Db07.1 bijlage ontwerpbestemmingsplan Savio-terrein.pdf
Tekst van het document
SAVIO-TERREIN, HILLEGOM bestemmingsplan
1/2
2/2
DATUM KENMERK
23-06-2022 NL.IMRO.0534.bpsavioterrein-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
Savio-terrein, Hillegom ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Woningbouwcorporatie Stek 44001851.20190629
AUTEUR STATUS
S. den Breejen MSc ontwerp
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
7
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Gebiedsvisie
9
2.1
Plangebied
9
2.2
Ontwikkeling
9
Hoofdstuk 3
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
20
3.3
Gemeentelijk beleid
23
Hoofdstuk 4
Milieuonderzoek
25
4.1
Verkeer en parkeren
25
4.2
Wegverkeerslawaai
26
4.3
Bedrijven en milieuzonering
29
4.4
Externe veiligheid
30
4.5
Luchtkwaliteit
31
4.6
Bodem
32
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
33
4.8
Water
35
4.9
Ecologie
39
4.10
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
42
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
43
5.1
Planvorm
43
5.2
Uitleg van de planregels
43
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45
6.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
45
6.2
Inspraak
45
6.3
Zienswijzen
45
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
47
Rho adviseurs voor leefruimte
4
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Stedenbouwkundige richtlijnen
Bijlage 2
Stedenbouwkundig en Beeldkwaliteitsplan
Bijlage 3
Bezonningsstudie
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
Bijlage 5
Akoestisch rapport bestaande woningen
Bijlage 6
Ontwerp‐besluit hogere waarden
Bijlage 7
Verkennend bodemonderzoek Olympiaweg 27 Hillegom
Bijlage 8
Memo stikstofonderzoek
Bijlage 9
Berekening stikstof gebruiksfase
Bijlage 10
Toetsresultaat watertoets
Bijlage 11
Samenvatting watertoets
Bijlage 12
Quick scan ecologie Olympiaweg 27 Hillegom
Bijlage 13
Vleermuisonderzoek Olympiaweg 27 Hillegom
Bijlage 14
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Bijlage 15
Inspraakreactienota
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
83
Artikel 1
Begripsbepalingen
83
Artikel 2
Wijze van meten
86
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
87
Artikel 3
Groen
87
Artikel 4
Wonen
88
Hoofdstuk 3
Algemene regels
91
Artikel 5
Anti‐dubbeltelregel
91
Artikel 6
Algemene bouwregels
92
Artikel 7
Algemene afwijkingsregels
93
Artikel 8
Overige regels
94
Hoofdstuk 4
Overgangs‐ en slotregels
95
Artikel 9
Overgangsrecht
95
Artikel 10
Slotregel
96
Rho adviseurs voor leefruimte
TOELICHTING
6
Figuur 1.1 Ligging plangebied
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Woningcorporatie Stek heeft het voornemen om op het Savio‐terrein aan de Olympiaweg 27 in Hillegom woningbouw te realiseren. Op dit terrein, het plangebied van dit bestemmingsplan, heeft het voormalige schoolgebouw van de Savioschool gestaan. Het voornemen is om op het terrein woningbouw te realiseren ten behoeve van woningbouw. In een overeenkomst tussen de gemeente en Woningcorporatie Stek is overeengekomen dat er 35 tot maximaal 40 zelfstandige seniorenappartementen gerealiseerd worden. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de bestaande juridisch‐planologische kaders van het vigerende bestemmingsplan 'Elsbroek'. Binnen dat plan kent het plangebied de bestemming 'Maatschappelijk'. Ter plaatse van het plangebied geldt daarnaast ook het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren'. Om de beoogde ontwikkeling op het plangebied mogelijk te maken is er voor gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Een nieuw bestemmingsplan dient te worden voorzien van een toelichting waarin wordt beschreven dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit document bevat deze toelichting.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft het Savio‐terrein aan de Olympiaweg 27 in de wijk Elsbroek te Hillegom. Het plangebied wordt omringd door een watergang aan de noordzijde, de Sportlaan aan de oostzijde, de Olympiaweg aan de zuidzijde en woningbouw aan de westzijde. In onderstaande figuur wordt het plangebied weergegeven. Het bouwplan is nog niet definitief en wordt nader uitgewerkt als het bestemmingsplan in werking is getreden.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Elsbroek' dat op 15 november 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad van Hillegom. Het plangebied heeft een enkelbestemming 'Maatschappelijk' met een functieaanduiding 'onderwijs'. Binnen deze bestemming in combinatie met de functieaanduiding is woningbouw niet mogelijk. Om de ontwikkeling van 40 woningen mogelijk te maken is daarom dit nieuwe bestemmingsplan opgesteld. Ter plaatse van het plangebied geldt ook het Parapluplan Parkeren, waarin regels staan met betrekking tot het parkeerbeleid van de gemeente Hillegom.
Rho adviseurs voor leefruimte
8
Figuur 1.2 Ligging plangebied binnen het bestemmingsplan 'Elsbroek'
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding zijn samen het juridisch bindende gedeelte van het plan, waarin de gebruiks‐ en bouwmogelijkheden voor de gronden in het plangebied zijn vastgelegd. De inhoud van de regels correspondeert daarbij met de bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding zijn opgenomen. De toelichting vormt het verklarende en onderbouwende gedeelte bij het bestemmingsplan. Hierin komen de volgende onderdelen aan bod: Hoofdstuk 2 gaat in op het plangebied en de beoogde woningbouwontwikkeling; Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader voor dit bestemmingsplan en toetst of de beoogde ontwikkeling daaraan voldoet; Hoofdstuk 4 gaat in op de uiteenlopende milieuonderzoeken met betrekking tot de beoogde ontwikkeling; Hoofdstuk 5 omvat de juridische planbeschrijving, waarin is vastgelegd hoe de regels zijn opgebouwd; Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Meer specifiek is hier aandacht voor ontvangen inspraak‐ en overlegreacties en zienswijzen; Hoofdstuk 7 biedt tot slot een toelichting op de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
9
Hoofdstuk 2
2.1
Gebiedsvisie
Plangebied
Het plangebied, het Savio‐terrein, bevindt zich in het Olympiakwartier in de wijk Elsbroek in Hillegom. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een watergang, hierachter bevindt zich de buurt Brouwerlaankwartier. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Sportlaan, waarachter zich eveneens de buurt Brouwerlaankwartier bevindt. De zuidzijde is begrensd door de ontsluitingsweg Olympialaan, hierachter bevindt zich woningbouw in de buurt Olympiakwartier. Aan de westzijde grenst het plangebied eveneens aan woningbouw uit het Olympiakwartier. Het plangebied zelf bestaat uit het terrein van de voormalige Savioschool die inmiddels gesloopt is.
2.2
Ontwikkeling
Voor de ontwikkeling van het Savio‐terrein zijn tussen Woningcorporatie Stek en de gemeente Hillegom stedenbouwkundige richtlijnen bepaald in aanloop naar dit bestemmingsplan. Deze richtlijnen zijn opgenomen in Bijlage 1 en geven de kaders waar het uiteindelijke bouwplan van Woningcorporatie Stek aan moet voldoen. Aangezien er op het moment dat dit bestemmingsplan is opgesteld nog geen definitief uitgewerkt bouwplan is, zijn diezelfde stedenbouwkundige richtlijnen ook als basis gehanteerd voor de ruimte die met dit bestemmingsplan geboden wordt. De voornaamste richtlijnen zijn dat het gaat om een gebouw van 4 bouwlagen waarin maximaal 40 appartementen gerealiseerd mogen worden. Bovenop deze 4 bouwlagen is een hellend dak toegestaan, met de hoogste zijde aan de achterkant gesitueerd. De hoogte hiervan is dusdanig dat er geen volwaardige vijfde bouwlaag kan ontstaan. Er mogen zich hier ook geen verblijfsruimten van de woningen bevinden. Het dak is geschikt voor de plaatsing van zonnepanelen en eronder kunnen bijvoorbeeld technische voorzieningen gesitueerd worden. Daarnaast geldt dat aan de noordzijde van het terrein over de gehele breedte een strook van 12 m als groen wordt ingericht langs de watergang en dus ook onbebouwd blijft. Deze strook grond maakt overigens ook geen deel uit van de gronden van Woningcorporatie Stek.
In het 'Afsprakenkader grondruil' van 11 april 2018 tussen Woningcorporatie Stek en de gemeente, is afgesproken dat dit gedeelte gemeente grond blijft en dat ook het inrichting als groenstrook door de gemeente uitgevoerd wordt. In de stedenbouwkundige richtlijnen waren nog twee mogelijke entrees voor het terrein aangegeven, één aan de Olympiaweg en één aan de Sportlaan. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van hoe het bouwplan er uit kan komen te zien, passend binnen de beschreven richtlijnen.
Rho adviseurs voor leefruimte
10
Figuur 2.1 Impressie nieuwbouw Savio‐terrein De globale inrichting van het terrein die in figuur 2.1 naar voren komt, is de uitkomst van het Stedenbouwkundig Plan, dat samen met het Beeldkwaliteitplan is opgenomen in Bijlage 2. Daarin is op basis van de stedenbouwkundige richtlijnen, de benodigde ruimte voor een woongebouw met (maximaal) 40 appartementen en de bijbehorende parkeerplaatsen, en de uitkomsten van diverse sectorale onderzoeken (met name geluid) in beeld gebracht hoe de hoofdindeling van het terrein eruit gaat zien en waar het woongebouw gesitueerd wordt. Af te lezen is dat het gebouw op gepaste afstand van de Olympiaweg wordt gesitueerd. Met deze positionering blijft er aan de achterzijde voldoende ruimte voor een groenstrook van 12 m, ligt het gebouw min of meer in lijn met de bebouwing aan de Eboralaan en zorgt de afstand tot de Olympiaweg voor een afname van het geluid op de woningen en biedt dit bovendien ruimte om aan deze zijde groen te realiseren. De parkeerplaatsen liggen met deze indeling grotendeels tussen het woongebouw en de Olympiaweg in. Op basis van deze analyse met bovenstaande indeling als meest optimale variant, is de verbeelding van dit bestemmingsplan zodanig vormgegeven dat het bouwvlak van het gebouw ook op de betreffende plek op het terrein is vastgelegd.
De positie van het woongebouw ligt daarmee vast, waarbij opgemerkt moet worden dat het bouwvlak nog enige marge laat rondom het gebouw. Dit hangt samen met het feit dat er nog geen definitief ontwerp is en het bouwvlak daarom niet teveel moet knellen om tot de gewenste architectonische uitwerking te kunnen komen. De opzet van de verbeelding is weergegeven in figuur 2.2. Daarin is de groenstrook, het bouwvlak voor het woongebouw, de maximum goot‐ en bouwhoogte en het maximum aantal woningen van 40 af te lezen.
Rho adviseurs voor leefruimte
11
Figuur 2.2
Opzet verbeelding bestemmingsplan
Op basis van deze ruimtelijke mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, is ook een analyse uitgevoerd van de schaduwwerking die hiermee gemoeid is. Daarbij is uitgegaan van de maximale invulling van het bestemmingsplan, dus met het bouwvlak volledig bebouwd en met benutting van de volledige 12 m aan bouwhoogte, oplopend tot 14 m aan de achterzijde als gevolg van het schuine dak. Deze bezonningsstudie is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting en is conform richtlijnen uitgevoerd voor een aantal maatgevende dagen in het jaar en voor meerdere tijdstippen op die betreffende dagen. Rekening houdend met de draairichting van de zon (van oost naar west), draaien de schaduwen gedurende de dag van het westen, via het noorden, richting het oosten. In deze richtingen is de eerste lijn van omliggende bebouwing in het model meegenomen om te bezien of en welke mate van schaduwwerking ondervonden wordt. Figuur 2.3 toont het model waarvoor de schaduwwerking met deze studie in beeld is gebracht.
Rho adviseurs voor leefruimte
12
Figuur 2.3:
Model bezonningsstudie Savio‐terrein
In de zomer, waarbij de minste schaduwwerking optreedt als gevolg van de hoogstaande zon, is enkel in de eerste uren van de ochtend sprake van schaduwwerking op het flatgebouw aan de Eboralaan. In het voor‐ en najaar komt daar voor een aantal woningen aan het Brouwer plein en aan de Sportlaan (even zijde) schaduwwerking bij tegen het eind van de middag / begin avond. In de winter, als de schaduwen het langst zijn, valt deze in de ochtend over het gebouw aan de Eboralaan en gedurende de middag draait deze over de tuinen en gevels van de woningen aan het Brouwerplein. Hoewel er voor schaduwwerking geen harde, wettelijke eisen zijn, blijkt wel dat bij uiteenlopende methodes de periode met de kortste dagen buiten beeld wordt gelaten. Wanneer in dit geval wordt gekeken naar de schaduwwerking in maart, juni en september, blijkt dat zeer beperkt sprake is van schaduwwerking op omliggende woningen en alle woningen in de directe omgeving over voldoende bezonning blijven beschikken.
Rho adviseurs voor leefruimte
13
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem‐verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
14
Zorgdragend voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk‐economisch vestigingsklimaat.
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Het realiseren van woningen op een binnenstedelijke locatie is in lijn met de NOVI. 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Ieder bestemmingsplan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Deze onderbouwing is daarop afgestemd en gaat in op de behoefte. Wel of geen stedelijke ontwikkeling? De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vertrekpunt om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is het geldende bestemmingsplan. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De huidige bestemming is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan maakt geen woningen mogelijk en het nieuwe plan gaat uit van 40 woningen (zelfstandige appartementen met de doelgroep senioren). Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. De locatie heeft al een stedelijke functie en is volledig omsloten door andere stedelijke functies en infrastructuur. Relevante regio Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken.
De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat Hillegom binnen de regio Holland Rijnland. Daarom is hierna de woningbehoefte beschreven. Beschrijving behoefte De woningbehoefte in de gemeente Hillegom blijkt uit diverse beleidsstukken en onderzoeken die hierna worden behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
15
Woonprogramma 2020‐2024 Het 'Woonprogramma 2020‐2024: naar een duurzaam evenwicht' is een uitwerking van de omgevingsvisie 'Heerlijk Hillegom'. In dit woonprogramma wordt de visie, ambities en keuzes op het gebied van wonen voor de komende jaren uiteengezet. Met het woonprogramma wil Hillegom inzetten op een duurzaam evenwicht. Hiervoor zijn een aantal ambities opgesteld. Deze kunnen als volgt worden samengevat: 1.
2. 3.
Een evenwichtige bevolkingsopbouw; a. Voldoende en divers woningbouwaanbod; b. Inzet voor woningzoekenden in de knel; Een toekomstbestendig woonaanbod in de wijken; Passend woonaanbod bij iedere levensfase.
Behoefte seniorenwoningen De afgelopen jaren heeft Hillegom gewerkt aan de ontwikkeling van woonzorgzones rondom woonzorgcentra Bloemswaard en Parkwijk. Door deze woonzorgzones rond verzorgingstehuizen kunnen de mensen die een intensieve zorgvraag hebben langer zelfstandig thuis wonen. De gemeente werkt samen met Woningcorporatie Stek Woningcorporatie Stek en andere zorgpartijen om dit te bereiken. De groei van het aantal 65‐plus huishoudens neemt toe met circa 2.400 huishoudens tot 2040. Dan is zo'n 46% van de huishoudens in Hillegom 65 jaar of ouder. In Hillegom is met name behoefte aan nieuwe geclusterde woonvormen zoals het hofjeswonen of appartementen met gezamenlijke (buiten)ruimte. Op deze manier kan zorg of begeleiding aan huis efficiënt worden geleverd. De gemeente Hillegom heeft een aantal punten geformuleerd waarbij zij zelf een bijdrage gaan leveren: Bij nieuwbouw op locaties in de woonzorgzones en nabij voorzieningen (ontmoeting, zorg, welzijn, winkels, ov) stellen we eisen aan de toegankelijkheid van woningen conform Woonkeur‐label. Op andere locaties is dit een wens; We faciliteren particulieren of maatschappelijke partners bij de ontwikkeling van woon‐zorginitiatieven binnen onze mogelijkheden en passend binnen de grote bouw‐ en verdichtingsopgave.
Deze initiatieven moeten kunnen rekenen op lokaal draagvlak, passend bij de wijkopbouw en een gezonde meerjarige exploitatie kunnen aantonen; We willen dat de regionale contingent regeling wordt gecontinueerd; We bieden mensen die hun woning willen aanpassen financiële ondersteuning met de blijvers‐ en verzilverlening. Afwegingskader Voor de woningbouwontwikkeling heeft de gemeente een afwegingskader opgenomen. Onderstaande tabel geeft de criteria aan van woningbouwprogramma's.
Rho adviseurs voor leefruimte
16
De gemeente vraagt initiatiefnemers rekening te houden met de volgende kaders: Initiatiefnemers zijn bereid om samen te werken met andere woonzorginitiatieven, gericht op voldoende (economisch) draagvlak en professionele zorg voor een brede doelgroep. Er is sprake is van een gegarandeerde exploitatie voor minimaal 15 jaar, blijkend uit aantoonbaar (risicodragende) investeringsmogelijkheden voor het betreffende initiatief. Het initiatief is gericht op de lokale behoefte (nader te onderbouwen door het nog uit te voeren woonzorgonderzoek), of wel een regionale functie heeft maar hiervoor afstemming is geweest met andere regiogemeenten. De beoogde locatie ligt bij voorkeur op korte afstand van de woonzorgzone of winkelvoorzieningen voor dagelijkse boodschappen en ontmoetingsfuncties. Zo moet het voor deze mensen mogelijk zijn om in de eigen omgeving te wonen, binnen het eigen sociale netwerk. Toetsing Een deel van de mensen met een zorgvraag zoekt een veilige en beschutte woonomgeving met ruimte voor ontmoeting of zorg. Daarbij denkt de gemeente aan nieuwe geclusterde woonvormen zoals het hofjeswonen of appartementen met gezamenlijke (buiten)ruimte. Zorg aan huis kan hier efficiënt worden geleverd. Met dit plan worden 40 sociale huurwoningen voor senioren gerealiseerd op een locatie in een woonzorgzone (zie hierna) en nabij het centrum.
Rho adviseurs voor leefruimte
17
Specifieke behoefte seniorenwoningen In Hillegom wonen relatief veel ouderen. Het aandeel oudere huishoudens neemt de komende jaren aanzienlijk toe: De groep van 55 tot 75 jaar bestaat nu uit 4.907 personen. Dit aantal groeit naar circa 5.700 personen in 2025 (+16%). Het aantal 75‐plussers is nu 1.673 personen. Dit aantal groeit naar ruim 2.500 personen in 2025 (+50%). Door de vergrijzing enerzijds en het meer zelfstandig wonen van mensen met een zorgvraag anderzijds ‐ doordat indicaties voor verblijf in een zorginstelling zijn aangescherpt ‐ groeit de behoefte aan specifieke woonzorgvormen buiten de instellingen. Dit geldt zowel voor de verstandelijk gehandicapten (VG‐), GGZ‐ als ouderenzorg. Kijken we naar het aantal ouderen dat in een zelfstandige woonsituatie zorg nodig heeft, dan zien we dat dit in 2022 toegenomen is van 190 naar 330. Ook vanuit VG en GGZ is er een groeiende behoefte aan zelfstandige woonruimte. Deze ontwikkeling vraagt om levensloopgeschikte woningen, domotica en voldoende voorzieningen en diensten die in de nabije omgeving aangeboden worden. De openbare ruimte moet geschikt zijn voor minder mobiele senioren. Tegelijkertijd zal vanwege bezuinigingen in de Wmo een groter beroep gedaan worden op mantelzorg. In Hillegom zijn twee werkgroepen actief op het gebied van Wonen, Welzijn en Zorg.
De eerste werkgroep heeft afspraken gemaakt over de mogelijkheden binnen Hillegom. Hierin zitten Woningcorporatie Stek , Hozo, Marente, Bollenstroom en de gemeente. In 2012 is een intentieverklaring getekend waarin afgesproken wordt te werken aan een vrijwilligersvacaturebank, het opzetten van een sociaal team en het toegankelijk maken van woningen via eenvoudige woningaanpassingen. Woningcorporatie Stek brengt – in afstemming met de werkgroep ‐ bij onderhoud en renovatie, waar mogelijk aanpassingen aan die de toegankelijkheid en bruikbaarheid voor de minder mobiele huurder vergroten. Twee van de drie acties zijn in 2015 afgerond. Eind 2015 wordt de werkgroep geëvalueerd en besloten over de voortgang. In de tweede werkgroep zijn afspraken gemaakt tussen de gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen en Holland Rijnland. Zij hebben een Actieplan Wonen, Zorg en Welzijn opgesteld dat is vastgesteld in het bestuurlijk overleg van deze groep. De uitvoering hiervan gaat de komende jaren plaatsvinden. In Hillegom worden twee gebieden ontwikkeld die geschikt zijn voor senioren of mensen met een zorgvraag: een woonzorgzone en een dienstengebied. Hier worden voorzieningen geconcentreerd en woonzorgdiensten geleverd, zodat kwetsbare bewoners er zelfstandig kunnen wonen. In deze gebieden wordt voorrang gegeven aan nultredenwoningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
18
Figuur 3.1 Woonzorgzones De locatie ligt in de zuidelijke woonzorgzone. Via het afwegingskader woningbouw stuurt de gemeente aan op een grotere levensloopgeschiktheid van nieuwbouwwoningen op de juiste plekken. Woningcorporatie Stek hanteert in de meeste gevallen zelf thans het Woonkeur‐label, zodat nieuwbouwwoningen toegankelijk zijn voor senioren. Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 (2018) In de Regionale woonagenda is op basis van de provinciale Woningbehoefteraming 2016 gekeken naar de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van woningbouwontwikkeling. Het doel is om het aanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten op de toekomstige behoefte: de juiste typen woningen op de juiste plaats. In de Regionale Woonagenda hebben de gemeenten afspraken met elkaar en met de provincie gemaakt over: 4. Een regionaal afgestemd kwalitatief en kwantitatief woningbouwprogramma met toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking en gebaseerd op de actuele Woningbehoefteramingen. 5. Voldoende sociale woningbouw in relatie tot de doelgroep. 6. Aandacht voor kansrijke woonmilieus. 7. Aandacht voor locaties binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied of daar aan grenzend; in dat geval is er bijzondere aandacht nodig voor een multimodale ontsluiting en landschappelijke kwaliteiten. Het regionale woningbouwprogramma is in 2018 geactualiseerd en met de provincie afgestemd.
In Hillegom wordt op basis van de regionale afspraken uitgegaan van een eigen behoefte van 780 woningen tot 2030. De aanvullende behoefte aan woonmilieus verschilt tussen de gemeenten en tussen de subregio's, vanwege het karakter van de verschillende delen van de regio. In Holland Rijnland Noord is de behoefte vooral gericht op dorps wonen.
Rho adviseurs voor leefruimte
19
Figuur 3.2 Woningbehoefte woonmilieus 2017‐2030
Figuur 3.3 Uitsnede Woonmilieus regio Holland Rijnland (bron: regionale woonvisie)
Rho adviseurs voor leefruimte
20
Woningbehoefteraming (WBR 2019) Uit de actuele provinciale Woningbehoefteraming blijkt dat de woningbehoefte in de regio Holland Rijnland groter is dan in 2016 was berekend. In de periode 2020 ‐ 2030 zijn (op basis van de Trendraming) meer dan 24.000 woningen nodig, waarvan 1.260 in de gemeente Hillegom.
Figuur 3.4 Gewenste woningvoorraadtoename Holland Rijnland en Hillegom (bron: WBR, 2019) De actuele woningbehoefteprognose komt voor de gemeente Hillegom hoger uit dan waarmee in de regionale woonvisie 2017 rekening is gehouden. Hierin werd uitgegaan van 780 woningen. De provincie ging uit van een bandbreedte van 774 tot 1.316 woningen in de periode 2017‐2030. De gemeente Hillegom gaat uit van een prognose van 1.410 woningen. De ontwikkeling op het Savio‐terrein betreft een maximum aantal van 40 woningen. Monitoring en bijstelling van de afspraken is daarom noodzakelijk om te kunnen voorzien in de hogere woningbehoefte. De gemeente Hillegom houdt zelf een woningbouwplanning bij om zicht te houden op de verhouding tussen de plancapaciteit en de behoefte. De gemeentelijke planning blijft binnen de woningbehoefteraming zoals opgenomen in de WBR 2019, zodat overaanbod in de regio wordt voorkomen. De woningbouwplanning wordt regelmatig regionaal afgestemd.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid‐Holland De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads‐ en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet‐ en regelgeving Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte.
Rho adviseurs voor leefruimte
21
Figuur 3.5 Visiekaart Bestaand stads‐ en dorpsgebied 2018 Omgevingsverordening In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn onderstaande artikelen relevant. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Lid 2 t/m 6 zijn in dit geval niet relevant.
Rho adviseurs voor leefruimte
22
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing De ontwikkeling is in paragraaf 3.1.2 getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Het betreft inpassing van woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied. In het plan wordt rekening gehouden met een goede overgang naar de directe omgeving van het plangebied.
3.2.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (2009, actualisatie 2016) In deze herziening zijn de hoofdlijnen van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG) uit 2009 ongewijzigd overgenomen. Daarnaast worden meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden geboden voor het totale bollen‐ en sierteeltcomplex in de Duin‐ en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport. Deze herstructureringsopgave moet tegelijkertijd zorgen voor meer openheid en het verbeteren van de landschapskwaliteiten.
Figuur 3.6 Uitsnede visiekaart
Rho adviseurs voor leefruimte
23
Conclusie Het plangebied is in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Heerlijk Hillegom ‐ Omgevingsvisie Hillegom 2030 (2018) De gemeente Hillegom heeft vooruitlopen op de Omgevingswet al een Omgevingsvisie opgesteld, die de rol van de voormalige structuurvisie overneemt. Onder de naam Heerlijk Hillegom stippelt de gemeente een globale koers uit voor de toekomst en de wijze waarop zij sturing wil geven aan toekomstige ontwikkelingen. Duurzaamheid neemt daarbij een centrale rol in. Bij het opstellen van de Omgevingsvisie hebben veel inwoners, ondernemers, verenigingen en instanties meegedacht over de koers richting de toekomst. In de Omgevingsvisie is Hillegom verdeeld in 6 deelgebieden. Per deelgebied zijn de belangrijkste karakteristieken en koers voor het betreffende deelgebied omschreven. De zes deelgebieden zijn in onderstaande zoneringskaart uitgesplitst.
Figuur 3.7 Zonering Omgevingsvisie Het centrale thema en tevens hoofdthema uit de Omgevingsvisie is duurzaamheid. De gemeente hanteert dit als leidend principe voor de toekomstige ontwikkeling. Initiatieven moeten niet alleen bijdragen aan de kernkwaliteit van het deelgebied, maar ook aan een duurzame toekomst voor Hillegom en omgeving. Om de duurzaamheidsambities van de Omgevingsvisie te kunnen verwezenlijken heeft de gemeenteraad een Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2018‐2021 vastgesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte
24
Het plangebied ligt in het gebiedstype 'Heerlijke Woonplaats'. De koers hiervoor is gebaseerd op de volgende doelen: behouden en versterken dorpse karakter; nieuwbouw binnenstedelijk realiseren; verduurzamen en kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad; bevorderen gezondheid; sociale cohesie versterken; zorg dragen voor toekomstbestendige voorzieningen; behoud en verbeteren van woon‐ en leefkwaliteit. Duurzaamheid In de Omgevingsvisie van Hillegom is vastgesteld om in 2030 energieneutraal te zijn en geheel klimaatneutraal in 2050. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. Gemeente Hillegom vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Hillegom streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Alle bouwwerken (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken. Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren.
In de Omgevingsvisie Hillegom herziening 2019 staan de volgende streefwaarden voor GPRgebouw voor de nieuwbouw van woningen: DuurzaamheidsPrestatie Gebouwen (DPG, combinatie van milieu en energie): minimaal een 8 Gezondheid en gebruikskwaliteit: minimaal een 8 Toekomstwaarde: minimaal een 7 (of bij de keuze voor een ander instrument vergelijkbare streefwaardes te formuleren). Woningcorporatie Stek bekijkt de mogelijkheden om duurzaam te bouwen en is voornemens voor het programma sociale huurwoningen ‘Nul op de Meter’ of energieneutrale woningen te realiseren. Hierbij zal waar mogelijk rekening worden gehouden met bovengenoemde streefwaarden. Hierbij moet in ieder geval voldaan worden aan de wettelijke normen. Nadere uitwerking hiervan vindt buiten de kaders van het bestemmingsplan plaats. Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan op de Omgevingsvisie, en specifiek op het gebiedstype 'Heerlijke Woonplaats'. Het plan voorziet de gemeente van binnenstedelijke nieuwbouw. 3.3.2 Woonprogramma 2020‐2024 (2020) Het ‘Woonprogramma 2020 – 2024: naar een duurzaam evenwicht’ is een uitwerking van de omgevingsvisie ‘Heerlijk Hillegom’. In dit woonprogramma beschrijft de gemeente haar visie, ambities en keuzes op het gebied van wonen voor de komende jaren. In paragraaf 3.1.2 wordt dieper ingegaan op dit programma.
Rho adviseurs voor leefruimte
25
Hoofdstuk 4
4.1
Milieuonderzoek
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (toekomstbestendig parkeren). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Nota parkeernormen, gemeente Hillegom 2016). Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in de rest bebouwde kom aangehouden, de gemeente heeft een sterk stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van de Olympiaweg te Hillegom. De Olympiaweg is een gebiedsontsluitingsweg (50 km/u) en maakt onderdeel uit van het hoofdwegennet van Hillegom. Aan de oostzijde is het plangebied bereikbaar via de Sportlaan (erftoegangsweg, 30 km/u). De Olympiaweg is een van de drukste wegen van Hillegom. Wanneer de weg in westelijke richting wordt gevolgd, bereikt autoverkeer het kruispunt met de provinciale weg N208.
In oostelijke richting leidt de Olympiaweg via gebiedsontsluitingswegen naar de overige delen van Hillegom. Langzaam verkeer Het plangebied is goed bereikbaar voor fietsers en voetgangers uit alle richtingen. Langs de Olympiaweg zijn aan weerszijden vrijliggende fiets‐ en voetpaden aanwezig. Aan de achterzijde van de locatie, langs de watergang, wordt een fietsen wandelroute gepland richting het St. Jozefpark en het centrum. Openbaar vervoer Ter hoogte van het plangebied, binnen 100 meter loopafstand, bevindt zich de bushalte Olympiaweg. Hier halteren de bus 50 (richting Haarlem en Leiden Centraal) en bus 57 (richting Leiden Centraal en Nieuw‐Vennep). Doordeweeks tussen de ochtend‐ en avondspits rijdt belbus 557 elk uur tussen Hillegom, Centrum en Nieuw‐Vennep, die een aansluiting geeft op de grote bus uit Leiden. De bereikbaarheid van het plangebied per openbaar vervoer is goed. Parkeren De gemeente heeft voor woningbouw parkeernormen opgenomen in het parkeerbeleid (Nota parkeernormen, gemeente Hillegom 2016). Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende woningtypes. Zo is er een aparte parkeernorm voor verschillende woninggroottes en voor aanleunwoningen. Het parkeeraanbod van de beoogde woningbouw dient aan deze normen te voldoen.
Rho adviseurs voor leefruimte
26
Woningtype Woning niet gestapeld > 150 m2 bvo of gestapeld > 120 m2 bvo Woning niet gestapeld 80‐ 150 m2 bvo of gestapeld 65 ‐ 120 m2 bvo Woning niet gestapeld < 80 m2 bvo of gestapeld < 65 m2 bvo Aanleunwoning * Inclusief 0,3 per woning bezoekersparkeren
Parkeernorm* 2,1 per woning 1,8 per woning 1,6 per woning 1,1 per woning
Verkeersgeneratie en –afwikkeling De verkeersgeneratie is berekend met kencijfers van het CROW (publicatie 381). In de huidige situatie is in het plangebied een (voormalig) schoolgebouw gevestigd. De school is enkele jaren gesloten en heeft momenteel geen verkeersaantrekkende werking. De toekomstige woningbouwontwikkeling heeft wel een verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie wordt berekend voor het beoogde programma van 40 woningen van het woningtype 'Centrum‐stedelijk overig en buiten‐centrum overig' (CROW publicatie 381, tabel A6). Per woning geldt voor dit woningtype een worst‐case verkeersgeneratie van 5,0 mvt/etmaal. Voor het woonprogramma van 40 woningen betekent dit een verkeersgeneratie van 200 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag genereert de ontwikkeling 222 mvt/etmaal. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur betekent dit een verkeersgeneratie van 23 mvt. Deze verkeerstoename is dusdanig beperkt dat het zal opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer.
Daar wordt nog bij opgemerkt dat gelet op de specifieke doelgroep van de appartementen, bestaande uit senioren, de daadwerkelijke verkeersgeneratie naar verwachting lager zal liggen dan de verkeersgeneratie zoals die in deze paragraaf op basis van kengetallen is berekend. De berekening kan daarom als worst‐case worden beschouwd. Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. Het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein dient te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen. Uitgaande van appartementen van circa. 75 m2 zal in dat geval ten minste 1,8 parkeerplaats per woning gerealiseerd moeten worden. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is beperkt en zal zodoende niet tot knelpunten leiden in de verkeersafwikkeling. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.2
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader De ontwikkeling op het Savio‐terrein dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wet geluidhinder (Wgh). Op basis van deze toetsing kan worden beoordeeld of voor de appartementen extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Wet geluidhinder (Wgh) Artikel 82 tot en met 85 van de Wgh geven nadere uitleg met betrekking tot de geluidbelasting in zogenaamde 'Nieuwe situa es' (er dient een ruimtelijke procedure te worden gevolgd). De zogenaamde voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Is de geluidbelasting lager dan 48 dB dan legt de Wgh geen restricties op aan het onderhavige plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
27
Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld. Indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB onvoldoende doeltreffend zijn dan wel op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. De normen uit de Wgh staan opgenomen in onderstaande tabel. normen voor nog niet‐geprojecteerde woningen in een stedelijk gebied voorkeursgrenswaarde
48 dB
maximale ontheffingswaarde
63 dB
Geluidbeleid Omgevingsdienst West‐Holland De Omgevingsdienst West‐Holland heeft voor het toekennen van hogere waarden eigen geluidbeleid. Waar de Wgh de mogelijkheid biedt om hogere waarden toe te kennen, is het een bevoegdheid aan de gemeente of in dit geval de Omgevingsdienst om te bepalen of en wanneer ze hogere waarden toe wil kennen. In het Geluidbeleid d.d. 4 maart 2013 is vastgelegd welke eisen de Omgevingsdienst stelt bij het toekennen van hogere waarden. 1. 2. 3. 4. 5. 6.
7.
Een hogere waarde kan slechts worden verleend als het betreft: woningen die ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond‐ of bedrijfsgebondenheid, of; woningen die in een gemeentelijke structuurvisie worden opgenomen, of; woningen die door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen, of; woningen die ter plaatse gesitueerd worden als vervanging van bestaande bebouwing; nog niet geprojecteerde woningen buiten de bebouwde kom die verspreid gesitueerd worden, of; nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom die door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestisch afschermende functie gaan vervullen voor andere woningen . in aantal ten minste de helft van het aantal woningen waaraan de afschermende functie wordt toegekend ‐, of voor andere geluidsgevoelige objecten, of; geprojecteerde, in aanbouw zijnde of aanwezige woningen en een nog niet geprojecteerde weg voor zover die weg: a. een noodzakelijke verkeers‐ en vervoersfunctie zal vervullen, of; b. een zodanige verkeers‐ en vervoersfunctie zal vervullen, dat de aanleg van die weg zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidbelastingen van woningen binnen de zone van een andere weg.
En onder de voorwaarden: 1. bij een gevelbelasting hoger dan 53 dB wordt akoestische compensatie toegepast; 2. voor nog niet geprojecteerde woningen kan alleen een hogere waarde dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting worden vastgesteld als voldoende verzekerd wordt, dat de verblijfsruimten, alsmede ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet aan de uitwendige scheidingsconstructie worden gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt, tenzij overwegingen van stedenbouw of volkshuisvesting zich daar tegen verzetten; in dat geval wordt de buitenruimte afsluitbaar uitgevoerd; 3. bij een waarde vanaf 53 dB wordt gestreefd naar ten minste één stille gevel (< 48 dB); 4. dove gevels worden bij voorkeur niet toegepast; indien toch noodzakelijk dan maximaal één dove gevel, bij voorkeur niet als voor‐ of achtergevel; 5. voor nog niet geprojecteerde woningen ter vervanging van de bestaande woningen is een hogere waarde alleen mogelijk als de vervanging niet leidt tot: a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur; b. een toename van het aantal geluidgehinderden met meer dan 100, gerekend op bouwplanniveau; 6. de hogere waarde bedraagt niet meer dan 58 dB.
Rho adviseurs voor leefruimte
28
Onderzoek Het bestemmingsplan staat de ontwikkeling van nieuwe woningen toe op het Savio‐terrein. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de gezoneerde Olympiaweg. Tevens ligt het plan in de nabijheid van de 30km / uur weg van de Sportlaan. Om die reden is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de nieuwe woningen. De rapportage daarvan is opgenomen in Bijlage 4. Aangezien er nog geen sprake is van een definitief bouwplan, heeft het onderzoek zich gericht op de grenzen van het bouwvlak waarbinnen het woongebouw gepositioneerd moet worden. Tevens heeft er onderzoek plaatsgevonden naar de geluidbelasting op een aantal bestaande woningen aan de overzijde van de Olympiaweg, om daarmee in beeld te krijgen wat de nieuwe situatie en eventuele weerkaatsing van het geluid voor effect hebben op de geluidbelasting op deze woningen. De verslaglegging daarvan is opgenomen in bijlage Bijlage 5. Nieuwe woningen Uit het onderzoek voor de nieuwe woningen blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Sportlaan de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt (gemeten op de grens van het bouwvlak). Voor de Olympiaweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 8 dB overschrijdt.
De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt derhalve nergens overschreden. Hierdoor is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts‐ of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet doeltreffend. In de onderhavige situatie wordt aan één van de in het geluidbeleid genoemde subcriteria voldaan aangezien het bouwplan wordt gesitueerd ter vervanging van bestaande bebouwing.
Omdat nu nog niet duidelijk is hoe het uiteindelijke gebouw wordt ontworpen en hoe de woningen daarbinnen gesitueerd worden, dient in de ontwerpfase van de appartementen rekening te worden gehouden met de volgende aanvullende voorwaarden: voor nog niet geprojecteerde woningen kan alleen een hogere waarde dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting worden vastgesteld als voldoende verzekerd wordt, dat de verblijfsruimten, alsmede ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet aan de uitwendige scheidingsconstructie worden gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt, tenzij overwegingen van stedenbouw of volkshuisvesting zich daar tegen verzetten; in dat geval wordt de buitenruimte afsluitbaar uitgevoerd; bij een waarde vanaf 53 dB wordt gestreefd naar ten minste één stille gevel (< 48 dB); dove gevels worden bij voorkeur niet toegepast; indien toch noodzakelijk dan maximaal één dove gevel, bij voorkeur niet als voor‐ of achtergevel; de hogere waarde bedraagt niet meer dan 58 dB. In de planregels bij dit bestemmingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat woningen uitsluitend als zodanig gebruikt mogen worden als ze een geluidbelasting kennen die de voorkeursgrenswaarde niet overschrijdt of voor zover ze voldoen aan het hogere waardenbeleid en het
Rho adviseurs voor leefruimte
29
hogere waardenbesluit dat voor dit project genomen wordt. Dat hogere waardenbesluit is opgenomen als Bijlage 6. Op basis van deze uitgangspunten, wordt zekergesteld dat voor zover van toepassing aan de aanvullende maatregelen wordt voldaan. Op grond daarvan wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110g, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is bij de ontwerpfase van de appartementen tevens onderzoek nodig ter bepaling van de geluidwering van de gevels om de wettelijk vereiste binnenwaarde te kunnen bereiken. Bestaande woningen Aangezien het plan bestaande bebouwing vervangt, is vanwege reflecties en afscherming sprake van een wijziging in de akoestische situatie van de omliggende woningen aan de Olympiaweg, Himera en Midea. Om een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat te op de omliggende woningen te kunnen waarborgen, is de nieuwe akoestische situatie van deze woningen inzichtelijk gemaakt en vergeleken met de oude situatie. Deze berekeningen komen nader aan de orde in Bijlage 5. Daarin is een vergelijk gemaakt tussen: 1. de situatie vóór realisatie van het planvoornemen met het voormalige schoolgebouw dat reeds gesloopt is en met de nog aanwezige muur; 2. de situatie na realisatie van het planvoornemen waarbij de bestaande muur langs het plangebied komt te vervallen.
Uit de verschilberekening is gebleken dat de geluidbelasting op de betreffende woningen na realisatie van het planvoornemen, ter plaatse van een groot aantal toetspunten tot maximaal 1 dB zal afnemen. In enkele gevallen zal de geluidbelasting op de woningen met enkele tienden van decibels toenemen. Deze geluidstoename en ‐afname tot maximaal 1 dB zijn organoleptisch niet waarneembaar. Het plan leidt om die reden niet tot een aantasting van het bestaande woon‐ en leefklimaat van de betreffende woningen. Conclusie Voor de beoogde woningen worden hogere grenswaarden aangevraagd. Met toepassing van de maatregelen uit het Geluidbeleid, zoals voorgeschreven in de planregels, is sprake van een goed woon‐ en leefklimaat en staat het aspect geluid de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden 40 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure.
Rho adviseurs voor leefruimte
30
In het gebied zijn voornamelijk woonbestemmingen gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'. Ter plaatse van het perceel Sportlaan 86 ligt een speeltuinvereniging. Dit perceel heeft de bestemming cultuur en ontspanning. Deze gronden zijn bestemd voor speeltuinen, verenigingsleven en ondergeschikte horeca welke zijn te vergelijken met bedrijven in milieucategorie 1. De maximale richtafstand die hierbij hoort is 10 meter voor het aspect geluid. De afstand van de beoogde woongevels tot de locatie waar de kinderen daadwerkelijk spelen is meer dan 20 meter, hiermee wordt er aan de richtafstand voldaan. Maatgevend voor geluid afkomstig van de speeltuin is stemgeluid van spelende kinderen. Tussen de beoogde woningen en locatie waar de kinderen spelen is er sprake van afscherming door gebouwen en een groenzone met sloot. Gezien deze omstandigheden en de afstand van circa 20 meter is het niet aannemelijk dat de richtwaarden die gelden voor een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden overschreden. Uit een beoordeling van een akoestisch adviseur blijkt dat er op een afstand van 20 meter aan de richtwaarde wordt voldaan. Daarnaast komt de beoogde ontwikkeling niet dichterbij de speeltuinvereniging te liggen dan de al aanwezigen woningen. Hierdoor wordt de speeltuin ook niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering.
Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.4
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn.
Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Vanwege het ontbreken van relevante risicobronnen in de directe omgeving is er geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Het plangebied ligt binnen de contour uit het LIB voor toetshoogtes. Dit betekent dat beperkingen gelden bij bebouwing dat hoger is dan 146 m NAP. De beoogde ontwikkeling zal hieraan voldoen (artikel 2.2.2 a). Het plangebied ligt ook binnen de contour uit het LIB voor beperking windturbines en laser (artikel 2.2.4 LIB). De ontwikkeling omvat zowel geen windturbine als laser. Deze contour vormt dan ook geen belemmering. Tot slot is het plangebied gelegen binnen de contour uit het LIB voor toetshoogtes radar. In verband met het correct functioneren van radarapparatuur geldt een toetshoogtes van 60‐80 meter NAP. Ook hieraan zal de beoogde ontwikkeling voldoen.
Rho adviseurs voor leefruimte
31
Conclusie Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.3 weergegeven. Tabel 5.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling bestaat uit 40 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg.