-RV Vaststelling Verordening Jeugdhulp Hillegom 2024 .pdf
Tekst van het document
Artikel 9 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening Dit artikel bepaalt de verwijzers die over de toekenning gaan voor individuele jeugdhulpvoorzieningen en bepaalt dat er een beschikking wordt verstrekt bij afgifte van een pgb of bij een specifiek verzoek van de jeugdige en/of ouders.
Artikel 10 Individuele jeugdhulpvoorzieningen Bij individuele jeugdhulpvoorzieningen gaat het om situaties waarin ernstige of complexe problemen zijn en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het lokaal integraal team kan voorzien. In dit geval is het nodig dat de jeugdige en/of ouders een aanvraag indienen. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Lid 1 bepaalt welke hulp onder individuele jeugdhulpvoorziening valt. Lid 2 bepaalt dat jeugdhulp aangeboden in een groep voorliggend is op individuele jeugdhulp. Dit betekent dat er geen recht op individuele jeugdhulp bestaat, indien er groepsaanbod beschikbaar is en voldoende passend is. Lid 3 bepaalt dat jeugdhulp op school voorliggend is op individuele jeugdhulp. Dit betekent dat er geen recht op individuele jeugdhulp op school bestaat, indien er jeugdhulp op school aanwezig is en voldoende passend is. Lid 4 bepaalt dat er nadere regels door het college worden opgesteld, die de maximale duur en intensiviteit bepalen per individuele jeugdhulpvoorziening. Lid 5 bepaalt dat het college de individuele jeugdhulp nader kan specificeren in de nadere regels.
Artikel 11 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken. Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp.
Hoofdstuk 4. Jeugdhulpvervoer Artikel 12 Collectief jeugdhulpvervoer Artikel 12 bepaalt in welke situatie een ouder aanspraak zou kunnen maken op een voorziening jeugdhulpvervoer vanuit de gemeente. Lid 4 bepaalt dat er gebruik gemaakt kan worden van het jeugdhulpvervoer vanuit de gemeente wanneer een jeugdige jeugdhulp ontvangt. Het maakt hierbij niet uit of deze jeugdhulp bekostigd wordt op basis van Zorg in Natura of op basis van een persoon gebonden budget.
Artikel 13 Individueel jeugdhulpvervoer en maatwerk Artikel 13 bepaalt de uitzonderingsgrond voor individueel jeugdhulpvervoer en inzet van begeleiding in het collectieve jeugdhulpvervoer.
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget Artikel 14 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening via PGB Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een persoon zelf zorg, begeleiding, hulp, hulpmiddelen of voorzieningen in kan kopen. Sinds 2015 wordt het pgb via trekkingsrecht geregeld. Bij trekkingsrechten komt het budget niet meer op de rekening van de budgethouder, maar bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de bankrekening te staan. De budgethouder stuurt de rekeningen voor het betalen van zorgverleners naar de SVB en zij controleert vooraf of het om verzekerde zorg gaat. Lid 1 bepaalt de vaardigheid van de aanvrager om een pgb te beheren. Lid 2 bepaalt dat het lokaal integraal team deze pgb-vaardigheid toetst op de volgende onderdelen: a. Kwaliteit van het persoonlijk budgetplan Een budgethouder is in staat om de doelstellingen en de resultaten, uit het ondersteuningsplan te kunnen vertalen in een persoonlijk budgetplan. De budgethouder zal voordat het pgb wordt toegekend een persoonlijk budgetplan moeten overleggen inclusief een daarbij horende zorgovereenkomst. Het invullen van het persoonlijk budgetplan en zorgovereenkomst vereist bepaalde vaardigheden. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee die gesteld worden aan een budgethouder of beheerder: • Kennis van het doel van de Jeugdwet. • Kennis hebben van beperkingen en stoornissen/de hulpvraag.
• Kennis hebben om de juiste ondersteunende activiteiten in te zetten en hun omvang om de geformuleerde doelstellingen/resultaten te kunnen behalen. • Kennis hebben van kosten in relatie tot de inzet van activiteiten. • Zelf het pgbbudgetplan hebben opgesteld/ingevuld. • Kennis over hoe de zorgverlening te organiseren om resultaatafspraken te behalen. • Beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift b. Financieel beheer Een budgethouders moet in staat zijn een administratie te kunnen voeren. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee: • Kunnen ordenen. • Facturen/declaraties kunnen controleren (passend binnen de zorgovereenkomst), accorderen en insturen. • Inzicht hebben in het beschikbare en benodigde budget. • Het budget voor de juiste doeleinden kunnen inzetten. • Acties kunnen uitzetten bij externen indien iets verandert of niet correct loopt. • Digitaal vaardig zijn. c. Zorginhoudelijk beheer In staat zijn om de doelstellingen in het ondersteuningsplan te volgen en te bewaken. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee: • Inzicht hebben in de activiteiten/ondersteuning die worden geleverd. • Opzetten van een werkrooster. • Inzicht hebben hoe deze ondersteuningsactiviteiten bijdragen aan de doelstellingen. • Acties kunnen uitzetten om bij te sturen dan wel in te grijpen.
• In staat zijn om evaluatiegesprekken te voeren en de effecten te volgen en bij te sturen indien nodig. • In staat zijn om de juiste hulpverleners te kiezen passend bij de doelstellingen. • In staat zijn om afspraken te maken met de hulpverlener(s) en zorgovereenkomsten correct te kunnen invullen en afsluiten. • Aansturing en inwerken van de zorgverlener. d. Werkgeverschap (3 dagen ondersteuning of meer) De budgethouder moet in staat zijn de werkgeversverplichtingen voortkomend uit het pgb te kunnen vervullen (indien van toepassing). Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee: • Het juiste type zorgovereenkomst kunnen kiezen. • Het kunnen kiezen voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd. • Het kunnen hanteren van wel/geen proeftijd. • Via het portaal SVB ziekmeldingen kunnen doen en de gemeente te informeren. • Doorbetalen van de hulpverlener bij ziekte.
• •
Overeenkomen van een correct uurtarief conform het wettelijk minimumloon. Correct hanteren van de opzegtermijn.
Artikel 15 Besteding PGB Dit artikel bepaalt op welke manier de budgethouder het toegekende pgb mag besteden. Lid 1 bepaalt dat het pgb alleen kan worden besteed aan de in het budgetplan bepaalde doelen en ondersteuning. Lid 2 bepaalt dat het pgb alleen mag worden besteed aan zorg die daadwerkelijk wordt geleverd. Wanneer een jeugdhulpaanbieder afspraken heeft over het tijdig afzeggen van een gemaakte afspraak, mag deze wel kosten in rekening brengen indien de afspraak niet wordt nagekomen. Lid 4 bepaalt dat hulpverleners die niet voldoen aan de criteria voor professionele hulpverlening niet betaald kunnen worden vanuit het budget voor professionele hulpverlening.
Artikel 16 PGB voor de inzet van sociaal netwerk Artikel 8.1.1 derde lid Jeugdwet maakt het mogelijk dat het PGB wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. Mantelzorgers zijn onmisbaar en leveren vaak meer ondersteuning dan een organisatie kan bieden. Het is belangrijk om te voorkomen dat een PGB niet de binnen het maatschappelijk verkeer als normaal beschouwde (mantel-)zorg verdringt. De hulp van een familielid of iemand uit het sociaal netwerk valt in principe onder de eigen kracht van het gezin. Het is echter wel wenselijk om de mogelijkheid te opperen dat iemand uit het sociaal netwerk de zorg in het kader van het PGB uitvoert, wanneer andere gevallen van zorg in natura of PGB niet goed aansluiten bij de hulpvraag. Het algemene uitgangspunt is dat met een PGB geen mensen uit het sociaal netwerk worden gefinancierd, tenzij alle andere vormen van zorg in natura of PGB onvoldoende aansluiten bij de ondersteuningsvraag. Situaties waarin het voor de mantelzorger lastig is om werk en zorgtaken te combineren zal samen met de aanvrager en de mantelzorger worden gezocht naar een oplossing. Het is belangrijk dat de mantelzorger naast de zorgtaken ook mogelijkheden heeft om te participeren in de maatschappij. De wens om vrienden, kennissen, collega’s en buren (hulp uit het sociaal netwerk) te willen vergoeden voor hun inzet, is afhankelijk van een aantal factoren: a.
de relatie met de mantelzorger, b. de omvang van de betaalde en onbetaalde mantelzorg de totale belasting van de mantelzorger, c. de gebruikelijke hulp/werk, d. het type hulp, e. de frequentie van de geboden hulp, f. de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en g. de mate van de verplichting. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Mantelzorg geleverd door het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. De aanvrager moet aangeven welke ondersteuning er wordt geleverd en welk deel van deze ondersteuning uitbetaald moet worden en waarom (motiveringsplicht). De hulp uit het sociaal netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk op aanvrager als budgethouder uitoefenen bij zijn besluitvorming om over te gaan tot de keuze voor een PGB. Verder worden de volgende uitgangspunten gehanteerd als het gaat om de inzet van een hulp uit het sociaal netwerk: • Als een hulp uit het netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie omdat uit het gesprek blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig. • De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter, het belang van de aanvrager staat centraal.
Het gaat om argumenten zoals: • zorgcontinuïteit: ouder of ander familie/kennis kan zorgen voor permanent toezicht; • emotionele binding: ouder of andere familie/kennis heeft een emotionele band, die bijdraagt aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp; • veiligheid: hulp of zorg in de eigen leefomgeving door ouder of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt daarmee bij aan de doelen/resultaten van de ondersteuning;
•
praktische reden: ouder of andere familie/kennis kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd.
Hiertegenover staat dat een hulp buiten het sociaal netwerk in sommige gevallen beter het gestelde doel kan bereiken dan een vertrouwde persoon uit het sociaal netwerk. Van belang is om te beoordelen of professionele distantie/reflectie gewenst is met het oog op het bereiken van doelen (een goede ouder is niet altijd de beste zorgverlener voor een kind, ongeacht de leeftijd). • De hulp uit het sociaal netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties en de verantwoordelijkheden die hij op zich neemt. Vragen die daarbij gesteld moeten worden is, kan de degene die de hulp levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat? En hoe wordt de hulp dan geleverd? • Het netwerk wordt niet ingezet in situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting. In deze situaties kan een PGB worden geweigerd. Het is aan het college om dit te beoordelen. Voor informele hulp c.q. hulp uit het sociaal netwerk geldt een ander - lager - tarief dan voor professionele hulp. Het sociaal netwerk krijgt geen professioneel tarief.
Hoofdstuk 6 Jeugdbescherming, jeugdreclassering en crisis Artikel 17 Jeugdhulp bij jeugdbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 9.
Artikel 18 Jeugdhulp in spoedeisend geval Artikel 18 maakt het mogelijk om in spoedeisende gevallen af te wijken van procedures om met spoed een passende tijdelijke voorziening te treffen.
Hoofdstuk 7 Overige bepalingen Artikel 19 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd. Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een halfjaar nog niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken.
Artikel 20 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Artikel 20 bepaalt hoe de gemeente oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik bestrijdt. Zoals in lid 2 beschreven, wijst het college een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet. Tot slot geeft lid 3 aan dat het college de besteding van het verstrekte voorzieningen en pgb kan controleren.
Artikel 21 Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij Jeugdstem een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert.
Artikel 22 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.
Artikel 23 Toepassen verordening en stellen nadere regels Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. Lid 2 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt.
Artikel 24 Hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen.
Artikel 25 Overgangsbepalingen De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen die recht hebben op een lopende voorziening een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 26 Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding en de officiële benaming. De verordening dient voor 1 maart 2024 te zijn vastgesteld door de raad. Lid 3 geeft de naam weer via welke de verordening terug te vinden is (conform de wet elektronische bekendmaking).