Dn05 VNG, Lbr. 22_033 Doorstart hervormingsagenda jeugd.pdf
Tekst van het document
Groei van de jeugdhulp: aanbieders Groei aantal aanbieders met als hoofactiviteit Jeugdzorg * 140 120 100 80 60 40 20
0 2010
2011
2012
2013
2014
2015
Ambulante jeugdzorg
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Jeugdzorg (met overnacht. en dagverbl.)
18% van de aanbieders met kenmerk jeugdzorg is na 2015 gestart
Er is sprake van een groei in het aantal aanbieders. In totaal zijn er in 2022 volgens het KVK 6.476 aanbieders actief met als hoofdactiviteit jeugdzorg. 5.316 aanbieders waren in 2015 reeds actief. 18% van de aanbieders jeugdhulp is dus in of na 2015 gestart. Deze groei zet ook in 2020 en 2021 door. Groei in aantal medewerkers in de jeugdhulpbranche (2015-2021)
2021 1e kwartaal*
2020 4e kwartaal*
2020 3e kwartaal*
2020 2e kwartaal*
2020 1e kwartaal*
2019 4e kwartaal*
2019 3e kwartaal*
2019 2e kwartaal*
2019 1e kwartaal*
2018 4e kwartaal*
2018 3e kwartaal*
2018 2e kwartaal*
2018 1e kwartaal*
2017 4e kwartaal*
2017 3e kwartaal*
2017 2e kwartaal*
2017 1e kwartaal*
2016 4e kwartaal*
2016 3e kwartaal*
2016 2e kwartaal*
2016 1e kwartaal*
2015 4e kwartaal*
2015 3e kwartaal*
2015 2e kwartaal*
2015 1e kwartaal*
40 35 30 25 20 15 10 5 0
Groningen (PV) Fryslân (PV) Drenthe (PV) Overijssel (PV) Flevoland (PV) Gelderland (PV) Utrecht (PV) Noord-Holland (PV) Zuid-Holland (PV) Zeeland (PV) Noord-Brabant (PV) Limburg (PV) Niet in te delen (PV)
Aantallen in duizendtallen
Er is een grote regionale spreiding in de groei van het aantal medewerkers Het aantal medewerkers in de jeugdhulpbranche groeide tussen het eerste kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal in 2021 met 15%. Er zijn grote regionale verschillen zichtbaar. In de provincies Zeeland en Flevoland daalde het aantal medewerkers respectievelijk 14 en 33%. In de provincies Noord-Holland en Noord-Brabant groeide het aantal het hardst: met 26 en 29%. * NB: Jeugdhulp/zorg kan ook geleverd worden door andere aanbieders, zoals een ggz-aanbieder of een psychologenpraktijk. Deze zijn in de analyse niet meegenomen, omdat ze niet specifiek uit te splitsen zijn naar jeugdhulp.
Groei van de jeugdhulp: verschillen in gebruikers (1/2) Eerste halfjaar 2015
Eerste halfjaar 2021
Geslacht: er maken meer mannen dan vrouwen gebruik van jeugdhulp, maar de groep vrouwen groeit In het eerste halfjaar van 2015 maakten 318.610 kinderen/ jongeren gebruik van jeugdhulp: 60% van hen was man.
40%
44%
60% 1e halfjaar 2015
56%
1e halfjaar 2021
Mannen
190.735
200.550
Vrouwen
127.875
138.825
In het eerste halfjaar van 2015 maakte 379.615 (+19%) kinderen/ jongeren gebruik van jeugdhulp: 56% van hen was man. Het aantal vrouwen in jeugdhulp nam met 32% toe, het aantal mannen met 11%.
Leeftijd: de grootste groep jeugdhulp gebruikers is 4-12 jaar oud; de groep 18-23 jaar is het hardst gegroeid
0-4 jaar
4-12 jaar
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 15.490 kinderen tussen 0 en 4 jaar gebruik van jeugdhulp.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 21.705 kinderen tussen 0 en 4 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 40% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2015.
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 156.855 kinderen tussen 4 en 12 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is de grootste groep jeugdhulpgebruikers.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 183.490 kinderen tussen 4 en 12 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 17% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2015.
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 137.425 kinderen tussen 12 en 18 jaar gebruik van jeugdhulp.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 158.220 kinderen tussen 12 en 18 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 15% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2015.
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 8.840 jongeren tussen 18 en 23 jaar gebruik van jeugdhulp.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 16.205 jongeren tussen 18 en 23 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 83%.
12-18 jaar
18-23 jaar
Groei van de jeugdhulp: verschillen in gebruikers (2/2) Eerste halfjaar 2015
Eerste halfjaar 2021
Samenstelling huishouden: het aantal gebruikers in eenoudergezinnen groeit Kind in eenouderhuishouden Kind bij paar
21.080 7%
35.205 9%
Overig lid 107.770 29%
83.195 26%
214.335 67%
236.645 62%
In het eerste halfjaar van 2015 was 67% van de kinderen die gebruik maakte van jeugdhulp bij aanvang van de zorg onderdeel van een huishouden waarin ook een paar woont (ouders of evt. stiefouders). In 2021 is dit aantal met 10% gestegen. De groep jongeren die gebruik maakte van jeugdhulp en onderdeel was van een eenoudergezin of een overig huishouden groeide harder: met respectievelijk 30% (eenoudergezin) of 67% (overig*).
* De jongere bevond zich bij aanvang van het jeugdhulptraject niet in een huishouden bestaande uit een alleenstaande ouder of een paar. Te denken valt hierbij aan een kostganger die bij een gezin inwoont, een persoon die samen met een broer of zus één huishouden vormt, of een pleegkind. Of de jongere woonde mogelijk zelfstandig of in een instelling.
Voorbeelden uit het land
Werken aan kwaliteit van de jeugdhulp: actuele praktijken van gemeenten In het land wordt door gemeenten hard gewerkt aan het versterken van de jeugdhulp Eén van de belangrijke beweegredenen achter de decentralisatie was dat op lokaal niveau betere oplossingen zouden kunnen worden gevonden voor problematiek van jeugdigen en hun gezinnen.
Hoewel de resultaten van de enquête een beeld geven dat landelijke (bij)sturing soms wenselijk is bij knelpunten die optreden, is het ook duidelijk dat in de afgelopen jaren stappen zijn gezet door gemeenten die tot verbetering en vernieuwing van de aanpak van jeugdhulp hebben geleid. Zoals door de Commissie van Wijzen al werd aangegeven is het van belang oog te hebben voor deze voorbeelden en de daarbij geleerde lessen te delen. De voorbeelden kunnen andere gemeenten en partners inspireren en dragen zo ook bij aan het invulling van het lerend jeugdstelsel. Hierna hebben we een aantal van de meest illustratieve en actuele voorbeelden van betekenisvolle praktijken toegelicht.
Het Haagse doorbraaklab In de gemeente Den Haag is dit jaar een doorbraaklab geopend In de gemeente Den Haag is jarenlange ervaring opgedaan met het hanteren van een maatwerkbudget. In de eerste jaren hebben ze intensief samengewerkt met het Instituut Publieke Waarden en CZ. Vanaf 2022 wordt de doorbraakmethode definitief verankerd in de vorm van het doorbraaklab. Het team beoordeelt de aanvraag, berekent de verwachte financiële en maatschappelijke rendementen en oordeelt, in samenwerking met een collega, over het inzetten van de doorbraakmethode.
Den Haag was de eerste gemeente die de IPW doorbraakmethode invoerde
De hoofdlijnen van deze aanpak > Iedereen kan een aanvraag doen, denk aan aanbieders of jeugdteams. > Eerst wordt gekeken of het probleem via de reguliere weg kan worden opgelost. Er zijn ondersteuners beschikbaar met de nodige relevante kennis die goed zicht hebben op de beschikbare voorzieningen en processen. > Als het niet mogelijk is om het via de reguliere weg op te lossen wordt er een doorbraakcoach toegewezen. > De doorbraakcoach beoordeelt de casus en toetst de kosten aan financieel en maatschappelijk rendement. > De doorbraakcoach mag tot 5.000 euro inzetten na toetsing van het plan door een andere doorbraakcoach. Het totale beschikbare budget is 200.000 euro. > De aanpak maakt onderdeel uit van een totaalprogramma binnen de gemeente, waarbij o.a. sprake is van een specifieke leerlijn die gericht is op de doorbraakmethode en alledaags maatwerk. > Er is geen beperking aan het type hulp die kan worden ingezet, denk aan: vervoer, schuld afbetalen, kinderopvang organiseren, onderdak regelen. Randvoorwaarden > Alle expertises moeten zijn vertegenwoordigd (o.a. jeugdhulp, schuldhulp, inkomen, wonen). > Maakt onderdeel uit van een totaalprogramma (je moet het goed doordenken, onderdeel van een totale aanpak), niet zomaar een loshangend project (grotere beweging). > Ook belangrijk om aandacht te hebben voor de maatschappelijke rendementen.
> Beweging richting vertrouwen en perspectief van de inwoner en niet vanuit wantrouwen. > Er moet ruimte/tijd zijn bij hulpverleners. Feiten en cijfers > Tussen juli 2020 en november 2021 is het maatwerkbudget 13 keer ingezet, gemiddeld 3.000 euro per casus. > Het laagste bedrag dat is ingezet is 120 euro; het hoogste 12.000 euro. > Het gemiddelde besparingspotentieel is 20.000 euro per casus. > Type hulp voorkomen: uithuisplaatsing, gesloten plaatsing, hogere schulden, belastingschulden.
Wijkteams Utrecht De gemeente Utrecht is in 2015 gestart met de Utrechtse aanpak. Onderdeel van de Utrechtse aanpak zijn de wijkteams: ze werken integraal en zijn gericht op het hele gezin. De 18 wijkteams hebben een belangrijke functie in het normaliseren van problematiek en het voorkomen van specialistische jeugdhulp, doordat er steeds wordt gekeken wat er mogelijk is zonder inzet van specialistische zorg. Onderliggend aan de aanpak is het model van Simons (1995) waarin integraal sturen centraal staat en waarbij de balans wordt gezocht tussen innovatie en inspiratie enerzijds en de basis op orde, afbakening en beheersing anderzijds.
In de gemeente Utrecht zijn 18 integrale wijkteams actief
De hoofdlijnen van deze aanpak
> Integraal: jeugd en gezin (aanpak gericht op gezin) : 1 voordeur voor jeugd en Wmo > Er zijn in totaal 18 wijkteams actief in Utrecht. Deze zijn actief in de wijken, op de basisscholen. > Drie hoofdactiviteiten: bieden basiszorg, verwijzing en bijdragen aan Utrechtse ontwikkeling. > Daarnaast is een stedelijk team voor leerlingen op het voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en bij de grote mbo’s. > Er is samenhang tussen de drie sporen binnen de jeugdhulp: sociale basis, basiszorg (de wijkteams) en aanvullende zorg. > De wijkteams zijn gericht op het leveren van preventieve zorg en normalisatie van problematiek. > Bekostiging is taakgericht: via subsidie is er een budget beschikbaar gesteld aan de wijkteams, zij bepalen welke zorg ze daarvoor inzetten. > Er worden gesprekken georganiseerd tussen subsidiepartners en de wijkteams om het onderlinge leren te stimuleren.
Randvoorwaarden > Kwalitatief hoogwaardige professionals: we verleiden de best professionals om de keuze te maken om voor het wijkteam te werken. Er wordt gebruik gemaakt van HBO professionals. > Ontwikkel de informatievoorziening stapsgewijs en interdisciplinair: begin met de basis en bouw van daaruit door. > Onderlinge samenhang en samenwerking tussen sociale basis, basiszorg en aanvullende zorg
Feiten en cijfers > In Utrecht zijn 70.602 jongeren onder de 18 jaar woonachtig (19,5%). In Nederland is dit 19%. > 18 buurtteams zagen 19.000 mensen in 2020. > In totaal is er 20 miljoen subsidie beschikbaar gesteld.
Afbouw van jeugdhulp Plus In 2022 wordt Jeugdzorg Plus-voorziening de Koppeling volledig afgebouwd Eind juni 2022 sluit de Koppeling in Amsterdam als grootschalige Jeugdzorg Plus instelling haar deuren. In plaats daarvan wordt er ingezet op kleinschalige verblijfsvoorzieningen, versnelde uitstroom uit residentiele jeugdhulp en het versterken van ambulante jeugdhulp en gezinsgerichte aanpak. De hoofdlijnen van deze aanpak
De Koppeling is een Jeugdzorg Plus voorziening in Amsterdam
> Focus op verbetering van de kwaliteit van zorg: omslag gemaakt van repressieve zorg naar liefdevolle, relationele zorg, terugdringen dwang en drang met sluiting van de separeerruimten, integraal programma van leren en ontwikkelen voor elke jongere op maat, ondersteuning medewerkers en gezinsgericht werken. > Verwijzers: zijn met verwijzers actief aan de slag gegaan met het terugdringen van verwijzingen door per casus te onderzoeken wat een reëel alternatief zou zijn. > Meer focus op het systeem van de jongere, om snellere uitstroom te bevorderen. > Oprichting ambulant team dat zich richt op het voorkomen van gesloten plaatsingen. > Ontwikkeling naar kleinschaligere verblijfslocaties: als verblijf toch noodzakelijk blijkt, wordt er zoveel mogelijk naar kleinschalige verblijfslocaties gezocht. Onderdeel van het afbouwplan is dat het aanbod hiervan toeneemt. > In- en uitzoomen: steeds per voorkomende vraag gekeken wat er nodig is, om vervolgens weer uit te zoomen wat dit betekent voor het hele proces (wat is er nodig?). Randvoorwaarden > Bekostiging van frictiekosten: het ministerie van VWS heeft middelen beschikbaar gesteld voor de vastgoedtransitie en frictiekosten die gemaakt worden in de periode van afbouw. De gemeente stelde middelen beschikbaar in het kader van het Transformatieprogramma voor het terugdringen van dwang en drang.
> Tijdige opbouw ambulante zorg: ambulante zorg moet tijdig worden opgebouwd, zodat deze van begin af aan een alternatief kan zijn voor verblijf. > Draagvlak & lef: het gezamenlijk onderstrepen met partners van het belang van afbouw is belangrijk, zeker omdat er altijd een risico op incidenten is. > Samenwerking: samenwerking en ondersteuning met en van verwijzers/ketenpartners, ervaringsdeskundigen en de jeugdigen is van groot belang, omdat zij mede de alternatieve zorg moeten gaan leveren. Dit is met name ook belangrijk voor de samenwerking met onderwijs omdat zij een deel van de alternatieve zorg moeten gaan leveren. Feiten en cijfers > Met uitzondering van de frictiekosten is de overgang kostenneutraal; er is geen sprake van een bezuiniging. > Aantal plekken: 47, na 1 juli zijn er nog maximaal 32 plekken in 6 kleinschalige verblijfslocaties. > In totaal wordt er voor de afbouw 6 maanden de tijd genomen, de voorbereidingstijd is langer. > In totaal wordt er over Q1 en Q2 170.000 euro beschikbaar gesteld voor de dekking van frictiekosten. > Intensivering ambulante zorg (team thuis plus): 12,5 fte.
Betere aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp De Holland Rijnland-methode zorgt voor betere aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp De Holland Rijnland-methode is ontstaan met als doel om kinderen met complexe problematiek voor het onderwijs te behouden. In opdracht van samenwerkingsverbanden primair onderwijs en gemeenten is onderzocht wat er nodig is om kinderen die kunnen leren, maar dit nog niet kunnen op een school weer onderwijs te laten volgen. De hoofdconclusie was dat hiervoor een onderwijs-zorg continuüm nodig is. In dat kader is gewerkt aan het ontwikkelen van een aanpak die een beweging in gang zet waarmee onderwijs en gemeenten samen werken aan inclusie: er is voor elke jeugdige aanbod beschikbaar dat aansluit op de behoefte. Deze aanpak krijgt steun van het landelijke traject Met Andere Ogen, waarvan Holland Rijnland inspiratieregio is.
In de regio Holland Rijnland is gewerkt aan een continuum tussen onderwijs en jeugdhulp
De hoofdlijnen van deze aanpak > Er is een visie ontwikkeld die door het onderwijs en de gemeenten gedragen wordt. > Er is onderzoek gedaan naar oorzaken van thuiszitten (aan de hand van casestudies). > Er is een werkwijze voor professionals opgesteld: integraal arrangeren en betrokken professionals getraind volgens deze werkwijze. > De pilots die het onderwijs-zorg continuüm versterken zijn geborgd in de nieuwe inkoop jeugdhulp per 2022. > De samenwerkingsafspraken worden in Q1 van 2022 bekrachtigd. Randvoorwaarden > Er is commitment van alle betrokken partijen rondom een kind: als een kind kán leren, dan wordt dat mogelijk gemaakt door afstemming en in gezamenlijkheid. > Er is een door gemeenten en onderwijs gedeelde visie en ambitie. Daar waar wetgeving geen uitsluitsel geeft over verantwoordelijkheden, wordt in overeenstemming tussen gemeenten en onderwijs naar pragmatische maatwerkoplossingen gezocht. > Er is sprake van een heldere route zodat professionals samen jeugdhulp en onderwijsondersteuning rondom individuele kinderen kunnen combineren met behulp van integraal arrangeren. > Gezamenlijk organiseren van kleinschalig aanbod om het onderwijs-zorg continuüm uit te breiden. Hiervoor is het nodig dat enkele schoolbesturen zich hieraan committeren en het nieuwe aanbod opnemen in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.
Gemeenten dragen zorg voor afspraken die duidelijkheid bieden over de rol van aanbieders bij realisatie van dit aanbod.
De Ondersteuner Jeugd en Gezin in de gemeente Groningen In de gemeente Groningen is een aantal jaren ervaring opgedaan met Ondersteuners Jeugd en Gezin bij de huisarts In 2016 startte in de jeugdhulpregio Groningen met een provinciale pilot met Ondersteuners Jeugd en Gezin (OJG) bij de huisartsen (POH GGz jeugd). In de gemeente Groningen deden 3 huisartsenpraktijken mee. Hiermee werd een impuls gegeven aan een kwalitatief beter en effectief werkend jeugdstelsel. De OJG is onderdeel van een pakket aan maatregelen om beter grip te krijgen op de uitgaven in de jeugdhulp. Sinds die tijd is er veel gebeurd: de functie is doorontwikkeld en inmiddels zit bij 64% van de huisartsen in de gemeente een OJG. De OJG is gepositioneerd bij de lokale teams van de Stichting WIJ Groningen, voert in de huisartspraktijk jeugdhulp uit en fungeert indien gewenst als schakel tussen het team en de huisarts.
In de gemeente Groningen vormt de OJG een belangrijke schakel in de samenwerking met de huisartsen
De hoofdlijnen en uitgangspunten van de aanpak > Gemeente en huisarts zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor zinnige en zuinige zorg. > De OJG voert zelf jeugdhulp uit en ondersteunt de huisarts in het zo nodig doen van een verwijzing. De OJG biedt dichtbij en snel passende ondersteuning voor jeugd en gezin en kan verwijzingen naar specialistische jeugdhulp verminderen dan wel voorkomen. > De OJG speelt een belangrijke rol in het normaliseren, demedicaliseren en afschalen van de problematiek. > De OJG’s maken deel uit van een stedelijk team met een eigen ondersteuningsstructuur (casuïstiekbesprekingen, intervisie en supervisie, deskundigheidsbevordering). > Er is periodiek overleg met de huisartsen, waarbij de onderlinge verwijzingen en relevante trends worden besproken binnen jeugdhulp en andere thema’s. > Parallel hieraan worden, in die wijken waar geen OJG bij de huisartsen zit, OJG’s gepositioneerd in het basisonderwijs, om de ondersteuningsvragen vanuit het onderwijs goed te kunnen bedienen.
Randvoorwaarden > De gemeente is bereid te investeren: er is in eerste instantie sprake van een toename van kosten; pas later worden besparingen (met name bij de specialistische ggz) zichtbaar. > Zorg voor een gedragen samenwerkingsovereenkomst waarin de afspraken met de individuele huisarts(enpraktijk) worden vastgelegd, onder andere over informatievoorziening, registratie, terugkoppeling van informatie en overleg. Zodat ieder zijn rol goed kan spelen. > De huisarts moet de ondersteuner erkennen als expert; daarom is het goed om op het opleidingsniveau van de ondersteuner te letten (in Groningen HBO+/WO-opleidingsniveau). > Neem huisartsen mee in het besluitvormingsproces, pak ook (aanvullende) thema’s op waarmee huisartsen geholpen zijn. Feiten en cijfers Meer dan de helft van de OJG-trajecten wordt afgesloten zonder verwijzing naar geïndiceerde zorg. Impact van de inzet van de OJG: break-even punt is bereikt. Potentieel business-case van 1:2 lijkt haalbaar.
De InVerbindingteams van Rijk van Nijmegen In Nijmegen werken InVerbindingteams samen met natuurlijke mentoren om de informele ondersteuning te verbeteren
Uithuisplaatsing is het laatste redmiddel als het thuis niet goed gaat met een jongere. Maar een kind uit zijn vertrouwde omgeving halen, doet vaak meer kwaad dan goed. Gelukkig is er een alternatief: gebruik maken van ambulante professionals in combinatie met een JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). In Rijk van Nijmegen doen ze dit middels het InVerbindingteam (IVT). Dit team werkt intersectoraal, systemisch en samen met JIM. Het biedt een ambulant alternatief voor uithuisplaatsing van jongeren uit gezinnen met meerdere problemen. Een doel is de uithuisplaatsing te voorkomen of zo kort mogelijk te laten duren. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat jongeren met een JIM (natuurlijk mentor) beter functioneren op school, in hun werk, lekkerder in hun vel zitten en minder psychische problemen ervaren. De hoofdlijnen van deze aanpak
In de Rijk van Nijmegen worden natuurlijke mentoren ondersteund
Meer informatie via bovenstaande link
> Een JIM is een bekende die door de jongere zelf wordt gekozen als vertrouwenspersoon. > De JIM wordt ondersteund door de InVerbindingteams. > Een jongere kiest dus eerst zelf een steunfiguur uit. Als die eenmaal is gevonden, worden er afspraken gemaakt over vertrouwelijkheid, privacy, contactfrequentie , grenzen van de JIM en wat voor ondersteuning de JIM nodig heeft (wie-fase). > Gezamenlijk (dus JIM met jongere, ouders en hulpverlener) worden vervolgens de problemen geanalyseerd en worden er plannen voor verandering gemaakt (wat-fase), doelen benoemd en besluiten genomen over welke stappen te zetten (hoe-fase). > De vertrouwensrelatie tussen hulpverlener en jongere en/of gezin blijft natuurlijk van waarde, maar centraal staat degene die een blijvende rol in het leven van de jongere vervult/kan vervullen. > De ervaringen van de gezinnen zijn positief. De inzet vergroot veerkracht, biedt sneller perspectief, meer tevredenheid over hulpverlening, minder trauma en onrust. > Ook hulpverleners zijn positief. Meer tijd voor reflectie en minder verzuim. Randvoorwaarden > Vertrouwen is de basis voor verandering. Deze vraag is dus ook leidend binnen het IVT. De jongere krijgt aan het begin van het traject de vraag: “Wie vertrouw je, waar ga je naar toe als je het moeilijk hebt?” Hulpverleners begeleiden de jongere en het gezin hiermee.
> Gelijkwaardigheid tussen de JIM en de professionals. Feiten en cijfers > De kosten van het inVerbindingteam zijn 16.000 per traject en 1.000 euro per JIM. > Als de inzet leidt tot voorkomen van een uithuisplaatsing, dit kan een besparing van 45.00070.000 euro per jaar opleveren. > In 96% van de gevallen waar een JIM is ingezet, is uithuisplaatsing voorkomen.
Normaliseren van zorg- en hulpvragen in Tilburg In de gemeente Tilburg is een raadsbesluit aangenomen met als doel normalisatie van zorg- en hulpvragen De gemeente Tilburg heeft in 2021 een raadsbesluit genomen, waarin het beleidskader normaliseren is vastgesteld. Het beoogde effect van het beleidskader is bijdragen aan een samenleving waarin verschillen worden geaccepteerd en niet geproblematiseerd. De beweging van normaliseren is gericht op preventie. Het startpunt is de praktijk in de wijken, o.a. bij de wijkteams, versterking collectieve (informele) voorzieningen (welzijnswerk, sportverenigingen, etc.), bij de jeugd- en Wmo-aanbieders. De aanpak is gericht op de beweging van individuele zorg en ondersteuning naar collectieve (informele) ondersteuning, van maatwerkvoorziening naar advies, van problematiseren naar versterken (reablement).
De gemeente Tilburg zet in op normalisatie van hulpvragen
De hoofdlijnen van deze aanpak > Normaliseren is een prioriteit voor de gemeente Tilburg. Ze wil de focus verschuiven van individuele ondersteuning naar preventie. > Er is een beleidskader Normaliseren opgesteld, deze is bekrachtigd in een raadsbesluit. > In het beleidskader ligt de nadruk op het zo min mogelijk problematiseren van situaties en het versterken wat wel kan en preventief werken. Dit heeft als doel dat zorg en ondersteuning toegankelijk en betaalbaar blijven voor inwoners en kinderen die het écht nodig hebben. > Het plan is uitgewerkt langs 4 lijnen: 1. Toegang: training on the job, “normaliseren” in de praktijk brengen. 2. De inkoop voor jeugd, wmo en participatie zo inrichten dat deze beweging wordt ondersteund. 3. Versterken sociale basis. 4. Beeldvorming: hierbij wordt vooral ingezet op het voeren van het debat/open gesprek over wat we van elkaar verwachten. > Een aantal onderdelen van het plan heeft specifiek betrekking op jeugdhulp, zoals niet langer individueel inkopen van buitenschoolse opvang voor kinderen met beperking, alternatieve therapieën en enkelvoudige vaktherapie. > De lichte ondersteuning wordt versterkt, o.a. door: 1. Aanbieden van lichte collectieve psychosociale ondersteuning, waarin kinderen/jongeren, ouders handvaten krijgen hoe om te gaan met vraagstukken waar zij tegenaan lopen in het gewone leven. 2.
De afspraak met zorgverzekeraars en huisartsencoöperatie dat in 2023 75% van de huisartsen een POH JGGZ (praktijkondersteuner Jeugd ggz) in de praktijk heeft. 3. Dyslexie en andere onderdelen van jeugdhulp die bij het onderwijs horen ook daadwerkelijk daar beleggen.
Samen aan tafel in Zaanstad Samenwerking leidt tot minder verwijzingen naar complexe zorg Zaanstad kent een outputgerichte inkoop met twee segmenten voor indicaties in de specialistische jeugdhulp: een enkelvoudig segment en een complex segment. De complexe indicaties behoren schaars te zijn en kennen gemiddeld ook een hoger tarief. In Zaanstad constateerden ze dat er relatief vaak naar het complexe segment werd geïndiceerd, terwijl dat op basis van de voorgaande jaren was ingeschat op 15 – 20% van de nieuwe instroom. Met een nieuwe aanpak hebben we die trend kunnen keren.
In de gemeente Zaanstad worden in weegtafels gekeken naar complexe indicaties
De hoofdlijnen van de aanpak > Er is een “weegtafel” ingericht waar vertegenwoordigers van alle jeugdteams en GI’s als verwijzer aan deelnemen. > Alle nieuwe en her-indicaties in het complexe segment worden op casusniveau besproken en gewogen en van een bindend advies voorzien of de gevraagde indicatie met de inzet passend is bij het resultaat wat bereikt moet worden. > Tevens wordt er scherpte gecreëerd voor andere grondslagen, zoals Wlz, ZVW en Wmo, maar ook het voorliggend veld. > De aanpak kent vooral een focus op het leren en ontwikkelen van scherpte in de afweging wat evident in het complexe segment thuis hoort en wat niet. Door met alle verwijzers hier de zelfde uniforme afweging in te maken.
Randvoorwaarden > Ondersteuning vanuit gemeente qua agenda, planning en verslaglegging en casuïstiek wordt geanonimiseerd aangeboden en besproken. > Draagvlak en commitment: tijd voor deelnemers zich voor te bereiden en te participeren aan weegtafel. > Externe afstemming en samenwerking: goede communicatie richting aanbieders over het proces. Feiten en cijfers > Leercurve: het aantal ingebrachte casussen nam in de loop van de tijd af, omdat de verwijzers minder vaak complexe indicaties wilden inzetten. Tevens viel op dat het aantal afwijzingen n.a.v. de weegtafel ook afnam, dus meer gevoel en eenduidigheid bij wat een evident complexe indicatie is. > Instroom: het aantal indicaties in het complexe segment is teruggebracht naar 20% in nov-21.
Rood: percentage nieuwe instroom complexe segment
Het Deltaplan van Eindhoven Meer samenhang voor betere zorg en een financieel houdbaar stelsel In gemeente Eindhoven zijn ze, vooruitlopend op de hervormingsagenda, aan de slag gegaan met het opstellen van een lokaal verbeterplan dat vanaf dit jaar (2022) uitgevoerd wordt. Dit Deltaplan Jeugd bouwt onder meer voort op eerdere proeftuinen en transformatieprojecten. Er is ruimte ontstaan voor de ontwikkeling van het plan, juist omdat Eindhoven er in is geslaagd om de tekorten deels terug te dringen. Het is een voorbeeld van hoe transformatie niet alleen gaat om het nemen van losse maatregelen, maar om het bij elkaar brengen van losse ontwikkelingen, die vaak onderling ook effect hebben.
In Eindhoven is een Deltaplan ontwikkeld, wat nu tot uitvoer wordt gebracht
De Dehoofdlijnen hoofdlijnenvan vande deaanpak aanpak Het HetDeltaplan Deltaplanbestaat bestaatuit uitvier vierontwikkellijnen: ontwikkellijnen: 1. 1. Preventie: Preventie:inin2021 2021isisnieuw nieuwpreventief preventiefjeugdbeleid jeugdbeleidvastgesteld. vastgesteld.Bij Bijde detotstandkoming totstandkoming daarvan daarvanisisonderzocht onderzochtwaar waarnog nogzwakke zwakkeplekken plekkenzitten zittenininhet hetpreventieve preventieveaanbod. aanbod.Met Methet het Deltaplan Deltaplanwordt wordtextra extrageïnvesteerd geïnvesteerdinindie dielacunes. lacunes.Een Eenvoorbeeld voorbeeldhiervan hiervanisisde dehulp hulpbij bij scheidingsproblematiek. scheidingsproblematiek.Daarnaast Daarnaastwordt wordter eringezet ingezetop opmeer meersamenhang samenhangininhet hetpreventieve preventieve domein, domein,o.a. o.a.via vianetwerktafels. netwerktafels.Hiermee Hiermeefaciliteert faciliteertde degemeente gemeentehet hetinhoudelijke inhoudelijkegesprek gesprek tussen tussenhaar haarpartners, partners,om omverbinding verbindingte testimuleren stimulerenen engezamenlijke gezamenlijkeoplossingen oplossingenvoor voorlacunes lacuneste te vinden. vinden. 2. 2.
Toegang: Toegang:deze dezelijn lijnbestaat bestaatuit uittwee tweedelen: delen:op opkorte kortetermijn termijngaat gaathet hetom omhet hetop oporde ordekrijgen krijgen van vande decapaciteit capaciteiten ensnel snelte terealiseren realiserenverbeteringen verbeteringenbinnen binnende detoegang. toegang.Voor Voorstructurele structurele verbetering verbeteringvan vande detoegang toegangwordt wordtdaarnaast daarnaasteen eenmeerjaren meerjarenontwikkelplan ontwikkelplanopgesteld, opgesteld,waarin waarin het heto.a. o.a.gaat gaatover oververstevigen verstevigenvan vanhet hetvakmanschap, vakmanschap,normaliseren normaliserenen ende derol rolvan vande detoegang. toegang. 3. 3. Transformatie: Transformatie:de degrootste grootsteinhoudelijke inhoudelijketransformatie transformatieisisde dete terealiseren realiserenverandering veranderingininhet het zorgaanbod. zorgaanbod.Ontwikkelingen Ontwikkelingenzijn zijnreeds reeds(regionaal) (regionaal)iningang ganggezet, gezet,maar maarkrijgen krijgenininEindhoven Eindhoveneen een boost boostdoor doorgerichte gerichteinvesteringen investeringenen enprioritering. prioritering.De Dethema’s thema’swaarop waaropmen menextra extrawil wilinzetten inzetten zijn: zijn: >> Meervoudig Meervoudigintersectorale intersectorale aanpak: aanpak: vanuit vanuit meerdere meerdere disciplines disciplines integraal integraal aanbod aanbod bieden. bieden.
>> Kleinschalig Kleinschaligverblijf. verblijf. >> Overgang Overgang18-/18+. 18-/18+. >> Verblijfsvoorkomend Verblijfsvoorkomend aanbod. aanbod. >> Ontwikkeling Ontwikkelingpleeg-en pleeg-engezinshuiszorg gezinshuiszorg.. 4. 4. Wachttijdenaanpak: Wachttijdenaanpak:er erwordt wordteerst eerstonderzocht onderzochtwat watde deoorsprong oorsprong en enoorzaak oorzaak isis van vanhet het ontstaan ontstaanvan van(problematische) (problematische)wachttijden. wachttijden.De Deuitkomsten uitkomstenvan vandit ditonderzoek onderzoekvormen vormeneen een belangrijke belangrijkebron bronvan vaninformatie informatievoor voorde deinhoudelijke inhoudelijkeacties actiesbinnen binnende deandere andereontwikkellijnen. ontwikkellijnen. Naast Naasthet hetlokale lokaleDeltaplan Deltaplanwordt wordtook ookininde deregio regioSamen Samenvoor voorJeugd Jeugdsamengewerkt samengewerktaan aaneen een transformatieplan transformatieplanjeugd. jeugd.Het Hetblijft blijftbelangrijk belangrijkom omlokale, lokale,(boven)regionale (boven)regionaleen enook ookde delandelijke landelijke ontwikkelingen ontwikkelingengoed goedop opelkaar elkaaraf afte testemmen stemmenen enzo zomogelijk mogelijkgelijk gelijkop opte telaten latenlopen. lopen.
De Gelderse verbeteragenda voor jeugdbescherming In de provincie Gelderland zijn gemeenten gezamenlijk aan de slag gegaan met de verbetering van de jeugdbeschermingsketen Naar aanleiding van de rapportage “Kinderen onvoldoende beschermd” zijn de Gelderse gemeenten en 3 Utrechtse gemeenten aan de slag gegaan met de verbetering van de jeugdbeschermingsketen. Hieruit is de Gelderse verbeteragenda voortgekomen. Belangrijke uitgangspunten van de verbeteragenda zijn eenduidige sturing en een raamovereenkomst voor alle gemeenten. De aanpak is opgebouwd uit 8 bouwstenen.
In Gelderland zijn de gemeenten aan de slag gegaan de verbetering van de jeugdbeschermingsketen
De hoofdlijnen van deze aanpak > De aanpak is opgesteld in samenwerking met de 5 gecertificeerde instellingen die in deze regio actief zijn, Veilig thuis (twee organisaties) en de Raad voor de Kinderbescherming. De laatste twee partijen zijn betrokken, o.a. omdat zij een belangrijke rol hebben in de toekomsttuin. > De bekostiging loopt via een raamovereenkomst, die door individuele gemeenten wordt bekostigd, maar waarbij de afspraken hetzelfde zijn. De afspraken door 51 Gelderse en 3 Utrechtse gemeenten zijn bestuurlijk vastgesteld in de zomer van 2021; de nieuwe contracten gaan in per 1 april 2022. > Er zijn 11 resultaatafspraken gemaakt. Gemeenten gaan deze resultaten gezamenlijk meten en hierop sturen. > De verbeteragenda kent 8 bouwstenen: 1. Werken vanuit één visie en kernwaarden. 2. Samenwerken en leren op lokaal niveau. 3. Lokale aanpak voor veiligheid in gezinnen, hieronder vallen de toekomsttuinen, waarbij de verschuiving wordt gemaakt van een estafettemodel naar samenwerking. 4. Beschermingstafels. 5. Vereenvoudigd aanmeldproces. 6. Escalatiemodel. 7. Regionaal Expert Team (RET). 8. Samen opleiden van professionals. Randvoorwaarden > Bestuurlijke commitment: in alle gemeenten moeten de colleges instemmen met de contracteren. Het is daarom belangrijk dat de bestuurders het plan dragen.
> Aanspreekcultuur: het is een gezamenlijke aanpak, die tot stand komt door vallen en opstaan en door samenwerking van diverse partijen, die elkaar op elkaars verantwoordelijkheden aanspreken. > Betrekken van stakeholders: met name Lokale teams en de veiligheidsketen.
Feiten en cijfers Er zijn 51 gemeenten in Gelderland en 3 Utrechtse gemeenten bij de verbeteragenda betrokken.
Meer informatie over de verbeteragenda: https://www.gvjb.nl/
Centrale facturatie in Foodvalley In de regio Foodvalley worden facturen centraal verwerkt In de regio Foodvalley zijn de gemeenten in 2015 al gestart met centrale facturatie. Een groot voordeel hiervan is dat aanbieders voldoende hebben aan één factuur en dat zij met maar één partij hoeven te schakelen. Op die manier hebben zij een gunstige impact op de administratieve lasten van aanbieders. In de regio Foodvalley is er sprake van centrale facturatie
De hoofdlijnen van deze aanpak
> In de regio Foodvalley is er sprake van centrale facturatie. > Toewijzing (o.a. het versturen van 301 en 315 berichten) wordt door individuele gemeenten gedaan. > Er wordt per kwartaal bevoorschot; dit voorschot wordt drie keer per jaar aangepast. Afrekening wordt in april gedaan voor het daaraan voorafgaande jaar. Evt. nagekomen facturen worden in het volgende boekjaar verwerkt. > De contracten en het productenboek zijn hetzelfde. Wel sturen aanbieders de gemeentecode mee, zodat de afrekening en monitor op gemeenteniveau kan worden gedaan. > Ook de monitor wordt centraal opgesteld. Individuele gemeenten kunnen inloggen en hun eigen data inzien op het laagste detailniveau. Van andere gemeenten kunnen zij geaggregeerde informatie inzien. Daarnaast kan er toegang worden gegeven aan andere partijen (met name regio’s die met hetzelfde systeem werken). Aanbieders krijgen ook inzicht in de data via regiotafels. > Er is 2 fte nodig voor het afhandelen van facturen, de verwachting is dat deze op termijn ook nog ruimte hebben om Wmo-facturatie op te pakken. Randvoorwaarden > Om nog efficiënter te kunnen werken, zou het helpend zijn als ook de kleine aanbieders zich zouden verenigen, bijv. in een administratiekantoor. De regio merkt dat zij de meeste tijd kwijt zijn aan kleine aanbieders. > Het heeft een tijd geduurd voordat de afrekening naar tevredenheid verliep.
Hiervoor heb je tijd en commitment nodig. Feiten en cijfers De regio Foodvalley bestaat uit 7 gemeenten; zij hebben aan 2 fte voldoende om de facturatie van de jeugdhulp uit te voeren.
Doorontwikkeling van het LTA Eindrapportage quickscan 24-5-2022
Managementsamenvatting
Managementsamenvatting | aanleiding en doel van deze quickscan en toekomstig(e) doel(en) van de LEF Aanleiding en doel van deze quickscan (p. 6 en verder)
Sinds 2015 koopt de VNG via het Landelijk Transitie Arrangement (LTA) bepaalde vormen van jeugdhulp landelijk in. Het doel hiervan is om goede, passende hulp aan de meest kwetsbare jongeren te bieden en de continuïteit van het zorglandschap te garanderen? In de kern is het LTA sinds die tijd onveranderd gebleven. De arbitragecommissie jeugdzorg duidde in haar rapportage op een doorontwikkeling van het LTA. Dit is aanleiding geweest voor het uitvoeren van een quickscan naar de mogelijkheden voor doorontwikkeling. In deze rapportage schetsen we de belangrijkste ontwerpkeuzes voor een toekomstbestendig LTA en geven daarover een advies. Soms adviseren we om een bepaalde keuze te maken. Niet alle keuzes kunnen echter gemaakt worden op basis van deze beknopte quickscan. Bovendien zijn sommige keuzes volgend op externe ontwikkelingen, zoals de Hervormingsagenda. Op een aantal onderwerpen adviseren we dan ook een nadere verkenning met alle betrokkenen. In verband met de doorontwikkeling spreken we in deze rapportage niet meer van het LTA, maar van landelijke essentiële functies (LEF).
2
Toekomstig(e) doel(en) van de LEF (p. 12 en verder)
Momenteel heeft de LEF één doel: het inkopen van bepaalde functies, omdat deze zowel zo specialistisch als cruciaal zijn dat zij niet duurzaam op een kleinere schaal georganiseerd kunnen worden. Voor dit doel is veel draagvlak. Daarnaast zijn twee mogelijke nieuwe doelen geopperd. De eerste is het tijdelijk inkopen van aanbod met een transformatieopgave in combinatie met regie op deze transformatie. Dit om de juiste condities te scheppen om deze vormen van aanbod te laten transformeren naar een toekomstbestendige vorm. Het tweede mogelijke nieuwe doel is om regie te voeren op de transformatie van aanbod dat op een kleinere schaal (bovenregionaal) ingekocht wordt. Beide doelen kunnen −onder bepaalde voorwaarden− van meerwaarde zijn in het landschap. Benodigd besluit (p. 15): het huidige doel van de LEF wordt uitgebreid met de twee mogelijke nieuwe doelen.
Managementsamenvatting
Managementsamenvatting | inhoud van de LEF en de verdeling van rollen voor het landelijk organiseren Inhoud van de LEF (p. 16 en verder)
Als het doel is vastgesteld, is de vervolgvraag welke vormen van aanbod (voor elk van de doelen) onder verantwoordelijkheid van de LEF moeten vallen. Er is een brede wens tot eenduidige ‘toetredingscriteria’ – kenmerken van het aanbod of de betreffende problematiek van jeugdigen die bepalen of het aanbod landelijk ingekocht moet worden. Zulke criteria moeten echter in nauwe samenspraak met andere betrokkenen tot stand komen. Benodigd besluit (p. 18): er worden eenduidige ‘toetredingscriteria’ voor de LEF gehanteerd. Er wordt een nadere verkenning met de vijfhoek uitgevoerd om tot deze toetredingscriteria te komen. Ook regio’s kopen –al dan niet gezamenlijk– specialistisch aanbod in. Moet het hen onmogelijk gemaakt worden om aanbod in te kopen, dat ook al landelijk ingekocht wordt? Het niet verbieden hiervan brengt beperkt risico’s voor het ondergraven van de LEF met zich mee. Het wel verbieden brengt echter wel risico’s voor het draagvlak van de LEF mee. Benodigd besluit (p. 18): regio’s worden niet beperkt in hun mogelijkheden om aanbod zelf te organiseren. De vervolgvraag is of de LEF gecentreerd moet zijn rondom aanbod, of 3
aanbieders. Met die laatste bedoelen we dat aanbieders waarvan aanbod in de LEF zit in hun geheel landelijk gecontracteerd worden. Benodigd besluit (p. 20): er wordt alleen aanbod ingekocht, tenzij het uitzonderingssituaties betreft. de LEF beschrijft nader welke omstandigheden hiervoor in aanmerking komen en hanteert dit vervolgens als leidraad.
Rolverdeling (p. 21 en verder)
Er zijn verschillende rollen waaraan invulling gegeven moet worden om jeugdhulp te organiseren: bepalen van een inkoopstrategie, inkopen van aanbod en vervolgens het financieren van hulp, het monitoren van ontwikkelingen, uitvoeren van contractmanagement en voeren van regie op bepaald aanbod. In de eerste plaats is de vraag wie daar invulling aan moet geven. In beginsel neemt de VNG deze rollen op zich voor het LEFaanbod. Tegelijk zijn er twee variaties daarop die voor sommige vormen van aanbod wenselijk kunnen zijn. Benodigd besluit (p. 26): er wordt een nadere verkenning uitgevoerd naar of het van meerwaarde kan zijn om het voor sommige vormen van LEF-aanbod mogelijk te maken om landelijk in te kopen, maar het contractmanagement (boven)regionaal uit te voeren.
Managementsamenvatting
Managementsamenvatting | invulling van de rollen voor het landelijk organiseren van jeugdhulp Voor sommige vormen van aanbod kan het van meerwaarde zijn om de aanbod via beschikbaarheidsfinanciering te financieren. In dit geval geschiedt financiering noodzakelijkerwijs landelijk, in plaats van door de individuele gemeenten. Benodigd besluit (p. 27): beschikbaarheidsfinanciering kan wenselijk zijn. Er moet een nadere verkenning met gemeenten en aanbieders uitgevoerd worden naar wat hiervoor nodig is en wanneer dit van meerwaarde kan zijn.
Invulling rollen (p. 28 en verder)
Naast de vraag wie invulling aan een rol geeft, is het de vraag hoe deze partij daar vervolgens invulling aan geeft. Er is momenteel beperkt sprake van een uitgebreide inkoopstrategie, terwijl het bestaan hiervan de LEF wel kan helpen om bewuste keuzes te maken over de werkzaamheden. Benodigd besluit (p. 29): de VNG stelt een stevigere strategie op voor de LEF, in samenspraak met gemeenten, maar ook aanbieders en professionals.
4
Voor het inkopen (de wijze waarop aanbieders geselecteerd worden en de juridische status van de relatie tussen LEF en aanbieder) bestaan verschillende andere mogelijkheden dan die momenteel gehanteerd wordt. Deze mogelijkheden kunnen in verschillende mate tegemoet komen aan de opgave die bestaat uit het duurzaam aanbieden van hoogspecialistische en cruciale functies van voldoende kwaliteit, met voldoende zekerheid van beschikbaarheid en in een voldoende mate van continuïteit. Benodigd besluit (p. 31): er wordt nader onderzoek gedaan om te bepalen wat in de context van de LEF de mogelijkheden en voordelen zijn van een andere constructie dan de huidige. Het aanbod wordt momenteel via productiefinanciering (pxq) gefinancierd. Er zijn echter ook andere vormen van financiering mogelijk, zoals beschikbaarheidsfinanciering. Centraal in het gesprek daarover is de prikkel die uit zou gaan van de verschillende financieringswijzen. Belangrijk daarin is de mate waarin gemeenten in staat zijn om inzet van LEF-aanbod te voorkomen. Benodigd besluit (p 33): er wordt een diepere analyse uitgevoerd naar de (on)mogelijkheden voor gemeenten om LEF-zorg te voorkomen, in het licht van de best passende financieringswijze.
Managementsamenvatting
Managementsamenvatting | vervolgproces
Voor dergelijk aanbod kunnen wachtlijsten onwenselijk zijn. Grillige instroom betekent in dat geval een bepaalde mate van leegstand die kosten met zich meebrengt voor aanbieders. Hier moet in dat geval in voorzien worden.
Benodigd besluit (p. 37): er wordt een nadere verkenning uitgevoerd naar de wensen en mogelijkheden op het gebied van de invulling van het voeren van regie op transformatie.
Benodigd besluit (p. 34): aanbieders moeten gecompenseerd worden voor het in stand houden van leegstaande bedden. Dit kan worden gedaan door een opslag in tarieven.
Vervolgstappen (p. 38 en verder)
Om te kunnen sturen op de uitvoering van het aanbod, zijn monitoring en contractmanagement belangrijke instrumenten. Daar wordt momenteel echter nog beperkt invulling aan gegeven. Benodigd besluit (p. 36): de functies van de VNG rondom monitoring en contractmanagement worden uitgebreid. Het veld wordt verzocht kwaliteitskaders (mee) op te stellen. Wanneer het voeren van regie op de transformatie onderdeel van het doel van de LEF wordt, moet hier vervolgens ook invulling aan gegeven worden.
5
Eigen aan een quickscan is dat niet overal definitieve keuzes over gemaakt kunnen worden. Op verschillende thema’s (zie de beslispunten hierboven) zijn aanvullende verkenningen met gemeenten, aanbieders en andere betrokkenen nodig.
Inhoudsopgave
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces 1. Doel(en) van het LTA 2. Inhoud
3. Rolverdeling 4. Invulling rollen Vervolgstappen
6
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces
Aanleiding | Uitspraak arbitragecommissie over de doorontwikkeling van het LTA De VNG koopt via het LTA op landelijke schaal jeugdhulp in. De VNG koopt sinds 2015 essentiële functies op landelijk niveau in en contracteert deze, via het zogenoemde Landelijk Transitie Arrangement (LTA). Het gaat hier om functies binnen de jeugdhulp die essentieel zijn omdat ze een mate van specialisatie vragen en waarvan per jaar zulke kleine aantallen jeugdigen gebruik maken, dat het niet praktisch of zelfs mogelijk is dat het aanbod op (boven)regionaal niveau ingekocht wordt. Bij de start in 2013 was het LTA een intentieverklaring tussen de VNG en aanbieders van wat toen als landelijke specialistische functies gezien werd. Doel was voornamelijk om gedurende 2015 continuiteit van zorg en zorginfrastructuur te bieden, maar ook om uitgangspunten voor de daaropvolgende jaren vast te leggen. De constructie die toen overeengekomen is, geldt op hoofdlijnen nog steeds. Ook maken veruit meeste vormen van aanbod die toen in het LTA zaten, daar nu nog steeds onderdeel van uit. Wel zijn er in de loop der jaren enkele vormen van aanbod aan toegevoegd.
7
Het LTA is mogelijk aan doorontwikkeling toe. Afgelopen jaar deed de arbitragecommissie jeugdzorg (‘commissie van wijzen’) een uitspraak naar aanleiding van het onderzoek naar de financiële tekorten van tekorten op het gebied van de jeugdhulp. Eén van de adviezen van de arbitragecommissie was om het LTA mogelijk uit te breiden (“.. geeft de VNG in overweging om de budgetten van de hooggespecialiseerde jeugdzorg opwaarts te herijken, zo nodig uit te breiden met ander aanbod”) en door te ontwikkelen, op het gebied van de zorgfuncties zelf en de toegang ernaartoe (p. 25/26). Het moment van deze quickscan In de kern is het LTA sinds 2015 niet veranderd. Het bredere jeugdhulplandschap heeft sindsdien echter de nodige ontwikkelingen doorgemaakt. Het advies van de arbitragecommissie en de hervormingsagenda vormen een goede aanleiding om het ontwerp en de invulling van het LTA breder tegen het licht te houden dan alleen op bovenstaande. Voor de VNG is het belangrijk om snel te kunnen schakelen n.a.v. de uitkomsten hiervan.
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces
Opdracht & beoogd resultaat | quickscan doorontwikkeling De VNG laat een quickscan uitvoeren naar de mogelijkheden Naar aanleiding van dit advies heeft de VNG Andersson Elffers Felix (AEF) gevraagd om een quickscan uit te voeren naar de mogelijkheden voor de doorontwikkeling van het LTA en wat daarin de meest wenselijke opties zijn. Deze rapportage is het resultaat van deze quickscan. Beoogd resultaat is een beeld van de (on)mogelijkheden Het doel van deze opdracht is het verkennen van de mogelijkheden van de doorontwikkeling van het LTA en om daar richting in te kiezen. Deze rapportage beoogt een helder overzicht te geven van alle keuzes die daarvoor gemaakt moeten worden (in hun onderlinge samenhangen) en de belangrijkste gevolgen en aandachtspunten van deze keuzes. De inventarisatie is op basis van interviews en werksessies We hebben ervaringen en inbreng opgehaald bij betrokkenen vanuit gemeenten en het ministerie van VWS: welke knelpunten ervaren zij op het gebied van het LTA, in het bijzonder op de thema’s inhoud, transformatie, kwaliteit en financiering en wat zijn hier mogelijke oplossingen voor? In het bijzonder hebben we met betrokkenen vanuit
8
de hervormingsagenda gesproken om een goed beeld te krijgen van de (mogelijke) uitkomsten hiervan en hoe dit van invloed zijn op de mogelijke doorontwikkeling van het LTA. Gedurende het proces is op drie momenten met een begeleidingsgroep van gedachten gewisseld: éénmaal over de aanpak, éénmaal reflecterend over de bevindingen uit de gesprekken en éénmaal over de conceptversie van deze rapportage. Deze begeleidingsgroep bestond uit ingewijden vanuit gemeenten. Ook is de conceptrapportage met enkele afgevaardigden van de NDSD besproken.
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces
Volgordelijkheid van de afwegingen
In de vormgeving van het toekomstige LTA zijn op een aantal verschillende onderdelen keuzes nodig. De volgorde waarin zij gemaakt worden, is van belang. We werken hierin met het principe ‘van grof naar fijn’: hoe fundamenteler de keuze hoe meer voorliggend deze moet zijn. Hiermee komen we op de volgende indeling. N.B. Gedurende het uitvoeren van de quickscan is door de begeleidingsgroep geconstateerd dat de term ‘LTA’ de lading niet meer dekt –met name de ‘T’ daarin– en bovendien bepaalde connotaties met zich meebrengt. Als werktitel voor een nieuwe naam werd LEF gesuggereerd: Landelijke Essentiële Functies. We hebben deze term gehanteerd in de rapportage, waarbij de uiteindelijke naam natuurlijk nog open staat.
9
1.
Doelen. Waartoe is de LEF op aard: welke functie heeft het in het jeugdhulplandschap?
2.
Inhoud. Hoe / op basis waarvan kan of moet bepaald worden welk aanbod / welke functies onderdeel uitmaken van de LEF?
3.
Rolverdeling. Welke rollen moeten worden ingevuld (ten aanzien van dit aanbod) en welke daarvan doet de LEF en welke doen anderen?
4.
Invulling rollen. Welke invulling moet de VNG geven aan de rollen die zij op zich neemt?
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces
Uitwerking van de afwegingen
In wat volgt, werken we de verschillende onderdelen nader uit, waarbij we expliciet aangeven: ▹ wat de huidige situatie is (indien relevant); ▹ waarover keuzes gemaakt moeten worden en wat daarin de opties zijn; ▹ wat de belangrijkste overwegingen bij deze keuzes zijn. Daarbij merken we op dat niet alle keuzes al op basis van alleen deze quickscan gemaakt kunnen worden. Dat is om twee redenen: 1. Veel keuzes zijn volgend aan verschillende ontwikkelingen. Er speelt momenteel een aantal ontwikkelingen die van invloed zijn op de LEF. De meest prominente is de hervormingsagenda. De doorontwikkeling van de LEF is daar nadrukkelijk volgend aan. Het is niet mogelijk keuzes te maken voordat de uitkomst van deze ontwikkelingen bekend is. Een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen is opgenomen op de volgende pagina.
10
2. Een aantal keuzes vraagt een aanvullend proces. De bedoeling van deze quickscan is dat de VNG op basis van de uitkomsten ervan sneller kan schakelen naar aanleiding van de uitkomsten van de hervormingsagenda. Zo kan een eventuele centrale inkoop en contractering zorgvuldig opgezet worden. Een aantal onderdelen vraagt echter nadrukkelijk nog een nadere (en veelal: bredere) verkenning om keuzes te kunnen maken. Dat kan bijvoorbeeld met gemeenten zijn, of juist met andere veldpartijen (aanbieders, professionals en/of cliënten). Waar daar sprake van is, formuleren we de te maken keuze en geven we een advies daarover. Daarna nemen het bijbehorende te nemen besluit op in een vorm waar positief of negatief op geantwoord kan worden. Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat een effectief LEF geen kwestie is van een goede keus op één van deze onderdelen. Veeleer is het een kwestie van samenhangende en consistente keuzes op de combinatie van verschillende keuzes. Waar er sprake van is, geven we de verhouding met andere keuzes aan.
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces
Externe ontwikkelingen | invloed op LEF
Op de vorige pagina gaven we aan dat er verschillende externe ontwikkelingen zijn die van invloed zijn op het doel, de inhoud en werkwijze van de LEF. We noemen hier de belangrijkste:
De vraag is of alle vormen in hun geheel af te bouwen zijn. Wat mogelijk nog overblijft, is van een kleinere omvang. Dit kan het noodzakelijk maken dat dit onderdeel uit gaat maken van de LEF.
▹ Algemeen. In algemene zin kunnen uitkomsten van de hervormingsagenda leiden tot een ander doel, positionering of invulling van de LEF.
▹ Meer in het bijzonder is er al een traject gaande dat zich richt op de vastgoedtransitie (o.a. nieuwbouw, ombouw, afstoten) van JeugdzorgPlus en de drie-milieusvoorzieningen. Lessen uit deze trajecten kunnen ook aanleiding geven tot andere keuzes in de LEF.
▹ Regio-indeling. Onderdeel van de hervormingsagenda is een gesprek over de regio-indeling: hoe groot moeten regio’s zijn en langs welke lijnen? Mocht de regio-indeling voor jeugdhulp veranderen, dan zal dit doorgaans leiden tot grotere regio’s, waarin meer kinderen wonen. Mogelijk is er daardoor minder aanleiding om bepaald aanbod onderdeel te maken van de LEF. ▹ Aantal niveaus. Onderwerp van gesprek in de hervormingsagenda is ook de positie van bovenregionale inkoop. Ook de uitkomst hiervan kan van invloed zijn op de LEF: wat (overal) bovenregionaal ingekocht wordt, hoeft niet ook nog eens landelijk ingekocht te worden. ▹ Afbouw van gesloten jeugdhulp. In de landelijke politiek is er momenteel een stevige roep op het afbouwen van gesloten jeugdhulp. 11
▹ Ontwikkelingen in de regio’s. Afhankelijk van hoe je de LEF positioneert, kunnen ontwikkelingen in de regio’s of tussen regio’s van invloed zijn op wat nog in de LEF nodig is en hoe je dit doet. Het eenvoudigste voorbeeld hiervan is dat hoe meer regio’s zelf inkopen of beter worden in het vinden van alternatieven voor LEF-aanbod, hoe minder er vanuit de LEF nodig is.
Inhoudsopgave
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces 1. Doel(en) van het LTA 2. Inhoud
3. Rolverdeling 4. Invulling rollen Vervolgstappen
12
1. Doel(en) van het LTA
Doelen | waarom bepaald aanbod landelijk organiseren? Eén van de centrale gedachtes achter de decentralisatie van de jeugdhulp in 2015 is het nabij brengen van hulp en het kunnen verbinden met andere leefdomeinen. Om daar zo goed mogelijk invulling aan te geven, is maatwerk nodig. Dat vraagt om een lokale uitvoering. Niet voor niets kent de Jeugdwet verantwoordelijkheden toe aan gemeenten. Het blijkt echter in de praktijk niet mogelijk om alles op gemeentelijke schaal te organiseren. Bovendien betekent lokale uitvoering niet automatisch ook lokale inkoop. Gemeenten werken dan ook op (boven)regionale schaal met elkaar samen om (specialistisch) aanbod te organiseren. In sommige gevallen blijken bepaalde problematieken slechts bij zo weinig jeugdigen voor te komen, dat ook de regionale schaal tekortschiet om het aanbod goed te organiseren. Daarom wordt gebruik gemaakt van samenwerking op bovenregionaal niveau en op het niveau van landsdelen.* Wanneer ook dit niet mogelijk is, kijken we naar het landelijke niveau.
13
*Dit betekent overigens niet automatisch dat het aanbod ook op deze niveaus georganiseerd / ingekocht wordt: met onderling leren, onderlinge afstemming, of slim gebruikmaken van elkaars aanbod kan ook al veel bereikt worden.
1. Doel(en) van het LTA
Doelen | wat is het beoogde doel van de LEF in het jeugdhulplandschap (1/2)? Bijna alle gesprekspartners zien een rol weggelegd voor het landelijke niveau als het gaat om het organiseren van essentiële functies in het jeugdhulplandschap. Er zijn drie mogelijke doelen die de LEF daarin kan vervullen. Al deze doelen staan in het teken van een overkoepelend doel: het bieden van goede, passende hulp aan de meest kwetsbare jongeren en het borgen van de continuïteit van het zorglandschap. 1. Inkopen van ‘essentiële functies’ (huidig doel). In aanbod voorzien dat niet (goed) op een kleinere schaal georganiseerd kan worden, maar wel een cruciale functie in het zorglandschap vervult. Er is bijvoorbeeld sprake van te kleine schaal als het aantal jongeren of handelingen op die schaal zo klein is dat de inkoop te versplinterd is voor een duurzame bedrijfsvoering*. Dit doel komt overeen met het huidige doel van de LEF. Er wordt breed erkend dat landelijk organiseren van aanbod in sommige gevallen nodig is. Daarbij geldt het voor alle betrokkenen echter dat het alleen als sluitstuk kan dienen: wanneer dit aanbod op ‘lagere’ niveaus niet levensvatbaar is. Het risico van landelijke ingekocht aanbod is namelijk dat dit ten kosten gaat van de verbinding van cliënt met regio en de effectiviteit van hulp als gevolg daarvan.
Beperkte sturingsmogelijkheden door gemeenten en regio’s dragen hier ook aan bij. 14
*Een argumentatie waarin een bepaalde functie landelijk georganiseerd moet worden, omdat het benodigde specialisme dusdanig zeldzaam is, is een variant hierop, maar geredeneerd vanuit het aanbod, in plaats van de vraag.
2. Inkopen van aanbod met een transformatieopgave in combinatie met regie op deze transformatie (nieuw doel). In aanbod voorzien dat rust/zekerheid moet hebben om naar een meer toekomstbestendige vorm te transformeren, dus waar expliciet een transformatiedoelstelling op zit. Het lijkt op de bovenstaande rol, maar onderscheidt zich in het type aanbod: niet alleen de vraag ernaar staat centraal, maar ook het toekomstperspectief ervan. Te veel opdrachtgevers / versnippering in het aanbod kan immers een belemmerende factor spelen in het transformeren van aanbod naar een meer toekomstbestendige vorm. Dit doel is inhoudelijk begrijpelijk: alleen onder bepaalde voorwaarden komt een beoogde transformatie tot stand. Regie voeren en het tijdelijk landelijk inkopen, kunnen zulke voorwaarden. Het doel kent ook één groot aandachtspunt. Wanneer de huidige vorm landelijk ingekocht wordt, maar de toekomstige vorm (boven)regionaal, zijn op- en afbouw niet in dezelfde hand georganiseerd. Dat betekent dat de inkoper van het landelijke deel afhankelijk is van de opbouw van de nieuwe vorm op (boven)regionaal niveau en dus met verschillende regio's moet coördineren om de verschillende onderdelen van de transformatie op elkaar aan te laten sluiten.
1. Doel(en) van het LTA
Doelen | wat is het beoogde doel van de LEF in het jeugdhulplandschap (2/2)? 3. Coördinatie of regie voeren op de transformatie van aanbod dat niet landelijk ingekocht wordt (nieuw doel). de LEF kan een rol op zich nemen voor bepaald specialistisch aanbod dat getransformeerd wordt (afbouw i.c.m. opbouw elders of in een andere vorm), regie nemen op dat deze transformatie tot stand komt. In tegenstelling tot bij het tweede doel, betreft dit niet aanbod dat door de LEF zelf georganiseerd wordt; het betreft dus niet het inkopen van aanbod.
de VNG uitgevoerd zou moeten worden, in het bijzonder onderdeel uit zou moeten maken van de LEF. Het vertoont wat ons betreft voldoende samenhang met de overige functie, omdat het eveneens specialistische cruciale en / of specialistische functies in het jeugddomein betreft en dit op een landelijke schaal plaats moet vinden.
In complexe transformatieopgaven kan het nodig zijn dat een bepaalde partij de regie heeft. Er komt ook steeds meer draagvlak voor dat meer regie in sommige gevallen nodig is. Hierbij helpt het dat de partij die de regie heeft op één ‘hoger’ schaalniveau opereert. In bovenregionale transformatieopgaven zouden dit het ministerie van VWS en de VNG kunnen zijn. VWS is weliswaar stelselverantwoordelijke, maar wat dit inhoudt, wordt verschillend geïnterpreteerd. Het is dus de vraag of VWS van mening zou zijn dat een dergelijke regierol bij hen zou passen. De vraag is daarnaast of dit onderdeel van de LEF moet zijn. Voorwaarde om het te doen, zou tenminste zijn, dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is, dus dat betrokkenen aangeven dat regie vanuit de VNG/LEF gewenst is.
Te maken keuze: wat de doelen van de LEF worden (het huidige doel, en/of twee mogelijke nieuwe doelen).
Dit derde doel is van een andere aard dan de twee eerdergenoemde doelen (inkoop). Er moet dus een bewuste afweging worden gemaakt of dit ook door 15
N.B. Bovenstaande doelen sluiten elkaar niet uit, en zijn (deels) ook met elkaar te combineren.
Advies: ▹ het huidige doel handhaven (doel 1, bestaand); ▹ slechts aanbod inkopen vanwege de transformatieopgave, wanneer de uiteindelijke vorm ervan ook landelijk ingekocht moet worden (doel 2, nieuw); ▹ desgewenst ook een regierol nemen op transformatie van aanbod dat niet landelijk ingekocht wordt (doel 3, nieuw). Benodigd besluit: het huidige doel van de LEF wordt uitgebreid met de twee mogelijke nieuwe doelen.
Inhoudsopgave
Aanleiding, opdracht, beoogd resultaat en proces 1. Doel(en) van het LTA 2. Inhoud
3. Rolverdeling 4. Invulling rollen Vervolgstappen
16
2. Inhoud