CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

D13 Inwoner (geanonimiseerd), wetenschappelijk rapport over stikstof.pdf

Gemeenteraad 13 november 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken23.277 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

58

8. Waarom heeft de overheid voor dit specifieke model gekozen? Zijn er alternatieven onderzocht?

Het is onduidelijk of er meerdere modellen zijn onderzocht. Een kort artikel in de Telegraaf van 2019 kopt met een citaat van minister Carola Schouten: “We hebben geen beter stikstofmodel”.80 Argumenten worden niet aangedragen. Maar zelfs als dat waar zou zijn,dan betekent dat, zoals ik heb uitgelegd, helemaal niet dat we dan dit model dan maar zouden moeten gebruiken.

9. Kunnen de gesprekspartners zich vinden in de aannames van het model, en waarom dan precies?

Vanwege de complexiteit van het model is het antwoord op de vraag een duidelijk nee.

10. Is het überhaupt te verwachten dat we van modellen veel leren in dit dossier, en waarom precies?

Deze vraag heb ik impliciet en expliciet besproken in dit verslag. Ik heb geen aanwijzingen gezien dat we van de modellen iets leren. Daar waren ze ook niet voor bedoeld. De modellen hadden als doel om als een rekenmachine ingezet te worden. Wat we leren zijn numerieke uitkomsten, maar we hebben gezien dat deze uiterst onbetrouwbaar zijn, en is het dus zo dat we er uiteindelijk vrijwel niets van leren.

11. Is er een ethische component in het spel, en hoe verhoudt het model zich hiertoe?

Bij nader inzien is de formulering van de vraag enigszins bevreemdend. Het model zelf verhoudt zich natuurlijk nergens toe. De vraag is eigenlijk of het model een kwestie betreft die een ethische component heeft. Dat is hier zeker het geval, en vragen daarover zijn uiteraard niet het domein waarover modellen iets te zeggen zouden hebben. Dit is reden te 80

https://www.telegraaf.nl/nieuws/393895100/schouten-we-hebben-geen-beter-stikstofmodel

59

meer om af te stappen van een rigide en technocratisch proces waarin modellen het voor het zeggen hebben. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er bij beleid voor sommige mensen of groepen geen bijkomende schade kan ontstaan, dat is meestal niet helemaal te vermijden. Maar voor die schade dienen beleidsmakers verantwoordelijkheid te nemen, en deze kan niet worden afgewend op ‘de’ wetenschap. Ethiek is mensenwerk, geen modellenwerk.

60

7 - Conclusies en advies

Mijn onderzoek naar de statistische aspecten van het gebruik van Aerius/OPS heeft heel wat kennis opgeleverd. Ik vat de belangrijkste conclusies nog eens samen. Ik heb allereerst vastgesteld dat de NDA’s en de adviezen van de EA blijk geven van een ‘maakbaar’ wereldbeeld, waarin metaforische knoppen zijn bedacht waar we aan kunnen draaien teneinde een bepaald doel te bereiken. KDW’s zijn in dit wereldbeeld unieke en exacte getallen. Uitkomsten van Aerius/OPS berekeningen zijn reëel en worden allemaal zonder marges of onzekerheden gebruikt. De natuur zal herstellen als de depositie onder de KDW komt, en boven de KDW zal depositie ‘significante’ schade aan de natuur kunnen toebrengen. Het is een simplistisch wereldbeeld met weinig of geen realiteitswaarde. Echter, de overheid gaat er gretig in mee. Zo staat in de toelichting van de stikstofkaart het volgende:81

“De aanpak van de stikstofcrisis vergt veel hervormingen, waaronder in de landbouw. Het huidige regeerakkoord bevat het doel om in 2030 de stikstofdepositie op 74% van de Natura2000-gebieden naar een onschadelijk niveau te hebben gebracht, oftewel, onder de Kritische Depositiewaarde (KDW) van elk gebied. In 2050 moet dit 100% van de Natura2000-gebieden zijn.”

Op 21 juli 2022 berichtte RTL nieuws hierover als volgt:82

“Er zijn veel verschillende manieren om de stikstofdoelen te halen. Uiteindelijk is voor het ministerie van Landbouw maar één doel heilig: dat 74 procent van de natuur in 2030 zodanig verbeterd is dat de kritische depositiewaarde niet langer wordt overschreden.”

In het licht van wat ik in dit rapport heb besproken klinkt dit “heilig” bijna hallucinant.

81 82

Document niet meer online te vinden maar wel in mijn bezit. Goedkoper de stikstofdoelen halen: het kan, maar is het wenselijk?

61

Ik heb bijzondere aandacht geschonken aan de bepaling van deze KDW’s. De statistiek kan niet bepalen wat een kritische waarde zou moeten zijn, om de simpele reden dat dit een waardeoordeel is dat alleen mensen kunnen geven. Een beroep op het streven naar statistische significante veranderingen en/of een definitie in die termen heb ik terzakekundig afgewezen. Statistische significantie heeft weinig of niets te maken met dingen die voor ons of voor de natuur belangrijk zouden kunnen zijn en de wijzen waarop we dat wetenschappelijk zouden kunnen vaststellen. De gedachte dat er een unieke en welgedefinieerde KDW zou bestaan is onjuist. Het is zeker juist dat er ‘te veel’ stikstofdepositie kan zijn, voor elk redelijk criterium, om de simpele reden dat van alles te veel kan zijn. Echter, geen enkele wetenschapper die ik heb gelezen of gesproken, verdedigt vanuit die wetenschap een unieke waarde. Ik heb wel - en ik heb daarover gerapporteerd - wetenschappers gezien die unieke waardes propageren omdat de politiek en de rechterlijke macht deze accepteert of zelfs eist. Dat heeft echter natuurlijk niets met wetenschap te maken; wetenschappers zouden een dergelijke verleiding moeten weerstaan. Het huidige gebruik van KDW’s (en drempelwaardes) is daarmee vanuit statistisch perspectief onwetenschappelijk, ondeugdelijk en daarmee dus niet verdedigbaar.

We hebben dus een situatie waarin geen enkele wetenschapper publiekelijk wil erkennen dat de KDW’s niet deugen, terwijl ze in persoonlijke gesprekken wel degelijk grote twijfels uiten. Dat is een bijzondere en ook ongewenste situatie. In het al eerder aangehaalde instellingsbesluit van de EA lezen we bijvoorbeeld dit in de toelichting:

“De advisering door de Ecologische Autoriteit, gelet op de rol die is benoemd in het coalitieakkoord, heeft betrekking op gevoelige thematiek, waarvoor een gezaghebbend advies nodig is. De wetenschappelijke kennis en expertise die hiervoor nodig zijn, mag niet beïnvloed kunnen worden door politiek bestuurlijke visies en keuzes.”

Als de EA dus twijfelt aan de waarde van de KDW’s, en dat doet ze, dan dient ze dit publiek te verkondigen. Dat geldt in elke omstandigheid, voor elke wetenschapper. Geuite twijfels in individuele gesprekken blijven zonder gevolgen voor de samenleving, terwijl de KDW’s zoals publiekelijk verstaan dat juist wel (ten onrechte) hebben.

62

Vervolgens heb ik de onzekerheden en onbepaaldheden van het Aerius/OPS rekenmodel zélf bestudeerd. Zoals elk model geeft Aerius/OPS slechts terug wat de makers er in hebben gestopt. Zelfs als we uitkomsten middelen over ruimte en/of tijd, wijken de gevonden waardes vele tientallen procenten af van wat ‘gemeten’ wordt. Daar komen de onzekerheden van die ‘meet’resultaten nog eens bovenop, die in dit specifieke dossier groot maar niet of nauwelijks kwantificeerbaar zijn. Hoe het model presteert op het individuele niveau bij vergunningverlening weten we dus helemaal niet, want de berekende toenames van deposities zijn zo klein dat we die niet kunnen verifiëren met ‘metingen’. Wat we wel weten is dat de onzekerheden hier nog groter zullen zijn dan bij de gemiddelden. Samengenomen concludeer ik dat we met de combinatie van de onzekerheden in de KDW’s en de berekende deposities van Aerius/OPS feitelijk niet weten wat we aan het doen zijn. We zijn blind modeluitkomsten aan het volgen zonder de mogelijkheid te hebben om te controleren waar we mee bezig zijn. Er wordt veel beweerd over stikstof, maar er is vrijwel geen enkele kwantitatieve claim die daadwerkelijk controleerbaar is. Het werken met de combinatie van KDW’s en Aerius/OPS acht ik vanwege dit alles niet wetenschappelijk. Dat conflicteert met de gangbare praktijk in de NDA’s, de adviezen van de EA en de vergunningverlening.

We hebben immers gezien dat uit de NDA’s en de adviezen van de EA een maakbaar wereldbeeld opdoemt; een wereld die goed te beschrijven en te controleren zou zijn door wiskundige modellen. Mijn analyse van de onzekerheden in zowel de KDW’s als de modelberekeningen van Aerius/OPS laten echter zien dat dit wereldbeeld afgewezen moet worden. Het is eenvoudigweg niet het geval dat berekeningen van Aerius/OPS in combinatie met de KDW’s tot een werkbare of zelfs maar zinvolle procedure kunnen komen. Het is evident het geval dat de wetenschap niet kan leveren wat de EA voorstaat in haar adviezen. Een antwoord dat dit “het beste is wat we hebben” is onduldbaar omdat het uitgaat van de gedachte dat de wetenschap móet en kán leveren. In plaats van net te doen of we precieze informatie hebben en daar beleid met zeer grote maatschappelijke en particuliere gevolgen op baseren, kunnen we ook accepteren dat we bepaalde dingen niet kunnen weten, en dat ‘de’ wetenschap hierop geen antwoord zal geven. Ook langs de weg van de beginselen van behoorlijk bestuur heb ik laten zien dat modelgebruik hierbij problematisch is. De aard van wiskundige modellen maakt dat aan deze beginselen niet voldaan kan worden. 63

Tenslotte heb ik gesuggereerd dat de wetenschap ten principale overvraagd wordt in het stikstofdiscours. De kennis die ze geacht wordt te leveren, kán ze niet leveren. Wetenschappers horen te interveniëren als hun resultaten incorrect geïnterpreteerd of zelfs misbruikt worden. Dat gebeurt in dit discours te weinig en dat is de wetenschap aan te rekenen. Samenvattend is de model-wetenschappelijke benadering van het stikstofdiscours zowel praktisch, theoretisch als filosofisch problematisch, en is dus een andere benadering nodig. Advies Gezien de statistische beperkingen die mijn onderzoek zichtbaar hebben gemaakt ligt de eerste conclusie voor de hand: Aerius/OPS levert uitkomsten die zo onzeker zijn dat deze niet wetenschappelijk en statistisch verdedigbaar toegepast kunnen worden in de NDA’s, de adviezen van de EA en voor vergunningverlening. Werken met deze software komt neer op het blind varen in een onbekend territorium. De oplossing van deze situatie is zeker niet om in plaats van Aerius/OPS een ander, eventueel nog geavanceerder model te gaan gebruiken. Er is namelijk voor welk geavanceerder of ander model dan ook, eveneens geen manier om uitkomsten te verifiëren.

Het probleem is niet dat Aerius/OPS een ‘verkeerd’ of ‘fout’ model is, maar dat de situatie vanuit de wetenschap niet op een bevredigende manier bestudeerd kan worden op het aggregatieniveau dat voor de NDA’s, de EA adviezen en de vergunningverlening nodig is. Geavanceerdere modellen zijn veelal helemaal niet beter dan eenvoudige. De oplossing van deze situatie is óók niet om in plaats van stikstofdepositie naar emissies te gaan kijken binnen een emissie-rekenmodel zoals het NEMA. De problemen die we hebben besproken doen daar immers ook allemaal opgeld en gaan de onzekerheden niet wegnemen of verminderen. Als we dit zouden doen (en er zijn aanwijzingen dat deze richting overwogen wordt) dan blijven we in de modellenwerkelijkheid werken en lossen we het probleem van de onwetenschappelijkheid niet op. Er verandert dan niet zo veel, en het probleem wordt dan alleen maar verplaatst. De oplossing van De Nieuwe Denktank om veel hogere drempelwaardes te gaan gebruiken is weliswaar een stap in de goede richting, maar als we dat doen blijven Aerius/OPS en de KDW’s voor vergunningverlening gehandhaafd, en blijven we dus denken 64

en werken binnen het discours van een modellenwerkelijkheid. Het feit dat De Nieuwe Denktank alle drempelwaardes van 1 – 35 mol/ha/jaar allemaal wetenschappelijk verantwoord vindt, geeft in zichzelf trouwens ook al aan dat de grenzen van een wetenschappelijke benadering allang bereikt zijn. Waarom zouden we blijven rekenen met Aerius/OPS, emissie-modellen of KDW’s als de uitkomsten ervan zo overduidelijk onbetrouwbaar en onzeker zijn? We zijn in dit dossier de maat der dingen kwijtgeraakt, en hebben als land de weg van de modellenwerkelijkheid gekozen in de hoop dat de wetenschap en haar modellen ons hierbij zouden kunnen leiden. Maar mijn onderzoek laat (in navolging van andere studies) zien dat dit ijdele hoop is – de wetenschap wordt hier overvraagd. De wetenschap gaat, nogmaals, geen antwoorden opleveren. Mijn advies is dan ook om helemaal af te zien van de modellenwerkelijkheid, en de KDW’s, Aerius/OPS en andere modellen niet langer te gebruiken. Het dossier moet van het bord van de modelleurs af, en terug op het bord van mensen, maatschappij, beleidsmakers en politici. Het beleid moeten we niet langer laten bepalen door een fictieve modellenwerkelijkheid, maar door de empirie – de waarneming dus, in de breedste zin van het woord. De staat van de natuur kan niet worden afgelezen door een model van welke aard dan ook.

Ik legde ook al uit dat de werkelijkheid zo ongelooflijk complex is dat we het beleid onmogelijk vorm kunnen geven vanuit één specifiek chemisch element – die filosofische boodschap moeten we niet vergeten. Het feit dat ik adviseer om af te zien van het werken in een modelwerkelijkheid impliceert dat ik adviseer om een wetenschappelijk en maatschappelijk goed onderbouwde nieuwe methodiek op te zetten voor het doel en de vorm van de NDA’s, de adviezen van de EA en de vergunningverlening. De methodiek moet wetenschappelijk verdedigbaar zijn voor zover de wetenschappelijke bemoeienis met het dossier kan reiken. Dat impliceert allereerst dat er naast ecologen ook vertegenwoordigers van andere wetenschappelijke disciplines aan boord moeten zijn, zoals datawetenschappers, statistici, sociologen, organisatiedeskundigen, risicoanalisten, et cetera. Het dossier omvat veel verschillende maatschappelijke aspecten die veel verder reiken dan slechts ecologie. Ik onderstreep echter het feit dat veel vragen geen wetenschappelijk antwoord zullen hebben omdat die vragen naar hun aard niet wetenschappelijk zijn. Dat betekent alles bij elkaar niet dat wetenschappers geen rol dienen 65

te spelen, maar wel dat die rol in proportie moet worden bezien. Wetenschap is in deze benadering dienend, niet leidend. Politiek en bestuur enerzijds, en wetenschap anderzijds, dienen verder strikt gescheiden te zijn, en houden elk hun eigen verantwoordelijkheid. Dat EA moet, wil ze gezaghebbend zijn in het wetenschappelijk discours, ook de kennis in huis halen om ook echt volwaardig wetenschappelijk te kunnen adviseren. Het feit dat de EA zelf geen onderzoek doet betekent namelijk niet dat ze het wetenschappelijk discours alleen maar als een gegeven moet zien. Ze moet dit discours doorgronden in al haar facetten en er een filosofie over hebben. Een wetenschappelijk advies moet geen rekening houden met de vraag wat een rechter ervan zal vinden. We hebben verder concrete en normerende regels nodig voor het werken met modellen. Hieronder doe ik een voorzet voor een aantal regels die daarbij op de een of andere manier gegarandeerd zouden moeten worden. 1. Overheidsbeleid mag nooit de indruk wekken dat wetenschappelijke inzichten vaststaande feiten zijn. 2. Wetenschap is een onderzoekend en voortgaand proces. In de omgang met wetenschappelijke bevindingen geldt als uitgangspunt dat die bevindingen geen vaststaande feiten opleveren maar inzichten en opvattingen waarbij altijd tegenspraak en weerwoord mogelijk en zelfs nodig zijn. 3.

Wetenschap kan naar haar aard niet op alle vragen een antwoord geven; die mogelijkheid wordt nadrukkelijk opengehouden. 4. De overheid mag niet een bepaalde wetenschappelijke overtuiging tot waarheid verheffen en tot leidend verklaren. 5. De overheid stelt zich open voor kritiek op, en publiceert de inzichten waarop haar beleid berust. 6. Modeluitkomsten hebben nooit het laatste woord. 7. Gebruikte modellen voor overheidsbeleid staan aantoonbaar in relatie tot de werkelijkheid. 8. De berekeningen en aannames in modellen zijn openbaar te verifiëren en/of te controleren.

66

9. De modeltoelichting benoemt omvang en aard van onzekerheden, en vermeldt de factoren en omstandigheden die niet in het model zijn meegenomen. 10. Het materiaal waarmee modellen werken, wordt steeds getoetst op bruikbaarheid en juistheid. Modellen worden waar nodig geactualiseerd en aangepast, met behoud van rechtszekerheid. Tenslotte schets ik een concreet stappenplan voor een nieuwe manier om het natuurbeleid in Nederland vorm te geven. Eerst benoem ik de hoofdpunten die ik daarna kort uitwerk. 1. Breng in kaart welke richtlijnen, handreikingen en adviezen de Europese Commissie geeft/heeft, als alternatief voor Aerius/OPS, de KDW’s, de drempelwaardes en de vergunningverlening. 2. Onderzoek hoe e.e.a. in het buitenland is vormgegeven en onderzoek of buitenlandse benaderingen in Nederland ook haalbaar en/of wenselijk zijn. 3. De samenhang tussen Natuurdoelanalyse, Advies van de Ecologische Autoriteit en de vergunningverlening moet bezien worden. Een natuurrapportage is van meerwaarde als deze gekoppeld kan worden aan de vergunningverlening. 4. Stel een multidisciplinaire werkgroep samen die adviseert over de juridische haalbaarheid, de uitwerking en de uitvoering van de hiervoor benoemde punten.

Ad 1. De Europese Commissie baseert zich in haar documenten op de staat van de natuur, en daarbij in hoge mate op veldgegevens. Voor 2015 werd ook in Nederland op die manier naar het dossier gekeken; er zijn verschillende documenten die daarvan getuigen. De ‘Leeswijzer Natura 2000 profielen’ van september 2014 is daar een voorbeeld van.83 Ik geef ter illustratie enkele citaten uit die leeswijzer.

83

https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen_algemene_documenten/Le eswijzer%20N2000%20profielendoc%202014.pdf

67

“Natura 2000 aanwijzingsbesluiten stellen instandhoudingdoelstellingen vast voor onder meer de kwaliteit van habitattypen in een Natura 2000 gebied. De kwaliteit van habitattypen wordt bepaald door vier aspecten (zie Natura 2000 profielendocument), te weten: •

Definiërende vegetatietypen

•

Typische soorten

•

Abiotische randvoorwaarden

•

Overige Kenmerken van goede structuur en functie

Deze notitie gaat in op één van de vier kwaliteitsaspecten, namelijk de typische soorten. Voor juridisch houdbare beheerplannen en vergunningen is het van belang om voldoende aandacht te geven aan de kwaliteitsaspecten van de instandhoudingsdoelstelling.”” [...] “Naast effecten via de abiotiek en verstoring kunnen echter ook versnippering en habitatdestructie het vóórkomen van typische soorten beïnvloeden. •

Bij versnippering gaat het erom dat het leefgebied van typische soorten zodanig wordt opgedeeld dat een habitattype zijn functionele omvang verliest en de typische soorten eruit verdwijnen. Er is dan ook een effect op de structuur en functie (functionele samenhang) van een habitattype. De toetst aan structuur en functiekenmerken van een habitattype volstaat dus.

•

Bij habitatdestructie verdwijnen typische soorten bijvoorbeeld als er vegetaties verdwijnen, of de structuren en functie van het habitattype (waar de typische soorten van afhankelijk zijn) negatief worden beïnvloed. Ook voor deze potentiële invloeden zal in de praktijk dus een toets aan de andere kwaliteitsaspecten (structuur en functie of vegetaties) veelal volstaan.”

Deze citaten verraden een veel completere manier om naar het beheer van Natura 2000 gebieden te kijken dan nu het geval is. In lijn met die gedachte moeten we ervoor

68

waken om niet opnieuw aan de wet van Goodhart ten prooi te vallen.84 Omdat ons natuurbeleid uiteindelijk gericht is op biodiversiteit kan dat zomaar leiden tot een nieuwe tunnelvisie waarbij het beleid gereduceerd wordt tot een getal dat gehaald moet worden. Het document gaat hier ook op in:

“Verschuivingen in typische soorten met lokaal verschijnen en verdwijnen binnen een gebied, maar ook tussen gebieden, zijn een natuurlijk fenomeen.”

Met andere woorden, we moeten geen doelstellingen hanteren die tegen de aard van ‘de natuur’ ingaan. Natuur is nu eenmaal dynamisch, en binnen bepaalde marges zou ons dat niet moeten of hoeven te verontrusten. In geen geval kan natuurbeleid gereduceerd worden tot een aantal getalsmatige doelen; het vereist het vakmanschap, wijsheid, overzicht en kennis. Wat betreft de vergunningverlening geeft De Europese Commissie een richtsnoer voor een “passende beoordeling” voor vergunningaanvragen.85 Het volgende citaat is representatief: “Bij de passende beoordeling van plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, moeten gegarandeerd alle elementen die bijdragen aan de natuurlijke kenmerken van het gebied volledig in aanmerking worden genomen, zowel bij het bepalen van de referentietoestand als in de fasen die leiden tot de vaststelling van mogelijke gevolgen, verzachtende maatregelen en resteffecten. In dit verband moet ervoor worden gezorgd dat in de passende beoordeling alle elementen aan de orde komen die bijdragen aan de natuurlijke kenmerken van het gebied zoals vermeld in de instandhoudingsdoelstellingen en het standaardgegevensformulier van het gebied, en dat de beoordeling is gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis.

84

Zie Hoofdstuk 1. Deze “passende beoordeling” wijkt sterk af van de “passende beoordeling” zoals de Nederlandse provincies die hanteren. In die laatste hebben berekeningen over stikstof een prominente plaats gekregen, maar dat is op Europees niveau niet het geval. Zie bijvoorbeeld https://www.bij12.nl/onderwerp/stikstof/passendebeoordeling/; https://www.noord-holland.nl/bestanden/pdf/Stappenplan%20vergunning%20stikstof.pdf; https://www.brabant.nl/@10772/handreiking-passende-beoordeling/. 85

69

De vereiste gegevens moeten actueel zijn en kunnen waar van toepassing de volgende kwesties omvatten: •

structuur, functie en rol van de natuurwaarden van het gebied;

•

de oppervlakte, representativiteit en mate van instandhouding van de habitattypen in het gebied;

•

populatieomvang, mate van isolatie, ecotype, genenpool, leeftijdsstructuur en mate van instandhouding van de in het gebied aanwezige soorten die worden vermeld in bijlage II bij de habitatrichtlijn of van de vogelsoort waarvoor een bepaalde SBZ voor vogels is aangewezen;

•

andere in het gebied vastgestelde natuurwaarden en ecologische functies; en

•

bedreigingen die van invloed zijn op of een mogelijk risico vormen voor in het gebied aanwezige habitats en soorten.

In de passende beoordeling moet melding worden gemaakt van alle mogelijke gevolgen van het plan of project die significant kunnen zijn voor het gebied, met inbegrip van cumulatieve en andere gevolgen die kunnen ontstaan door de combinatie van het plan of project dat wordt beoordeeld, met andere plannen of projecten.” Deze richtlijn geeft dus zeker wel enige houvast voor een ander beleid in Nederland. In feite keren we tot op zekere hoogte terug naar het natuurbeleid waar een aanzet voor werd gemaakt voor de introductie van de KDW’s en Aerius. We erkennen dan dat het beleid aan de hand van onwetenschappelijke KDW-waardes en niet-realistische modellen een vergissing was. Ad 2. In mijn rapport heb ik al kort verwezen naar het buitenland. Frankrijk en (Noord-)Italië maken gebruik van een ecologische, kwalitatieve analyse als passende beoordeling, in plaats van stikstofmodellen. Hun aanpak is hier wellicht haalbaar, aangepast naar Nederlandse omstandigheden. Er is geen reden om het wiel opnieuw uit te vinden, en een uitgebreidere studie lijkt mij zinvol en zelfs nodig. Politici dienen het ‘hele plaatje’ te zien en te begrijpen. Het feit dat Nederland (en Vlaanderen, dat de Nederlandse werkwijze in belangrijke mate 70

kopieerde) zich als enige land heeft overgeleverd aan modeluitkomsten verraadt een beperkt zicht op de realiteit. Het lijkt mij dus cruciaal om te onderzoeken hoe andere landen het probleem aanpakken; kennelijk zijn er veel meer opties om binnen de Eurpoese richtlijnen te opereren – zie ook Ad 1.

Ad 3. Het dossier heeft veel facetten. In dit rapport heb ik de wetenschappelijke kant bestudeerd, maar alles hangt met alles samen. Een goede samenwerking tussen de verschillende onderdelen is dus van groot belang, en uiteraard dienen natuuranalyse en vergunningverlening op elkaar afgestemd te zijn. Wil de EA met gezag kunnen blijven adviseren, dan dienen haar rapportages de kennis en filosofie van de EA zelf te reflecteren. Ad 4. Deze werkgroep dient te bestaan uit wetenschappers en andere deskundigen die zich a priori committeren aan een advies zonder KDW’s en rekenmodellen. Leden van deze werkgroep kunnen ook nadrukkelijk internationaal aangezocht worden, maar het voorzitterschap zou in Nederlandse handen moeten liggen. Het verdient de voorkeur om de leden niet te werven uit het groepje wetenschappers dat de afgelopen decennia nauw bij het stikstofbeleid betrokken was; er is nieuw elan en nieuwe creativiteit nodig, zonder mogelijke ballast uit het verleden. Aangezien de problematiek multidisciplinair is, dient de werkgroep dat ook te zijn. Leden van de werkroep handelen op persoonlijke titel. De adviesvraag aan deze werkgroep zou zowel inhoudelijk als procesmatig moeten zijn: waar gaan we ons op concentreren, hoe dan we dat inhoudelijk, en hoe richten we de processen in?

Tot slot: ik realiseer mij terdege dat dit alles een grote omslag in ons denken over het stikstofdossier zou betekenen. Ik ben er echter van overtuigd dat een dergelijke aanpak meer recht doet aan de feitelijke problematiek dan de fictieve modellenwerkelijkheid waar we ons nu in hebben begeven.

71

Appendix A

Technische details van het zoekproces in de adviezen van de EA

Voor elk van de 133 EA-advies PDF-documenten werd de volledige tekstinhoud geëxtraheerd met behulp van de Python-bibliotheek PyPDF2. Een Python-script (extract_pdf_text.py) automatiseerde dit proces. Het script opende elk PDF-bestand, itereerde door alle pagina’s, extraheerde de tekst per pagina via de extract_text() methode, en voegde de teksten samen tot één doorlopende tekst per document. Om de oorspronkelijke structuur enigszins te behouden en de leesbaarheid voor de latere LLM-analyse te verbeteren, werden dubbele newline-karakters ingevoegd tussen de tekst van opeenvolgende pagina’s. De geëxtraheerde platte tekst van elk document werd opgeslagen in een afzonderlijk UTF-8 gecodeerd tekstbestand. De kern van de analyse werd uitgevoerd met behulp van gpt-4.5 en gpt-4o via de OpenAI API om relevante citaten over AERIUS-gerelateerde onzekerheid te identificeren. Prompt Engineering Een cruciale stap was het ontwerpen van een effectieve prompt om het LLM te instrueren met een zoekopdracht. De prompt is opgebouwd uit de instructie en de tekst van de EA adviezen. Hieronder staat de instructie beschreven:

“Analyseer deze PDF en geef aan of, waar en hoe statistische onzekerheid wordt besproken in relatie tot het AERIUS-model of de uitkomsten van dit model. Geef specifieke passages met paginanummers pdf en ruime context. Geef per citaat ook aan hoe dit zich verhoudt tot AERIUS model en statistische onzekerheid. Geef ook aan of dit impliciete of expliciet beschreven staat. Wees kritisch of er echt een match is, ik ben met name geïnteresseerd of gereflecteerd wordt op statistische onzekerheid. Als er geen directe relatie met AERIUS bestaat moet je deze weglaten. Geef concrete citaten en vat ze kort samen in gewone taal. Geef per gevonden passage in deze structuur:

72

•

Paginanummer/paragraaf;

•

Citaat uit de tekst;

•

Samenvatting in gewone taal;

•

Is het expliciete of impliciete onzekerheid?

Sluit af met een tabeloverzicht met paginanummer, onderwerp, statistische onzekerheid en de explicietheid duidelijk maakt.”

Deze basis prompt werd aangevuld met de volledige geëxtraheerde tekst van één PDF document van een EA advies. Uitvoering Een Python-script orkestreerde het analyseproces. Het script itereerde door de geëxtraheerde .txt-bestanden, las de inhoud, formatteerde de gebruikersprompt, en stuurde een request naar de OpenAI API86 (chat.completions.create endpoint). De model temperatuurparameter van de API werd ingesteld op een lage waarde (0.2) om de consistentie en reproduceerbaarheid van de output te bevorderen. De analyse maakte gebruik van gpt-4.5-preview (voor 78 documenten) en gpt-4o (voor 55 documenten). Een vergelijkende analyse toonde aan dat gpt-4.5-preview meer citaten identificeerde (gemiddeld 3,62 per document; 99% van documenten met minsten 1 citaat) dan gpt-4o (gemiddeld 2,09 per document; 84% van documenten met minstens 1 citaat). In een directe vergelijking van 24 documenten vond gpt-4.5-preview in 16 gevallen meer citaten. De door het LLM gegenereerde Markdown-tekst werd voor elk geanalyseerd document opgeslagen als een .md-bestand. De bestanden zijn ook geëxporteerd naar een PDF voor beoordeling. Om een totaaloverzicht te creëren van gevonden citaten werd er gebruik gemaakt van reguliere expressies (regex), om de beoogde data te isoleren. In totaal werden 490 citaten geëxtraheerd uit de bestanden; zie Appendix B.

Elk EA analyse werd individueel beoordeeld en de relevantie van de citaten afgewogen. Waar nodig werd de volledige EA analyse geraadpleegd, en ik enkele gevallen ook de bijbehorende NDA’s.

86

chat.completions.create endpoint

73

Software, Bibliotheken en Omgeving •

AI Tools: Elicit, OpenAI GPT

•

Programmeertaal: Python (versie 3.11)

•

Core Python Bibliotheken: os, re, glob, time

•

PDF Extractie: PyPDF2

•

API Interactie: openai

•

Data Manipulatie & Excel Export: pandas, openpyxl

•

Markdown naar PDF Conversie: markdown, weasyprint

•

Archivering: zip (standaard Linux command-line utility)

•

Overig: tabulate (voor output formattering in vergelijkingsscript)

74

Verantwoording en dankwoord Mijn dank gaat uit naar Roland Bobbink, William M. Briggs, Rob Brussee, Jan Willem Erisman, Thomas van Goethem, Jaap Hanekamp, Yannic Hanekamp, Ronald Hoogerbrugge, Marc Jacobs, Hans Mommaas, Quinten Pluymaeckers, Geesje Rotgers, Willemijn Smal en Gerard Velthof voor hun bereidheid om hun kennis, ideeën en visie met mij te delen. Vanzelfsprekend ben ik, en ik alleen, verantwoordelijk voor de inhoud van dit rapport.

75

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1737/documents/23737