D25.3 VNG, ledenbrief 26-025 Bijlage 3 Model Toelichting Reintegratieverordening Participatiewet Nieuw Model Juli 2026
Tekst van het document
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl 1/42 Bijlage 3: Toelichting bij Model Re-integratieverordening Participatiewet (nieuw model, juni 2026) Leeswijzer Deze VNG modeltoelichting biedt verschillende mogelijkheden tot aanpassing aan de lokale situatie van een gemeente. Deze worden expliciet gemaakt door blokhaken en een korte instructie in blauw. Deze zijn ook eenvoudig te vinden door te zoeken (Ctrl+F) op een blokhaak ([) in de tekst. - [invullen: …] of [invullen: iets] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 2. - [eventueel opnemen: iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 1. - [(bijvoorbeeld: iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 2. - Combinaties zijn ook mogelijk, zie bijvoorbeeld artikel 3. Voorafgaand aan het aanbieden aan de gemeenteraad moeten de keuzes zijn gemaakt en moeten deze leeswijzer, de blauwe teksten en de kop- & voettekst zijn verwijderd. Nadere uitleg en instructies zijn opgenomen in de implementatiehandleiding die hoort bij dit model. Als op onderdelen andere keuzes gemaakt worden dan in de modelverordening zijn gemaakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan, en moet de toelichting dus worden aangepast op de gemaakte keuzes.
De modeltoelichting kan worden gebruikt als toelichting aan de gemeenteraad bij het voorstel tot vaststelling van de verordening. De toelichting wordt niet door de raad vastgesteld en daarom ook niet gepubliceerd in het gemeenteblad met de verordening. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2/42 Toelichting bij het besluit van de raad van de gemeente [invullen: naam gemeente] tot vaststelling van de Re-integratieverordening Participatiewet [invullen: naam gemeente en eventueel jaartal] (Re-integratieverordening Participatiewet [invullen: naam gemeente en eventueel jaartal]) Algemeen Inleiding De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke vormen van ondersteuning en welke voorzieningen het college aan moet bieden bij het ondersteunen van de (arbeids)participatie van inwoners. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld maatschappelijke participatie en het voorkomen van isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). In deze verordening zijn de vormen van ondersteuning en de voorzieningen die het college beschikbaar heeft en de criteria die gelden voor de inzet daarvan geregeld.
Aanleiding De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners die moeite hebben met (arbeids)participatie de juiste ondersteuning krijgen. Uit artikel 8a van de Participatiewet vloeit voor dat de gemeenteraad hierover bij verordening regels moet stellen. Zo moet beleid over de prioritering bij de verdeling van de diverse voorzieningen voor de verschillende (groepen van) personen haar basis hebben in deze verordening (CRvB 10 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2862). De verordening is bedoeld om inzicht te geven in de voor werkzoekenden en werkgevers beschikbare voorzieningen. Met de Wet Uitvoeren Breed offensief is de verordeningsplicht uitgebreid met het oog op meer transparantie en harmonisatie met betrekking tot het voorzieningenaanbod en het proces (Kamerstukken II 35 394, nr. 8, p. 41, 44, 55 en 110). Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3/42 Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar taak bij het ondersteunen van de (arbeids)participatie wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen.
Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is immers maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend aanbod is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: - maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsinschakeling (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet); - persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de Participatiewet); - scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); - de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); - participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, zevende lid, van de Participatiewet); - loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4/42 verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); - proefplaats (artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet); - vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die ertoe
strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); - intermediaire activiteit, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die noodzakelijk is in verband met een visuele of motorische handicapbeperking (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 2, van de Participatiewet); - meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet).
[eventueel opnemen: Hiernaast bestaat de bevoegdheid om een hoger aantal dienstbetrekkingen beschut werk vast te stellen en daarbij, onverminderd artikel 8a, tweede lid, onderdeel a van de Participatiewet, te regelen hoe deze additionele omvang wordt bepaald en hoe dan de volgorde wordt bepaald waarin personen hiervoor in aanmerking komen (artikel 10b, vijfde lid, van de Participatiewet).] Vereniging van Nederlandse Gemeenten 5/42 In deze verordening is specifiek aandacht voor personen met een arbeidsbeperking en jongeren. De specifieke aandacht voor personen met een arbeidsbeperking houdt verband met de Wet uitvoeren breed offensief. Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de Wet uitvoeren breed offensief is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk.
De bij verordening te regelen uitwerking van deze maatregelen, opgenomen in artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de Participatiewet, is neergelegd in hoofdstuk 3A. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd. De specifieke aandacht voor jongeren houdt verband met de Wet van school naar duurzaam werk waarmee de regering de kansengelijkheid wil vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. De doelgroep bestaat uit personen van wie het college oordeelt dat het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is (artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Daarnaast bestaat de doelgroep uit personen voor wie de ondersteuning wordt verzocht door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
Ten slotte bestaat de doelgroep ook uit personen die initieel onderwijs volgen als bedoeld in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onderdeel c, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 6/42 Participatiewet). HBO- en WO-studenten, dus. In hoofdstuk 3B zijn hiervoor specifieke regels opgenomen. Doelstelling Met deze verordening wordt beoogd dat zoveel mogelijk inwoners kunnen participeren in de samenleving, bij voorkeur door werk. Daar waar dit (nog) niet mogelijk is bevat deze verordening ook mogelijkheden ter ondersteuning van maatschappelijke participatie. Effecten Het is de verwachting dat de transparantie over de beschikbare ondersteuning en voorzieningen leidt tot een effectievere benutting daarvan. Zowel door inwoners die behoren tot de doelgroep, alsook door bedrijven, instellingen en andere organisaties die op deze manier inwoners kunnen ondersteunen bij hun (arbeids)participatie. Het bieden van heldere kaders in deze verordening ondersteunt tevens het gemeentelijke apparaat bij de uitvoering van haar taken. Daarmee draagt deze verordening bij aan een effectievere inzet van gemeentelijke middelen.
Verhouding tot andere regelgeving Met deze verordening wordt invulling gegeven aan de verplichte medebewindstaak op grond van artikel 8a van de Participatiewet om bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar taak op het gebied van participatie wordt neergelegd. Een aantal in deze verordening opgenomen instrumenten bestaan uit het verstrekken van een vergoeding, premie of subsidie die moet worden aangemerkt als een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Hierop zijn de bepalingen met betrekking tot subsidieverlening uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van Vereniging van Nederlandse Gemeenten 7/42 toepassing. Deze verordening geldt voor deze instrumenten als een uitputtende gemeentelijke regeling. VNG-modelverordening Bij het opstellen van deze verordening is gebruik gemaakt van de VNG Model Re- integratieverordening Participatiewet (nieuw model, juni 2026). [eventueel opnemen: In afwijking van het VNG-model zijn bij de artikelen [invullen: …] eigen keuzes gemaakt, die beter aansluiten bij de situatie van de [invullen: naam gemeente].] Cliëntenparticipatie Bij het opstellen van deze verordening is in overeenstemming met artikel 47, aanhef en onder a, van de Participatiewet en de [invullen: citeertitel Verordening cliëntenparticipatie Participatiewet] een inspraakprocedure gevolgd.
Dit heeft geleid tot [invullen: …]. Evaluatie Om de effecten van het met deze verordening ingezette beleid te evalueren is een evaluatiebepaling opgenomen. Doel van deze verordening is [invullen: …]. Dit doel is bereikt als uit de evaluatie blijkt dat [invullen: …]. Deze evaluatie is geregeld in artikel 3. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Vereniging van Nederlandse Gemeenten 8/42 Artikel 1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.
Het betreft: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet is verleend; - personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); - personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk, vormen de personen jonger dan 27 jaar, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet ook onderdeel van de doelgroep.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 9/42 Grote afstand tot de arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2. Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een interne werkbegeleider. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking die hem bij de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat hij zonder die begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om, in verband met de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden. De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega’s, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Zie verder de toelichting bij artikel 14k. Jobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach.
Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden. Om als jobcoach in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die er op zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Zie verder de toelichting bij artikel 14h. Korte afstand tot de arbeidsmarkt Vereniging van Nederlandse Gemeenten 10/42 Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon, naar redelijke maatstaven gemeten, binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2. Overige voorzieningen Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet moeten er in de verordening regels opgenomen worden voor een drietal specifieke voorzieningen die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke intermediaire activiteiten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’.
Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). [eventueel opnemen: Praktijkroute Opname in het doelgroepenregister kan op verschillende manieren plaatsvinden. Naast de aanvraagroute via het UWV is er ook een route die loopt via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 11/42 gemeente.
Deze route staat bekend als de praktijkroute en volgt uit artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is een procesroute waarbij het college door middel van een loonwaardemeting op de werkplek vaststelt dat de loonwaarde van een werknemer bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, welke vaststelling leidt tot opname in het doelgroepenregister. Deze route kan alleen worden gevolgd op het moment dat iemand al een werkplek heeft.] Hoofdstuk 2. Beleid en evaluatie Artikel 2. Evenwichtige verdeling Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening aangeven onder welke voorwaarden welke personen en werkgevers van deze personen, in aanmerking komen voor in de verordening omschreven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel en het artikel hierna is aan het voorgaande uitvoering gegeven. Korte afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt de voorziening als bedoeld in [invullen: artikelen (bijvoorbeeld: artikel 6 (detacheringsbaan))] aan personen aan die behoren tot de doelgroep Vereniging van Nederlandse Gemeenten 12/42 met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. Grote afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt voorzieningen als bedoeld in [invullen: artikelen (bijvoorbeeld: de artikelen 4 (werkstage), 5a (Maatschappelijke participatie niet gericht op arbeidsinschakeling) en 8 (participatieplaats))] aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. Overige voorzieningen Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden.
Het gaat om: scholing (artikel 7), participatievoorziening beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij leer- werktrajecten (artikel 10), persoonlijke ondersteuning bij werk (artikel 11), loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers (artikel 13), uitstroompremie (artikel 14) en proefplaats (artikel 14a). Rekening houden met omstandigheden en beperkingen Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Verslag doeltreffendheid Het college informeert de gemeenteraad over de effecten van de verordening in de praktijk (vierde lid). Hiertoe verzamelt het college systematisch de in het vijfde lid genoemde gegevens. Hoofdstuk 3. Voorzieningen Vereniging van Nederlandse Gemeenten 13/42 Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen Weigeringsgronden Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen.
[eventueel opnemen: Het college kan een voorziening voor de doelgroep uit artikel 7a, eerste lid, van de wet, voorts weigeren wanneer de betrokkene jonger is dan de in dit onderdeel vastgestelde leeftijdsgrens van [invullen: leeftijd (bijvoorbeeld: zestien)] jaar (onderdeel f). Jongeren tot zestien jaar zijn leerplichtig en gaan in beginsel naar school. Zij mogen slechts beperkt werken, met strikte regels voor werktijden en werkzaamheden die volgen uit de Arbowetgeving. Ook zestien- en zeventien- jarigen zijn beperkt in de werkzaamheden die zij mogen verrichten vanwege veiligheids- en gezondheidsrisico’s.] [eventueel opnemen: Het college kan een jongere al tijdens de schoolperiode ondersteuning bieden gericht op werk. Dit kan op verzoek van een school uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of een mbo-instelling of op verzoek van een student uit het hoger of wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onder b, van de wet). De school stelt voor iedere jongere uit het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel een overgangsdocument op. Wanneer de school het college vervolgens om ondersteuning van de jongere verzoekt, dan verstrekt de school daarbij het overgangsdocument van de jongere met de daarvoor relevante informatie.
Ontbreekt het document, dan kan het college dit ook als reden aanvoeren om een voorziening te weigeren (onderdeel g).] Vereniging van Nederlandse Gemeenten 14/42 Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat participatie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt.
Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van Vereniging van Nederlandse Gemeenten 15/42 die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re- integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.
Afstemming Het derde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het derde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 16/42 [eventueel opnemen: Artikel 4. Werkstage Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft.
Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 17/42 Doel van de werkstage Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie.
In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Opstellen schriftelijke overeenkomst In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. Geen verdringing In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of Vereniging van Nederlandse Gemeenten 18/42 - gewettigd ontslag om dringende redenen.] Artikel 5. Maatschappelijke participatie gericht op arbeidsinschakeling Eerste lid Dit eerste lid regelt de wijze waarop het college ondersteuning kan bieden bij maatschappelijke participatie gericht op arbeidsinschakeling. Daarbij worden twee routes onderscheiden waarlangs deze ondersteuning tot stand kan komen.
Het college kan een aanbod doen aan een persoon die tot de doelgroep behoort, wanneer zij aanleiding ziet om maatschappelijke participatie in te zetten als middel richting arbeidsinschakeling. Het college kan daarbij ondersteuning bieden om de maatschappelijke participatie op basis van het aanbod vorm te geven. Daarnaast kan een persoon maatschappelijke participatie ook zelf vormgeven. In dat geval kan het college ondersteuning bieden om dat initiatief mogelijk te maken. Tweede lid In dit lid wordt concreet gemaakt waaruit de ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling kan bestaan. Deze ondersteuning hoeft echter niet altijd te zien op activiteiten of voorzieningen die door de gemeente worden aangeboden. Het kan ook gaan om het bieden van een zetje in de rug, het geven van de verzekering dat een persoon iets mag zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering of het wijzen door de consulent van een persoon op bestaande initiatieven en activiteiten waar diegene aan kan deelnemen. Dit is uitgewerkt in de onderdelen a en b. Onderdeel a ziet op activiteiten of voorzieningen die direct gericht zijn op arbeidsinschakeling, zoals scholing en proefplaatsing. Onderdeel b ziet op meer ondersteunende en activerende vormen van begeleiding in het voorstadium van arbeidsinschakeling.
Deze vormen van ondersteuning zijn uiteindelijk eveneens gericht op arbeidsinschakeling, maar kunnen ook betrekking hebben op het faciliteren van eerste stappen in dat proces. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 19/42 Derde lid In het derde lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan de ondersteuning bij maatschappelijke participatie gericht op arbeidsinschakeling moet voldoen. De ondersteuning moet bijdragen aan de doelen van maatschappelijke participatie en kan alleen worden geboden wanneer deze noodzakelijk is om de maatschappelijke participatie mogelijk te maken. Daarnaast moeten te kosten van de ondersteuning in een redelijke verhouding staan tot het te verwachten resultaat. Voorts mag de ondersteuning niet in de weg staan aan reële arbeidsinschakeling en mogen hierdoor de concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed. Zo wordt oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt voorkomen. Om die reden is ook verdringing niet toegestaan. Tot slot moet de ondersteuning, waar relevant, worden afgestemd op voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 om samenhang en doelmatigheid van de geboden ondersteuning te waarborgen. Vierde lid Op grond van dit vierde lid wordt de ondersteuning nader vormgegeven. Het college moet de aard, inhoud en duur van de ondersteuning afstemmen op de behoeftes, mogelijkheden en capaciteiten van de persoon.
Gezien deze mogelijk per persoon verschillen, zal ook de invulling van de ondersteuning verschillen. Daarnaast bepaalt het college de aan de ondersteuning verbonden voorwaarden en verplichtingen en maakt deze kenbaar aan de persoon. Hiermee wordt invulling gegeven aan het aspect van wederkerigheid, waarbij tegenover de geboden ondersteuning ook inzet en medewerking van de persoon wordt verwacht. Artikel 5a. Maatschappelijke participatie niet gericht op arbeidsinschakeling Eerste lid Maatschappelijke participatie is niet alleen gericht op arbeidsinschakeling. Als arbeidsinschakeling voor personen niet of nog niet mogelijk is, kan Vereniging van Nederlandse Gemeenten 20/42 maatschappelijke participatie juist ook gericht zijn op het stimuleren van deelname aan de samenleving. Dit eerste lid regelt de wijze waarop het college ondersteuning kan bieden bij maatschappelijke participatie wanneer arbeidsinschakeling (nog) niet haalbaar is. Daarbij worden twee routes onderscheiden waarlangs deze ondersteuning tot stand kan komen. Het college kan ambtshalve een aanbod doen aan een persoon die tot de doelgroep behoort, wanneer zij aanleiding ziet om maatschappelijke participatie die niet gericht is op arbeidsinschakeling in te zetten. Het college kan daarbij ondersteuning bieden om de maatschappelijke participatie op basis van het aanbod vorm te geven.
Daarnaast kan een persoon maatschappelijke participatie ook zelf vormgeven. In dat geval kan het college ondersteuning bieden om dat initiatief mogelijk te maken. Tweede lid In dit lid wordt concreet gemaakt waaruit de ondersteuning bij maatschappelijke participatie die niet gericht is op arbeidsinschakeling kan bestaan. Deze ondersteuning hoeft echter niet altijd te zien op activiteiten of voorzieningen die door de gemeente worden aangeboden. Het kan ook gaan om het bieden van een zetje in de rug, het geven van de verzekering dat een persoon iets mag zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering of het wijzen door de consulent van de persoon op bestaande initiatieven en activiteiten waar diegene aan kan deelnemen. Dit is uitgewerkt in de onderdelen a en b. Onderdeel a ziet op activiteiten of voorzieningen voor personen voor wie arbeidsinschakeling nog niet haalbaar is. Voor deze groep staat participatie centraal in plaats van re-integratie. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan mantelzorg, vrijwilligerswerk of deelname aan sociale netwerken. Onderdeel b ziet op meer ondersteunende en activerende vormen van begeleiding gericht op deelname aan het maatschappelijk leven om sociaal isolement te voorkomen en te doorbreken.
Dit gaat bijvoorbeeld om een zetje in de rug, de geruststelling dat deelname geen gevolgen heeft voor de uitkering of Vereniging van Nederlandse Gemeenten 21/42 een verwijzing naar initiatieven en activiteiten waaraan een persoon kan deelnemen. Derde lid In dit lid is geregeld dat de bepalingen uit artikel 5, derde en vierde lid, ook gelden bij maatschappelijke participatie die niet gericht is op arbeidsinschakeling. Dit betekent dat ook in dat geval ondersteuning slechts onder bepaalde voorwaarden wordt geboden. Zo moet de ondersteuning bijdragen aan de doelen van maatschappelijke participatie en kan alleen worden geboden wanneer deze noodzakelijk is om de maatschappelijke participatie mogelijk te maken. Daarnaast moeten te kosten van de ondersteuning in een redelijke verhouding staan tot het te verwachten resultaat. Voorts mag de ondersteuning niet in de weg staan aan reële arbeidsinschakeling en mogen hierdoor de concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed. Zo wordt oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt voorkomen. Om die reden is ook verdringing niet toegestaan. Tot slot moet de ondersteuning, waar relevant, worden afgestemd op voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 om samenhang en doelmatigheid van de geboden ondersteuning te waarborgen.
Daarnaast geldt dat de aard, inhoud en duur van de ondersteuning wordt afgestemd op de behoeften, mogelijkheden en capaciteiten van de persoon, en dat de aan de ondersteuning verbonden voorwaarden en verplichtingen aan de persoon kenbaar worden gemaakt. [eventueel opnemen: Artikel 6. Detacheringsbaan De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 22/42 Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.
In het derde lid is bepaald dat een detacheringsbaan uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - gewettigd ontslag om dringende redenen.] Artikel 7. Scholing Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee (artikel 1, onder f, van de Leerplichtwet 1969). Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 23/42 Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.
Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces . Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Zie artikel 8 over de voorziening participatieplaatsen. Artikel 8. Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet [eventueel opnemen: en het eerste lid van artikel 8]). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden.
Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten 24/42 duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).
Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens [invullen: bedrag (bijvoorbeeld: € 100)] per zes maanden. Artikel 9.
Participatievoorziening beschut werk Algemeen Vereniging van Nederlandse Gemeenten 25/42 Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. De gemeenteraad is, gelet op artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet, verplicht om bij verordening in elk geval vast te stellen: a. welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om adequaat functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken; en b. welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt.
[eventueel opnemen: Tevens kan bij verordening worden geregeld dat een hoger aantal te realiseren dienstbetrekkingen wordt vastgesteld dan op grond van de ministeriële regeling is bepaald (artikel 10b, vijfde lid, van de Participatiewet). Als daarvoor wordt gekozen, dient de gemeenteraad in de verordening ook aan te geven hoe dit aantal extra plekken wordt bepaald en welke criteria dan gelden voor plaatsing op deze extra plekken (ook dit volgt uit artikel 10b, vijfde lid).] Eerste lid In dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat aanspraak bestaat op de genoemde ondersteunende voorzieningen (gericht op de arbeidsinschakeling). Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet. Tweede lid Vereniging van Nederlandse Gemeenten 26/42 Nadat het college heeft vastgesteld dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschut werkplek. In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van de persoon, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing voorzieningen aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing.
De voorzieningen die hiervoor aangeboden worden zijn genoemd in het tweede lid. Welke (combinatie van) voorziening(en) in een concreet geval ingezet wordt zal gezien het maatwerkkarakter van dat geval afhangen. Naast voorzieningen die bijdragen aan de arbeidsinschakeling en hun grondslag vinden in de Re-integratieverordening, worden ook andere voorzieningen genoemd. Dergelijke – perifere – voorzieningen kunnen op grond van andere regelingen, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden verstrekt en bijdragen aan een geslaagde plaatsing. [eventueel opnemen: Derde en vierde lid Op grond van artikel 10b, vijfde lid, van de Participatiewet, is de gemeenteraad bevoegd om een hoger aantal beschut werkplekken aan te bieden, dan op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 10b, vierde lid, is bepaald. Het college mag ten aanzien van deze extra plekken ook bijzondere toewijzingscriteria opstellen, waarmee voorrang wordt verleend aan bepaalde doelgroepen. Artikel 9, derde en vierde lid, geeft daar verdere invulling aan.] [eventueel opnemen: Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.
Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning bij het leer- Vereniging van Nederlandse Gemeenten 27/42 werktraject te bieden wanneer die ondersteuning nodig is om het traject succesvol te volgen. Deze ondersteuning kan verschillende vormen aannemen, zoals persoonlijke begeleiding en coaching, praktische ondersteuning op de werkvloer, hulp bij het plannen en organiseren van school- en werkactiviteiten, of aanvullende scholing en trainingen die aansluiten bij het leer-werktraject. Het doel is om jongeren te helpen hun traject te voltooien en hun kansen op een succesvolle uitstroom met een startkwalificatie naar de arbeidsmarkt te vergroten.] [eventueel opnemen: Artikel 13. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 13 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 14b.
De in artikel 13 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet) en die is geregeld in hoofdstuk 3A. Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling. Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re- Vereniging van Nederlandse Gemeenten 28/42 integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen.
Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid. Geen verdringing In het vijfde lid is bepaald dat de loonkostensubsidie uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - gewettigd ontslag om dringende redenen. Noodzakelijk De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer.] [eventueel opnemen: Artikel 14.
Uitstroompremie Vereniging van Nederlandse Gemeenten 29/42 In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige of tweemalige premie per kalenderjaar kan worden verstrekt, welke in het kader van de bijstandsverlening niet tot de middelen wordt gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar die niet behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie is deze premie niet vrijgelaten (artikel 31, vijfde lid, van de Participatiewet). De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kennen een dergelijke vrijlatingsbepaling ook niet. Het feit dat de premie niet in alle gevallen wordt vrijgelaten neemt niet weg dat ook deze groepen behoren tot de re-integratiedoelgroep. In artikel 14 wordt een grondslag gecreëerd voor het verstrekken van een uitstroompremie aan voormalig uitkeringsgerechtigden en worden hieraan voorwaarden verbonden. De premie vormt een extra stimulans om aan het werk te gaan en dit werk ook te behouden. Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die langdurig een uitkering van het college ontving, uitstroomt.
Onder langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest) op een uitkering. Ook moet er sprake te zijn van duurzame uitstroom, hetgeen betekent dat er sprake is van een uitkeringsonafhankelijke periode van tenminste [invullen: periode (bijvoorbeeld: zes maanden)]. De premie kan worden aangevraagd vanaf [invullen: tijdstip (bijvoorbeeld: de zevende maand] na indiensttreding en moet binnen [invullen: periode (bijvoorbeeld: 18 maanden)] zijn aangevraagd.] Artikel 14a. Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder het college toestemming verleent aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 30/42 wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 14a geeft hier invulling aan.
[eventueel opnemen: Het na een proefplaatsing inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet is onwenselijk en vormt daarom een weigeringsgrond. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken.] [eventueel opnemen: Als het noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren, kan het college persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zesde lid).] Hoofdstuk 3A. Specifieke bepalingen doelgroep Breed offensief Paragraaf 3A.1 Administratief proces loonkostensubsidie Artikel 14b. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient.
Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een Vereniging van Nederlandse Gemeenten 31/42 aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. [eventueel opnemen: Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute.] Het vierde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Het vijfde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. [optie kiezen: Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie.
Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen. OF Dit proces is uitgeschreven in de bijlage bij deze verordening. Daarmee wordt invulling gegeven aan de door de wetgever gewenste transparantie, zodat meer personen en hun werkgevers gebruik zullen maken van de regeling om met loonkostensubsidie aan het werk te komen.] Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 14c. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband Vereniging van Nederlandse Gemeenten 32/42 houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.
Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep en minimaal [invullen: leeftijd (bijvoorbeeld: achttien)] jaar oud is, waarbij er voor personen die VSO/PRO- onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re- integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de [eventueel opnemen: maatschappelijke] baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). Artikel 14d. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen.
Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). Vereniging van Nederlandse Gemeenten 33/42 In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning.