-RV APV Hillegom 2024.pdf
Tekst van het document
Raadsvoorstel Besluitvormend
APV Hillegom 2024
aan:
de raad van de gemeente Hillegom
zaaknummer: Z-23-333513 Datum collegevergadering: 31 oktober 2023 datum raadsvergadering: 14 december 2023 agendapunt: 19 Dhr. A. van Erk portefeuillehouder: behandelend ambtenaar: Karin Hoek emailadres: k.hoek@hltsamen.nl telefoon: 14 0252
Wij stellen voor: 1. De Algemene plaatselijke verordening Hillegom 2024 vast te stellen. 2. Kennis te nemen van de toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Hillegom 2024.
Inleiding Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet kan de raad die verordeningen maken die hij in het belang van de gemeente nodig vindt. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet heeft gevolgen voor de Algemene plaatselijke verordening (APV), omdat de APV ook regels bevat over de fysieke leefomgeving. Tot 2030 is er een overgangsfase voor de regels die van de APV naar het Omgevingsplan moeten. Na de overgangsfase vervallen de regels uit de APV automatisch. Met ingang van 1 januari 2024 moet de APV wel technisch zijn aangepast aan de Omgevingswet. In verband daarmee zijn de wettelijke grondslagen en formele verwijzingen in de APV geactualiseerd, zodat vanaf 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met de APV.
Bestaand kader en context De openbare orde en veiligheid in Hillegom wordt onder andere gereguleerd in de APV. Beoogd effect Een actuele en juridisch solide APV. Argumenten 1.1 De APV moet technisch zijn aangepast voordat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking treedt. De wettelijke grondslagen en formele verwijzingen worden aangepast aan de
Omgevingswet zodat vanaf 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met de APV. 1.2 Ontwikkelingen in de maatschappij c.q. de gemeente, jurisprudentie, wijzigingen in wet- en regelgeving en praktijkervaringen van vergunningverleners en handhavers maken het noodzakelijk om de APV aan te passen. De APV dient te voorzien in regels die passen bij de huidige samenleving. Indien het passend is voor de gemeente is de model-APV van de VNG overgenomen. 1.3 Heldere regels geven duidelijkheid aan inwoners en gemeente. Alle partijen moeten weten wat wel en niet is toegestaan. 2.1 De toelichting op de APV is nodig om de artikelen te verduidelijken. De artikelsgewijze toelichting op de APV bevat belangrijke informatie voor inwoners, ambtenaren en partners (zoals bijvoorbeeld politie en Omgevingsdienst) over de wijze waarop de bepalingen moeten worden toegepast en uitgelegd en voor welke gevallen ze bedoeld zijn. Naast deze technische aanpassingen ten behoeve van de Omgevingswet zijn er inhoudelijk aanpassingen gedaan. In de bijlage is een was-wordt-lijst opgenomen waarin de wijzigingen zijn bijgehouden en nader worden gemotiveerd. De belangrijkste wijzigingen zijn: - Artikel 2:10 – Voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats wordt nu een vergunningsplicht gesteld.
Bij de vergunning worden voorschriften gesteld zodat dit voor meer duidelijkheid zorgt: zowel voor de vergunninghouder, als voor de gemeentelijk toezichthouder. - Artikel 2:26 is aangepast omdat de Hoge Raad het colorverbod onverbindend heeft verklaard zodat dit gedeelte geschrapt dient te worden. - Artikel 2:28a is nieuw en geldt als waarborg om malafide ondernemers in de gemeente te weren. - Artikel 2:63 is opnieuw toegevoegd om het verwilderde duivenbestand uit te dunnen. - Artikel 2:73a is wat verder uitgebreid om het carbidschieten beter te kunnen reguleren. - Hoofdstuk 3 is geheel herschreven anticiperend op de Wet regulering prostitutie (Wrp), in navolging van de VNG. -Ook zijn eenvoudige tekstuele wijzigingen gedaan. Deze zijn door de gehele APV toegepast.
Kanttekeningen Onder andere de Boa’s en de politie moeten erop toezien dat de APV wordt nageleefd. De hoeveelheid aan onderwerpen en de beschikbare capaciteit vereisen dat voortdurend keuzes moeten worden gemaakt wat de prioriteiten in toezicht en handhaving zijn. Het college legt dat vast in een Handhavingsuitvoeringsprogramma. Het bijvoegen van de was-wordt-lijst bij het voorstel is een service. De was-wordt-lijst geeft de wijzigingen weer ten opzichte van de oude APV en is niet rechtsgeldig. Bij discrepantie tussen de was-wordt-lijst en de tekst van de nieuwe APV is de tekst van de nieuwe APV leidend. Financiële consequenties Aan dit voorstel zijn geen kosten verbonden.
Aanpak, uitvoering en participatie De betrokken interne en externe partners zijn actief betrokken bij de actualisatie van de APV. De bepalingen die verband houden met de handhaving openbare orde kunnen door politie en Boa's worden gehandhaafd op het moment dat de gewijzigde APV in werking treedt. Na vaststelling wordt de APV gepubliceerd in het gemeenteblad en komt er een publicatie in de Hillegommer. De herziene APV treedt in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt en is vanaf datum van inwerkingtreding te raadplegen op overheid.nl. Duurzaamheid Het aanpassen van de APV draagt bij aan een duurzaam veilig Hillegom. Hillegom-Lisse-Teylingen (HLT) De APV wordt voor alle drie de HLT-gemeenten herzien. Dit voorstel heeft alleen betrekking op de gemeente Hillegom. Urgentie De APV moet technisch zijn aangepast voordat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking treedt. De wettelijke grondslagen en formele verwijzingen worden aangepast aan de Omgevingswet zodat vanaf 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met de APV. Evaluatie Omdat het van belang is dat de APV actueel blijft is een regelmatige wijziging/herziening noodzakelijk. Elke wijziging/herziening is dan ook tegelijkertijd een evaluatie van de voorgaande APV. Afgesproken is om de APV elke twee jaar te actualiseren of eerder als noodzakelijke wijzigingen dit nodig achten.
In verband met het in werking treden van de Omgevingswet zal de APV, naast de nu al ingevoerde technische aanpassingen, de komende jaren nog uitgebreid gewijzigd moeten worden met betrekking tot inhoudelijke aanpassingen. Bijlagen en achtergrondinformatie 1. Was-wordt-lijst Namens het college van Hillegom, Dhr. M. Witkamp Secretaris
Dhr. A. van Erk Burgemeester
Raadsbesluit
De raad van de gemeente Hillegom, gelezen het voorstel van het college van 31 oktober 2023 met als onderwerp Herziening Algemene plaatselijke verordening Hillegom 2024, gelet op de behandeling in de raadscommissie- en raadsvergadering, gelet op Gemeentewet, artikel 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a Wet openbare manifestaties, artikel 3 en 4 Alcoholwet, art. 4, 25a, 25b, 25c en 25d Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 5.13 Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.18, eerste lid onder f en g en vijfde lid, 2.21, eerste lid, onder a en b, en 3.148, tweede lid, onder a, juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet Wet op de kansspelen, artikel 30c, tweede lid Winkeltijdenwet, artikel 3 Wet veiligheidsregio's, artikel 64, tweede lid Wegenverkeerswet 1994, artikel 2a, en Artikel 2.2, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,,
besluit: I vast te stellen de “Algemene plaatselijke verordening Hillegom 2024”: Algemeen In de gehele tekst wordt “Drank en Horecawet” gewijzigd in “Alcoholwet”. In de gehele tekst wordt “indien” vervangen door “als”. In de gehele tekst zijn eenvoudige tekstuele wijzigingen doorgevoerd.
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING HILLEGOM 2024 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
-
recreatief nachtverblijf: het zich bevinden op een kampeerterrein of een kampeerplaats of in een kampeermiddel tussen 22.00 uur en 06.00 uur;
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals
kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; -
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.
als ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing , intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde
termijn, binnen een redelijke termijn; of
e. als de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan zes weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
AFDELING 1 VOORKOMEN OF BESTRIJDEN VAN ONGEREGELDHEDEN
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op een openbare plaats, de weg of op openbaar water, die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
5.
Het is verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde in gevaar komt of kan komen.
6.
Het in het vijfde lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie.
7.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
voorafgaande werkdag. 5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen)
Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen)
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)
Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen)
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.
Het is toegestaan akoestische muziek ten gehore te brengen in de openbare ruimte, mits: a.
de plaats niet langer dan een uur wordt ingenomen;
b.
de afstand tussen de ene en de andere plaats die wordt ingenomen minimaal 75 meter is;
c.
de plaats niet eerder die dag is ingenomen; of
d.
verkeersstromen niet worden gehinderd.
2.
De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waar het verboden is akoestische muziek ten gehore te brengen en het bepaalde in het eerste lid onder a tot en met d niet van toepassing is.
3.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden op of aan de door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen.
4.
De burgemeester kan de aanwijzing van de verboden in het tweede en derde lid beperken tot bepaalde dagen en uren.
AFDELING 2 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Een vergunning kan worden geweigerd: a.
als er naar oordeel van het college een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is;
b.
als het gebruik schade toebrengt of toe kan brengen aan de openbare plaats;
c.
als op hetzelfde moment de openbare plaats op een andere wijze niet beschikbaar is;
d.
als in afwijking van artikel 1.8 de aanvraag voor een vergunning korter dan twee weken voor ingebruikname van de openbare plaats is aangevraagd.
3. Ontheffingen verleend op grond van de vorige verordening die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening van kracht waren, worden door het college ambtshalve omgezet in een vergunning. 4. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, spandoeken, reclame-uitingen en geveltuinen. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c.
terrassen als bedoeld in artikel 2:28;
d.
het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;
e.
het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen;
f.
door of met toestemming van het college en indien van toepassing via een verleende omgevingsvergunning aangelegde geveltuinen;
g.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b.
door het college in de overige gevallen.
3. Het verbod is niet van toepassing op: a.
overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak; en
b.
plaatsing van e-laadpalen als dit geschiedt overeenkomstig daarvoor vastgestelde beleidsregels.
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes (Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de openlucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2. De verboden zijn niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1.
2.
Het is verboden: a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
AFDELING 3 EVENEMENTEN
Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
2.
3.
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement);
f.
een vechtsportgala.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a.
het evenement een straatfeest, buurtbarbecue of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft;
b.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;
c.
de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;
d.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 24.00 uur, voorts dient in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau (meetperiode 1 minuut) van 65 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet te wordt overschreden. Als er geen woningen aanwezig zijn dan geldt de genoemde geluidsnorm op een afstand van 25 meter van het evenement;
e.
het evenement geen of zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeersmaatregelen te treffen;
f.
er te allen tijde minimaal 3.50 meter van de rijbaan beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;
g.
er enkel objecten van een geringe constructie worden geplaatst, bijv. een kleine partytent, springkussen, barbecue etc.; en
h. er geen alcohol bedrijfsmatig wordt verstrekt.
Artikel 2:25 Evenement 1.
Het is verboden zonder een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
3.
De burgemeester kan binnen een week na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
5.
In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester binnen dertien weken op een aanvraag evenementenvergunning.
6.
In afwijking van artikel 1:8, tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan dertien weken voor de beoogde datum van het beoogde evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is
7.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
AFDELING 4 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
Artikel 2:27 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: -
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, afhaalzaak of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte.
-
terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
-
exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven.
-
leidinggevende: de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan een onderneming.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a.
De woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
b.
De exploitant en de leidinggevenden niet voldoen aan de eisen genoemd in artikel 2:28a, eerste lid.
4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b.
sportfaciliteit voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de sportactiviteit;
c.
zorginstelling;
d.
museum;
e.
(bedrijfs)kantine of -restaurant.
5. De in lid vier genoemde vrijstelling van de vergunningsplicht is niet van toepassing voor de terrassen van de daarin bedoelde openbare inrichtingen. 6. Als het verbod, genoemd in het eerste lid, op grond van het vierde lid van dit artikel, niet op een exploitant van toepassing is, is de burgemeester bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen bij het exploiteren van zijn inrichting. Deze strekken slechts tot bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu in de omgeving van de inrichting. 7. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij die openbare plaatsen behorende terrassen, voor zover deze zich op een openbare plaats bevinden, over de ingebruikneming van die openbare plaats ten behoeve van het terras. 8. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van de openbare plaats ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren: a.
als het beoogde gebruik van het terras schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b.
als het gebruik van het terras een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.
9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:28a Eisen aan de exploitant en leidinggevende 1. De exploitant en leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen: a.
zij hebben de leeftijd van 18 jaar bereikt;
b.
zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
c.
zij staan niet onder curatele.
2. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden als in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is.
Artikel 2:28b Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de exploitatievergunning bedoeld in artikel 2:28 en de ontheffing sluitingstijd bedoeld in artikel 2:29, wijzigen of schorsen, als: a.
de exploitant en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreedt;
b.
de exploitant en/of leidinggevenden niet meer voldoet aan de eisen genoemd in artikel 2:28a, eerste lid;
c.
naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf door de aanwezigheid van het horecabedrijf nadelig wordt beïnvloed;
d.
zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woonof leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
e.
aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
f.
de exploitant en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd; of
g.
in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 01.00 uur en 06.00 uur.
2.
Terrassen zijn gesloten tussen 23.00 uur en 09.00 uur in de maanden juni, juli en augustus en in de overige maanden tussen 22.00 uur en 09.00 uur.
3.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd voor een openbare inrichting of een terras.
5.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a t/m e, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de inrichting die het betreft.
6.
Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
7.
Op het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen of een of meer terrassen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Dit is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.
de orde te verstoren;
b.
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; of
c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in de inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30. AFDELING 5 TOEZICHT OP BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.
In dit artikel wordt verstaan onder: -
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige
activiteiten worden uitgeoefend; -
beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
-
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.
3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
5.
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.
als niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
f.
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g.
als de vestiging of de exploitatie van het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen: a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
b.
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt;
c.
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
d.
als het van toepassing is, de verblijftitel van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
e.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
f. 6.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: a.
zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid;
b.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
c.
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd;
d.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
e.
er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
f.
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.
7.
Als een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het derde lid, of als een situatie als bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
8.
De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Als het mogelijk is verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning.
9.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
10.
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
11.
Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, moeten binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten moeten eerst over een vergunning beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren.
12.
Op de vergunning bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
AFDELING 6 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister (Vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
AFDELING 7 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN
Artikel 2:38a Definities -
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
-
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
4.
a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
AFDELING 8 MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE
Artikel 2:40a Sluiting gebouw De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte en/of een daarbij behorend erf, als daar: a.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
c.
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
d.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of
e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte en/of een daarbij behorend erf, ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 2:40a gesloten gebouw, inrichting of ruimte, of een daarbij behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
4.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
5.
De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.
6.
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
7.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte of een daarbij behorend erf te betreden.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
Het college kan aanplakborden en plakzuilen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van meningsuitingen en bekendmakingen.
7.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op verzoek direct te laten zien.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. (Vervallen)
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44a Bezit hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1.
Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben voorwerpen, die kennelijk zijn bedoeld om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken, zoals speciaal uitgeruste tassen, magneten of elektronische voorwerpen die veiligheidslabels of veiligheidspoortjes dan wel andere hulpmiddelen ter voorkoming van winkeldiefstal kunnen beïnvloeden, alsmede van tangen of andere voorwerpen die kennelijk eveneens bedoeld zijn om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
2.
Het in het vorige lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs
kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. (Vervallen)
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (Vervallen)
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden:
a.
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
2.
De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven.
3.
Het is verboden op of aan een openbare plaats in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
4.
Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
5.
Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar de verboden, bedoeld in het derde en vierde lid, niet van toepassing zijn en kan voor het verblijven in die gebieden:
6.
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden.
De verboden zijn niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik 1.
Het is voor personen van achttien jaar en ouder verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te vervoeren of te nuttigen of aangebroken of gesloten flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, wanneer daarmee wordt beoogd op de openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op:
3.
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet;
Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
Artikel 2:48a Hinderlijk gebruik lachgas 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- of leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt in ieder geval onder hinder verstaan: a.
vervuiling van de openbare plaats;
b.
geluidsoverlast;
c.
intimiderende uitingen of gedragingen;
d.
gevaarzettend gedrag;
e.
gedragingen die de leefbaarheid en veiligheid van omwonenden aantasten.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
2.
Het is verboden:
a.
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b.
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, fietsenstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (Vervallen)
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen)
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Vervallen)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Vervallen) Artikel 2:56 Alarminstallaties (Vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats zonder dat de hond aangelijnd is; of
d.
op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a, b en c niet geldt.
3.
De verboden genoemd in het eerste lid, onder a, b en c zijn niet van toepassing voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet van toepassing is.
4.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht om, wanneer hij zich met de hond op een openbare plaats bevindt, een doeltreffend middel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van uitwerpselen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte
binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
2.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d.
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:61 Wilde dieren (Vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven 1.
De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.