CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

Separaat bijlagenboek bestemmingsplan Goed Wonen fase 2.pdf

Raadscommissie 14 april 2022, gemeente HillegomBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan 'Goed Wonen fase 2, Hillegom'19.884 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken, en leefgebied te compenseren.

15

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijk nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: •

Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;

•

In verband met verstoring voor aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd;

•

In verband met verstoring van aanwezige dieren wordt geen of amberkleurige verlichting gebruikt tussen zonsondergang en zonsopkomst. Mogelijke verlichting dient naar beneden gericht te zijn.

16

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

4.

Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een veldbezoek en een literatuuronderzoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door instanties zoals de Zoogdiervereniging en Stichting RAVON. Op basis van het literatuuronderzoek is bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Dit zijn; vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats en grondgebonden zoogdieren. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde nacht- of dagvlinders omdat de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voorkomen (voornamelijk natuurgebieden). Daarnaast is de aanwezigheid van beschermde vlindersoorten met behulp van actuele verspreidingskaarten uit te sluiten. Om deze reden is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Het veldbezoek is op 28 maart 2019 uitgevoerd door medewerkers van het NWC. De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg 10,5°C, het was bewolkt en de wind had een kracht van 2 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten en alle onderdelen van hun leefomgeving worden beschermd door de Wet natuurbescherming (bijlage 2).

Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld in hoeverre de gebouwen en bomen binnen het plangebied geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is onder andere gelet op de aanwezigheid en de kenmerken van holtes in de bomen en o.a. spouwgaten in de bebouwing. Daarnaast is gelet op sporen van vleermuizen, zoals uitwerpselen en de aanwezigheid van meststrepen bij eventuele invliegopeningen. Ook is beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebieden aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en (kleinschalige) weilanden of andere half open gebieden. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze vogels zijn de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van nestplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats, en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door

17

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

geluid). Dit is gedaan door te letten op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc.) en nesten (o.a. horsten en oude kraaiennesten) en aan de hand van waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/territorium indicerend gedrag). Tevens is bekeken of het gebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens de quickscan is beoordeeld of het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Hierbij is gelet op de geschiktheid van het gebied als leefgebied voor deze soorten en op sporen van deze soorten (holen, geurmerken, vraatsporen, uitwerpselen en loopsporen).

18

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

5.

Resultaten Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen of sporen van vleermuizen waargenomen. De woningen in het plangebied zijn matig beschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezige stootvoegen zijn voorzien van roosters en bieden daarom in de meeste gevallen geen toegang tot de spouw. Enkele roosters hebben echter wat bredere openingen, waardoor deze mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor de Gewone dwergvleermuis kunnen bieden. Ook zijn de stootvoegen vrij laag gesitueerd, en hebben vaak geen vrije aan- en uitvliegroute, wat ze matig geschikt maakt als verblijfplaats voor vleermuizen. Bovendien bevinden zich in de omgeving van het plangebied veel geschiktere woningen met open stootvoegen, waar in de spouw geschikte omstandigheden aanwezig kunnen zijn voor meerdere soorten vleermuizen. Deze woningen zijn bovendien hoger dan de woningen in het plangebied, waardoor de stootvoegen op grotere hoogte aanwezig zijn, en hebben een vrije aan- en uitvliegroute, waardoor deze beter geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan echter nog niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Het plangebied en haar directe omgeving zijn slecht geschikt als foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen vanwege het grotendeels ontbreken van functionele leefomgeving voor vleermuizen.

Er is vrijwel geen opstaande vegetatie, en lijnvormige landschapselementen ontbreken. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn in het plangebied geen nesten aangetroffen van vogels met een vaste verblijfplaats. Wel zijn de daken van de te slopen woningen in het plangebied geschikt als verblijfplaats voor de Huismus vanwege losliggende en/of verschoven dakpannen en enkele aanwezige gaten in de daken (foto 2). Tijdens het veldbezoek zijn echter geen huismussen waargenomen. Het plangebied is tevens geschikt voor de Gierzwaluw. De daken van een aantal woningen in het plangebied hebben geschikte kopgevels, waar ruimte voor de Gierzwaluw onder de dakpannen zou zijn. Echter liggen de dakpannen dicht op het beschot, en lijkt geen gebruik te zijn gemaakt van panlatten, die voor de Gierzwaluw van belang zijn. Ook hebben meerdere kopgevels geen vrije aanvliegroute, omdat deze wordt belemmerd door bomen en andere bebouwing. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de Gierzwaluw in het plangebied kan nog niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

19

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Tenslotte is tijdens de quickscan een nest van de Ekster aangetroffen in een Plataan ter hoogte van de kruising van de Meerstraat en de Emmastraat (foto 3). De vogels waren aanwezig op het nest. Nesten van deze soort zijn niet jaarrond beschermd, maar hiervan is inventarisatie wel gewenst (bijlage 3).

Foto 2: Gat tussen dakpannen

Foto 3: Nest ekster in gebruik in plataan t.h.v. kruising Meerstraat en Emmastraat

Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen uitwerpselen of andere sporen van strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen in het plangebied. Ook zijn er geen geschikte holtes aangetroffen waar grondgebonden zoogdieren gebruik van zouden kunnen maken. De aanwezigheid van (functionele leefomgeving van) strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in het plangebied kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

20

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

6.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan nog niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Omdat in theorie elk gebouw een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen kan bieden, is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied nodig. Hiervoor zullen tenminste 3 gerichte veldbezoeken plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met eind september, met een minimale tussenperiode van 10 dagen. Deze zullen gecombineerd worden met het aanvullend onderzoek naar de Gierzwaluw. Afhankelijk van de resultaten van deze bezoeken zijn aanvullende inventarisatiemomenten in het najaar mogelijk noodzakelijk. Het kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat het plangebied (onderdeel van) een essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute voor vleermuizen is. Er is geen aanvullend onderzoek naar het foerageergebied en/of de vliegroute van vleermuizen nodig. Vogels met een vaste verblijfplaats Het plangebied is geschikt als functionele leefomgeving voor de Huismus, en de pannendakken van de woningen kunnen mogelijk als verblijfplaats gebruikt worden. Het kan nog niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat huismussen gebruik maken van deze verblijfplaatsen.

Om te weten te komen welke functies het plangebied heeft voor de Huismus dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de Huismus hebben twee gerichte veldbezoeken plaatsgevonden in de periode van 1 april tot en met 15 mei. Daarnaast zijn enkele kopgevels van de woningen in het plangebied mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de Gierzwaluw. Er is aanvullend onderzoek nodig naar de verblijfplaatsen van de Gierzwaluw. Hiervoor zullen 2 inventarisatiemomenten plaatsvinden in de periode van 15 mei – 15 juli, met een minimale tussenperiode van 10 dagen. Deze inventaristaties vinden plaats in de avond, tussen 2 uur voor zonsondergang en zonsondergang. Ook bevindt zich in een plangebied een verblijfplaats van eksters. De Ekster is een algemeen beschermde soort, waarvoor buiten het broedseizoen geen ontheffing nodig is. Wel dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van de eksters. Er is geen aanvullend onderzoek nodig. Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in het plangebied kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Er is geen aanvullend

21

Quickscan flora en fauna t.b.v. het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

onderzoek nodig en vanuit de Wet natuurbescherming bestaan er geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soortgroep.

22

Referenties Database NWC Zoogdiervereniging.nl Telmee.nl Bij12.nl Vlinderstichting.nl

Bijlage 1: Beschermde soorten Wet Natuurbescherming en Rode Lijst In het kader van de Wet Natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:

Rode Lijst vaatplanten en vissen

Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen

Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet Natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waartussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.

Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •

indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;

•

indien vleermuizen aangetroffen zijn.

Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •

er sprake is van een kraamkolonie;

•

er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;

•

er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;

•

de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.

De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.

Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •

niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);

•

vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.

Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.

Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rusten verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: •

Is er een wettelijk belang?

•

Is er een andere bevredigende oplossing?

•

Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar?

“Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven. Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet Natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb).

Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil).

2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:

Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk Buizerd

Falco subbuteo Buteo buteo

Gierzwaluw

Apus apus

Grote gele kwikstaart Havik

Motacilla cinerea Accipiter gentilis

Huismus Kerkuil

Passer domesticus Tyto alba

Oehoe Ooievaar

Bubo bubo Ciconia ciconia

Ransuil

Asio otus

Roek Slechtvalk

Corvus frugilegus Falco peregrinus

Sperwer Steenuil

Accipiter nisus Athene noctua

Wespendief Zwarte wouw

Pernis apivorus Milvus migrans

Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger

Ardea cinerea

Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger

Hirundo rustica Ficedula hypoleuca

Boomklever Boomkruiper

Sitta europaea Certhia brachydactyla

Bosuil Brilduiker

Strix aluco Bucephala clangula

Draaihals

Jynx torquilla

Eider Ekster

Somateria mollissima Pica pica

Gekraagde roodstaart Glanskop

Phoenicurus phoenicurus Parus palustris

Grauwe vliegenvanger Groene specht

Muscicapa striata Picus viridis

Grote bonte specht

Dendrocopos major

Hop Huiszwaluw

Upupa epops Delichon urbica

IJsvogel Kleine bonte specht

Alcedo atthis Dendrocopos minor

Kleine vliegenvanger Koolmees

Ficedula parva Parus major

Kortsnavelboomkruiper

Certhia familiaris macrodactyla

Oeverzwaluw Pimpelmees

Riparia riparia Parus caeruleus

Raaf Ruigpootuil

Corvus corax Aegolius funereus

Spreeuw Tapuit

Sturnus vulgaris Oenanthe oenanthe

Torenvalk

Falco tinnunculus

Zeearend Zwarte kraai

Haliaeëtus albicilla Corvus corone

Zwarte mees Zwarte roodstaart

Parus ater Phoenicurus ochruros

Zwarte specht

Dryocopus martius

Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek, NWC, augustus 2019

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Augustus 2019 P19-076/W1672 Auteur: V. van Os Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Opdrachtgever:

KuiperCompagnons

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Veldwerk:

Hans Bruning, Jeroen Dekker, Alexandra Haan, Rob Haan, Celine Huisman, Victor van Os, Esmee Schutgens,

Samenstelling:

Victor van Os

Foto’s:

NWC

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom [Samenst.: van Os, V.]. Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.

Trefw.:

Wet natuurbescherming, ‘Goed Wonen fase 2’, Hillegom, huismus, gierzwaluw, vleermuizen

W1672/P19-076

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.

Dordrecht, augustus 2019

Inhoud

Samenvatting

1

Inleiding

7

2

Gebiedsbeschrijving

9

3

Wettelijk kader

11

4

Methode

15

5

Resultaten

19

6

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

23

Referenties

Bijlagen: Bijlage 1: Beschermde soorten Wet Natuurbescherming en Rode Lijst Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Samenvatting

Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Soortgroep

Effecten beschermde soorten

Verplichtingen

Vleermuizen

Geen.

- Zorgplicht.

Huismus

Geen.

- Zorgplicht.

Gierzwaluw

Verstoring en/of vernietiging van

- Nemen van compenserende en/of miti-

vaste verblijfplaatsen van de Gierzwaluw.

gerende maatregelen; - Ontheffing Wnb aanvragen; - Zorgplicht.

5

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

6

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

1.

Inleiding Voor het project ‘Goed Wonen fase 2’ bestaan er plannen om 36 eengezinswoningen in een woonblok in Hillegom te slopen en daarvoor in de plaats circa 39 nieuwbouwwoningen te realiseren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. Uit een in 2019 door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) uitgevoerde quickscan (van Os, 2019), blijkt dat een deel van de te slopen bebouwing binnen het plangebied geschikt is als verblijfplaats voor de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen. Daarnaast beschikt het plangebied over voldoende mogelijkheden voor huismussen om te foerageren en kan het dus onderdeel van de functionele leefomgeving van deze soort vormen. Alle bovengenoemde soorten en hun verblijfplaatsen zijn beschermd door de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of er bij de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, diende aanvullend onderzoek plaats te vinden. Hiermee kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soorten worden aangetoond, dan wel uitgesloten en kan achterhaald worden welke functie(s) het plangebied voor het vervult.

Met behulp van de resultaten is vervolgens bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen hebben voor deze soorten. KuiperCompagnons heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) opdracht gegeven voor het aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen en om te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.

7

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

8

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

2.

Gebiedsbeschrijving

Plangebied Het plangebied bestaat uit een woonblok met parkeerterrein en enkele bomen. Het woonblok bevindt zich tussen de Julianastraat, de Emmastraat, de Hofstraat en de Meerstraat te Hillegom (provincie Zuid-Holland) en het parkeerterrein ligt aan de overzijde van de Julianastraat (figuur 1, figuur 2). Het woonblok bestaat uit 36 woningen met tuinen die gebouwd zijn in de jaren ’20 en die aan alle zijden omgeven worden door andere woningen. Beschermde gebieden Het plangebied ligt hemelsbreed op ongeveer 3,2 kilometer afstand van Natura 2000gebied het ‘Kennemerland-Zuid’. Dit is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bij het plangebied. Vanwege de afstand tot dit en andere Natura 2000-gebieden worden er geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere verstoringsfactoren. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat er als gevolg van de voorgenomen plannen geen (nadelige) effecten op het NNN verwacht worden, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving betreffende het NNN nodig.

9

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Figuur 1: Ligging van het plangebied te Hillegom, Zuid-Holland (rood omcirkeld).

Figuur 2: Plangebied in detail (rood omkaderd).

Bron: Google Maps

Bron: PDOK Viewer

10

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

3.

Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden te voldoen (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, en tijd tussen onderzoeksmomenten). Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden is uitgevoerd, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; •

de aanwezigheid van beschermde soorten;

•

de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten;

•

het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten;

•

de effecten van plannen op deze soorten;

• de keuze voor te nemen (mitigerende en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1 op de volgende pagina). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen

11

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: •

Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit;

•

Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn;

•

Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefomgeving mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen; alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.

12

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken, en leefgebied te compenseren.

13

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijk nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: •

Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;

•

In verband met verstoring voor aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd;

•

In verband met verstoring van aanwezige dieren wordt geen of amberkleurige verlichting gebruikt tussen zonsondergang en zonsopkomst. Mogelijke verlichting dient naar beneden gericht te zijn.

14

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

4.

Methode Vleermuizen Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar op verschillende manieren; in verschillende perioden van het jaar maken ze gebruik van kraamplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijven, winterverblijfplaatsen en jachtgebied. Daarnaast gebruiken ze landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen, als vliegroute. Het vleermuisprotocol (maart 2017) dat de leidraad vormt voor het wettelijk benodigde vleermuisonderzoek, stelt daarom dat tenminste zes inventarisatiemomenten, verspreid over de periode half mei – begin oktober, nodig zijn om de verschillende functies die de geschikte bebouwing en vegetatie mogelijk voor vleermuizen vervullen zo goed mogelijk te inventariseren (bijlage 2). Uit de reeds uitgevoerde quickscan blijkt dat de bebouwing binnen het plangebied echter in beperkte mate geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezige stootvoegen in de bebouwing zijn voorzien van roosters, die voor vleermuizen de toegang tot de spouw ontnemen. Een klein aantal geschikte kieren onder de daklijsten geeft vleermuizen echter mogelijk wel toegang tot de woningen (van Os, 2019). Er is nauwelijks functionele leefomgeving aanwezig; vegetatie komt binnen het plangebied zeer beperkt voor en voldoet niet aan de eisen die de dieren aan hun foerageergebied stellen. Er zijn daarom toch twee inventarisaties in de kraamperiode uitgevoerd.

Deze hadden tot doel de aanwezigheid van vleermuizen in het gebied te achterhalen, na te gaan wat het soortenspectrum is en of er aanwijzingen zijn dat de woningen gebruikt worden. De inventarisaties zijn uitgevoerd op 15 mei 2019 en 19 juni 2019. De weersomstandigheden (gemiddelde temperatuur, neerslag en gemiddelde windsnelheid) op deze dagen, de start- en eindtijden van de vleermuisinventarisaties en de tijd van zonsondergang (ZO), worden vermeld in onderstaande tabel. Tabel 1: Weersomstandigheden en start- en eindtijd per vleermuisinventarisatie

Datum

Temp. (ºC)

Bewolking Neerslag Wind Start (Bft)

Eind

ZO

15/05/2019

13

0/8

Droog

1

21:30

00:35

21:29

19/06/2019

18

6/8

Droog

1

22:00

01:30

22:06

De gegevens over de weersomstandigheden zijn ter plaatse gemeten of ingeschat door de waarnemers. De inventarisaties zijn in de avond en/of nacht uitgevoerd. De waarnemers waren zodanig gepositioneerd dat in stilstand alle vleermuisgeschikte gevels te overzien waren.

15

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Tijdens de inventarisaties is vooral gelet op uitvliegende, invliegende en/of zwermende vleermuizen en op vleermuizen die al rond zonsondergang actief waren. Wanneer een vleermuis rond zonsondergang wordt waargenomen, kan dit namelijk op de aanwezigheid van een verblijfplaats in de directe omgeving duiden. Dit omdat de meeste vleermuissoorten rond zonsondergang hun verblijfplaats verlaten en dan naar hun foerageergebieden vliegen. Vleermuizen die rond zonsondergang bij het te onderzoeken object worden waargenomen, hebben nog geen grote afstand af kunnen leggen, waaruit opgemaakt kan worden dat zij mogelijk in het object een verblijfplaats hebben. Tijdens de veldbezoeken is gebruikgemaakt van heterodyne batdetectors (type Pettersson D-1000X en D-240X). Met behulp van deze batdetectors zijn de waargenomen vleermuissoorten op naam gebracht en hiermee is voldaan aan het vleermuisprotocol van 2017. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van vogelsoorten met een vaste verblijfplaats zijn de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Huismus Tijdens de quickscan flora en fauna is het plangebied mogelijk geschikt bevonden als functionele leefomgeving van de Huismus.

De bebouwing is tevens geschikt als verblijfplaats voor deze soort, vanwege de pannendakken van de woningen. Het aanvullende onderzoek naar de Huismus is uitgevoerd volgens het kennisdocument Huismus (BIJ12, Huismus) middels twee gerichte veldbezoeken in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2019, vanaf zonsopkomst tot twee uur daarna en vanaf twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang. Deze veldbezoeken zijn uitgevoerd op 5 mei 2019 en op 15 mei 2019 door ecologen van het NWC. De weersomstandigheden (temperatuur, bewolking, en windsnelheid, zoals ingeschat door de waarnemers ter plaatse) op deze dagen, de start- en eindtijden van de inventarisaties, en de tijden van zonsopkomst (ZOp) en zonsondergang (ZO) worden vermeld in tabel 2. Tijdens de veldbezoeken is onder andere gelet op de aanwezigheid van nesten, nestbouw, bezoek van een Huismus aan een potentiële nestplaats, transport van voedsel, zingende mannetjes en foeragerende exemplaren. Daarnaast is er in een straal van 150 meter rondom het plangebied ook gelet op de aanwezigheid van de Huismus.

Tabel 2: Weersomstandigheden en start- en eindtijd per Huismusinventarisatie

16

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Datum

Temp. Bewolking Neerslag Wind Start (°C) (Bft)

Eind

ZOp

ZO

05/05/2019 7

4/8

Droog

2

06:10

08:10

06:03

n.v.t.

15/05/2019 13

0/8

Droog

1

19:30

21:30

n.v.t.

21:29

Gierzwaluw Tijdens de quickscan is het plangebied geschikt bevonden voor de Gierzwaluw. De daken van een aantal woningen in het plangebied beschikken over geschikte kopgevels, waar ruimte voor de Gierzwaluw onder de dakpannen zou kunnen zijn. Het aanvullende onderzoek naar de Gierzwaluw is uitgevoerd volgens het kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, Gierzwaluw) via drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 mei tot en met 15 juli. Er is gekeken of de Gierzwaluw het plangebied gebruikt, en welke functies het plangebied vervult voor deze soort. De veldbezoeken zijn uitgevoerd op 15 mei 2019, 19 juni 2019 en 15 juli 2019 vanaf twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang. De weersomstandigheden (gemiddelde temperatuur, neerslag en gemiddelde windsnelheid) op deze dagen, de start- en eindtijden van de gierzwaluwinventarisaties en de tijd van zonsondergang (ZO) worden vermeld in de onderstaande tabel 3 Tabel 3: Weersomstandigheden en start- en eindtijd per Gierzwaluwinventarisatie

Datum

Temp. (ºC)

Bewolking Neerslag Wind Start (Bft)

Eind

ZO

15/05/2019

13

0/8

Droog

1

19:30

21:30

21:29

19/06/2019

18

6/8

Droog

1

20:00

22:00

22:06

15/07/2019

19

8/8

Droog

2

20:00

23:15

21:56

17

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

18

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

5.

Resultaten Vleermuizen Er is tijdens de inventarisaties één vleermuissoort in zeer lage aantallen in het plangebied waargenomen; de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Tijdens de inventarisaties zijn er geen uit- en/of invliegende vleermuizen waargenomen. Wel zijn tijdens de tellingen, verspreid over het plangebied, één tot twee individuen passerend en/of kort foeragerend waargenomen. Het gebied heeft echter zoals verwacht geen belangrijke waarde als jachtgebied; opgaande vegetatie is nauwelijks aanwezig. Er bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied voldoende geschiktere foerageergebieden in de vorm van lijnvormige opgaande begroeiing en windbeschutte plaatsen langs watergangen. Tabel 4 geeft een overzicht van de waarnemingen die tijdens de veldbezoeken gedaan zijn. Tabel 4: Vleermuiswaarnemingen plangebied te Hillegom

Datum

Waargenomen soorten

Aantallen en gedrag

15/05/2019

Gewone dwergvleermuis

- Twee individuen passerend in westelijke richting t.h.v. de Julianastraat.

19/06/2019

Gewone dwergvleermuis

- Eén individu korte tijd foeragerend t.h.v. de Emmastraat. - Twee individuen passerend in oostelijke richting t.h.v. de Hofstraat - Eén individu passerend in noordelijke richting over Julianastraat - Eén individu passerend in westelijke richting over Meerstraat

Huismus Tijdens het eerste veldbezoek dat is afgelegd voor de Huismus (5 mei 2019), zijn er in totaal vier huismussen waargenomen binnen het plangebied. Deze dieren bevonden zich korte tijd in de tuin van het pand aan de Hofstraat 25 en korte tijd in een boom aan de Emmastraat, ter hoogte van het pand aan de Hofstraat 29. Daarnaast zijn in totaal 10 tot 20 huismussen waargenomen bij huizen en struiken in de omgeving van het plangebied, met name aan de Van Meerbeekstraat. Ook werd hier gedrag (toevoer van nestmateriaal) waargenomen, dat er op duidt dat de huismussen nestelen in de bebouwing aan de Van Meerbeekstraat, op ongeveer 75 meter afstand van het plangebied. Bij het tweede bezoek zijn er geen huismussen gehoord of waargenomen in het plangebied.

19

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Er kan op basis van deze resultaten met voldoende zekerheid gesteld worden dat er geen vaste verblijfplaats van huismussen aanwezig zijn in de bebouwing in het plangebied. Ook maakt het plangebied geen belangrijk onderdeel uit van de functionele leefomgeving van de Huismus, omdat deze nauwelijks aanwezig is. In de directe omgeving van het plangebied komt wel geschikte functionele leefomgeving voor; hier zijn de dieren wel waargenomen en ook zijn hier vaste verblijfplaatsen aanwezig. Gierzwaluw Tijdens de inventarisaties zijn meerdere verblijfplaatsen van gierzwaluwen aangetroffen in het plangebied. Al deze verblijfplaatsen bevinden zich onder de dakpannen van de zadeldaken van de aanwezige bebouwing aan de Julianastraat en de Hofstraat (zuiden westzijde plangebied). De locaties van de aangetroffen verblijfplaatsen van gierzwaluwen worden weergegeven in figuur 4. Er zijn één of meerdere invliegende individuen waargenomen op de volgende adressen: Julianastraat 3, 7, 11, 13, 17, en 19, en Hofstraat 21, 27, en 29 (tabel 5). Op de adressen Julianastraat 11 en Julianastraat 19 werd slechts bij één van de veldbezoeken invliegende gierzwaluwen waargenomen. Op alle andere locaties werden bij meerdere inventarisaties invliegende gierzwaluwen waargenomen. De verblijfplaatsen werden voornamelijk onder dakpannen in de hogere delen van de daken aangetroffen (zie figuur 3).

Figuur 3: Locaties bij de daken waar invliegende gierzwaluwen onder de dakpannen zijn waargenomen aan de Julianastraat te Hillegom.

20

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Tabel 5: Gierzwaluwwaarnemingen per inventarisatiemoment in het plangebied te Hillegom

Datum

Aantallen en gedrag

15/05/2019

- Twee individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 3 - Vijf individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 7 - Twee individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 11 - Individuen nestelend onder dakpannen aan de Julianastraat 13 (gehoord) - Vier individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 17 - Twee individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 19 - Twee individuen invliegend onder dakpannen aan de Hofstraat 21 - Drie individuen invliegend onder dakpannen aan de Hofstraat 29 - Ca. 25-30 individuen zwermend boven plangebied

19/06/2019

- Eén individu invliegend onder dakpan aan de Julianastraat 3 - Drie individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 7 - Drie individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 13 - Eén individu invliegend onder dakpan aan de Hofstraat 27 - Ca. 22-25 individuen zwermend boven plangebied

15/07/2019

- Twee individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 3 - Eén individu invliegend onder dakpan aan de Julianastraat 7 - Vier individuen invliegend onder dakpannen aan de Julianastraat 13 - Eén individu invliegend onder dakpan aan de Julianastraat 17 - Eén individu invliegend onder dakpan Hofstraat 21 - Twee individuen invliegend onder dakpannen aan de Hofstraat 27 - Vijf individuen invliegend onder dakpannen aan de Hofstraat 29 - Ca. 20-25 individuen zwermend boven plangebied

21

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Figuur 4: Locaties waar invliegende gierzwaluwen waargenomen zijn binnen het plangebied in Hillegom (aangegeven met rode stippen).

22

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

6.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de uitgevoerde inventarisaties zijn er, zoals verwacht, geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen binnen het plangebied. Bij de sloop van de bebouwing zullen er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetast, vernield en/of verstoord worden. Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden om ervoor te zorgen dat de functionaliteit van de verblijfplaatsen behouden blijft. Om deze redenen zal er, ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen, geen overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming plaatsvinden bij uitvoering van de voorgenomen plannen en zijn geen ontheffing en/of maatregelen nodig. Foerageergebied/vliegroute Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied geen belangrijke functie als foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen vervult. Er werden per inventarisatie slechts een klein aantal (maximaal twee individuen per avond) zeer kort foeragerende individuen waargenomen, en deze individuen bleven niet voor een langere periode in het plangebied. Daarnaast zijn er een aantal gebieden in de omgeving met lijnvormige opgaande begroeiing en windbeschutte plaatsen langs watergangen die een geschiktere functie als foerageergebied kunnen vervullen.

Om deze redenen zal er, ten aanzien van foerageergebieden, geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden bij uitvoering van de voorgenomen plannen en zijn geen ontheffing en/of maatregelen nodig. Huismus Effecten op nestplaatsen Er zijn tijdens de veldbezoeken geen verblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Om deze reden kan redelijkerwijs uitgesloten worden dat de werkzaamheden een (negatief) effect hebben op vaste verblijfplaatsen van de Huismus. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is niet aan de orde; een ontheffing is niet nodig. Effecten op de functionele leefomgeving Het plangebied heeft geen functie als rustplaats of als (onderdeel van de) functionele leefomgeving voor huismussen. De geplande werkzaamheden zullen dus niet tot verstoring leiden van de functionele leefomgeving van de Huismus binnen het plangebied.

23

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

Desondanks is het mogelijk dat de werkzaamheden een verstorende invloed hebben op huismussen buiten het plangebied, voornamelijk in de vorm van geluid. Echter, door het uitvoeren van de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang (overdag) zal de nachtelijke rust niet verstoord worden. Daarnaast zijn de werkzaamheden tijdelijk van aard waardoor de verstoring door geluid slechts kortdurend is. Tevens is het mogelijk dat de voorgenomen plannen een positief effect kunnen hebben op de populatie. Dit kan door de tuinen en bebouwing geschikt te maken voor deze soort en natuurinclusief te bouwen. Om deze redenen zijn er geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming aan de orde en hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden. Gierzwaluw Uit de inventarisaties is gebleken dat de bebouwing in het plangebied gebruikt wordt als verblijfplaats door de Gierzwaluw (Apus apus). Er bevonden zich ten tijde van de inventarisaties tenminste 11 verblijfplaatsen onder dakpannen van meerdere panden aan de Julianastraat en de Hofstraat, in het zuidelijke en het westelijke deel van het plangebied. Daarnaast is de directe omgeving van deze verblijfplaatsen geschikt als functionele leefomgeving van de Gierzwaluw. De verblijfplaatsen bieden een vrije uitvliegroute, en er bevinden zich geen belemmerende elementen in de in- en uitvliegroutes zoals bomen.

Bij de sloop van de bebouwing zullen verblijfplaatsen van de Gierzwaluw aangetast en vernietigd worden en kunnen er ook individuen verstoord, verwond of gedood worden. Derhalve moeten er mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen worden. Het is ten eerste van belang dat de werkzaamheden in de minst kwetsbare periode van de Gierzwaluw (15 augustus tot en met 15 april) plaatsvinden, wanneer de dieren niet aanwezig zijn in de verblijfplaatsen. Ook kunnen de werkzaamheden gefaseerd in ruimte en tijd worden uitgevoerd, waardoor er te allen tijde voldoende functionerende verblijfplaatsen aanwezig zijn. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de aanwezige verblijfplaatsen ongeschikt gemaakt te worden, bijvoorbeeld door ze af te sluiten vóór de start van het broedseizoen (half april). Daarnaast moet er een overmaat aan vervangende verblijfplaatsen aangeboden worden. Dat betekent dat er per nestplaats die verloren gaat, meerdere nieuwe alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd moeten worden. Hoe meer alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn, hoe groter de kans is dat minimaal één van deze geschikt bevonden wordt. De alternatieve verblijfplaatsen moeten bij voorkeur binnen 100 tot 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaatsen worden gerealiseerd.

Gedacht kan worden aan het realiseren van bijvoorbeeld ingemetselde neststenen, nestkasten, en/of speciale dakpannen in de nieuwbouwwoningen. De alternatieve verblijfplaatsen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen;

24

Aanvullend onderzoek naar de Huismus, de Gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van het project ‘Goed Wonen fase 2’ te Hillegom

•

Ze moeten zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijfplaatsen, geclusterd bij elkaar, en buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden aangeboden worden;

•

Ze moeten aan koele, schaduwrijke noord- of oostgevels van bebouwing en niet in de volle zon aangeboden worden;

•

Er moet een minimale uitvliegruimte van 1 meter breed en 3 meter diep geboden worden;

•

Ze moeten beschikbaar zijn vóór aanvang van de eigenlijke werkzaamheden en vóór terugkomst van de dieren uit het zuiden (half april);

•

Ze zijn bij voorkeur minimaal één volledig broedseizoen gelijktijdig met de te verwijderen verblijfplaatsen aanwezig. Op deze manier kunnen de gierzwaluwen wennen aan de nieuwe verblijfplaatsen.

Naast deze compenserende en mitigerende maatregelen dient er vanuit de Wet natuurbescherming een ontheffing aangevraagd worden. Pas na ontheffingsverlening mogen de werkzaamheden onder voorwaarden aanvangen. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: •

Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;

•

In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1446/documents/18045