CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bp Koningin Julianaweg 1a (4f Toelichting bijlage 7 Vormvrije mer-beoordeling)

Gemeenteraad 2 februari 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Koningin Julianaweg 1A".1.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Locatie: Koningin Julianastraat 1A, Haghorst Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Ten aanzien van het eerste criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden, hier wordt verder op in gegaan in paragraaf 4.6 van de toelichting van het bestemmingsplan ‘Koningin Julianaweg 1a, Haghorst’.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief ziet toe op een vormverandering en functieverandering van een tuinbouwbedrijf naar hoveniersbedrijf. Het beoogde plan kan worden gezien als een landinrichtingsproject (categorie D9) of als een stedelijk ontwikkelingsproject (D11). Het inzamelen van groenafval valt onder categorie D18.1. De beoogde opslag van groenafval is een activiteit die jaarrond plaatsvindt. Groenafval wordt opgeslagen tot een economisch rendabele hoeveelheid is bereikt om te laten afvoeren (circa 2 tot 3 keer per jaar). Jaarlijks betekend dit 1.800 m³ groenafval. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is een ondergrens van 50 ton per dag opgenomen onder categorie D18.1 (De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7.) 1.800 m3 groenafval bedraagt circa 1.200 ton. Verspreid over 365 dagen per jaar is dit: 1.200 / 365 = 3,25 ton per dag. De activiteiten op locatie worden wel in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd, maar de drempelwaarde uit kolom 2 'gevallen' niet wordt gehaald. Een vormvrije mer-beoordeling welke deugdelijk gemotiveerd is volstaat derhalve.

Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter tevens een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), deze betreffen: 1. Kenmerken van het project; a. omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico op zware ongevallen; g. risico’s voor de menselijke gezondheid; 2. Plaats van het project: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu; 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; b. de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en de complexiteit van het effect; e. de waarschijnlijkheid van het effect; f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; h.

de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Hieronder wordt achtereenvolgens kort in gegaan op de milieueffecten van het initiatief aan de hand van drie selectiecriteria. Kenmerken van het project Het plan voorziet in het omzetten van een tuinbouwbedrijf naar hoveniersbedrijf met kleinschalig grondverzet en 600 m³ groenopslag. Tevens wordt het bouwvlak van vorm verandert. Vanzelfsprekend gaat dit gepaard met het gebruik van grondstoffen zoals water, grond, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, echter naar verwachting niet significant meer dan momenteel voor het tuinbouwbedrijf. Andere natuurlijke hulpbronnen, zoals voorraden staand hout en fossiele brandstoffen, zijn verder niet relevant aan de ontwikkeling. Er is dus in zover geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en/of wordt er zo efficiënt mogelijk omgegaan met het gebruik van hulpbronnen. Afvalstoffen die ontstaan binnen het bedrijf zijn niet verschillend zoals dat het geval is bij andere

hoveniersbedrijven. Deze afvalstoffen zijn o.a. lege verpakkingen/emballage van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, plastic, hout, groenafval, etc. Binnen het bedrijf worden geen gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen gestort, verbrand, begraven, chemisch behandeld of dergelijke. De afvalstoffen die ontstaan worden voor zover benodigd door gecertificeerde bedrijven opgehaald. Het leveren van grondstoffen en het ophalen van afvalstoffen komt enkele keren per jaar voor. Dit heeft verder geen effecten nadelige effecten voor het milieu. Er zal met het initiatief geen verontreiniging of hinder optreden, dit wordt in de paragrafen 4.2 tot en met 4.16 beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan ‘Koningin Julianaweg 1a, Haghorst’. Met het initiatief neemt het risico op zware ongevallen niet toe en zijn er geen risico’s voor de menselijke gezondheid. Plaats van het project De vormverandering van het bouwvlak en functiewijziging vindt plaats op de locatie Koningin Julianastraat 1a te Haghorst, kadastraal bekend: Binnen het plangebied is geen sprake van bijzondere landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische of archeologische waarden die het initiatief belemmeren. Dit wordt in de paragrafen 4.2 tot en met 4.16 nader uitgewerkt.

Zoals reeds uiteen is gezet in de toetsing aan het eerste criterium inzake een mogelijke MER-plicht is er ook geen sprake van mogelijk significant negatief effect op Natura-2000 gebieden. Vanwege de beperkte omvang is cumulatie met andere projecten derhalve niet te verwachten. Het plangebied is niet gelegen en/of van invloed op een natuurlijk milieu met speciale beschermde aandacht. Daarnaast levert het initiatief geen extra druk op de voorraden natuurlijke hulpbronnen en het vermogen van deze voorraden om zich te herstellen. Het initiatief heeft namelijk geen effect op o.a. de voorraden staand hout, flora en fauna, water en energiereserves. Kenmerken van het potentiële effect Het initiatief zorgt niet voor nadelige milieueffecten binnen het plangebied zelf of in de directe omgeving daarvan. Het potentiële effect is per relevant aspect uitgewerkt. Dat wordt in de paragrafen 4.2 tot en met 4.16 in de toelichting van het bestemmingsplan ‘Koningin Julianaweg 1a, Haghorst’ nader toegelicht. Hierna worden kort de conclusies per milieuaspect beschreven. - Water (§ 4.3): Binnen het plangebied wordt ruimschoots ruimte gereserveerd om te voldoen aan de minimale compensatie, welke is benodigd door de toename in verhard oppervlak. - Natuur (§ 4.6): Er zijn geen negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden te verwachten.

De actuele natuurwaarden van de locatie zijn zeer laag. De geplande ontwikkelingen hebben geen negatieve invloed op de aanwezige natuurwaarden. Binnen het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Er is geen ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. - Cultuurhistorie (§ 4.4): Het plangebied is niet gelegen in cultuurhistorisch waardevol gebied. - Archeologie (§ 4.5): Ter plaatse van het bedrijf/het plangebied is de archeologische verwachtingswaarde laag. Er zijn geen negatieve effecten op archeologische waarden te verwachten. - Bedrijven en milieuzonering (§ 4.9): Het plangebied is gelegen op gepaste afstand van gevoelige objecten. Daarnaast wordt met het initiatief geen nieuwe gevoelige functie gerealiseerd. Derhalve brengt het initiatief geen beperkingen in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.

-

-

-

-

Geur (§ 4.9): Voor wat betreft geur voldoet het bedrijf aan de afstanden tot andere gevoelige objecten in de omgeving. Het initiatief levert geen beperkingen op voor omliggende veehouderijen. Geluid (§ 4.8): Met het initiatief is geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. Geluid belastende activiteiten binnen het plangebied zijn op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gesitueerd. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten voor het aspect geluid. Luchtkwaliteit (§ 4.12): De beoogde ontwikkeling valt binnen de regeling NIBM. Bodemkwaliteit (§ 4.2): Het hoveniersbedrijf past geen gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en andere bodembedreigende middelen toe binnen de planlocatie. Er is met de beoogde ontwikkeling dus een zeer verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Externe veiligheid (§ 4.11): Ten aanzien van het initiatief zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. Verkeer en parkeren (§ 4.14): Er is in de omgeving van het plangebied voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen van en naar het plangebied af te wikkelen. Op het bedrijf zijn voldoende parkeervoorzieningen aanwezig en is er voldoende manoeuvreerruimte.

Conclusie Voorgaand is er getoetst aan de selectiecriteria uit Bijlage III bij de m.e.r-richtlijn (2011/92/EU), tevens is hierbij getoetst aan alle milieuhygiënische en planologische aspecten. Er kan worden geconcludeerd dat er geen bijzondere omstandigheden of milieueffecten zijn waardoor sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Analoog aan artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een m.e.r.beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Dit maakt het mogelijk dat het College in één vergadering besluit over de m.e.r.beoordeling en om het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Beide zaken liggen dan tegelijk ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Het College wordt verzocht om bij het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan op basis van bovenstaande tevens een besluit te nemen op de m.e.r.-beoordeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12360038/1