CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bp Dunsedijk - achter Rustoord (3a Bijlage 7 bij de toelichting Quickscan flora en fauna)

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Achter Rustoord".6.671 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuurwetgeving Dunsedijk e.o. te Esbeek

Quickscan Natuurwetgeving Dunsedijk e.o. te Esbeek

Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum

: AM20390 : Definitief (versie 1) : 1 september 2020

Opdrachtgever

: Parc De Utrecht BV Elzentlaan 29 5611 LH Eindhoven

Opgesteld door

: ir. C. de Koning | ir. J.P.M Hovens

Gecontroleerd door Paraaf

: ing. J.M.G. Reuver :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

Pagina | 2

AM20390

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4

2.

WET- en REGELGEVING .........................................................................................................................................................................................5 2.1

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................................5

2.3

Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................................................................................6

2.4

Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................................................6

3.

WERKWIJZE ................................................................................................................................................................................................................8 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................8

3.2

Werkwijze quickscan ....................................................................................................................................................................................8

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN ....................................................................................................................................................................9 4.1

Beschrijving plangebied .............................................................................................................................................................................9

4.2

Natura 2000-gebieden ................................................................................................................................................................................9

4.3

Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 10

4.4

Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 11

5.

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ............................................................................................................ 15 5.1

Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 15

5.2

Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................................................................................................ 15

5.3

Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 15

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................................................................................................... 18 6.1

Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 18

6.2

Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................................................................................................ 18

6.3

Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 18

LITERATUUR ..................................................................................................................................................................................................................... 20

Bijlage: 1

Toelichting per beschermingsregime

Pagina | 3

AM20390

1. INLEIDING In opdracht van Parc De Utrecht BV heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Dunsedijk en omgeving

Gemeente

: Hilvarenbeek

Kadastrale registratie

: Hilvarenbeek, sectie F nummers 1249 (ged.), 1264 en 1265 (ged.)

Oppervlakte

: circa 4 hectare

Huidige gebruik

: bos en veld

Toekomstige gebruik

: Wonen

Op deze locatie worden zes woningen gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.

Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Pagina | 4

AM20390

2. WET- en REGELGEVING 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 5

AM20390

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: 

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):

-

Vogels

alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;

Pagina | 6

AM20390

-

Internationaal beschermde soorten

alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

-

Overige beschermde soorten

soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 7

AM20390

3. WERKWIJZE 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bestaande vegetatie wordt waar nodig verwijderd. In het plangebied worden 6 woningen met tuinen gerealiseerd (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1. Schets van de voorgestane situatie. Bron: Buro SRO.

3.2

Werkwijze quickscan

Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 30 juli 2020 heeft Faunaconsult B.V. het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Synbiosys alterra (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase); - RAVON (www.ravon.nl). Verspreidingsgegevens van amfibieën, reptielen en vissen; - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl). Pagina | 8

AM20390

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op de voorzijde van het rapport) ligt in het zuiden van Esbeek, buiten de bebouwde kom. Ten noorden bevindt zich een bosgebiedje met enkele weitjes en een maïsakker. Aan de oost- en zuidzijde bevindt zich een golfbaan. In het westen bevinden zich gebouwen van Huize Rustoord en een bosgebied. Het plangebied zelf is momenteel voor het grootste deel ingericht als bosgebied. Daarnaast is een deel ingericht als gazon en een deel als een veld dat is begroeid met adelaarsvarens. In het plangebied komen soorten voor als zachte ooievaarsbek, kruipende boterbloem, biggenkruid, klimop, hondsdraf, bosaardbei, fijnspar, grove den, zomereik, Amerikaanse eik, rododendron, lijsterbes, hazelaar, braam, grote brandnetel, grote weegbree, paardenbloem, groot springzaad en brede wespenorchis.

Figuur 4.1. Het plangebied. Bron: Buro SRO.

4.2

Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van circa 1,3 kilometer ten oosten van het plangebied. Op 9,5 kilometer ten noordwesten van het plangebied bevindt zich Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Pagina | 9

AM20390

Op 5,9 kilometer ten westen van het plangebied bevindt zich Belgisch Natura 2000-gebied ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2).

Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (geel weergegeven). Bron: www.natura2000.nl/gebieden.

4.3

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied zelf is onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit bestaat uit het beheertype ‘Vochtig bos met productie’ (zie figuur 4.3).

Pagina | 10

AM20390

Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (geen omlijnd) ten opzichte van het NNB. Donkerbruin = Vochtig bos met productie. Lichtbruin = Droog bos met productie. Bron: website Provincie Noord-Brabant (www.kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/).

4.4

Beschermde planten en dieren

Vogels en zoogdieren Het plangebied is geheel onbebouwd. In het plangebied zijn geen holle bomen aanwezig, op één Amerikaanse eik na (zie figuur 4.4.1). Hoewel het hier een enkele holle boom betreft, is het mogelijk dat deze (later in het jaar) een functie heeft als vleermuizenverblijf. Rondom het plangebied is namelijk veel meer bosgebied aanwezig; het is goed mogelijk dat er zich hier meer holle bomen bevinden (vleermuisverblijven bevinden zich doorgaans in groepjes holle bomen, waarbij er gedurende het seizoen door de vleermuizen regelmatig wordt gewisseld van boom). Vleermuisverblijven zijn dus mogelijk aanwezig. Het ligt daarnaast voor de hand dat de plaatsen waar de bosrand aan een weg (of onverhard pad; zie figuur 4.4.2) grenst, fungeren als vaste vliegroute of als foerageergebied voor vleermuizen (vaste vliegroutes en foerageergebieden worden onder de Wnb als vaste rust- en verblijfplaats gezien). Een aantal vleermuissoorten is in tabel 4.4 opgenomen.

Pagina | 11

AM20390

Figuur 4.4.1. In het plangebied bevindt zich één holle boom. Deze Amerikaanse eik heeft diverse holtes (zie inzet).

Figuur 4.4.2. In het zuiden van het plangebied, op de grens met de golfbaan, is een onverhard pad aanwezig. Foto genomen vanuit het plangebied met het gezicht naar de Dunsedijk. Pagina | 12

AM20390

Vanwege het gebrek aan voldoende vocht is het zo goed als uitgesloten dat er hermelijnen of bunzingen in het plangebied aanwezig zijn. Dassenburchten, dassenlatrines, -wissels en snuitputjes van dassen zijn in het plangebied afwezig. In het plangebied leven mogelijk wel enkele algemene zoogdieren zoals de veldmuis. Vanwege de aanwezigheid van grasland met naastgelegen struweel is de aanwezigheid van de wezel niet uit te sluiten (zie tabel 4.4). Tijdens het veldbezoek werden geen jaarrond beschermde vogelnesten of overige strenger beschermde vogelnesten waargenomen. Ook eekhoornnesten zijn nergens aangetroffen. Het is uiteraard mogelijk dat vogelnesten in het broedseizoen aanwezig kunnen zijn.

Planten en overige soorten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Op één locatie groeit brede wespenorchis (zie figuur 4.4.3). Deze soort was onder de Flora- en faunawet beschermd, maar is dit onder de Wnb niet meer.

Figuur 4.4.3. Geheel in het noorden van het plangebied, tegen de parkeerplaats van Huize Rustenoord aan, is een brede wespenorchis waargenomen.

Wateren die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen, zijn in het zelf plangebied afwezig, maar het is mogelijk dat meerdere (bijzondere) amfibieënsoorten het plangebied als landhabitat gebruiken. Zo is er een vijver direct ten zuiden van het plangebied (tussen Huize Rustoord en de golfbaan in). Op de naastgelegen golfbaan (Golfclub Midden-Brabant) is de alpenwatersalamander aanwezig (Verhelst en Verheijen, 2019). Deze soort komt vaak voor in bosrijke omgevingen of in de buurt van houtwallen. Pagina | 13

AM20390

Omdat het plangebied een bosgebied is dat direct grenst aan de golfbaan (waarop zich >10 poelen bevinden), is het goed mogelijk dat de alpenwatersalamander het plangebied als landhabitat gebruikt. Op grotere afstand ten zuidoosten van het plangebied, op (natuurgebied) de Mispeleindse Heide, zijn heikikker, vinpootsalamander, alpenwatersalamander, poelkikker, bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker, levendbarende hagedis en hazelworm waargenomen (van Rijsewijk & van Delft, 2011). Dit natuurgebied bevindt zich op 2,4 kilometer van het plangebied en blijkt een belangrijk leefgebied voor herpetofauna. Het is mogelijk dat een of meer van deze herpetofaunasoorten delen van het plangebied als landhabitat gebruiken. Overige soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings- of rustplaats in het plangebied hebben. Nederlandse en wetenschappelijke naam

Vogels met jaarrond

Internationaal

Overige beschermde

beschermd nest

beschermde soorten

soorten

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

X

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

X

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

X

Watervleermuis (Myotis daubentoni)

X

Heikikker (Rana arvalis)

X

Bruine kikker (Rana temporaria)

X

Bastaardkikker (Rana esculenta)

X

Gewone pad (Bufo bufo)

X

Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus)

X

Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris)

X

Levendbarende hagedis (Zootica vivipara)

X

Hazelworm (Anguis fragilis)

X

Aardmuis (Microtus agrestis)

X

Veldmuis (Microtus arvalis)

X

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

X

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

X

Konijn (Oryctolagus cuniculus)

X

Wezel (Mustela nivalis)

X

Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Pagina | 14

AM20390

5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Kempenland-West,’ ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’ en ‘Regte Heide & Riels Laag’ op een afstand van resp. 1,3; 5,9 en 9,5 kilometer van het plangebied. Tussen het gebied ‘Kempenland-West’ en het plangebied in ligt een agrarisch bedrijf. Tussen het plangebied en ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’ liggen de provinciale weg N269 en meerdere agrarische bedrijven. Tussen Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ liggen de provinciale wegen N269 en N630 en diverse agrarische bedrijven. Ook vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De hierboven genoemde Natura 2000-gebieden bevatten tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemde (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebieden.

5.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Op de beheertypenkaart van de provincie is hier ‘Vochtig bos met productie’ aangeduid. De voorgenomen werkzaamheden zullen resulteren in vernietiging van delen van het NNB.

5.3

Beschermde planten en dieren

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: 

Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van enkele algemene beschermde zoogdieren, amfibieën en reptielen worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.

Door de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van minder algemene / zeldzame amfibieën en reptielen worden aangetast. Het gaat om de alpenwatersalamander, de vinpootsalamander, de levendbarende hagedis en de hazelworm. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.

In het plangebied bevindt zich één holle boom. Deze bevat mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Indien deze boom gekapt wordt, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de kap worden gestoord, verwond en/of gedood.

De plaatsen waar de openbare weg aan een bosrand grenst of waar een weg door het bos loopt, fungeren waarschijnlijk als vaste vliegroute of foerageergebied van vleermuizen. Omdat er overal aan de overzijden van de wegen of in de directe nabijheid van het plangebied opgaande beplanting aanwezig is, is er overal echter voldoende alternatieve geleiding en foerageergebied aanwezig. Pagina | 15

AM20390

In die zin is er dus geen sprake van een aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Indien er buitenverlichting op de bosranden wordt gericht, kan dit wel een verstoring van vleermuizen opleveren. 

In de opgaande vegetatie in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.

In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.

Pagina | 16

AM20390

Soort

Beschermingsregime Wnb

Algemene in opgaande vegetaties

Vogels

broedende vogels Vleermuizen

Art. 3.1

Art. 3.1

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.10

lid 1

lid 2

lid 1

lid 2

lid 3

lid 4

lid 1

X

X

X

X

X

X

X

X

Internationaal beschermde soorten

Heikikker

Internationaal beschermde soorten

Vinpootsalamander,

Overige soorten*

alpenwatersalamander,

X

levendbarende hagedis en hazelworm Algemeen voorkomende

Overige soorten

grondgebonden zoogdieren,

X

amfibieën en reptielen Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. * Deze soorten zijn in Noord-Brabant niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of t e vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A -soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos -, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Pagina | 17

AM20390

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1

Natura 2000

De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.

6.2

Natuurnetwerk Brabant

De bouw van de woningen leidt op een aantal plaatsen tot vernietiging van het NNB. In overleg met de provincie moet worden bepaald op welke wijze dit verlies kan worden gecompenseerd.

6.3

Beschermde planten en dieren

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Strenger beschermde amfibieën, reptielen en zoogdieren In het plangebied komen mogelijk amfibieën, reptielen en zoogdieren voor die in de provincie Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om wezel, levendbarende hagedis, hazelworm, vinpootsalamander, alpenwatersalamander (allemaal A-soorten die in Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld) en om heikikker (deze soort is internationaal beschermd). Om de aan- of afwezigheid van deze diersoorten in het plangebied aan te tonen, dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden. Onderzoek naar de wezel kan worden uitgevoerd gedurende 6 weken in de periode maart t/m augustus (wanneer de dieren het meest actief zijn) of 3 maanden in de periode september t/m februari. Hierbij worden marterboxen (Mostela’s) geplaatst. Vanwege de oppervlakte van het plangebied dienen er minimaal 3 marterboxen te worden geplaatst in de actieve periode, en 6 marterboxen buiten de actieve periode (Bouwens, 2017). Onderzoek naar het voorkomen van amfibieën (alpenwatersalamander en vinpootsalamander) kan worden uitgevoerd door de nabij het plangebied gelegen wateren 2 maal te bemonsteren in de periode maart tot augustus.

Voor de heikikker zijn 2 bezoeken nodig vanaf eind februari tot begin april (geluidswaarnemingen; vanaf ½ uur voor zonsondergang) óf 2 bezoeken in de periode augustus en september (bemonsteren nabij gelegen wateren; NGB, 2017; BIJ12a, 2017). Pagina | 18

AM20390

Onderzoek naar de levendbarende hagedis kan worden uitgevoerd volgens BIJ12 (2017b); de afwezigheid van de soort is voldoende aannemelijk gemaakt als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van levendbarende hagedissen na 3 inventarisatierondes in de maanden april en mei. Het gebruik van herpetoplaatjes is niet nodig om de trefkans te vergroten. Onderzoek naar hazelworm kan worden uitgevoerd in de periode juni – september, door tijdens 4 bezoeken (over een periode van minimaal een maand) onder herpetofaunaplaten te kijken. Deze platen worden een maand voor het eerste bezoek uitgelegd (NGB, 2017). Indien blijkt dat een van voorgenoemde soorten in het plangebied voorkomt, dient er een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor de betreffende soort(en) te worden aangevraagd.

Vleermuizen Eén boom in het plangebied bevat diverse holtes en dient mogelijk als vleermuisverblijf. Wanneer deze boom gekapt wordt, verdwijnt er mogelijk een vaste voortplantings- en verblijfplaats van verschillende soorten vleermuizen. Indien deze boom gekapt wordt, dient de boom voorafgaand aan de kap volgens het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden nodig: -

2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken);

-

2 ronden (2 avonden of 1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 15 september, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).

Door de kap van enkele bomen zijn er geen aantastingen van een eventuele vaste vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen te verwachten. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de bomen aan de bosrand (en langs de wegen) en de voorgenoemde Amerikaanse eik met holtes alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).

Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

Pagina | 19

AM20390

LITERATUUR 

BIJ12. 2017a. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

BIJ12. 2017b. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Versie 11 oktober 2017.

Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Versie juli 2017. Netwerk Groene Bureaus, Odijk.

Provincie Noord-Brabant, 2016. Nieuwsbrief Wet natuurbescherming, december 2016.

Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/600901/CVDR600901_1.html

Rijsewijk, A.C. van en J.J.C.W van Delft. 2011. Verbetering van drie leefgebieden voor amfibieën en andere faunasoorten in Landgoed De Utrecht Deel 3 De Flaes en Het Goor. In opdracht van: ASR Vastgoed B.V. Stichting RAVON,

Nijmegen.

Link:

https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.1667.BPLGutrecht0038-

VAST/b_NL.IMRO.1667.BPLGutrecht0038-VAST_tb9.pdf 

Spoelstra, K., R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat-presence is affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org

Verhelst, K. en J. Verheijen. 2019. Golfbaan Midden-Brabant, te Esbeek: Communicatie & Duurzaamheid. Golfclub Midden-Brabant,

Esbeek.

Link:

https://www.ngf.nl/~/media/pdfs/ngf/2019-geo-

middenbrabant.pdf?rev=1516152125. 

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

Zoogdiervereniging, 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/eenvleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting

Pagina | 20

AM20390

BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:

het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)

het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)

het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)

het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)

het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)

het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)

het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:

geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;

de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en; Pagina | 21

AM20390

de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -

het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

-

het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

-

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

-

ter bescherming van flora of fauna;

-

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of

-

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.

Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:

het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)

het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)

het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)

het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)

het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)

het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van

de natuurlijke habitats; -

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

Pagina | 22

AM20390

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.

Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

de ontheffing of vrijstelling nodig is: Pagina | 23

AM20390

-

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

-

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

-

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;

-

ten behoeve van het algemeen belang.

Pagina | 24

AM20390

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1

Art. 3.5 lid 1

Art. 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te vangen

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of

doden of te vangen

te vangen Art 3.1 lid 2

Art.3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

of rustplaatsen van dieren te beschadigen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

vernielen of te beschadigen, of nesten van

of te vernielen

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels weg te nemen

vernielen.

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de

onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Pagina | 25

AM20390

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11262198/1