CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bp Oude Trambaan 1 (3 bijlage Toelichting en regels08 )

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Oude Trambaan 1, Esbeek".17.619 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Oude Trambaan 1 Esbeek

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 8

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 11

Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusies

12 12 13 16 19

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling

20 20 20 21 22 23 24 25 27 29 30 31 32

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

33 33 35

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Inspraak

36 36 36 36

Bijlagen toelichting

37

Bijlage 1

38

2

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Regels

39

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

40 40 44

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4

Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie 2

45 45 47

Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

50 50 50 51 51 52 52

Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

53 53 53

Bijlagen regels

55

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

56

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

4

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Toelichting

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Naast de Oude Trambaan 3 te Esbeek, ligt een onbebouwd stuk grond. De eigenaren (hierna: initiatiefnemers) van het stuk grond zijn voornemens om het perceel te bebouwen met een vrijstaande woning. De initiatiefnemers hebben hierover contact gehad met de gemeente Hilvarenbeek en zij zijn bereid medewerking te verlenen aan het initiatief. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Oude Trambaan, naast nummer 3, in het dorp Esbeek. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie L, nr. 1.715 en wordt als volgt begrensd:  Noordzijde: Oude Trambaan;  Oostzijde: de achterzijde van de woonpercelen Dorpstraat 14 en 14a;  Zuidzijde: de zijdelingse woonperceelsgrens van Dorpstraat 16;  Westzijde: de zijdelingse woonperceelsgrens van Oude Trambaan 3. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Globale ligging plangebied (rode druppel)

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

6

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kern Esbeek en bedrijventerrein De Mierbeek' zoals de gemeenteraad dat op 20 december 2017 heeft vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen'. Verder geldt voor het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (blauwe omkadering) Binnen de bestemming 'Wonen' is het toevoegen van woningen niet mogelijk, vanwege artikel 14, lid 2, onder a: het aantal woningen per bouwperceel mag niet meer bedragen dan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande aantal, hieronder niet begrepen woningen die zijn gebouwd in strijd met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan dan wel woningen die nog niet zijn gebouwd, maar waarvoor op het tijdstip van vaststelling van het plan een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend. Nieuwbouw van woningen is uitsluitend mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' tot maximaal het aangegeven aantal; Om de bouw van een vrijstaande woning mogelijk te maken, wordt het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied herzien. De aanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 1' wordt toegevoegd aan de geldende aanduidingen in het plangebied.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd. Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Bestaande situatie

Het plangebied is een (nog) onbebouwd perceel, te midden van de lintbebouwing aan de Oude Trambaan en nabij het centrum van Esbeek. Aangrenzend aan de vrijstaande garage, op het woonperceel Dorpstraat 14, stond een klein bijgebouw, maar deze is gesloopt. Het perceel is een afgegraven terrein met een groene erfafscheiding. Aan weerszijden van de Oude Trambaan is woonbebouwing aanwezig, in combinatie met enige bedrijvigheid. Op navolgende afbeeldingen is schematisch de bestaande situatie in en om het plangebied weergegeven, evenals een impressie van het plangebied en het straatbeeld.

Uitsnede kaart BGT met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

Impressie straatbeeld

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Impressie plangebied

10

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

2.2

Toekomstige situatie

De beoogde ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de realisatie van een vrijstaande woning met tuin. De perceelsomvang is vergelijkbaar met de naastgelegen percelen. De realisatie van de nieuwe woning is passend binnen de cultuurhistorische en stedenbouwkundige context van de Oude Trambaan. Met de realisatie van een vrijstaande woning wordt de lintstructuur versterkt. Ook omdat qua omvang en positionering wordt aangesloten op de bestaande bebouwing.

Impressie toekomstige bestemming Op het perceel wordt één vrijstaand hoofdgebouw (vrije sector) gerealiseerd, met de voorgevel gericht op de openbare weg en op of direct nabij dezelfde rooilijn als de naastgelegen woningen. De beoogde vrijstaande woning bestaat net als de naastgelegen woningen uit twee bouwlagen met een kap en een maximum bouw- en goothoogte van respectievelijk 10 m en 6 m. De gevels worden uitgevoerd in baksteen of in vergelijkbare steenachtige materialen. Deze kenmerken sluiten aan bij de gebiedscriteria voor het bebouwingstype 'W9 individuele bebouwing'. Die op het plangebied van toepassing zijn, volgens de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek', vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2015.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Hoofdstuk 3

Beleidskaders

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie subparagraaf 3.1.2. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

12

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

In het kader van de ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft de realisatie van maximaal één woningen. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening - partiële herziening 2014

'Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014', is een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde 'Structuurvisie 2010'. De partiële herziening is door Provinciale Staten van NoordBrabant op 7 februari 2014 vastgesteld. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. Dat vraagt om een versterking van de agglomeratiekracht van het stedelijk netwerk maar stelt ook eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het woon-, werk- en leefklimaat in de dorpen en steden, een toenemende behoefte aan voorzieningen in de vrijetijdseconomie, de behoefte aan gebiedseigenheid, en de verschillen in identiteit van stad, dorp en landschap staan volop in de aandacht. Daarom gaat de provincie meer dan voorheen duurzaam en zorgvuldig om met de ruimte.

Planspecifiek Op de structurenkaart behorende bij de structuurvisie, valt Esbeek onder 'kernen in het landelijk gebied'. In deze kernen wordt de lokale behoefte voor verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen) opgevangen. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen. Bij het zoeken naar ruimte voor nieuwe verstedelijking is zorgvuldig ruimtegebruik voorwaarde. Het is de bedoeling om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten en nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk te voorkomen. Mogelijkheden tot inbreiden en herstructureren zijn hiervoor van belang. Daarnaast wil de provincie dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

De beoogde realisatie van één vrijstaande woning, speelt in op een lokale behoefte en vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Er is, overeenkomstig met de gewenste ontwikkelingen in de structuurvisie, sprake van inbreiding. Bovendien wordt bij de situering van de woning rekening gehouden met de cultuurhistorische en stedenbouwkundige structuur, ter plaats van de Oude Trambaan, om de bestaande karakteristieken van de lintbebouwing te behouden. In de structuurvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de structuurvisie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

3.2.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is op 14 december 2018 de omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant haar visie op de toekomst van de Brabantse leefomgeving. Tot aan 2050 focust de provincie op vier grote maatschappelijke opgaven, te weten:  Werken aan de Brabantse energietransitie: Klimaatverandering heeft nu al een grote impact op de Brabantse leefomgeving en gaat in de toekomst nog meer van zich doen gelden. De verbranding van fossiele brandstoffen levert een grote bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen. Besparing in het gebruik van fossiele brandstoffen en grondstoffen en het overschakelen naar duurzame vormen van energieopwekking zijn de belangrijkste manieren om vanuit Brabant een bijdrage te leveren aan de beperking van de CO2-uitstoot. Daarom zetten we in op het besparen en verduurzamen van de energievoorziening. Met 50% CO2-equivalenten reductie en tenminste 50% duurzame energie als doel in 2030, en een energieneutraal Brabant in 2050.  Werken aan een klimaatproof Brabant: de klimaatverandering heeft een grote impact op Brabant. Het wordt steeds natter, droger, warmer en de zeespiegel stijgt. Daarom is het nodig dat Brabant in 2030 klimaatproof handelt, om in 2050 klimaatproof te zijn.

Dit houdt in dat we bij pieken van teveel water zorgen dat we het kwijt kunnen zonder het te verplaatsen naar lager gelegen delen. Het beeklandschap voorkomt overlast in het bebouwd gebied. We houden water zo veel mogelijk vast om het in tijden van droogte te kunnen benutten. We zorgen in steden voor voldoende afkoeling. We zorgen dat de grote rivieren voldoende ruimte hebben zodat ze geen overlast veroorzaken.  Werken aan de slimme netwerkstad: de bereikbaarheid in Brabant staat onder druk, en steden en omliggende kernen krijgen te maken met verandering van woon- en winkelbehoeften, gevolgen van klimaat en verslechterde omgevingskwaliteit. Daarom spelen we in op de transformatie van stedelijke gebieden en hun omgeving, en slimme mobiliteit. Zodat Brabant in 2050 een goed functionerend netwerk is van stedelijke en landelijke gebieden, waarbij fysieke, sociale en digitale netwerken elkaar op de verschillende schaalniveaus versterken. Het doel is dat het handelen hiernaar in 2030 door de vele verschillende partijen in Brabant vanzelfsprekend is.  Werken aan een concurrerende, duurzame economie: De behoefte aan grondstoffen neemt alleen maar toe terwijl grondstoffen schaarser worden. Steeds duidelijker wordt de noodzaak om duurzamer met de beschikbare grondstoffen om te gaan. Dat is beter voor onze leefomgeving maar is ook in toenemende mate een kwestie van economie.

Daarom zetten we in op een Brabantse economie waarin herbruikbaarheid van grondstoffen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen het uitgangspunt is in 2050. Het streven naar waardecreatie voor mens, natuur en economie gaan daarbij hand in hand. Richting 2030 willen we samen met maatschappelijke partners het gebruik van primaire grondstoffen verminderen. Planspecifiek De provincie zet in op een energieneutrale gebouwde omgeving, beginnend bij energiebesparing. De beoogde ontwikkeling sluit hierop aan, aangezien de nieuwe woning zonder aardgasaansluiting gerealiseerd wordt. In de omgevingsvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsvisie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

14

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

3.2.3

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Naast een omgevingsvisie moet een provincie, vanuit de Omgevingswet, ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Als het vanuit het beleid van de provincie nodig is om regels op te nemen voor ruimtelijke ontwikkelingen, dan staan die in de omgevingsverordening. De provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De volgende regels zijn relevant voor het plangebied:

Afdeling 3.5: stedelijke ontwikkeling en mobiliteit Voor stedelijke ontwikkeling zijn er twee werkingsgebieden opgenomen: 1. Stedelijk gebied met een onderverdeling in: a. stedelijk concentratiegebied; b. kernen in landelijk gebied. 2. Verstedelijking afweegbaar Het uitgangspunt voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is dat eerst de mogelijkheden in Stedelijk gebied worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve- of kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in Verstedelijking afweegbaar. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d.

houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Afdeling 5.4: regionaal samenwerken Artikel 5.20 uitwerking regionale omgevingsagenda Lid 2. Gedeputeerden Staten maken jaarlijks -uiterlijk 31 december- ten minste afspraken over: a. duurzame verstedelijking en bereikbaarheid binnen het netwerk van de (sub-)regionaal samenwerkende steden en dorpen, in samenhang met de opgaven met betrekking tot klimaatadaptatie, energietransitie, mobiliteit, economische structuurversterking, sociale veerkracht en zorgvuldig ruimtegebruik; b. de prioritaire integrale gebiedsopgaven in de betreffende (sub-)regio's en de gezamenlijke aanpak hiervan, die liggen in gebieden waar meerdere urgente transitieopgaven uit de provinciale omgevingsvisie samenkomen.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Lid 3. De afspraken over duurzame verstedelijking, als bedoeld in het tweede lid over de ontwikkeling, herbestemming en/of transformatie van locaties voor wonen, werken en voorzieningen: a. maken duidelijk hoe het (sub-)regionale woningbouwprogramma en de behoefte aan werklocaties, zowel in kwantitatieve, kwalitatieve als ruimtelijke zin, de komende jaren worden ingezet; b. zijn gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en op een realistische, flexibele en vraaggerichte planning en programmering van woningbouw, werklocaties en voorzieningen; c. zijn er op gericht overprogrammering te voorkomen en gaan waar nodig in op deprogrammering; d. worden gemaakt, rekening houdend met (toekomstige) binnenstedelijke transformatieopgaven en het aanpakken en voorkomen van leegstand; e. de werkwijzen die gehanteerd worden, de voorwaarden waaraan voldaan moet worden, en het (sub)regionale besluitvormingsproces dat doorlopen wordt om nieuwe locaties voor wonen, werken en voorzieningen te ontwikkelen of bestaande locaties van functie te laten veranderen. Planspecifiek De beoogde realisatie van één vrijstaande woning, betreft een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’, zoals uiteengezet in de omgevingsverordening. De ontwikkeling vindt namelijk plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is het plangebied gesitueerd in de nabijheid van voorzieningen in de kern Esbeek.

Voordeel hiervan is dat, gelet op het bevorderen van een gezonde leefomgeving en het stimuleren van duurzame mobiliteit, de voorzieningen te voet en per fiets bereikbaar zijn. Ook de productie en het gebruik van duurzame energie behoren tot de mogelijkheden. Wat betreft de klimaatbestendigheid, wordt het dak van de woning afgekoppeld van het riool. Bovendien moet volgens de omgevingsverordening de ontwikkeling passen binnen de regionale afspraken. Dit is het geval. In subparagraaf 3.3.2 is het (regionaal afgestemde) gemeentelijke woningbouwprogramma aangehaald. De plancapaciteit is voldoende voor de realisatie van één vrijstaande woning. In de omgevingsverordening zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

3.2.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Hilvarenbeek

Op 25 februari 2010 heeft de gemeenteraad de 'Structuurvisie Hilvarenbeek’ vastgesteld. In de structuurvisie zijn beleidsuitgangspunten geformuleerd voor het toekomstig ruimtelijk beleid. Voor de dorpen richt het beleid zich primair op het behouden, beschermen en versterken van het kernspecifiek ruimtelijk karakter, en daarmee het in stand houden van de omgevingskwaliteit van de gemeente. Het ruimtelijk karakter van de gemeente valt uiteen in een aantal kernwaarden. Voor de dorpen zijn deze; kleinschaligheid en robuustheid van de gebouwde structuur en de sterke visuele relatie met het buitengebied. De gemeente ziet het behoud en beschermen van haar ruimtelijke karakter als haar basisverantwoordelijkheid. Dit wil zeggen dat nieuwe ontwikkelingen in de bebouwde kom moeten passen binnen de ruimtelijke hoofdstructuur. Het beleid van de gemeente, ten aanzien van de woonomgeving en het woningaanbod, is erop gericht om de bestaande bewoners te behouden en een goede wooncarrière te bieden voor alle doelgroepen. Uitgangspunt hierbij is dat in het kader van de leefbaarheid niet geënt wordt op kwantiteit, maar op kwaliteit. Er wordt gebouwd naar behoefte.

16

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Volgens de zoneringskaart van Esbeek, in de navolgende afbeelding, behoort het plangebied tot 'woongebied'. Voor nieuwe ruimtelijke initiatieven in deze zone gelden de volgende criteria:  De initiatieven, in het geval van sloop en nieuwbouw of nieuwbouw, moeten de ruimtelijke structuur niet verstoren. Dit wil zeggen dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte en bouwmassa met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt;  Nieuwe woningen dienen grondgebonden, te zijn. Een gestapelde woonvorm dient voorkomen te worden;  Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de bestaande visuele relatie met het buitengebied gerespecteerd te blijven of opnieuw opgenomen worden;  Nieuwe wooninitiatieven voor de ontwikkeling van woningen voor mensen met een beperking, dienen een relatie te hebben met zorgvoorzieningen;  Nieuwe voorzieningen dienen in algemene zin over een lage dynamiek (weinig verkeersbewegingen en gebruikers) te beschikken;  Nieuwe initiatieven op het gebied van werken en economie moeten beperkt blijven tot maximaal milieucategorie 2;  Een initiatief op het gebied van werken en economie moet beperkt blijven tot een beroep aan huis;  Nieuwe initiatieven dienen te voldoen aan de CROW-normering voor parkeren;  Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen dient verder in algemene zin voldaan te worden aan het gestelde in de woonvisie;  Voldaan moet worden

aan de algemene beleidsuitgangspunten zoals beschreven in het themabeleid.

Zonering plangebied (rode omkadering)

Planspecifiek De ontwikkeling van één vrijstaande woning past binnen het ruimtelijke karakter van het woongebied in Esbeek. Het wordt een grondgebonden woning, georiënteerd op de Oude Trambaan, die in lijn met de bestaande bebouwing gesitueerd wordt. De zichtlijnen van de bebouwing aan weerszijden van de Oude Trambaan blijven intact. De maatvoering wordt afgestemd op de maximale bouw- en goothoogte, welke voor de bestaande bebouwing wordt gehanteerd. De verkeersgeneratie en parkeernormering wordt behandeld in paragraaf 4.1.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

In de structuurvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de structuurvisie geen belemmering vormt voor de plan realisatie.

3.3.2

Woonvisie 2020-2030

De gemeenteraad van Hilvarenbeek heeft op 4 juli 2019 haar woonvisie voor de periode 2020-2030 vastgesteld. De gemeente vindt het belangrijk dat er voor alle doelgroepen in de samenleving een plek is om te wonen in Hilvarenbeek. De woningvraag is groter dan het aanbod. Daarom wordt ingezet op het versnellen en vergroten van de woningproductie. Daarbij richt de gemeente zich met name op de marktsegmenten die nu nog te beperkt aanwezig zijn, namelijk betaalbare woonruimte voor starters en levensloopgeschikte woningen. Het wordt niet reëel geacht om enkel uit te gaan van de lokale woningvraag. Er moet meer gebouwd worden om zowel vestigers, als eigen inwoners van voldoende woningaanbod te voorzien. Alleen dan kan een gevarieerd woningaanbod gecreëerd worden, waarbij voor iedere doelgroep een woning in de gemeente te vinden is. In elke kern van de gemeente moet ruimte zijn voor woningbouw, om in te spelen op de woningbehoefte en de kernen leefbaar en vitaal te houden. Nieuwe woningbouwinitiatieven worden kwalitatief getoetst aan de hand van de volgende beoordelingscriteria: Locatiecriteria a. Bijdrage aan oplossen van leegstand of ander ruimtelijk knelpunt? b. Bijdrage aan versterken ruimtelijke kwaliteit? c. Voorziet het initiatief in zorgvuldig ruimtegebruik? Stedenbouwkundige criteria a. Passen massa en dichtheid in de omgeving? b.

Voorziet het initiatief in voldoende parkeermogelijkheden? c. Voorziet het initiatief in een duurzame invulling van de ruimte? d. Voldoet het initiatief aan de nota Dorps Bouwen? Invulling kwalitatieve behoefte a. Voldoet het initiatief aan de geïnventariseerde behoefte uit de woonvisie? b. Worden woningen levensloopgeschikt gerealiseerd? c. Is er sprake van een vernieuwend / actueel woonconcept? d. Is de behoefte van het concrete initiatief aantoonbaar middels een recent uitgevoerd onderzoek? Nieuwe woningbouwplannen worden getoetst op de mate waarin zij een bijdrage leveren aan het volgende streefwoningbouwprogramma:

Streefwoningbouwprogramma Hilvarenbeek

18

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

De woningbouw opgave voor de kern Esbeek, bestaat uit het uitbreiden van de woningvoorraad, om de leefbaarheid te behouden. De kern heeft de ambitie om de komende tien jaar met 10% inwoners te groeien. In de eerste plaats zijn daarvoor starterswoningen nodig (40% van de nieuwbouw), vooral goedkope koopwoningen (<€200.000). Als starters vervolgens willen doorstromen naar een iets grotere woning, ontbreekt vaak het middeldure koopsegment. Daarom moet 40% van de nieuwbouwopgave op de groep doorstromers gericht zijn. Dit zijn grondgebonden woningen tussen de €200.000-€350.000. Tot slot zou 20% van de nieuwbouw gericht moeten zijn op de doelgroep senioren. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling past binnen het streefwoningbouwprogramma en voorziet in een lokale woningbehoefte. De te realiseren woning betreft een levensloopbestendige koopwoning in de prijsklasse <300.000 euro. Aan de hand van de criteria is de kwalitatieve beoordeling van het plan overwegend positief. De ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Het plangebied is een onbebouwd perceel, te midden van de lintbebouwing aan de Oude Trambaan. Met de realisatie van een vrijstaande woning wordt de lint structuur versterkt. Ook omdat qua omvang en positionering wordt aangesloten op de bestaande bebouwing.

Het benutten van de grond voor woondoeleinden, is zorgvuldig, in die zin dat het passend is bij de woonbebouwing en de bedrijvigheid, in de directe omgeving van het plangebied. In de woonvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de woonvisie geen belemmering vormt voor de plan realisatie.

3.3.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.4

Conclusies

Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met het hierboven genoemde beleid.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

Het plangebied wordt voor motorvoertuigen ontsloten via de Oude Trambaan, de Dorpsstraat en de Groenstraat naar de Lage Mierdseweg (N269). In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen in het plangebied met één woning toe. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt, met 8,2 extra voertuigbewegingen per weekdag. Dit aantal voertuigbewegingen kan worden opgevangen op de ontsluitingswegen. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Parkeren

Op basis van het 'Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018 en het ''Parkeerbeleidsplan 2015-2020' wordt het plangebied aangeduid als 'weinig stedelijk' in de 'rest bebouwde kom'. Voor een vrijstaande woning, in de genoemde omgeving, bedraagt de minimale parkeernorm 1,9 parkeerplaatsen per woning. Dit betekent dat minstens 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Het plangebied biedt voldoende ruimte om hierin te voorzien. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

20

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. In het onderzoek is naar aanleiding van informatie over mogelijke voormalige bebouwing, uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresulaten blijkt dit niet het geval. In zowel de bovengrond als in het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond. De verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Ook het uitvoeren van verkennend onderzoek naar asbest conform NEN 5707 wordt definitief niet noodzakelijk geacht. Zintuigelijk zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van voormalige bebouwing en analytisch zijn er geen verontreinigingen aangetroffen. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen toekomstige herontwikkeling. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Besluit geluidhinder (Bgh) is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld.

Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30-km/uur-gebieden. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Het plangebied ligt niet binnen een wettelijke geluidszone van een weg. De wegen in de nabijheid van het plangebied kennen een snelheidsregime van maximaal 30 km/u. Bovendien betreft het smalle wegen, waarbij auto's elkaar met gepaste snelheid moet passeren en de intensiteiten relatief beperkt zijn. Het betreft geen drukke doorgaande wegen. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving gaan beperken. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

22

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen uitsluitend woningen voor. Uitzondering hierop is een gebouw met een 'gemengde' bestemming, op circa 25 m afstand van de beoogde vrijstaande woning. De voor 'Gemengd' aangewezen gronden, zijn onder andere bestemd voor bedrijven, in maximaal milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 m. De richtafstand wordt door de realisatie van een vrijstaande woning niet overschreden. Hetzelfde geldt voor de nutsvoorziening (transformatorhuis) op gronden bestemd voor 'Bedrijf', op een afstand van circa 80 m. Ter plaatse van deze bestemming geldt de aanduiding 'nutsvoorziening'. Op gronden met deze aanduiding zijn uitsluitend openbare nutsvoorzieningen toegestaan en deze voorzieningen zijn toelaatbaar in een woongebied. De beoogde woning schaadt geen bedrijven in hun bedrijfsvoering en andersom ondervindt de toekomstige woning geen overlast van bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde).

Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg.

In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Aangezien het aantal woningen in de toekomstige situatie met één woning toeneemt, is sprake van een 'NIBM'-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximum 3 ouE/m³

maximum 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximum 14 ouE/m³

maximum 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.

Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken.

24

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Geurverordening Hilvarenbeek Gemeenten mogen van de wettelijke normen en afstanden afwijken. Voor de geurnormen is in de wet een bandbreedte aangeven (zie onderstaand schema), voor de vaste afstanden is dit niet het geval. Dergelijke afwijkende normen gelden voor een bepaald gebied. Voor dat gebied moet de gemeente een geurgebiedsvisie opstellen en daarbij rekening houden met de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. De afwijkende normen worden in een gemeentelijke verordening vastgelegd. De gemeente Hilvarenbeek heeft een geurverordening met andere normen en afstanden vastgesteld. Deze zijn in de plaats gekomen van de wettelijke (zover van toepassing). Dit betekent dat de waarden voor de maximale geurbelasting en vaste afstanden uit de Verordening van toepassing zijn.

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Voor de ontwikkeling van woningen ter plaatse van de Pastoor Jurgensstraat is door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, naar aanleiding van de Wet geurhinder en veehouderij, een beoordeling van het woon- en leefklimaat uitgevoerd. De Pastoor Jurgensstraat ligt in de nabijheid van het plangebied aan de Oude Trambaan. Uit de gemaakte inventarisatie van veehouderijen, blijkt dat in de omgeving van het plangebied een pluimveebedrijf, een rundveehouderij en twee paardenhouderijen gevestigd zijn. Het plangebied ligt niet binnen de vaste afstandscontouren van de rundveehouderij en paardenhouderijen. Het plangebied ligt wel binnen de 2 OU-geurcontour. Uit het voornoemde onderzoek blijkt dat het plangebied echter niet gelegen is binnen de 5 OU (voorgrondbelasting) en 10 OU (achtergrondbelasting). Dit betekent dat de beoogde woning voldoende afstand heeft ten opzichte van de verschillende agrarische bedrijven. Bovendien zijn tussen de omliggende bedrijven en het plangebied andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende veehouderijen. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart.

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

26

bestemmingsplan "Oude Trambaan 1 Esbeek" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Trambaan 1 Esbeek

Uit de uitsnede van de provinciale risicokaart blijkt dat er in de ruime omgeving van het plangebied geen sprake is van risicovolle inrichtingen/bedrijven, transportroutes en buisleidingen. Bovendien heeft de realisatie van één vrijstaande woningen geen betekenisvolle invloed op het groepsrisico. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Nationaal waterbeleid Het 'Nationaal Waterplan 2016 - 2021' beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Provinciaal waterbeleid Het 'Provinciaal milieu- en waterplan 2016 - 2021' (PMWP), met de titel 'Sámen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant', integreert de milieu- en de wateropgave en maakt inzichtelijk hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren gaat werken aan een veilig en gezond milieu.

De doelen van het PMWP zijn:  voldoende water voor mens, plant en dier  schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht)  bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s  verduurzaming van grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening Gemeentelijk waterbeleid Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’, dat als bijlage toe behoort aan het 'verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017-2021', streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater, waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen bij de bewoner / eigenaar binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Beleid waterschap Het plangebied ligt in het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Via het 'Waterbeheerplan 2016-2021', met de titel 'Waardevol Water', maakt het waterschap inzichtelijk waar het waterschap voor staat, wat de uitdagingen zijn voor de komende planperiode en wat van het waterschap verwacht mag worden. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven en kansen die zich voordoen.

Om daarvoor voldoende ruimte te laten, geeft het waterschap in het waterbeheerplan alleen aan wat ze willen bereiken, zonder exact aan te geven hoe dat bereikt moet worden. De thema's waar het waterschap de komende jaren aan werkt zijn:  Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);  Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;  Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren.  Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;  Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9765582/1