CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

Db06.4 bijlage raadsmemo, Actualisatie Startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek

Gemeenteraad 24 september 2026, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken11.686 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Een modelstudie naar alternatieven voor aardgas in de gebouwde omgeving. Gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen en Noordwijk Rotterdam, 29 april 2026

Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Eindrapport Een modelstudie naar alternatieven voor aardgas in de gebouwde omgeving. Gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen en Noordwijk Rotterdam, 29 april 2026 Maurice Thijsen Eva Colussi Joost Gubbels THI/IW 1007291rap Inhoudsopgave Samenvatting ...................................................................................................... 4 1 Inleiding ................................................................................................... 8 1.1 Aanleiding .......................................................................................................... 8 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................... 9 1.3 Leeswijzer ......................................................................................................... 9 2 Methode ................................................................................................. 10 2.1 Model verrijken met lokale data ...................................................................... 10 2.2 Gevoeligheidsanalyses ontwikkelen ............................................................... 12 2.3 Vesta MAIS modelanalyse ..............................................................................

13 3 Verrijking met lokale data ..................................................................... 15 3.1 Netbeheerkosten ............................................................................................. 15 3.2 Potentie van (rest)warmtebronnen .................................................................. 15 4 Gevoeligheidsanalyses ........................................................................ 22 4.1 Voorisolatie tot schillabel B door woningcorporaties ...................................... 23 4.2 Geothermie potentie ........................................................................................ 24 4.3 Klimaatneutraal gas ........................................................................................ 25 4.4 Warmtevraag tuinders en bollendrogers ......................................................... 26 5 Resultaten ............................................................................................. 29 5.1 Basisscenario .................................................................................................. 29 5.2 Gevoeligheidsanalyses ................................................................................... 33 6 Conclusie ..............................................................................................

42 / 4 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Samenvatting Aanleiding In dit onderzoek heeft Ecorys in opdracht van de gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen, en Noordwijk (hierna te noemen: de Bollenstreek) een actualisatie uitgevoerd van de in 2025 door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gepubliceerde Startanalyse voor aardgasvrije buurten. De Startanalyse ondersteunt gemeenten bij het maken van keuzes voor een duurzame en CO2-vrije warmtevoorziening voor woningen, en geeft inzicht in verschillende technische mogelijkheden om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Ook geeft de Startanalyse inzicht in de bijbehorende nationale kosten. Het PBL maakt voor de Startanalyse uitkomsten gebruik van het Vesta MAIS model, waarbij nationale gemiddelde kostenkengetallen, invoerdata en uitgangspunten worden gebruikt. De Bollenstreek werkt aan de ontwikkeling van een regionaal collectief geothermienet. Dat initiatief lijkt op basis van de nationale Startanalyse minder aantrekkelijk dan andere warmtetechnieken (strategievarianten). De Startanalyse houdt echter geen rekening met de actuele, geothermiepotentie in de Bollenstreek, zoals bewezen uit ondergrondstudies.

Omdat de maatschappelijk optimale keuze volgens de nationale Startanalyse afwijkt ten opzichte van de keuze van de regio om een geothermienet te ontwikkelen, heeft Ecorys in dit onderzoek een actualisatie op deze modelstudie uitgevoerd. Uitgangspunten Het doel van deze actualisatie is om de maatschappelijk optimale strategievariant per buurt te bepalen. Dit is gedaan door de informatie ter input van het Vesta MAIS model, zoals het PBL gebruikt in de Startanalyse, te actualiseren aan de hand van aanvullende bronnen en analyse. Dit zorgt ervoor dat de gegevens uit de actualisatie vergelijkbaar en traceerbaar blijven met de nationale Startanalyse. Tevens dient deze actualisatie ter validatie, door de strategievariant per buurt naast de mogelijkheid van de ontwikkeling van een geothermienet te leggen. Daarbij zijn alle beschikbare warmtebronnen in de Bollenstreek, niet alleen geothermie, nagelopen om te beoordelen of een lokale actualisatie van de nationale Startanalyse mogelijk was. De actualisatie vormt het basisscenario in deze modelstudie. Resultaten De actualisatie laat zien dat een collectief warmtenet op geothermie, anders dan in de lande- lijke Startanalyse, voor het grootste deel van de Bollenstreek de maatschappelijk optimale strategievariant is.

Deze wijziging is voornamelijk het gevolg van de verruiming van de beschikbaarheid van geothermiepotentie op basis van lokale inzichten. De strategievariant MT-warmtenet op geothermie levert in het merendeel van de buurten de aardgasvrije warmtetechniek tegen de laagste maatschappelijke meerkosten. Dit zijn de kosten die gemaakt moeten worden om alle buurten in de Bollenstreek aardgasvrij te maken. Tabel 0.1 laat een vergelijking zien van het aantal buurten dat een MT-warmtenet op geother- mie (onderdeel van hoofdstrategievariant S2) krijgt toegewezen als maatschappelijk optimale strategievariant in de Startanalyse en in de verrijking. De actualisatie zorgt ervoor dat 55% / 5 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek van de buurten, goed voor 69% van alle woningequivalenten (WEQ), deze strategievariant krijgt toegewezen. Dit beeld wijkt sterk af van de landelijke Startanalyse, die met nationale invoerdata het potentieel van geothermie in de Bollenstreek onderschat. De bijbehorende kaarten in Figuur 0.1 illustreren deze kanteling: waar eerder uiteenlopende strategieën voorkwamen, ontstaat nu een consistent beeld waarin een warmtenet gevoed met geothermie de voorkeursoptie vormt in de meeste dichtbebouwde buurten. Daarnaast laat de analyse zien dat het geothermienet een substantiële maatschappelijke meerwaarde heeft.

De inzet van dit net levert een kostenvoordeel op in de warmtetransitie van beschikbaarheid van geothermie. Dit komt neer op een kostenstijging van 23% (ongeveer 190 euro per jaar per WEQ) wanneer het geothermienet níet wordt gerealiseerd. Daarmee bevestigen de resultaten dat geothermie, mits de lokale potentie benut wordt, de meest kostenefficiënte route biedt voor de warmtetransitie in de kerngebieden van de Bollenstreek. / 6 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Tabel 0.1 Vergelijking aantal S2 buurten, aantal WEQ en totale nationale meerkosten per jaar in Startanalyse en de verrijking van de Startanalyse die in dit onderzoek is uitgevoerd. Startanalyse Verrijking Aantal buurten (en percentage van het totaal aantal buurten in de Bollenstreek) met hoofdstrategievariant S2 (MT warmtenet) 27 (19%) 77 (55%) Aantal WEQ (en percentage van het totaal aantal WEQ in de Bollenstreek) met hoofdstrategievariant S2 (MT warmtenet) 16.189 (22%) 50.451 (69%) Totale nationale meerkosten per jaar 1 Figuur 0.1 Strategievariant per buurt in ASA2025 (links) en in deze verrijking (rechts). Verdere toelichting op de resultaten De verschillen met de landelijke Startanalyse worden vooral veroorzaakt door de actualisatie van geothermiepotentie.

In deze actualisatie van de landelijke Startanalyse zijn alle beschikbare warmtebronnen in de Bollenstreek nagelopen om te beoordelen of een lokale actualisatie mogelijk was. De grootste verschuivingen tussen de nationale Startanalyse en de verrijking komen voort uit het actualiseren van de geothermiecontour op basis van lokale onderzoeken en het beoogde tracé van het te ontwikkelen geothermienet. Door deze aanvul- ling verschuiven veel dichtbebouwde buurten van individuele warmtepompen of lagetempera- tuurwarmtenetten naar MT warmtenetten op geothermie. Die verschuiving verklaart vrijwel volledig waarom de totale nationale kosten in deze verrijking dalen ten opzichte van de lan- delijke Startanalyse en waarom de regionale ambitie voor een geothermienet goed onder- bouwd blijkt. In buitengebieden blijven hybride warmtepompen op klimaatneutraal gas het meest kosteneffi- ciënt. De buurten met een lage woningdichtheid krijgen in het verrijkte basisscenario een hy- 1 gemaakt moeten worden om alle buurten in de Bollenstreek aardgasvrij te maken. Dit is een daling van 3% ten opzichte van de actualisatie van de startanalyse uit 2025 (ASA2025).

/ 7 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek bride warmtepomp op klimaatneutraal gas toegewezen, omdat warmtenetten daar relatief kosteninefficiënt zijn vanuit maatschappelijk oogpunt. In deze buurten zijn de investeringen in infrastructuur hoog, terwijl het aantal aansluitingen laag is. Klimaatneutraal gas benut boven- dien de bestaande infrastructuur, wat de kosten drukt. Dit verklaart waarom 34% van de buur- ten, vooral buitengebieden waar het beoogde geothermietracé niet doorheen gaat, deze stra- tegievariant toegewezen krijgt. Wel moet er rekening gehouden worden met dat deze uitkomst sterk afhankelijk is van hoe veel klimaatneutraal gas er in de toekomst beschikbaar is. Gevoeligheidsanalyses tonen aan dat geothermie onder bijna alle realistische gevoeligheden aantrekkelijk blijft. In dit onderzoek zijn 4 gevoeligheidsanalyses uitgevoerd, om de robuust- heid van de modelresultaten te toetsen. De gevoeligheidsanalyses laten zien dat een MT- warmtenet op geothermie in veel buurten een robuuste keuze is, maar dat enkele variabelen de maatschappelijke meerkosten in meer of mindere mate kunnen beïnvloeden. Wanneer wordt aangenomen dat geothermie nergens beschikbaar is, stijgen de totale nationale meer- kosten van de warmtetransitie met 23% en vallen warmtenetten op geothermie volledig weg.

Dit bevestigt hoe essentieel de lokale geothermiepotentie is voor de regio. Omgekeerd toont een scenario waarbij geothermie overal beschikbaar wordt verondersteld dat de huidige verrijkte contour al optimaal is: extra potentie leidt nauwelijks tot wijziging van toegewezen strategievarianten. D Dorpskernen in de Bollenstreek, waar de woningdichtheid hoog is en infrastructuur efficiënt benut wordt, blijven in alle gevoeligheidsanalyses collectieve warmtenetten toegewezen krij- gen. Alleen in de buitengebieden verschuift de strategievariant afhankelijk van onzekerheden zoals de beschikbaarheid van klimaatneutraal gas, isolatieniveaus en de warmtevraag van tuinders en bollendrogers. Daarmee bevestigt de analyse dat in dorpskernen in de Bollenstreek een geothermienet als maatschappelijk meest efficiënte warmteoplossing kan worden ingezet. Conclusie De actualisatie van de Startanalyse die is uitgevoerd in dit onderzoek bevestigt dat een geo- thermienet in de Bollenstreek een maatschappelijk optimale keuze is voor de warmtetransitie. Het toevoegen van lokale gegevens in het Vesta MAIS model zorgt ervoor dat een MT warmtenet op geothermie in het grootste deel van de regio verreweg de meest kostenefficiënte strategievariant wordt, met een significante jaarlijkse meerwaarde ten opzichte van een scenario zonder dit net.

In de buitengebieden blijven hybride warmtepompen op klimaatneutraal gas de strategievariant met de laagste totale nationale meerkosten, al moet rekening worden gehouden met onzekerheid over de toekomstige beschikbaarheid van klimaatneutraal gas. De gevoeligheidsanalyses laten bovendien zien dat een MT-warmtenet op geothermie in vrijwel alle gevoeligheidsanalyses aantrekkelijk blijft. / 8 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Vóór 2028 dienen gemeenten een herziende Transitievisie Warmte op te leveren op basis van de laatste stand van zaken; het Warmteprogramma. Om gemeenten hierbij te ondersteunen is een actualisatie van de Startanalyse (versie 2025; ASA2025) ontwikkeld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Deze analyse presenteert de nationale kosten van duurzame warmtetechnieken voor de gebouwde omgeving per buurt in Nederland. De Startanalyse biedt gemeenten daarmee belangrijke informatie om keuzes te maken ten aanzien van de uitfase- ring van de aardgasinfrastructuur. De Startanalyse is een nationale analyse uitgevoerd met het Vesta MAIS model. Het model wordt gevoed met o.a. nationale gemiddelde kostenkengetallen, invoerdata en uitgangspun- ten. Deze nationale gemiddelden beschrijven niet altijd de lokaal specifieke situatie waarin een gemeenten of regio zich bevindt.

Om deze redenen raden het PBL en het Nationaal Pro- gramma Lokale Warmtetransitie (NPLW; onderdeel van RVO) aan om het Vesta MAIS model te verrijken met regionale data en kennis van gemeenten voor analyses op lokaal niveau, zo- dat de uitkomsten beter aansluiten op de lokale context. De gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen en Noordwijk (hierna te noemen: de Bollenstreek) zijn bezig met de uitwerking en ontwikkeling van een geothermienet. De nationale en onverrijkte Startanalyse van het PBL presenteert dat er andere duurzame warmtetechnieken lagere nationale kosten hebben voor de Bollenstreek. De Startanalyse houdt geen rekening met specifieke lokale omstandigheden die in het voordeel van geothermie spreken, dit zijn: Lokale beschikbaarheid van geothermie: er zijn recent lokale onderzoeken uitgevoerd naar de beschikbaarheid van geothermie. De data uit deze onderzoeken zijn niet meegenomen in de nationale Startanalyse. Hierdoor wijkt de beschikbaarheid van geothermie in de Start- analyse af van de uitkomsten van de onderzoeken naar de lokale situatie. Warmtevraag van tuinders: De nationale Startanalyse neemt de warmtevraag van tuinders niet mee, enkel de warmtevraag van de gebouwde omgeving (woningen en utiliteitbouw). De warmtevraag van telers in de Bollenstreek kan bijdragen aan de maatschappelijke meerwaarde van een collectief net door een toename van de warmtevraagdichtheid.

Onzekerheid in de beschikbaarheid van klimaatneutraal gas: De nationale Startanalyse maakt aannames over de beschikbaarheid van klimaatneutraal gas (groengas) voor de gebouwde omgeving in de toekomst. In de nationale Startanalyse wordt klimaatneutraal gas gealloceerd aan meerdere buurten in de betreffende gemeenten. Klimaatneutraal gas concurreert met andere hoge-temperatuur warmtetechnieken, zoals geothermie. Echter, de beschikbaarheid en toewijzing van klimaatneutraal gas aan de Bollenstreek is omgeven met zeer veel onzekerheid. / 9 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 1.2 Doel van het onderzoek Omdat de maatschappelijk optimale keuze voor de nationale en onverrijkte Startanalyse af- wijken ten opzichte van de mogelijkheid om een geothermienet te ontwikkelen, is nadere lokaal onderzoek gewenst. Ecorys is daarom gevraagd om het Vesta MAIS model te verrijken ten behoeve van een lokaal specifieke (Start)analyse voor de Bollenstreek. In dit onderzoek staat de volgende hoofdvraag centraal; In welke mate ondersteunt een lokaal verrijkte Startanalyse de mogelijkheid voor de ontwikkeling van een regionaal geothermienet in de Bollenstreek? De maatschappelijk optimale keuze per buurt bij een verrijkte Startanalyse kan naast de mogelijkheid voor de ontwikkeling van een geothermienet worden gelegd.

Zodoende kunnen de uitkomsten van dit onderzoek worden gebruikt om de keuze voor de warmteoplossing per buurt te valideren. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methodiek van het onderzoek toegelicht, gevolgd door een beschrij- ving van de validatie van kengetallen en verrijking van de invoerdata in hoofdstuk 3. Hoofd- stuk 4 behandelt de ontwikkelde gevoeligheidsanalyses. De verrijkte invoerdata en gevoelig- heidsanalyses worden doorgerekend in hoofdstuk 5 waarin de modelresultaten worden gepre- senteerd. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies gepresenteerd. / 10 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 2 Methode Dit hoofdstuk beschrijft de aanpak die is gehanteerd om de warmtetransitie in de Bollenstreek te verkennen. Het Vesta-MAIS model, een technisch-economisch model ontwikkeld door PBL, vormt hiervoor de basis (zie voor nadere uitleg over het model tekstbox I). De methode be- staat uit drie samenhangende stappen. Eerst wordt het model verrijkt met lokale data, zodat de modeluitgangspunten zo goed mogelijk aansluiten op de realiteit in de Bollenstreek. Vervolgens worden gevoeligheidsanalyses ontwikkeld om de robuustheid van de modelresultaten te toetsen. Figuur 2.1 laat de drie methodologische stappen zien. In de volgende paragrafen lichten we de drie stappen nader toe.

Figuur 2.1 De drie methodologische stappen van het onderzoek 2.1 Model verrijken met lokale data Het doel van het verrijken van het model is om te bepalen in hoeverre de standaard kenge- tallen en invoerdata in het model representatief zijn voor de Bollenstreek. Hiervoor dienen de kengetallen en invoerdata gevalideerd te worden. Waar nodig dient dit vervolgens aangepast te worden om een betere aansluiting op de lokale werkelijkheid te waarborgen. Proces Het model maakt gebruik van vele kengetallen en invoerdata om haar berekeningen uit te voeren. Valideren van al deze kengetallen is om verschillende redenen niet mogelijk; het zou om een onevenredige inspanning vragen en specifieke gevraagde kennis is lokaal niet altijd beschikbaar. Een deel van de kengetallen en invoerdata hebben een lage gevoeligheid; wij- zigingen in de waardes leiden tot slechts kleine wijzigingen in het modelresultaat. Om deze redenen richten we ons op de kengetallen en invoerdata met een hoge gevoeligheid; kenge- tallen die veel invloed hebben op het modelresultaat. Op basis van eerdere ervaringen zijn de volgende vier thematische groepen geselecteerd, die zijn weergegeven in Tabel 2.1.

/ 11 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Voor de validatie is gebruik gebruikgemaakt van een combinatie van bronnen: 1. Literatuuronderzoek: analyse van openbare rapporten, kengetallenstudies en beleidsdocu- menten. 2. Stakeholderinterviews: gesprekken met experts met kennis van de situatie in de Bollenstreek. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de betrokken stakeholders per thematisch onderwerp. Tekstbox I: Het Vesta MAIS model Het Vesta MAIS-model is een open source rekenmodel ontwikkeld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het model wordt landelijk gebruikt voor analyses van de warmtetran- sitie in de gebouwde omgeving. Het berekent op buurtniveau welke duurzame warmtetechnie- ken en schillabelsprongen technisch toepasbaar zijn, en wat hiervan de economische kosten, -baten en CO -prestaties zijn. Vesta MAIS bepaalt per buurt de optimale warmtetechniek en schillabelsprong op basis van de laagste totale nationale meerkosten* in 2030. De totale nationale meerkosten zijn de extra kosten die de maatschappij maakt om een buurt aardgasvrij te maken, ten opzichte van een situatie waarin niets wordt ondernomen in 2030. Het model houdt daarbij o.a.

rekening met: Typering en energetisch staat van bestaande gebouwen, Aanwezigheid van bestaande energie infrastructuur Beschikbaarheid van (rest)warmtebronnen en duurzame gassen, Benodigde schillabelsprongen voor strategievarianten, Investerings- en exploitatiekosten van technieken. Het model optimaliseert de toewijzing van warmtetechnieken en schillabelsprongen op basis van de totale nationale meerkosten (ook wel directe maatschappelijke kosten), en houdt dus geen rekening met herverdelingseffecten (zoals subsidies of belastingen). deze studie is tevens verkend wat de warmtetechniek en schillabelsprong is per buurt met de laagste meerkosten. De Startanalyse maakt gebruik van nationale gemiddelde invoerdata voor haar modelresultaten, die niet altijd aansluiten op de lokale context. Belangrijk om te benoemen is dat het Vesta MAIS model een technisch-economisch model is, en niet alomvattend. Met model houdt geen rekening met waarden zoals o.a. de uitvoerbaarheid of wenselijkheid van de warmtetransitie. Om deze redenen is het altijd belangrijk om de modelresultaten in context te plaatsen van de realiteit. In de modeluitkomsten wordt geen rekening gehouden met zaken als; Afstemming op contracteerbaarheid Ruimtelijke inpassing Voorkeuren t.a.v.

ontzorging of koelmogelijkheid Beschikbaar arbeidspotentieel / 12 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Tabel 2.1 Overzicht van betrokken stakeholders bij het valideren van de kengetallen Thema Betrokken stakeholders Netbeheerskosten O.b.v. openbare data Alliander Isolatiekosten panden Woningcorporaties Padua en STEK Kosten van collectieve warmtenetten Firan Potentie van (rest)warmtebronnen Hoogheemraadschap van Rijnland, Dunea, D4, Firan Warmtevraag tuinders en bollendrogers O.b.v. openbate data en literatuur Basisscenario In het onderzoek volgen we in de basis de standaard kengetallen en invoerdata in het Vesta MAIS model die in lijn zijn met de Startanalyse 2025 uitgangspunten. De validatie leidt ertoe dat een deel van deze kengetallen en invoerdata de lokale context goed beschrijven, maar een deel ook niet. Voor het deel dat niet de lokale context goed beschrijft wordt lokale data opgehaald om het model te verrijken. De verrijkte invoerdata en kengetallen maken deel uit van het basisscenario in dit onderzoek. Het basisscenario beschrijft de uitgangspunten die de situatie in de Bollenstreek het best mogelijk modelleert. Het analyseren van het basisscenario draagt bij aan een hogere betrouwbaarheid en lokale toepasbaarheid van de uitkomsten dan wanneer het onverrijkte Startanalyse zou worden gebruikt.

2.2 Gevoeligheidsanalyses ontwikkelen Bij het opstellen van het Basisscenario worden kengetallen en invoerdata zo ingesteld dat het zo goed mogelijk aansluit op de lokale context. Toch blijft er rond bepaalde variabelen onze- kerheid bestaan; omdat we niet weten wat de exacte waarde of verwachtte ontwikkeling. Deze onzekere variabelen zijn niet te voorspellen, maar kunnen wel een aanzienlijk effect hebben op de uitkomsten van het model. Een gevoeligheidsanalyse wordt uitgevoerd om te begrijpen hoe robuust de resultaten zijn en welke onzekere variabele het meeste effect hebben op deze resultaten. Tekstbox II: Voorbeeld gevoeligheidsanalyse van onzekere variabele Als voorbeeld beschikbaarheid van klimaatneutraal gas voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving. De beschikbaarheid van klimaatneutraal gas is omgeven met veel onzekerheid. Voor veel sectoren is het gebruik van klimaatneutraal gas een aantrekkelijk manier om te verduurzamen, omdat het beperkte investeringen met zich meebrengt (huidige aardgas infrastructuur kan gedeeltelijk worden hergebruikt). Echter, de beschikbaarheid is gelimiteerd. Het is niet te voorspellen hoeveel klimaatneutraal gas (groen- gas en/of waterstof) er precies wordt produceert in Nederland in de toekomst, welk deel daar- van wordt toegewezen aan de gebouwde omgeving, en welk deel daar weer van beschikbaar wordt gesteld aan de Bollenstreek.

Met een gevoeligheidsanalyse kunnen we verkennen wat de impact is op het resultaat wanneer er minder of meer klimaatneutraal gas beschikbaar wordt gesteld aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving van de Bollenstreek. / 13 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek De gevoeligheidsanalyses die we uitvoeren worden bepaald aan de hand van de onzekere variabelen in de opgehaalde lokale input en uit expertinzichten. Bij de gevoeligheidsanalyse passen we elke keer een variabele aan en berekenen we de uitkomsten van het model om te zien wat het effect is van deze variabele op de uitkomsten. Wanneer de modeluitkomsten grote veranderingen laten zijn bij (relatief) kleine wijzigingen in variabele, duidt dat op een hoge gevoeligheid. Dit zijn belangrijke variabele waarvan de onzekere toekomstig ontwikke- ling in gaten gehouden dienen te worden. 2.3 Vesta MAIS modelanalyse In deze fase is het Vesta MAIS model ingezet om de technisch-economische potentie van de verschillende duurzame warmtetechnieken en isolatiemaatregelen per buurt in kaart te bren- gen. De modelresultaten vormen de basis voor de verkenning voor de warmtetransitie van de Bollenstreek. Het model rekent middels strategievarianten.

Strategievarianten zijn een combinatie van een duurzame warmtetechniek en een schillabel sprong (naar schillabel D of B; zie tekstbox III voor een volledig overzicht van alle strategievarianten in het model). Per buurt verkent het model of een strategievariant technisch mogelijk is (bijvoorbeeld; is er geothermie potentie beschikbaar in de ondergrond waarvan gebruik gemaakt kan worden) en wat de totale natio- nale meerkosten zijn (zie tekstbox I voor meer informatie over wat de totale nationale meer- kosten zijn). Op deze manier kan het model binnen de technische mogelijkheden optimalise- ren welke strategievarianten economisch het meest aantrekkelijk zijn per buurt. Dit is de strategievariant die een buurt krijgt toegewezen2. Op basis van de gevalideerde en lokaal verrijkte kengetallen is het Basisscenario in het model doorgerekend. Deze doorrekening levert per buurt twee hoofdresultaten op per buurt: de stra- tegievariant met de laagste totale nationale meerkosten, met de bijbehorende totale nationale meerkosten. De berekening wordt gemaakt voor het zichtjaar 20303. Daarmee krijgen we een beeld van de maatschappelijke economische optimale duurzame warmtetechnieken en spron- gen, binnen de technische mogelijkheden van de buurt, wanneer deze in de nabije toekomst zou worden gerealiseerd. Vervolgens worden de gevoeligheidsanalyses doorgerekend in het model.

Per gevoeligheids- analyse worden de laag- en hoog variant ingevoerd. Net als voor het Basisscenario zullen de twee hoofdresultaten voor de laag- en hoog variant van de gevoeligheidsanalyse worden be- rekent, om vervolgens te toetsen in welke mate de resultaten zijn gewijzigd. 2 In de beschrijving van de gevoeligheidsanalyse, resultaten en conclusies gebruiken geven dat het model voor elke buurt de strategievariant met de laagste totale nationale meerkosten. 3 Zichtjaar 2030 sluit aan bij het zichtjaar wat wordt berekend in de Startanalyse. 2030 wordt gezien als een belangrijk peiljaar voor klimaatbeleid, waaronder het Klimaatakkoord, Regionale Energiestrategieën , Transitievisiewarmte en Warmteprogramma. De kengetallen en invoerdata in het model is specifiek afgestemd voor een doorrekening voor dit zichtjaar. / 14 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 4 LT: Lage temperatuur, MT/HT Midden en Hoge Temperatuur Tekstbox III: Strategievarianten Het Vesta MAIS model rekent per buurt verschillende alternatieven door in de vorm van strategievarianten. De- ze strategievarianten bestaan uit combinaties van een duurzame warmtetechniek en een schillabelsprong (iso- latiemaatregelen). De duurzame warmtetechniek is een individuele of collectieve techniek, waarbij de warmte op een bepaalde temperatuur wordt afgegeven.

Het schillabel van de panden moet minimaal B of D zijn, afhan- kelijk van de strategievariant. Alle strategievarianten zullen nog niet volledig aardgasvrij toepasbaar zijn voor het zichtjaar 2030. Echter, de strategievarianten hebben de mogelijkheid om op de lange termijn (richting 2050) wel volledig klimaatneutraal te zijn. De strategievarianten zijn onderstaand nader beschreven: Strategievariant S1 (individueel) Elektrische warmtepompen (LT 4) S1a: elektrische lucht-warmtepomp Label B+ S1b: elektrische bodem-warmtepomp Label B+ Strategievariant S2 (collectief) Warmtenet met MT/HT- S2a: warmtenet met MT-restwarmtebron Label B+ S2b: warmtenet met MT-geothermiebron o.b.v. contour Label B+ S2c: warmtenet met MT-geothermiebron overal Label B+* S2d: warmtenet met MT-restwarmtebron Label D+ S2e: warmtenet met MT-geothermiebron o.b.v.

contour Label D+ S2f: warmtenet met MT-geothermiebron overal Label D+* Strategievariant S3 (collectief) Combinatie (Z)LT-warmtenet met individuele elektrische S3a: warmtenet met LT-restwarmtebron label B+ 50 S3b: ZLT-warmtenet met WKO: individuele opwaardering S3c: ZLT-warmtenet met WKO: collectieve opwaardering S3d: ZLT-warmtenet met WKO: collectieve opwaardering S3e ZLT-warmtenet met WKO en TEO: individuele opwaardering S3f: Warmtenet met LT-restwarmtebron: collectieve opwaardering S3g: ZLT-warmtenet met WKO: individuele opwaardering S3h: ZLT-warmtenet met WKO collectieve opwaardering Strategievariant S4 (individueel) hybride warmtepomp op klimaatneutraal/groen gas met een S4a: klimaatneutraal gas met hybride warmtepomp Label B+ S4b: klimaatneutraal gas met hybride warmtepomp Label D+ Hierbij dient benoemt te worden dat dit een deel betreft van de technologische mogelijkheden die beschikbaar - -WKOnet (S3c) dat samenwerkt met een MT-warmtenet (S2a) voor piekwarmte levering. Deze varianten zijn niet nader onderzocht. In de modelstudie worden enkel de boven beschreven basisvarianten onderzocht. *Deze aanvullende strategievarianten worden niet meegenomen in de afweging van de strategievariant met de laagste totale nationale meerkosten. **De strategievariant S3 bestaat uit warmtenetclusters aangevuld met individuele warmtepompen.

Deze aanvulling is noodzakelijk omdat de thermische potentie van lage temperatuur warmtebronnen doorgaans te laag is om een gehele buurt van warmte te voorzien. ***Deze S3 strategievarianten maken gebruik van collectieve opwaardering; door LT-warmtebronnen op te waarderen voor levering van warmte via een MT/HT warmtenet naar de afnemers. / 15 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 3 Verrijking met lokale data Het Vesta MAIS-model gebruikt nationale gemiddelden om de potentie van duurzame warmte- technieken per buurt te berekenen. Omdat deze gemiddelden lokaal kunnen afwijken, valide- ren we de kengetallen en invoerdata om de lokale situatie van de Bollenstreek beter te weerspiegelen. We hebben een thematische groepering gemaakt (o.b.v. ervaring Ecorys) van kengetallen en invoerdata met een hoge gevoeligheid die veel invloed hebben op het modelresultaat. Per groep van kengetallen en invoerdata, presenteren we onderstaand welke bevindingen uit de literatuur en gesprekken volgen. Deze bevinden landen vervolgens in het Basisscenario wat in dit onderzoek wordt doorgerekend. 3.1 Netbeheerkosten De warmtetransitie leidt tot een groeiende vraag naar elektriciteit. Om deze ontwikkeling te ondersteunen zijn zwaardere en uitgebreidere elektriciteitsnetten nodig dan de huidige infra- structuur kan bieden.

De kosten voor zowel gas- als elektriciteitsinfrastructuur worden in het Vesta MAIS-model meegenomen via invoerwaarden die de netbeheerderskosten en gehan- teerde tarieven voor afnemers weerspiegelen, zoals aansluittarieven, vastrechten, capaciteits- tarieven en leveringstarieven. Hoe gaat Vesta MAIS standaard om met dit onderwerp? Standaard maakt Vesta MAIS gebruik van de tarieven van Stedin (2024) om de netbeheer- derskosten te berekenen. Daarnaast werkt het model met landelijke gemiddelde waarden voor netinvesteringen. Voor de kosten van netverzwaring past het PBL een bandbreedte toe, waar- van het gemiddelde als standaardwaarde wordt gebruikt. Wat gaan we aanpassen en waarom? Liander is de netbeheerder van de regio. Om beter aan te sluiten bij de lokale situatie, worden de standaard netbeheerkosten (Stedin 2024) in het model vervangen door de tarieven van Liander voor 20255. 3.2 Potentie van (rest)warmtebronnen De warmtebronnen die standaard in Vesta MAIS worden meegenomen zijn LT- en MT/HT- restwarmtebronnen, geothermie, aquathermie, warmte-koude opslag (WKO) en klimaatneu- traal gas. Op basis van literatuur en gesprekken verrijken we de potentie van de LT- en MT/ HT-restwarmtebronnen, geothermie en aquathermie.

De WKO-potentie en de hoeveelheid klimaatneutraal gas behoeven geen verrijking voor de Bollenstreek in het basisscenario, omdat blijkt dat de laatste lokale inzichten aansluiten bij de uitgangspunten van de Startana- lyse. 5 Liander (2024). Nieuwe tarieven netbeheerskosten 2025 bekend. link / 16 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 3.2.1 Geothermie potentie Geothermie is het onttrekken van warmte uit de (diepe) ondergrond. In het verleden zijn in Noordwijk boringen gedaan naar aardgas, waardoor er een goed beeld bestaat van de ondergrond in de regio. Daarnaast zijn er meerdere ondergrondstudies uitgevoerd om de potentie te onderzoeken. Figuur 3.1 laat de opsporingsgebieden voor aardwarmte zien in de Bollenstreek en de omgeving. Samen met de gemeenten, bedrijven, woonstichtingen, bewoners en andere organisaties wordt door Aardwarmte Rijnland (een samenwerking tussen D4 en OMV Geotherm NL B.V.)in een verwervingsproces gekeken op welke locaties de geothermiepotentie kan worden ontwikkeld. De eerste 4 geothermiebronnen zullen waarschijnlijk worden ontwikkeld in gemarkeerde gebieden op de rechter kaart in Figuur 3.2. Naast de gebieden met aardwarmtepotentie heeft D4 het schetsontwerp van de hoofdlei- ding/tracé gedeeld, zie Figuur 3.3. Figuur 3.1 Overzicht opsporingsgebieden aardwarmte.

Het blauwe vlak markeert het opsporingsgebied Rijnland in de Bollenstreek.

/ 17 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Figuur 3.2 Aardwarmtepotentie in de Bollenstreek met ruimte voor in totaal 12 bronnen in de regio (links). Markering waar de eerste 4 geothermiebronnen zullen worden ontwikkeld (rechts) (bron: D4). Figuur 3.3 Hoofddistributienet en buurten Aardwarmte Rijnland (bron: D4). Hoe gaat Vesta MAIS standaard om met dit onderwerp? Vesta MAIS maakt voor de input van de geothermiecontour gebruik van de ThermoGIS6 kaar- ten van TNO. TNO (afdeling Geologische Dienst Nederland) is de partij die namens de over- heid de meest recente data en informatie van de ondergrond centraal beheert. In de Bollenstreek is er volgens de ThermoGIS kaart ongeveer de helft van de ondergrond (afgezet tegenover de gemeentegrenzen) geschikt voor geothermie. 6 ThermoGIS link. Een update van de data in de ThermoGIS kaart zal in 2026 plaatsvinden door TNO, en zal dus nog niet kunnen worden meegenomen in dit onderzoek.

/ 18 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Wat gaan we aanpassen en waarom? Op basis van de aangeleverde data van gebieden met aardwarmtepotentie en het aangelever- de tracé is de standaard geothermiecontour verrijkt. De geothermiepotentiecontour is aangevuld op basis van de contour zichtbaar in figuur 3.2 en aangevuld op basis van de mogelijkheid om via het beoogde tracé van het warmtenet gebruik te maken van geothermie. De gebieden met geothermiepotentie die worden meegenomen ten opzichte van de standaard geothermiecontour zijn te zien in het paars in Figuur 3.4. Figuur 3.4 Geothermiepotentie in de Bollenstreek Naast de geothermie potentie hebben we de investeringskosten van de geothermiebronnen en het elektriciteitsverbruik van het gehele systeem gevalideerd met D4. Uit deze validatie blijkt dat er beperkte afwijkingen (+-10%) zijn tussen de standaard kengetallen die Vesta MAIS hanteert en de kengetallen waar D4 vanuit gaat. Daarnaast geeft D4 aan dat de COP (Coëfficiënt of Performance) van een geothermiebron in deze fase nog met onzekerheden is omgeven en in de praktijk kan afwijken van de standaardkengetallen die binnen Vesta MAIS worden gehanteerd. Gezien deze onzekerheden wordt dit als aandachtspunt meegenomen, zonder aanpassing van de standaardkengetallen.

3.2.2 LT- en MT/HT-warmtebronnen beschikbaarheid en potentie LT- en MT/HT- die warmte kunnen leveren aan collectieve warmtenetten. Firan heeft de bronnen die worden gebruikt als invoerdata van het Vesta MAIS model gevalideerd. Voor aanpassingen aan de bronnen en hun thermische potentie is op verzoek van Firan ook contact opgenomen met Omgevingsdienst West Holland. Hier is echter geen reactie op ontvangen.

/ 19 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Hoe gaat Vesta MAIS standaard om met dit onderwerp? Het Vesta MAIS model gebruikt invoerdata op basis van landelijke data van RVO en PBL, waarin locaties en vermogens van puntbronnen zijn opgenomen. Voor een groot deel van de- ze puntbronnen is geen gedetailleerde informatie beschikbaar. Bij ontbrekende vermogens worden standaardwaarden gebruikt (bijv. 13 MW voor datacenters en 24 MW voor voedings- middelenindustrie). Bij LT-warmtebronnen zoals supermarkten, bakkerijen, ijsbanen, gemalen, zwembaden, MW gebruikt wan- neer het vermogen ontbreekt. Wat gaan we aanpassen en waarom? Uit de validatie is gebleken dat verrijking van LT- en MT/HT-puntbronnen niet nodig was. Daarom worden er geen aanpassingen gedaan aan de LT- en MT/HT-puntbronnen en hun thermische potentie. Figuur 3.5 LT- en MT/HT-puntbronnen in de Bollenstreek 3.2.3 Aquathermie (TEO, TEA, TED) Bij aquathermie wordt warmte onttrokken uit water, vaak in combinatie met een warmtepomp om het water op de gewenste temperatuur te brengen. Aquathermie is in de Bollenstreek relevant vanwege de aanwezigheid van oppervlaktewater, riolering, drinkwaterleidingen.

In onderstaande beschrijving maken we onderscheid tussen thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), thermische energie uit afvalwater (TEA) en thermische energie uit drinkwater (TED). Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de standaard potentiecontour van TEO gevali- deerd. Het hoogheemraadschap bezit niet over een gedetailleerdere contour van de stan- daard TEO contour die in het model wordt ingeladen, deze behoeft dus geen wijzigingen.

/ 20 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Het Hoogheemraadschap heeft aanvullende, gedetailleerde gegevens aangeleverd over TEA, afkomstig van de Omgevingswarmtekaart Rijnland. Deze kaart toont onder andere alle effluent-leidingen en hun thermische potentie, binnen het verzorgings- gebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. Waterbedrijf Dunea heeft gedetailleerde data aangeleverd voor de beschikbaarheid en poten- tie van TED. Hoe gaat Vesta MAIS standaard om met dit onderwerp? De data van de RVO Warmteatlas is de standaard invoerdata voor het Vesta MAIS model om te bepalen binnen welke contouren TEO aanwezig is. De kaart die in Vesta MAIS wordt inge- laden is de kaart. Op deze kaart is te zien hoeveel warmte er kan worden onttrokken uit water (bijv. plassen en rivieren), in GJ/jaar. TEA wordt in Vesta MAIS standaard enkel meegenomen als LT-puntbronnen, zoals de poten- en (riool)gemalen. De TEA potentie van het afvalwaternetwerk zoals effluent leidingen wordt niet meegenomen als standaard lijnbron in het model. Niet voor alle locaties is een thermische potentie bekend; in die gevallen gebruikt het model standaardwaarden. TED wordt meegenomen in het Vesta MAIS model in de vorm van puntbronnen, mits door de gemeente aangegeven in het puntbronnenbestand van RVO en PBL.

Wat gaan we aanpassen en waarom? De standaard geografische data in het model omtrent de ligging en potentie van TEO zijn gevalideerd en behoeven geen wijzigingen. Op basis van de Rijnland kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben we de geografische data omtrent de ligging en potentie van TEA van rioolgemalen en effluent leidingen bij rioolgemalen toegevoegd aan het model. Op basis van de quickscan van Dunea hebben we de geografische informatie omtrent de ligging en potentie van TED toegevoegd aan het model. / 21 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Figuur 3.6 Aquathermie potentie in de Bollenstreek

/ 22 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 4 Gevoeligheidsanalyses Rond bepaalde variabelen heerst onzekerheid, omdat hun exacte waarde of ontwikkeling onbekend is. Deze variabelen zijn niet te voorspellen, maar kunnen de modeluitkomsten sterk beïnvloeden. Met een gevoeligheidsanalyse onderzoeken we hoe robuust de modelresultaten zijn en welke variabelen de grootste impact hebben. In dit hoofdstuk worden de gevoeligheids- analyses nader beschreven. In Tabel 4.1 is samengevat hoe we de variabelen instellen wanneer we uitgaan van beperken- de aannames, basis aannames, of verruimende aannames. De kleuren in de tabel geven aan of het een zeer positief (felgroen), positief (groen), gemiddeld (oranje), of negatief (rood) effect heeft op de kosten van de warmtetransitie. Bij de warmtevraag van tuinders is het nog ondui- delijk wat dit effect is. Per onzekere variabele wordt in de volgende paragrafen toegelicht waarom deze wordt mee- genomen in de analyse en hoe deze in de analyse wordt gemodelleerd. Iedere verandering in de variabelen testen we individueel; we combineren geen veranderingen van variabelen om het effect van één variabele op de modeluitkomsten zo helder mogelijk weer te kunnen geven. Tabel 4.1 Overzicht ingestelde variabelen bij beperkende aannames, basis aannames, en verruimende aannames.

Variabelen Beperkende aannames Basis aannames Verruimende aannames Isolatiekosten van panden Isolatiekosten tot schillabel B zijn 0 in buurten met een corporatieaandeel groter dan 20% en er wordt alleen uitgegaan van strategievarianten met label B. Standaard isolatiekosten van panden n.v.t. Geothermie potentie Geothermie nergens beschikbaar Verrijkte geothermiecontour en puntbronnen o.b.v. tracé Geothermie overal beschikbaar Klimaatneutraal gas Geen toebedeling (-100% van toebedeling Startanalyse PBL) Standaard toebedeling Startanalyse PBL +50% van toebedeling Startanalyse PBL Warmtevraag tuinders en bollendrogers n.v.t Warmtevraag tuinders en bollendrogers niet meegenomen Warmtevraag tuinders en bollendrogers wél meegenomen / 23 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 4.1 Voorisolatie tot schillabel B door woningcorporaties Met de eerste gevoeligheidsanalyse die we uitvoeren testen we de invloed van voorisolatie van woningen van woningcorporaties tot schillabel B. Uit stakeholdergesprekken met- en data van de woningcorporaties Padua en Stek Wonen is naar voren gekomen dat de woningen van woningcorporaties relatief goed geïsoleerd zijn. Ook zijn ze voornemens om hun huidige woningvoorraad te isoleren tot ten minste schillabel B, ongeacht welke strategievariant zal worden toegepast in de woningen.

In deze gevoeligheidsanalyse wordt deze (voor)isolatiestap als een autonome ontwikkeling gezien, waarvan de kosten niet aan de verschillende strategie- varianten worden toegerekend. Analyse Voor deze gevoeligheidsanalyse bepalen we het aandeel corporatiewoningen per buurt en het gemiddelde schillabel per buurt. Om dit te bepalen is door de woningcorporaties data beschik- baar gesteld van het aantal corporatiewoningen per buurt en de corresponderende schillabels. De modellering van de analyse bestaat uit twee stappen: We bepalen eerst het gemiddelde aandeel van corporatiewoningen per buurt in de Bollenstreek (zie Figuur 4.1). Op basis daarvan gaan we ervan uit dat in buurten met een relatief hoog aandeel corporatiewoningen een groot deel van de woningen al is geïsoleerd of nog wordt geïsoleerd tot schillabel B. Voor deze buurten veronderstellen we daarom geen extra isolatiekosten om schillabel B te bereiken. Het gaat hierbij om buurten waar het aandeel corporatiewoningen boven de 20% ligt7. In de gevoeligheidsanalyse worden vervolgens in de desbetreffende buurten uitsluitend strategievarianten meegenomen waarvoor het minimale isolatieniveau schillabel B is. De aanpassing die in deze gevoeligheidsanalyse wordt gedaan, is een beperking in de strate- gievarianten die kunnen worden toegewezen per buurt.

Daarom wordt deze gevoeligheid in Figuur 4.1 geschaard ende In het verrijkte basisscenario gaan we uit van standaard isolatiekosten; voor deze variabele is geen aanpassing gedefinieerd - ruimen . Verwachte impact Door de isolatiekosten van corporatiewoningen in een aantal buurten buiten de modelanalyse te houden, worden strategievarianten die goed geïsoleerde woningen vereisen aantrekkelijker. Hoofdstrategievariant S1 (individuele elektrische warmtepomp) wordt bijvoorbeeld relatief aan- trekkelijk in deze gevoeligheidsanalyse, omdat isolatie van panden een relatief groot kosten- aandeel is. De verwachte impact is dan ook dat strategievarianten die een hoge isolatiegraad vereisen, zoals elektrische warmtepompen (S1) en LT-warmtenetten (S3), vaker worden toegewezen aan buurten. 7 Op basis van het gemiddelde aandeel van corporatiewoningen in buurten in de Bollenstreek, nemen we aan dat 20% een redelijke drempelwaarde is om te hanteren. Met het model is het niet mogelijk om een gedeelte van de buurt voor te isoleren (enkel de gehele buurt wel of niet). Door in buurten >20% de isolatiekosten naar label B op 0 te zetten, overschatten we naar verwachting de relatieve kosten effectiviteit van strategievarianten met een groot isolatiekosten aandeel. In buurten met <20% kan juist onderschatting optreden als corporaties daar in de praktijk ongeacht de warmtestrategie naar B isoleren.

/ 24 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Figuur 4.1 Het aandeel woningen in bezit van woningcorporaties Stek en Padua in de Bollenstreek 4.2 Geothermie potentie Een tweede onzekere variabele waar de gevoeligheid van wordt getoetst, is de potentie van geothermie in de regio. In het basisscenario is uitgegaan van de lokaal verrijkte geothermie potentie. Hoewel deze analyse is gebaseerd op onderzoek en lokale informatie, blijft de daad- werkelijke potentie afhankelijk van lokale ondergrondse omstandigheden en toekomstige ont- wikkelingen. Om deze afhankelijkheid te verkennen, is de potentie van geothermie expliciet meegenomen in de gevoeligheidsanalyses. Analyse Voor deze variabele zijn twee alternatieve aannames doorgerekend: Een waarbij wordt uitgegaan van geen geothermiepotentie in de regio. Een waarbij wordt aangenomen dat overal geothermiepotentie aanwezig is. Door deze gevoeligheidsanalyses te vergelijken met het basisscenario, wordt inzichtelijk gemaakt wat de impact is van de locatie en potentie van geothermie op de modeluitkomsten. De hanteert de verrijkte geothermiecontouren (beschreven in sectie 3.2) zoals toegepast in het verrijkte basisscenario.

Verwachte impact Bij de beperkende aanname waarbij er geen geothermiepotentie is, verwachten we dat buur- ten die in het basisscenario een MT-warmtenet op geothermie krijgen toegewezen, verschui- ven naar de volgende maatschappelijk optimale (second-best ) strategievariant zonder geo- thermie. Dit leidt naar verwachting tot een toename in totale nationale meerkosten ten op- zichte van het verrijkte basisscenario.

/ 25 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Bij de verruimende aanname waarbij er overal geothermiepotentie is, verwachten we juist een verschuiving richting de strategievarianten met een MT-warmtenet op geothermie. De grote beschikbaarheid van geothermie maakt een MT-warmtenet op geothermie mogelijk in meer buurten dan in het verrijkte basisscenario. Ook kunnen de meerkosten van de een MT-warm- tenet op geothermie voor bepaalde buurten dalen, omdat er geen restricties worden opgelegd aan de locatie en potentie van geothermie in buurten waar een MT-warmtenet op geothermie maatschappelijk een efficiënte optie kan zijn. 4.3 Klimaatneutraal gas De derde variabele in de gevoeligheidsanalyse is de beschikbaarheid van klimaatneutraal gas in de regio. In het Vesta-MAIS model wordt als strategievariant klimaatneutraal gas toegepast in combinatie met een hybride warmtepomp (S4). De beschikbaarheid van klimaatneutraal gas is beperkt en de verdeling aan buurten is afhankelijk van de relatieve meerwaarde van het klimaatneutraal gas ten opzichte van de ander strategievarianten. Omdat de inzet van klimaatneutraal gas vaak kan leunen op het bestaande gasnet, heeft deze strategievariant vaak relatief lage meerkosten ten opzichte van de alternatieven. Tegelijkertijd is het totale beschikbare volume gelimiteerd en een onzekere factor.

De allocatie van het aan- tal m3 klimaatneutraal gas volgt daarom een meerwaarde-benadering: schaarse m³ worden eerder toegewezen aan buurten waar klimaatneutraal gas per m³ de grootste reductie in meerkosten oplevert (zie Tekstbox IV). Dit maakt de uitkomsten van het Vesta MAIS model gevoelig voor de totale beschikbaarheid van klimaatneutraal gas in de regio. In het basisscenario gebruiken we de standaard allocatie op basis van de Startanalyse. Het PBL stelt in de Startanalyse een nationale beschikbaarheid van 2 miljard m³ voor 2030 20508, waarvan in totaal ruim 9 miljoen m³ aan de Bollenstreek wordt toegewezen. Analyse Voor de gevoeligheidsanalyse zijn twee alternatieve aannames doorgerekend: een klimaatneutraal gas (-100%) beschikbaar is voor de Bollenstreek. en grotere hoeveelheid klimaatneutraal gas beschikbaar is voor de Bollenstreek: +50% ten opzichte van de hoeveel klimaatneutraal gas beschikbaar in de Startanalyse voor de Bollenstreek gemeenten. Op deze manier krijgen we inzicht in de impact van de beschikbare hoeveelheid klimaatneu- traal gas op de keuze van de strategievarianten en totale meerkosten. Dit doen we door de uitkomsten wederom te vergelijken met het basisscenario, waar de standaard toebedeling van klimaatneutraal gas wordt gehanteerd. 8 PBL (2025). Actualisatie Startanalyse aardgasvrije buurten 2025.

Link / 26 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Verwachte impact Bij géén beschikbaarheid van klimaatneutraal gas kunnen buurten niet meer een hybride warmtepomp op klimaatneutraal gas toegewezen krijgen. Deze buurten zullen hun second- best strategievariant krijgen toegewezen, wat naar verwachting tot hogere totale nationale meerkosten leidt. Bij een grotere beschikbaarheid van klimaatneutraal gas dan standaard toebedeeld (+50%) verschuiven naar verwachting meer buurten naar de hybride warmtepomp op klimaatneutraal gas als strategievariant. Dit zal leiden tot lagere totale nationale meerkosten. 4.4 Warmtevraag tuinders en bollendrogers De laatste variabele waar we de gevoeligheid van onderzoeken betreft de warmtevraag van tuinders en bollendrogers in de Bollenstreek. Tuinders en bollendrogers hebben een aanzienlijke warmtebehoefte, die kan bijdragen aan de totale warmtevraag van buurten. De nationale Startanalyse neemt de warmtevraag van tuinders en bollendrogers niet mee, enkel de warmtevraag van de gebouwde omgeving (woningen en utiliteitsbouw). Er wordt dus geen rekening gehouden met o.a. proceswarmte voor de industrie én de warmtevraag voor landbouw.

De warmtevraag van tuinders en bollendrogers in de Bollenstreek kan bijdragen aan de maatschappelijke meerwaarde van een collectief warmtenet door een toename van de warmtevraagdichtheid. Tekstbox IV: Klimaatneutraal gas allocatiemechanisme Op basis van prognoses heeft het PBL geschat dat er in 2030 ongeveer 2 miljard m3 aan klimaatneutraal gas (waaronder groengas) beschikbaar is voor de gebouwde omgeving in heel Nederland. Hierbij wordt aangenomen dat 0,5 miljard m3 benodigd is voor de bijstook van MT/HT warmtenetten (strategievariant S2). De overige 1,5 miljard zou beschikbaar zijn voor individuele hybride warmtepompinstallaties (strategievariant S4). Voor veel buurten in Nederland is klimaatneutraal gas met een hybride warmtepomp een aantrekkelijke strategievariant vanuit kostenperspectief. In feite kan, om een buurt over te schakelen naar klimaatneutraal gas, grotendeels gebruik worden gemaakt van de bestaande aardgasinfrastructuur. Dit zorgt ervoor dat klimaatneutraal gas met een hybride warmtepomp een strategievariant is met lage totale nationale meerkosten. Daarentegen is de be- schikbaarheid van klimaatneutraal gas gelimiteerd. Om klimaatneutraal gas in met strategievariant S4 in te zetten waar het de meest meerwaarde heeft, alloceert de Startanalyse klimaatneutraal gas aan buurten waar de alternatieve duurder is.

De meerwaarde van klimaatneutraal gas wordt bepaald met de volgende formule: Hoe hoger de meerwaarde van klimaatneutraal gas in een buurt, hoe hoger de buurt in de rangorde komt om gebruik te kunnen maken van de gelimiteerde hoeveelheid gas. / 27 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Analyse In deze gevoeligheidsanalyse wordt de warmtevraag van tuinders en bollendrogers wel mee- genomen in de resultaten. Hiermee onderzoeken we hoe deze extra warmtevraag invloed heeft op de maatschappelijk optimale strategievariant per buurt en de totale nationale meer- kosten die hieruit volgen. De methode die wordt toegepast voor het meenemen van de warm- tevraag van tuinders en bollendrogers is toegelicht in Tekstbox V. Het meenemen van de - me . In het basisscenario wordt de warmtevraag van tuinders en bollendrogers niet meegeno- men . Verwachte impact Wanneer we de warmtevraag van tuinders en bollendrogers meenemen verwachten we dat de warmtevraagdichtheid in bepaalde buurten in de Bollenstreek substantieel toeneemt. In Vesta-MAIS leidt een hogere warmtevraagdichtheid er toe dat collectieve strategievarianten, zoals MT-warmtenetten met restwarmtebronnen en/of geothermie, relatief aantrekkelijker worden ten opzichte van individuele strategievarianten.

Daardoor verwachten we een verschuiving van individuele strategievarianten naar collectieve strategievarianten. / 28 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek Tekstbox V: Methode voor bepalen warmtevraag en kosten van tuinders en bollendrogers Stap 1: Berekening oppervlakte glastuinbouw en bloembollen Het aantal hectare glastuinbouw per buurt wordt bepaald op basis van de data van het nationaal georegister van glastuinbouw in 2022. Dit is de meest recente, openbare geografische dataset van glastuinbouw in Nederland. Het aantal hectare bloembollen per buurt wordt bepaald op basis van de basisregistratie Gewaspercelen (BRP) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland uit 2024, bestaande uit de locatie van landbouwpercelen met daaraan gekoppeld het geteelde gewas. Omdat bloembollenvelden niet als aparte categorie gespecificeerd zijn, zijn de hectares landbouwpercelen die het woord e gewas per buurt bij elkaar opgeteld. Voor het bepalen van het aantal hectaren glastuinbouw en bloembollenvelden in de Bollenstreek zijn de genoemde nationale datasets geknipt naar de grenzen van de Bollenstreek. Vervolgens is per buurt bepaald wat het aantal hectare bollenvelden en glastuinbouw bedraagt.

Stap 2: Vertaling naar warmtevraag In deze stap wordt het aantal hectaren bollenvelden en glastuinbouw vertaald naar de bijbehorende energie- en warmtevraag per buurt. Om de warmtevraag van glastuinbouw per buurt in de Bollenstreek te bepalen maken we gebruik van het onderzoek van CE Delft uit 2021. Dit onderzoek bevat kengetallen voor de warmtevraag van verschillende typen teelt. Om de warmtevraag van het drogen van de bollen per buurt in de Bollenstreek te bepalen maken we gebruik van het onderzoek Dit onderzoek geeft aan wat de warmtevraag van bollendrogers is. Stap 3: Kostenberekening De kosten voor deze warmtevraag van glastuinbouw en het drogen van bollen worden berekend voor elke strategievariant. Delft 2021) bevat de gewogen gemiddelde jaarlijkse kosten per hectare in 2040 per type verwarming die gebruikt kan worden in de glastuinbouw. Vervolgens koppelen we de strategievarianten zoals Vesta MAIS die hanteert aan de type verwarming. De hoofdstrategievariant S1, een elektrische warmtepomp, kan niet worden gekoppeld aan één van de verwarmingstypen zoals wordt onderscheiden in het onderzoek van CE Delft (2021). Daarom kan deze hoofdstrategievariant niet worden toegewezen aan buurten waar kassen en bollenvelden aanwezig zijn.

Op basis van een vergelijking tussen de warmtevraag van glastuinbouw en bollendrogen bepalen we wat de kosten van bollendrogen zijn per type verwarming (zoals gespecificeerd in de de Bollenstreek. Stap 4: Integratie in het model De berekende kosten worden aan de achterkant van het model toegevoegd, zodat ze meewegen voor de maatschappelijk optimale strategievariant en de totale nationale meerkosten. In de bepaling van de optimale strategievariant wordt geen rekening gehouden met de potentie en locatie van warmtebronnen. / 29 Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek 5 Resultaten In dit hoofdstuk worden de modelresultaten gepresenteerd voor het basisscenario en de gevoeligheidsanalyses. Daarbij is de data-input eerst verrijkt met lokale data (zie hoofdstuk 3) en ingevoerd in het model, waarna het model de resultaten genereert die hier worden gepresenteerd. We laten de twee belangrijkste hoofdresultaten zien: de totale nationale meerkosten en de toewijzing van (hoofd)strategievarianten aan buurten. We laten de totale nationale meerkosten zien in het verrijkte basisscenario en de gevoelig- heidsanalyses.

De totale nationale meerkosten beschrijven hoeveel extra geld de maatschap- pij als geheel kwijt is om een buurt aardgasvrij te maken in 2030 door over te stappen op de toegewezen strategievariant, vergeleken met de kosten als we niets zouden doen in 2030 (de referentie)9. Naast de totale nationale meerkosten laten we zien welke strategievariant elke buurt krijgt toe- gewezen op basis van de laagste nationale meerkosten in het basisscenario en de gevoelig- heidsanalyses. Welke strategievariant dit is per buurt laten we zien op hoofdstrategievariant en op een kaart van de Bollenstreek. Omdat het aantal woningequivalenten10 (WEQ) per buurt verschilt, afhankelijk van de woningdichtheid, presenteren we de resultaten zowel in aantallen buurten als in aantallen WEQ. 5.1 Basisscenario Totale nationale meerkosten De totale nationale meerkosten euro per jaar. Dit zijn de kosten die gemaakt moeten worden om alle buurten in de Bollenstreek aardgasvrij te maken. Dit is een daling van 3% ten opzichte van de actualisatie van de startanalyse uit 2025 (ASA2025). Zie tekstbox VI voor een nadere beschrijving van de resultaten van de ASA2025. Toewijzing strategievarianten Het merendeel van de buurten (55%) krijgt hoofdstrategievariant S2 toegewezen. Specifieker krijgen deze buurten voornamelijk strategievariant s2e, een MT-warmtenet met geothermie, toegewezen.

Dit zijn buurten met een relatief hoge woningdichtheid en daarmee een groot aantal WEQ (69%). Daarnaast is er geothermiepotentie beschikbaar om deze buurten van de- ze strategievariant te voorzien, waardoor geothermie als warmtebron maatschappelijk efficiënt is. In het (verrijkte) basisscenario krijgt 34% van de buurten een hybride warmtepomp op klimaat- neutraal gas, hoofdstrategievariant S4, toegewezen. Dit zijn voornamelijk buurten met een lagere woningdichtheid en daarmee een klein aantal WEQ. Dit zorgt ervoor dat de aanleg en 9 En houdt dus geen rekening met herverdelingseffecten (zoals subsidies of belastingen) (zie tekstbox I). 10 Woningequivalent (WEQ) is een eenheid van warmtevraag die gebruikt wordt om panden met elkaar te kunnen vergelijken. Eén woningequivalent staat gelijk aan 27 gigajoule per jaar. Dit is de inschatting van de hoeveelheid warmte - energie nodig om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien. Actualisatie startanalyse voor de verkenning van de warmtetransitie in de Bollenstreek | / 30 het gebruik van een warmtenet minder gunstig is dan het gebruiken van individuele oplossing- en op de bestaande gasinfrastructuur. 10 buurten (7%) krijgen hoofdstrategievariant S3 toegewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1840/documents/24862