouwhoogte van 3,5 meter voor het daarachter gelegen gedeelte van het perceel. Met het opnemen van deze lagere maatvoering van de eerder opgenomen maximale bouwhoogte van 10 meter is zeker gesteld dat de bouwhoogte lager is dan de in de omgeving ook toegestane bouwhoogte van 10 meter. Er wordt beoogd semi-bungalows te realiseren. De bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn verkleind. Er wordt beoogd woningen te realiseren met een beperkte verdiepingslaag. De woningen worden voor een groot gedeelte met maximaal één bouwlaag gerealiseerd.

Dit is zo opgenomen in dit bestemmingsplan.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Rogier van Leefdaelstraat 23 Hilvarenbeek’ - Toelichting

De architect neemt het aspect privacy uiteraard mee bij het realiseren van het bouwplan. Op verzoek kan initiatiefnemer het voorlopig schetsplan delen met de omgeving, wanneer dit gereed is. Tenslotte werd gedurende de omgevingsdialoog opgemerkt dat het onduidelijk was of er in de toekomst sprake zou zijn van praktijk en/of kantoorruimtes bij de locatie aan Rogier van Leefdaelstraat 23. De aanduiding ‘gezondheidszorg’ wordt met deze herbestemming verwijderd van deze locatie. Daarvan is na deze herbestemming geen sprake meer.

8.3

Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel en de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. De provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant hebben ingestemd met deze herbestemming. In navolging van de vooroverlegreactie van het waterschap is de waterparagraaf in het ontwerpbestemmingsplan aangevuld.

8.4

Zienswijzen

PM

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11457433/1