-RV Verordening Jeugdhulp 2022 Hillegom.pdf
Tekst van het document
Onder een voorliggende voorziening bedoelen we onder andere; Wet langdurige zorg (Wlz) In de wet is vastgelegd wanneer iemand toegang heeft tot de Wlz (Art 3.2.1 Wlz): Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan: 1. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of 2. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen: a. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of b. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. Er is geen recht op jeugdhulp, indien de jeugdige in aanmerking komt voor de Wet langdurige zorg. De verzorgers zijn verplicht om een aanvraag in te dienen voor de Wlz, indien de jeugdige voldoet aan de eisen die de Wlz stelt.
Zorgverzekeringswet (Zvw) Gaat een jeugdige met psychische klachten naar de huisarts en kan de (praktijkondersteuner van de) huisarts deze klachten afdoende behandelen, dan is dit verzekerde zorg die onder de Zvw valt. Als de jeugdige is aangewezen op meer specialistische zorg en begeleiding, dan valt de geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen tot 18 jaar onder de Jeugdwet. Intensieve Kind Zorg (IKZ) onder de Zvw Jeugdigen die in aanmerking komen voor Intensieve Kind Zorg, zijn jeugdigen: met zwaar complexe somatische problematiek met een behoefte aan permanent toezicht; met lichtere complexe problematiek, waarbij 24-uur zorg per dag in de nabijheid nodig is in combinatie met specifieke verpleegkundige handelingen zoals intraveneuze medicatietoediening. Zorg aan minderjarigen met ernstige medische problematiek die onder de verantwoordelijkheid staan van een medisch specialist of kinderarts. Voor intensieve kindzorg geldt dat naast verpleging en daarmee samenhangende verzorging ook begeleiding thuis, verblijf in een kinderhospice, verzorging en begeleiding op school, kortdurend verblijf en opvang in een verpleegkundig kinderdagverblijf inclusief het vervoer van en naar dit dagverblijf onder de Zvw-aanspraak vallen. Volwassen GGZ problematiek
Er kan geen individuele jeugdhulp worden versterkt indien er sprake is van volwassen GGZ problematiek of verslavingsproblematiek, die voorliggend is op de problematiek. Overige zorg uit de Zvw Indien er geen sprake is van IKZ, maar wel van verpleging valt ook dit onder de Zvw. Als verpleging en daarmee samenhangende persoonlijke verzorging samen worden aangeboden, vallen beiden onder de Zvw. Als verpleging wordt aangeboden met begeleiding komt de zorg uit twee wetten: verpleging valt onder de Zvw en de begeleiding valt onder de Jeugdwet. Vaktherapie Er kan geen individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt voor vaktherapie, tenzij dit een onderdeel is van een multidisciplinaire geneeskundige behandeling in het kader van de geneeskundige ggz. De desbetreffende jeugdhulpaanbieder kan dan onder eigen regie vak therapie inzetten. Voor enkel vaktherapie kan geen individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt en wordt verwezen naar de (aanvullende) zorgverzekering. Passend Onderwijs Alle leerlingen die extra onderwijsondersteuning nodig hebben, zowel als er sprake is van een lichte als van een zware (onderwijs) ondersteuningsbehoefte, komen in aanmerking voor Passend onderwijs. Passend onderwijs houdt in dat scholen extra onderwijsondersteuning bieden. Het gaat dan om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken.
Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan ondersteuning van de leraar of een (tijdelijke) plaats voor de leerling in een bovenschoolse voorziening, het speciaal basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs. In het (voortgezet) speciaal onderwijs is expertise beschikbaar voor de specifieke doelgroep van de school. Wet Maatschappelijke ondersteuning Er kan geen individuele jeugdhulp worden verstrekt indien een jeugdige 18 jaar is geworden en er aanspraak kan worden gemaakt op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. We hebben het dan over begeleiding en dagbesteding en dagbehandeling. Wanneer er sprake is van problematiek bij de ouders die maakt dat de ouders begeleiding nodig hebben, dan spant het lokaal integraal team er zich voor in om ouder toe te leiden naar de juiste hulp. Beschermd Wonen Er kan geen individuele jeugdhulp worden verstrekt indien de jeugdige 18 jaar is geworden, niet zelfstandig kan wonen en 24 uurs begeleiding nodig heeft. In veel gevallen is sprake van meervoudige problematiek; daar waar de individuele vormen van problematiek wellicht nog net te overkomen zouden zijn in een zelfstandige situatie, kan een combinatie van factoren ervoor zorgen dat beschermd wonen noodzakelijk wordt.
Artikel 10 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening Zorg in Natura Dit artikel bepaalt dat er in een beschikking wordt verstrekt bij een verstrekking pgb, afwijzing van een aanvraag of indien de jeugdige en/of ouders hierom verzoeken. Artikel 11 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening via PGB Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een persoon zelf zorg, begeleiding, hulp, hulpmiddelen of voorzieningen in kan kopen. Sinds 2015 wordt het pgb via trekkingsrecht geregeld. Bij trekkingsrechten komt het budget niet meer op de rekening van de budgethouder, maar bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de bankrekening te staan. De budgethouder stuurt de rekeningen voor het betalen van zorgverleners naar de SVB en zij controleert vooraf of het om verzekerde zorg gaat. Lid 1 bepaalt de vaardigheid van de aanvrager om een pgb te beheren Lid 2 bepaalt dat het lokaal integraal team deze pgb-vaardigheid toetst op de volgende onderdelen: a. Kwaliteit van het persoonlijk budgetplan Een budgethouder is in staat om de doelstellingen en de resultaten, uit het ondersteuningsplan te kunnen vertalen in een persoonlijk budgetplan. De budgethouder zal voordat het pgb wordt toegekend een persoonlijk budgetplan moeten overleggen inclusief een daarbij horende zorgovereenkomst. Het invullen van het persoonlijk budgetplan en zorgovereenkomst vereist bepaalde vaardigheden.
Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee die gesteld worden aan een budgethouder of beheerder: Kennis van het doel van de Jeugdwet. Kennis hebben van beperkingen en stoornissen/ de hulpvraag.
-
Kennis hebben om de juiste ondersteunende activiteiten in te zetten en hun omvang om de geformuleerde doelstellingen/resultaten te kunnen behalen. Kennis hebben van kosten in relatie tot de inzet van activiteiten. Zelf het pgb-plan/budgetplan hebben opgesteld/ingevuld. Kennis over hoe de zorgverlening te organiseren om resultaatafspraken te behalen. Beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift.
b. Financieel beheer Een budgethouders moet in staat zijn een administratie te kunnen voeren. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee: Kunnen ordenen Facturen/declaraties kunnen controleren (passend binnen de zorgovereenkomst), accorderen en insturen. Inzicht hebben in het beschikbare en benodigde budget. Het budget voor de juiste doeleinden kunnen inzetten. Acties kunnen uitzetten bij externen indien iets verandert of niet correct loopt. Digitaal vaardig zijn. c. Zorginhoudelijk beheer In staat zijn om de doelstellingen in het ondersteuningsplan te volgen en te bewaken. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee: Inzicht hebben in de activiteiten/ondersteuning die worden geleverd. Opzetten van een werkrooster. Inzicht hebben hoe deze ondersteuningsactiviteiten bijdragen aan de doelstellingen. Acties kunnen uitzetten om bij te sturen dan wel in te grijpen. In staat zijn om evaluatiegesprekken te voeren en de effecten te volgen en bij te sturen indien nodig. In staat zijn om de juiste hulpverleners te kiezen passend bij de doelstellingen. In staat zijn om afspraken te maken met de hulpverlener(s) en zorgovereenkomsten correct te kunnen invullen en afsluiten. Aansturing en inwerken van de zorgverlener. d.
Werkgeverschap (3 dagen ondersteuning of meer) De budgethouder moet in staat zijn de werkgeversverplichtingen voortkomend uit het pgb te kunnen vervullen (indien van toepassing). Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee: Het juiste type zorgovereenkomst kunnen kiezen. Het kunnen kiezen voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd. Het kunnen hanteren van wel/geen proeftijd. Via het portaal SVB ziekmeldingen kunnen doen en de gemeente te informeren. Doorbetalen van de hulpverlener bij ziekte. Overeenkomen van een correct uurtarief conform het wettelijk minimumloon. Correct hanteren van de opzegtermijn. Artikel 12 Besteding PGB Dit artikel bepaalt op welke manier de budgethouder het toegekende pgb mag besteden. Lid 2 bepaalt dat hulpverleners die niet voldoen aan de criteria voor professionele hulpverlening niet betaald kunnen worden vanuit het budget voor professionele hulpverlening. Lid 4 bepaalt dat het pgb alleen kan worden besteed aan de in het budgetplan bepaalde doelen en ondersteuning. Artikel 13 PGB voor de inzet van sociaal netwerk Artikel 8.1.1 derde lid Jeugdwet maakt het mogelijk dat het PGB wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. Mantelzorgers zijn onmisbaar en leveren vaak meer ondersteuning dan een organisatie kan bieden.
Het is belangrijk om te voorkomen dat een PGB niet de binnen het maatschappelijk verkeer als normaal beschouwde (mantel-)zorg verdringt. De hulp van een familielid of iemand uit het sociaal netwerk valt in principe onder de eigen kracht van het gezin. Het is echter wel wenselijk om de mogelijkheid te opperen dat iemand uit het
sociaal netwerk de zorg in het kader van het PGB uitvoert, wanneer andere gevallen van zorg in natura of PGB niet goed aansluiten bij de hulpvraag. Het algemene uitgangspunt is dat met een PGB geen mensen uit het sociaal netwerk worden gefinancierd, tenzij alle andere vormen van zorg in natura of PGB onvoldoende aansluiten bij de ondersteuningsvraag. Situaties waarin het voor de mantelzorger lastig is om werk en zorgtaken te combineren zal samen met de aanvrager en de mantelzorger worden gezocht naar een oplossing. Het is belangrijk dat de mantelzorger naast de zorgtaken ook mogelijkheden heeft om te participeren in de maatschappij. De wens om vrienden, kennissen, collega’s en buren (hulp uit het sociaal netwerk) te willen vergoeden voor hun inzet, is afhankelijk van een aantal factoren: a) de relatie met de mantelzorger, b) de omvang van de betaalde en onbetaalde mantelzorg de totale belasting van de mantelzorger, c) de gebruikelijke hulp/werk, d) het type hulp, e) de frequentie van de geboden hulp, f) de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en g) de mate van de verplichting. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Mantelzorg geleverd door het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. De aanvrager moet aangeven welke ondersteuning er wordt geleverd en welk deel van deze ondersteuning uitbetaald moet worden en waarom (motiveringsplicht).
De hulp uit het sociaal netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk op aanvrager als budgethouder uitoefenen bij zijn besluitvorming om over te gaan tot de keuze voor een PGB. Verder worden de volgende uitgangspunten gehanteerd als het gaat om de inzet van een hulp uit het sociaal netwerk: Als een hulp uit het netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie omdat uit het gesprek blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig. De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter, het belang van de aanvrager staat centraal. Het gaat om argumenten zoals: - zorgcontinuïteit: ouder of ander familie/kennis kan zorgen voor permanent toezicht; - emotionele binding: ouder of andere familie/kennis heeft een emotionele band, die bijdraagt aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp; - veiligheid: hulp of zorg in de eigen leefomgeving door ouder of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt daarmee bij aan de doelen/resultaten van de ondersteuning; - praktische reden: ouder of andere familie/kennis kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd.
Hiertegenover staat dat een hulp buiten het sociaal netwerk in sommige gevallen beter het gestelde doel kan bereiken dan een vertrouwde persoon uit het sociaal netwerk. Van belang is om te beoordelen of professionele distantie/reflectie gewenst is met het oog op het bereiken van doelen (een goede ouder is niet altijd de beste zorgverlener voor een kind, ongeacht de leeftijd). De hulp uit het sociaal netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties en de verantwoordelijkheden die hij op zich neemt. Vragen die daarbij gesteld moeten worden is, kan de degene die de hulp levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat? En hoe wordt de hulp dan geleverd? Het netwerk wordt niet ingezet in situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting. In deze situaties kan een PGB worden geweigerd. Het is aan het college om dit te beoordelen. Voor informele hulp c.q. hulp uit het sociaal netwerk geldt een ander - lager - tarief dan voor professionele hulp. Het sociaal netwerk krijgt geen professioneel tarief. Artikel 14 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling.
De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van
jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 6. Artikel 15 Jeugdhulp in spoedeisend geval Artikel 15 maakt het mogelijk om in spoedeisende gevallen af te wijken van procedures om met spoed een passende tijdelijke voorziening te treffen. Artikel 16 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd.
Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een halfjaar nog niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken. Hoofdstuk 5. Overige bepalingen Artikel 17 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Artikel 17 bepaalt hoe de gemeente oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik bestrijdt. Zoals in lid 2 beschreven, wijst het college een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet. Tot slot geeft lid 3 aan dat het college de besteding van het verstrekte voorzieningen en pgb kan controleren. Artikel 18 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken. Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp. Artikel 19 Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld.
Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Artikel 20 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Artikel 21 Toepassen verordening Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. Lid 2 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet.
Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt.
Artikel 22 Hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen. Artikel 23 Intrekking oude verordening en overgangsrecht De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen die recht hebben op een lopende voorziening een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 24 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De verordening zelf dient voor 1 maart 2022 te zijn vastgesteld door de raad. Artikel 25 Citeertitel Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).