Dn24 VNG, Lbr. 21_065 Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing vervangt Modelverordening Rioolheffing.pdf
Tekst van het document
Aan de leden
Datum
1 september 2021 Kenmerk
TFI/U202100664 Lbr. 21/065 Telefoonnummer
06-26026873 Bijlage(n)
8
Onderwerp
Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing vervangt Modelverordening Rioolheffing Geachte leden van college en gemeenteraad,
Aanleiding De VNG heeft de Modelverordening Rioolheffing vervangen om recht te doen aan de bredere invulling van de gemeentelijke watertaken. Wateroverlast en verdroging vragen steeds meer maatregelen in de publieke ruimte. De Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing vervangt daarom de oude Modelverordening Rioolheffing. Van de maatregelen in de publieke ruimte heeft iedereen profijt, daarom worden in de nieuwe situatie zoveel mogelijk percelen in de heffing betrokken. De verbreding komt ook terug in de citeertitel van de modelverordening: ‘Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing’. Door nu met het model te komen hebben gemeenten voldoende tijd voor een zorgvuldige communicatie en belangenafweging naar nieuwe belastingplichtigen. Bijvoorbeeld cultuurgronden en natuurterreinen dragen nu veelal nog niet bij in de kosten van de gemeentelijke watertaken. De modelverordening kent een differentiatie in de tariefstelling om rekening te houden met de verschillen tussen percelen. Wij kunnen ons voorstellen dat invoering wordt doorgeschoven naar besluitvorming door de nieuwe gemeenteraad na de verkiezingen.
Wat is er veranderd en waarom? De veranderingen betreffen in het kort de onderstaande punten: 1. Het belastbaar feit en de belastingplicht: de eis voor een directe of indirecte aansluiting vervalt waardoor bijna alle percelen in de gemeente in de heffing worden betrokken. De reden hiervan is dat iedere belastingplichtige profijt heeft van de gemeentelijke waterhuishouding en daarom in het kostenverhaal wordt meegenomen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl
2.
3.
Het perceel: hierbij wordt sinds het vorige model uitgegaan van het WOZ-object of de roerende zaak, hiermee sluit de verordening aan op de uniforme objectafbakening die ook aangehouden wordt in andere modelbelastingverordeningen. Er komen drie varianten van de verordening, onderverdeeld naar de maatstaf van heffing: o Naar een vast bedrag o Naar de waarde in het economische verkeer van het WOZ-object of roerende zaak o Naar waterafvoer/-verbruik Dit om invulling te geven aan de verschillende keuzes die gemeenten kunnen maken en aan te sluiten bij de huidige praktijk.
Een uitgebreide toelichting op alle wijzigingen staat in bijlage 4. Het Team Financiën zal de wijzigingen in de modelverordening het komende half jaar in regionale fiscale vakbijeenkomsten behandelen.
Wat betekent dit voor de ambtelijke organisatie Ik verzoek u om uw organisatie te informeren over de wijzigingen, zodat de verantwoordelijke ambtenaren een raadsvoordracht tot vaststelling van de nieuwe verordening Riool- en Waterzorgheffing kunnen voorbereiden. Zij kunnen hiervoor onderstaande bijlagen gebruiken. Wegens de grote verschillen tussen de oude en de nieuwe versie is besloten geen was-wordt-tabel toe te voegen.
Bijlagen Deze ledenbrief bevat acht bijlagen: • •
Bijlage 1 - MV 1. Riool- en Waterzorgheffing_vast bedrag Bijlage 2 - MV 2. Riool- en Waterzorgheffing_waarde
• •
Bijlage 3 - MV 3. Riool- en Waterzorgheffing_vast bedrag-waterverbruik Bijlage 4 - MV Riool- en Waterzorgheffing_TOELICHTING
• • •
Bijlage 5 - Tekst Model 1. vast bedrag: Opgemaakt in Word 2.0 format (DROP) voor publicatie Bijlage 6 - Tekst Model 2. waarde in het economische verkeer: Opgemaakt in Word 2.0 format (DROP) voor publicatie
• • •
Bijlage 7 - Tekst Model 3. vast bedrag en waterverbruik: Opgemaakt in Word 2.0 format (DROP) voor publicatie Bijlage 8 - Toelichting nieuwe naam rioolheffing
Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG-modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via de Kennisbank Decentrale Regelgeving (https://www.decentraleregelgeving.nl/). Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Informatiecentrum van de VNG (0703738393 of e-mail: info@vng.nl). Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
L.K. Geluk Algemeen directeur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Model Verordening Riool- en Waterzorgheffing – vast bedrag (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 5. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.
Model voor een heffing naar een vast bedrag Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en
b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].
Artikel 5. Maatstaf van heffing Variant 1 De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel voor het eigenarendeel en het gebruikersdeel. Variant 2 De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en het hebben van een drinkwateraansluiting
Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 (hoort bij artikel 5, variant 1)
1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt:
€ […]. € […].
Variant 2 (hoort bij artikel 5, variant 2) 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt voor: a. een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. een perceel met drinkwateraansluiting: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt voor: a. een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. een perceel met drinkwateraansluiting:
€ […]; € […]. € […]; € […].
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)]. [2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3].
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.
Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].
Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Model Verordening Riool- en Waterzorgheffing – waarde (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 6. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.
Model voor een heffing naar de waarde in het economisch verkeer Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van:
a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel. 2. Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde belastingjaar geldt. 3. Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
4. In afwijking van de voorgaande leden wordt de belasting geheven naar een vast bedrag als de waarde van het perceel geheel buiten aanmerking is gelaten op grond van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 waarde in het economische verkeer en vast bedrag voor ‘geen waarde’-percelen 1. Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 2. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient: b. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient: maar per perceel bedraagt het eigenarendeel niet meer dan: 3 Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt 4. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient: b. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient: maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan: 5. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: Variant 2 Waardeklassen met % van de waarde 1.
Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 2. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: c. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: d. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: maar per perceel bedraagt het eigenarendeel niet meer dan: 3. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: 4. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: c. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: d.
een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan: 5. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: Variant 3 Waardeklassen met vaste bedragen 1. Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
[…]%; […]%, € […]. € […].
[…]%; […]%, € […]. € […].
[…]%; […]%, […]%; […]%, € […]. € […].
[…]%; […]%, […]%; […]%, € […]. € […].
2.
Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: c. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: d. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: e. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: f. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: 3. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: 4. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: c. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: d. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot €[ …]: e. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: f. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van €[ …] of meer: 5. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt:
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)]. [2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
€ […]; € […]; € […]; € […]; € […]; € […]. € […].
€ […]; € […]; € […]; € […]; € […]; € […]. € […].
afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3]. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.
Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede, lid genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].
Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Model Verordening Riool- en Waterzorgheffing – vast bedrag en waterverbruik (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 5, vijfde lid, of artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 5. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.
Model voor een rioolheffing naar vast bedrag en naar waterverbruik Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven van:
a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt en van waaruit water, niet zijnde hemelwater, direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld; d.
onder gemeentelijke riolering verstaan: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van water, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].
Artikel 5. Maatstaf van heffing Variant 1 (eigenarendeel naar vast bedrag per perceel en gebruikersdeel naar het aantal kubieke meters water) 1. In dit artikel wordt verstaan onder verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.
2. De belasting voor het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en de belasting voor het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd. 3. Het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4. Als gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling. 5.
[De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd OF Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan [30]% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet afgevoerde hoeveelheid op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in mindering gebracht]. 6. Als de gegevens bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke meters water voor dat perceel door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het watergebruik van vergelijkbare percelen. Variant 2 (eigenarendeel naar vast bedrag per perceel met differentiatie naar het al dan niet hebben van een drinkwateraansluiting en gebruikersdeel naar het aantal kubieke meters water) 1. In dit artikel wordt verstaan onder verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft. 2. De belasting voor het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en het hebben van een drinkwateraansluiting en de belasting voor het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd. 3.
Het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4. Als gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling. 5. [De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd OF Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan [30]% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet afgevoerde hoeveelheid op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in mindering gebracht].
6. Als de gegevens als bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke meters water voor dat perceel door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het watergebruik van vergelijkbare percelen.
Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt: a. voor de eerste volle eenheid van […] kubieke meters water: b. voor elke volgende volle eenheid van […] kubieke meters water: [maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan € […]]. Variant 2 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: a. voor een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. voor een perceel met drinkwateraansluiting: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt: a. voor de eerste volle eenheid van […] kubieke meters water: b. voor elke volgende volle eenheid van […] kubieke meters water: [maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan € […]].
€ […]. € […]; € […]
€ […]; € […]. € […]; € […]
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)].
[2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3]. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.
Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].
Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Toelichting op de Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing - vast bedrag - waarde - vast bedrag en waterverbruik A. ALGEMEEN 1. Wettelijke basis De modelverordening rioolheffing is gebaseerd op de tekst van artikel 228a van de Gemeentewet. Gekozen is voor een 'aangekleed' model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. De modelverordening is in 3 modellen gesplitst op basis van de maatstaven van heffing en de tarieven: - Model 1. vast bedrag, - Model 2. waarde in het economische verkeer, en - Model 3. vast bedrag en waterverbruik. Daarom wijkt de toelichting bij de artikelen 5 en 6 van deze modellen van elkaar af. 2. Wijziging modelverordening rioolheffing: 3 modellen In de modelverordening rioolheffing is een aantal wijzigingen opgenomen. Dat zijn de volgende: - Definities voor “verbruiksperiode” (alleen model 3) verplaatst naar artikel 5. Andere definities vervallen, vernummering overige artikelen. - Artikel 2 belastbaar feit: eis directe of indirecte aansluiting vervalt. - Artikel 3 voorwerp van de belasting: perceel is WOZ-object of roerende zaak (al in 2020 gewijzigd). - Artikel 4 vrijstellingen voor openbare dienstpercelen. - Artikel 5 maatstaf van heffing en artikel 6 tarieven (model 1): vast bedrag, variant zonder en met drinkwateraansluiting.
- Artikel 5 maatstaf van heffing en artikel 6 tarieven (model 2): percentage of vast bedrag waarde in het economische verkeer. - Artikel 5 maatstaf van heffing en artikel 6 tarieven (model 3): vast bedrag (eigenarendeel, variant zonder en met drinkwateraansluiting) en bedrag naar waterverbruik (gebruikersdeel). Objectafbakening Op verzoek van veel gemeenten en andere uitvoeringsorganisaties is het WOZ-object als belastingobject in de modelverordening opgenomen. De WOZ-administratie wordt daarmee leidend voor het afbakenen van het perceel. De Hoge Raad heeft de combinatie van WOZ-objectafbakening en vast bedrag als heffingsmaatstaf goedgekeurd (Hoge Raad 04-11-2016, ECLI:NL:HR:2016:2495). De uniformering met de WOZ-afbakening heeft gevolgen voor de uitvoering. Het is eenvoudiger om de percelen af te bakenen, omdat die uit de WOZ-administratie worden overgenomen. Profijtbeginsel en watertransitie Het begrip “rioolheffing” is met invoering van de brede rioolheffing in 2008 feitelijk achterhaald. De verwerking van hemelwater en grondwater speelt tegenwoordig een minstens zo belangrijke rol als de verwerking van afvalwater. Afvalwater wordt bij hoge uitzondering gezuiverd door de gemeente, maar meestal wordt het slechts doorgevoerd naar het waterschap. Het waterschap verwerkt het afvalwater en zuivert het.
Het principe “de vervuiler betaalt” is dan ook nauwelijks van toepassing op de rioolheffing. Klimaatverandering speelt ook een steeds grotere rol bij besluiten over waterverwerking. De klimaatverandering heeft niet alleen gevolgen vanwege de toename van hevige neerslag, maar ook vanwege uitdroging van gronden. Dat kan leiden tot problemen met fundering,
maar ook verdroging van natuur- en landbouwgronden. De traditionele riolering is daarom niet de oplossing voor alle waterproblemen. De nieuwe wijze waarop onder meer gemeenten duurzamer omgaan met de verwerking van water wordt watertransitie genoemd. De “rioolheffing” is tegenwoordig daarom een middel voor kostenverhaal van de totale waterhuishouding van een gemeente. Vanwege de wettelijke aanduiding wordt in de modelverordening nog gesproken van “rioolheffing”, dit is ook juridisch de enige toegestane benaming (artikel 228a Gemeentewet). Het verhaal van kosten via de rioolheffing omvat echter veel meer dan de kosten van riolering. Bestemmingsheffing De rioolheffing heeft het karakter van een bestemmingsheffing waarmee kosten van gemeentelijke waterzorgplichten worden verhaald. De gemeente hoeft het individuele profijt van de heffing niet aan te tonen. Het gaat om de kosten van de voorzieningen die worden verhaald bij maatregelen die de gemeente bij het realiseren van het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) onderneemt. De maatregelen hebben een collectief of individueel karakter. De gemeente moet aannemelijk maken dat de maatregelen van belang zijn voor het nakomen van de zorgplichten. De kosten moeten meer dan zijdelings samenhangen met het de zorgtaken.
Ook kosten van het plaatsen van een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA) ter nakoming van de zorgplicht is daarom verhaalbaar. In dit model is de rioolheffing opgenomen die alle kosten via één heffing verhaalt. De wet maakt het mogelijk om twee rioolheffingen in te voeren: 1. een rioolheffing die alle watertaken omvat en 2. een gesplitste rioolheffing voor afvalwatertaken en een rioolheffing voor hemel- en grondwatertaken. De tweede variant was opgenomen in een aparte modelverordening (Model Verordening rioolheffing - B). Omdat dit model niet door gemeenten wordt gebruikt is ervoor gekozen dit model te schrappen. Eénmalig aansluitrecht en baatbelasting Een gemeente kan op basis van artikel 229, derde lid, van de Gemeentewet alleen een eenmalig rioolaansluitrecht heffen of een eenmalig recht heffen voor de kosten van een IBA die de gemeente voor een eigenaar aanlegt. De kosten van de aanleg van een nieuwe riolering kan verhaald worden met een baatbelasting. 3. Zorgplichten De gemeente heeft een aantal zorgplichten op het terrein van water: 1. de zorgplicht voor afvalwater, 2. de zorgplicht voor hemel- en grondwater. Het resultaat en de doelmatigheid van de maatregelen staat voorop, niet de wijze waarop de gemeente haar zorgplicht nakomt. De opbrengsten van de rioolheffing gebruikt de gemeente voor de nakoming van deze zorgplichten.
De afvalwaterzorgplicht kent een ontheffingsmogelijkheid voor ondoelmatige maatregelen. De ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. De zorgplicht voor hemel- en grondwater kent een voorkeursvolgorde. De particulier is verantwoordelijk voor maatregelen op het eigen terrein. Pas als het onredelijk is om van de particulier te vragen om maatregelen te nemen, kan het water aan de gemeente worden aangeboden. De gemeente kan in een verordening vastleggen aan welke voorwaarden de particulier moet voldoen voordat het water aan de gemeente wordt aangeboden. GRP’s (na inwerkingtreding Omgevingswet een onverplicht programma; paragraaf 3.2.3 van de Omgevingswet, ook in het omgevingsplan) dienen aandacht te besteden aan de planverplichting voor de riolering en aan de zorgplichten voor hemel- en grondwater. Het GRP zal ook ten minste een
overzicht bevatten van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en de voorgenomen maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen van de grondwaterstand. Dat laatste uiteraard alleen als er zich in de gemeente daadwerkelijk grondwaterproblemen voordoen. De uitvoering van de zorgplichten moet doelmatig zijn. Gemeenten zijn dus vrij in de keuze welke maatregelen worden getroffen als het beoogde doel maar wordt bereikt. Als een IBA het beoogde milieurendement oplevert, is het een goede oplossing. Voor de bestrijding van wateroverlast bij hevige regenval kan vanzelfsprekend een regenwaterriool worden aangelegd. De gemeente mag echter ook kiezen voor verhoging van de stoepranden. Zodoende blijft het water op straat staan en loopt het niet meer de huizen in. 4. Kostenverhaal Hoofdregel is dat de gemeente de kosten verhaalt die ze maakt voor de nakoming van de zorgplichten. De gemeente moet aannemelijk maken dat de kosten zijn gemaakt om aan de zorgplichten te voldoen. De onderstaande driedeling bepaalt dan de toerekening van de kosten. 1. De voorziening dient volledig voor het nakomen van de zorgplichten. De kosten van de voorziening kunnen volledig worden verhaald via de rioolheffing. 2. De voorziening dient niet voor het nakomen van de zorgplichten.
De kosten van de voorziening kunnen niet worden verhaald via de rioolheffing. 3. De voorziening dient voor een deel tot het nakomen van de zorgplichten maar dient ook andere doelen. Dient de voorziening slechts zijdelings (< 10%) voor het nakomen van de zorgplichten dan kunnen de kosten niet worden verhaald via de heffing. Als voorbeeld de kosten voor baggeren. Als het baggeren samenhangt met het onderhoud van gemeentelijk oppervlaktewateren en vaarwegen, dan kunnen de kosten niet uit de rioolheffing worden bekostigd. Vindt het baggeren plaats vanwege de ruiming van slib voor een van de zorgplichten, dan mogen de kosten wel uit de heffing worden bekostigd. Onder de oude rioolrechten heeft Hof Arnhem deze insteek goedgekeurd. De toelichting bij de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken (Stb. 2007, 267 en 277) wekt de indruk dat de kosten van baggeren niet kunnen worden meegenomen. Wij denken dat bij de wetgever destijds de indruk leefde dat baggeren geen relatie met de zorgplichten kon hebben. Dat beeld bleek onjuist. De Hoge Raad oordeelde al een paar keer dat baggerkosten via de rioolheffing mogen worden verhaald.
Jurisprudentie baggerkosten zijn last ter zake -
Hoge Raad 04-06-2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990: Bagger- en grondwatercontrolekosten hangen meer dan zijdelings samen met de riolering. Hoge Raad 21-06-2019, ECLI:NL:HR:2019:1016: Baggerkosten zijn last ter zake.
Meer informatie Handreiking kostenonderbouwing paragraaf lokale heffingen (website VNG) 5. Geen keuze meer voor model A of model B De gemeente heeft de mogelijkheid om de rioolheffing voor alle taken in zijn geheel te heffen (voormalig model A) maar ook om de heffing te splitsen (voormalig model B). Omdat model B in de afgelopen jaren niet is gebruikt, is besloten dit model te schrappen. De mogelijkheden tot tariefdifferentiatie zijn in deze verordening opgenomen. Indien de gemeente besluit om de heffing te splitsen, dan zal er sprake moeten zijn van kostentoerekening tussen de beide heffingen. Zeker in de kosten van afvoer van afvalwater en afvoer
van hemelwater zit een groot arbitrair gedeelte. Het is van belang dat uit de kostentoerekening controleerbaar is en zo inzichtelijk maakt dat de kosten niet twee keer worden verhaald. 6. Kwijtschelding van belastingen Van de rioolheffing kan geheel of gedeeltelijk kwijtschelding worden verleend. Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) Kwijtschelding. Zie ook de Model Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen.
B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Aanhef De rioolheffing is gebaseerd op artikel 228a Gemeentewet. Het gaat om de bekostiging van de wettelijke zorgplichten: 1. Inzameling en transport huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater en zuivering van huishoudelijk afvalwater, 2. Inzameling en verwerking hemelwater, 3. maatregelen tegen overlast van grondwater (genoemd in de Wet milieubeheer en de Waterwet en na inwerkingtreding in de Omgevingswet (artikel 2.16)). Zorgplichten - Parlementaire geschiedenis rioolheffing (Memorie van Toelichting): https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30578-3.html - Toelichting zorgplicht afvalwater: https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboekwater/wetgeving/wet-milieubeheer/zorgplicht/zorgplicht/ - Toelichting zorgplicht hemelwater: https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboekwater/activiteiten/lozen-afvloeiend/zorgplicht/ - Toelichting zorgplicht grondwater: https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboekwater/wetgeving/waterwet/zorgplichten/zorgplicht-0/
Artikel 1. Aard van de belasting De rioolheffing is een directe belasting. De belasting drukt op de belastingbetaler. Met de heffing worden kosten verhaald die de gemeente maakt voor uitvoering van de waterzorgplichten waaronder inzameling, transport en zuivering van afvalwater, inzameling van hemel- en voorzieningen voor problemen met de grondwaterstand.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht De rioolheffing kan worden geheven van zowel de eigenaren als de gebruikers van percelen, maar de gemeenteraad kan ook kiezen om alleen van eigenaren of alleen van gebruikers te heffen. In de modelverordening is de eis vervallen dat het perceel een directe of indirecte aansluiting moet hebben. Jurisprudentie ontbreken aansluiting - Hof Arnhem-Leeuwarden 17-02-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1162: Belastingplicht voor percelen zonder toevoeging aansluiting mogelijk Verhaal uitsluitend eigenaren Als de gemeenteraad kiest voor een heffing uitsluitend van de eigenaren (genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht) van een perceel (eerste lid, onderdeel a), dan kunnen alle bepalingen over de gebruiker van een perceel of het gebruik van het perceel vervallen. Kiest de
gemeente voor een heffing uitsluitend van de gebruiker van een perceel, dan vervallen alle bepalingen over de heffing die wordt geheven van de eigenaar. Jurisprudentie beperking belastingplicht - Hoge Raad 15-05-2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5477: Rioolheffing van alleen eigenaren is toegestaan. - Hoge Raad 08-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3082: Gemeente mag eigenaar aanmerken als 'vervuiler' in de zin van de Kaderrichtlijn Water en in de heffing betrekken. Eerste lid, onderdeel a belastingplicht eigenaar De belasting wordt geheven van de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel (eigenaren). Genothebbende is de persoon die het meeste risico loopt bij het binnenhalen van voor- en nadelen van het perceel of de ineenstorting van het perceel (pand), meestal de eigenaar. De belasting wordt geheven ongeacht of er een aansluiting op de gemeentelijke riolering aanwezig is. Eigenaren van percelen waarvan geen water naar de riolering afstroomt, profiteren van de voorzieningen die de gemeente treft om te voldoen aan haar watertaken. De gemeente voldoet daarmee aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Eerste lid, onderdeel b belastingplicht gebruiker De belasting wordt geheven ongeacht of er een aansluiting op de gemeentelijke riolering aanwezig is.
De keuze om alleen te heffen als een perceel een aansluiting heeft is niet meer in de modelverordening opgenomen. Gebruikers van percelen waarvan geen water afstroomt naar de riolering profiteren ook van het nakomen van de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater door de gemeente. Tweede lid genothebbende onroerende zaak Voor het bepalen van de genothebbende van het perceel wordt uitgegaan van de registratie in de basisregistratie kadaster (BRK). Aanwijzing één genothebbende Als er meer genothebbenden van een perceel zijn, kan de heffingsambtenaar één genothebbende aanwijzen als belastingplichtige volgens de vastgestelde beleidsregels. In de Model Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie is in onderdeel 1 een voorkeursvolgorde opgenomen (www.decentraleregelgeving.nl). ( Bezit Iemand heeft bezit van een perceel indien hij niet de juridische eigenaar daarvan is, maar economisch eigenaar en daarbij het volledig economisch belang heeft in die zin dat hij het volle risico voor alle waardeveranderingen en voor het eventuele tenietgaan van dat goed draagt. Vaak voldoet het economisch eigendom niet aan (een van) die voorwaarden en leidt het meestal niet tot bezit. De juridisch eigenaar is dan belastingplichtig.
Derde lid gebruikers: lid huishouden, deelgebruik, volgtijdig gebruik Hier staan regels om aan te geven wie als gebruiker van het perceel wordt aangemerkt. Er doen zich hier drie verschillende soorten van gebruik van een perceel: - Gebruik van een perceel door een huishouden - Gebruik van een onzelfstandig deel van het perceel - Volgtijdig gebruik van een perceel. Er is hierbij aansluiting gezocht bij regels voor de afvalstoffenheffing (artikel 15.33, tweede lid, Wet milieubeheer) en de Wet WOZ (artikel 24, vijfde lid, a tot en met c).
Derde lid, onderdeel a gebruik van een perceel door een huishouden
De heffingsambtenaar wijst een lid van een huishouden aan als belastingplichtige. Dat gaat volgens de Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie (zie Model Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie, www.decentraleregelgeving.nl).
Derde lid, onderdeel b gebruik van een onzelfstandig deel van een perceel Als een onzelfstandig deel van een perceel in gebruik is gegeven wordt de persoon die het onzelfstandige deel in gebruik heeft gegeven als gebruiker aangemerkt. Dat betekent dat de verhuurder belastingplichtig is voor de verhuur van onzelfstandige studentenkamers. Voor de rioolheffing is dat mogelijk omdat sprake is van een bestemmingsheffing en niet van een gebruiksretributie. Bovendien is niet wettelijk voorgeschreven wie als belastingplichtige wordt aangemerkt. Het profijt van de voorzieningen die met de rioolheffing worden bekostigd is ook groot voor degene die een deel van een perceel in gebruik geeft. Voor aanwijzing in een keuzesituatie worden de Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie gebruikt (zie met name artikel 2, onderdeel 4 van de Model Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie, www.decentraleregelgeving.nl).
Derde lid, onderdeel c volgtijdig gebruik van een perceel De verhuurder wordt als gebruiker aangemerkt als een perceel voor korte perioden wordt verhuurd. Als bij volgtijdige verhuur een bemiddelingsbureau wordt ingeschakeld is het de vraag voor wiens rekening en risico de verhuur plaatsvindt. Het antwoord op die vraag bepaalt wie de belastingplichtige is. Jurisprudentie gebruiker bij volgtijdig gebruik - Hoge Raad 22-11-2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0960 (Oostburg) voor de onroerendezaakbelastingen: Risico en lasten voor eigenaar en niet voor verhuurbemiddelingsbureau. - Hoge Raad 07-02-2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9843, (Wierden): Rekening en risico voor verhuurbemiddelingsbureau. De aanwijzing van de belastingplichtige gebruiker van een woning wordt meestal gebaseerd op gegevens uit de basisregistratie personen (BRP). Bij bedrijfsgebouwen en andere niet-woningen is dit uiteraard niet mogelijk. Daar - maar ook bij woningen - kan bijvoorbeeld de administratie van nutsbedrijven een hulpmiddel zijn. Ook in het handelsregister kan de gemeente informatie vinden over de (naam van de) gebruiker.
Artikel 3 Voorwerp van de belasting Voor de objectafbakening van het perceel is voor onroerende zaken aangesloten bij de objectafbakening van de Wet WOZ. Voor de afbakening van roerende percelen is aangesloten bij de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten. Een toelichting op de afbakening van onroerende zaken (WOZ-objectafbakening) en roerende zaken is opgenomen in de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Voorwerp van de belasting. Daarin staat voor beide een stappenplan voor de objectafbakening.
Tweede lid, onderdeel a (afbakening onroerende zaken) Onderdeel a betreft de afbakening volgens Hoofdstuk III van de Wet WOZ. Het hiervoor genoemde stappenplan voor de WOZ-objectafbakening bevat de volgende vragen: 1. Is het object roerend of onroerend? 2. Is het object een gebouwd eigendom? 3. Is het object een ongebouwd eigendom? 4. Is het object een zelfstandig gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom?