D04.1 ODWH, bijlage vastgestelde kadernota 2026.pdf
Tekst van het document
KADERNOTA 2026
Versie : 1.1 Datum : 24 januari 2025
1
2
Voorwoord Voor u ligt de Kadernota voor 2026. De afgelopen jaren stonden voor de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH) in het teken van verandering en verdere professionalisering. De organisatie heeft inmiddels haar basis op orde en richt zich steeds meer op verbetering en innovatie. De lijnen die in het afgelopen jaar in de Strategie zijn uitgezet voor de periode 2024-2035 vormen daarbij een belangrijk kompas. Tegelijkertijd spelen actuele ontwikkelingen, zoals de robuustheidseisen uit het Interbestuurlijk Programma ter verbetering van de kwaliteit van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving (IBP VTH). Deze trajecten versterken elkaar en stellen ons in staat om blijvend bij te dragen aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving voor onze deelnemers. De context waarin wij opereren blijft echter uitdagend. Zaken zoals de energiecrisis, klimaatverandering, migratie en arbeidsmarktkrapte zorgen voor blijvende onzekerheden. Deze dynamiek vraagt om flexibiliteit, samenwerking en innovatie. Tegelijkertijd verhoogt de aanhoudende druk op overheidsbudgetten, met name door de lagere uitkeringen vanuit het Gemeentefonds in 2026 (het zogeheten ‘ravijnjaar’), de noodzaak om scherpe keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het IBP VTH speelt een centrale rol in onze koers voor de komende jaren.
Het Plan van Aanpak Robuustheid, dat wij in lijn met het IBP VTH uitvoeren, loopt van april 2024 tot april 2026 en is cruciaal om te voldoen aan de nieuwe robuustheidseisen. Dit traject, dat onder andere verbeteringen in bedrijfsvoering, informatievoorziening en samenwerking omvat, loopt parallel aan onze eigen langetermijn-strategie. Beide trajecten combineren we zorgvuldig, zodat we onze doelen effectief en efficiënt kunnen realiseren. In 2026 zetten we ook sterk in op de verdere implementatie van de Omgevingswet. Dit omvat het verder inregelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet, het versterken van informatie gestuurd werken, en het benutten van de kansen die voortvloeien uit de energie- en klimaatopgaven. Samen met de andere ZuidHollandse omgevingsdiensten werken we aan innovatieve oplossingen, kennisdeling en een gezamenlijke aanpak van uitdagingen zoals ondermijning en cybersecurity. Daarnaast blijven wij investeren in onze medewerkers. De krapte op de arbeidsmarkt vraagt om een creatieve en gezamenlijke arbeidsmarktbenadering, zoals het met de andere Zuid-Hollandse omgevingsdiensten gezamenlijk opgezette programma “De Betere Wereldbaan” en de landelijke naamsbekendheidscampagne “Werken bij de omgevingsdiensten".
Door de samenwerking met andere omgevingsdiensten, kennisinstellingen en regionale partners versterken wij onze aantrekkelijkheid als werkgever en vergroten wij onze capaciteit om de opgaven van de toekomst aan te pakken. De komende jaren staan wij voor complexe en soms tegenstrijdige uitdagingen. Toch zien wij deze als kansen om ons verder te ontwikkelen en onze bijdrage aan een duurzame leefomgeving te versterken. Wij blijven ons inzetten om met robuuste oplossingen en hoogwaardige dienstverlening waarde toe te voegen voor onze deelnemers en partners. Marlies Krul-Seen Directeur Omgevingsdienst West-Holland
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
3 INLEIDING BELEIDSKADER De Nota Planning & Control vormt de basis voor de planning- en control cyclus van de dienst, waarvan deze Kadernota onderdeel uitmaakt: het is het startdocument van een nieuwe cyclus. Na goedkeuring door het algemeen bestuur, voorzien op 10 maart 2025, dient de Kadernota als basis voor de Begroting 2026, die in februari-maart 2025 wordt opgesteld en 7 april 2025 als concept ter vaststelling wordt geagendeerd bij het dagelijks bestuur. Vervolgens wordt de begroting voor zienswijzen voorgelegd aan de raden en staten van de deelnemers. Het algemeen bestuur neemt, volgens planning, op 14 juli 2025 een definitief besluit over de Begroting 2026.
BELEIDSMATIGE UITGANGSPUNTEN In 2024 is de nieuwe Strategie voor 2024-2035 vastgesteld. Deze geeft op zich al richting aan onze planning en programmering, maar we willen dat nog concreter uitwerken in een meerjaren-uitvoeringsprogramma (MUP). Het is de bedoeling dat het MUP een bijlage bij de Kadernota wordt. Maar op dit moment is het nog slechts een hele lange lijst met heel veel projecten van allerlei aard. We hebben geconstateerd dat we een systematiek nodig hebben om het MUP te prioriteren, te plannen en te programmeren. Daartoe introduceren we portfoliomanagement: dit wordt in 2025 ontwikkeld in combinatie met meer projectmatig werken.
BASISTAKEN OF ROBUUSTE TAKEN? Onze kernverantwoordelijkheden als Omgevingsdienst bestaan voornamelijk uit het regionaal uitvoeren van milieutaken, zoals aanvankelijk vastgelegd in de ‘package deal’, afspraken tussen IPO en VNG die later bij wet zijn geregeld. Deze taken, voortkomend uit de aanbevelingen van de commissie Mans en gericht op de herziening van het handhavingsstelsel voor VROM-regelgeving, richten zich op bovenlokale, complexe en provinciale milieuzaken. De bundeling van kennis via deze afspraken heeft de kwaliteit van onze taakuitvoering verbeterd. Na evaluatie in 2021 heeft de commissie Van Aartsen aanbevelingen gedaan over de robuustheid, onafhankelijke positie en financiering van omgevingsdiensten. Deze aanbevelingen zijn geïntegreerd in het Interbestuurlijk Programma VTH (IBP VTH). Via een SPUK-regeling heeft het Ministerie van I&W incidentele middelen verstrekt voor de uitwerking van deze aanbevelingen in 2022, 2023 en 2024, om bij te dragen aan verbeteringen binnen onze dienst. Daarnaast zijn criteria, randvoorwaarden en kritische prestatie-indicatoren (kpi’s) ontwikkeld om de robuustheid van de diensten te beoordelen. Op basis van de scores op deze kpi’s heeft iedere omgevingsdienst vóór 1 april 2024 een plan van aanpak (ter verbetering) van de robuustheid van de dienst gemaakt en ingebracht bij het ministerie van I&W.
Dit plan wordt tot 1 april 2026 uitgevoerd, en is bedoeld te leiden tot een dienst die zelfstandig voldoet aan alle robuustheidscriteria. Het plan van aanpak wordt momenteel uitgevoerd, de eerste halfjaarrapportage is eind december 2024 bij het ministerie van I&W ingediend. Mede gebaseerd op de positieve beoordeling van het plan van aanpak en de bespreking daarvan met het ministerie begin november 2024 is de verwachting dat de dienst per 1 april 2026 robuust is conform de gestelde criteria. Parallel aan het traject rond de adviezen van Van Aartsen hebben de vijf Zuid-Hollandse omgevingsdiensten in opdracht van de provincie een samenwerkingsprogramma opgesteld. Het resultaat is een verbreding en een verdieping van de beschikbare denk- en ontwikkelingskracht bij de betrokken
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
4 diensten. Ook in 2026 zal deze samenwerking verder worden uitgebouwd met thema’s die aansluiten bij het IBP VTH en die bijdragen aan de (gezamenlijke) robuustheid van de diensten in Zuid-Holland. Het gaat hierbij, naast gericht collegiaal samenwerken op werkvelden waar we afzonderlijk onvoldoende kwaliteit kunnen bereiken, in elk geval om de thema’s informatievoorziening en digitalisering, het verbeteren van onze gezamenlijke positie op de arbeidsmarkt, een betere afstemming tussen straf- en bestuursrecht en het uitbouwen van de kennisuitwisseling.
2026 Robuustheid is geen doel op zich, maar gaat hand in hand met doelstellingen op het gebied van kwaliteit. In 2026 willen wij daarom voor wat betreft de basistaken inzetten op uitbouw en veelzijdiger benutting van onze onderliggende kennissystemen en het verder inregelen van veranderingen die mede als gevolg van de invoering van de Omgevingswet zijn opgetreden: o verder inregelen van het werken met het Digitaal Stelsel Omgevingswet en komen tot vastgelegde (werk)afspraken; o operationeel maken van de Altijd Actuele Digitale Vergunning in samenspraak met de vijf ZuidHollandse omgevingsdiensten; o verder uitbouwen van het Zuid-Hollandse Datalab; o verder ontwikkelen van het Administratief Toezicht als gezamenlijk project van de vijf ZuidHollandse omgevingsdiensten o doorontwikkelen van integrale advisering op basis van de ervaringen met de Omgevingswet o in samenwerking met andere Zuid-Hollandse omgevingsdiensten komen tot uniforme rapportages over de kwaliteitscriteria VTH; o het aan de hand van de kaders aangegeven in Omgevingsplannen en de beschikbaar gestelde budgetten verder inregelen van de uitvoering van de bodemtaken.
Daarbij ruimte houden voor lokaal maatwerk; o het opstellen van een Uitvoeringsagenda grondwatersaneringen; o extra inzet op het beleidskader voor - en de uitvoering van VTH-voorschriften die de energietransitie bevorderen; o het netwerk binnen de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten benutten om via best practices verdere verbeterslagen te maken.
PLUSTAKEN Naast de taken van de ‘package deal’ voert onze dienst nog andere taken uit, die sterk worden beïnvloed door de programma's van onze deelnemers. In het coalitieakkoord "Krachtig Zuid-Holland" (2023-2027) benadrukt de provincie haar streven naar hoogwaardige uitvoering van milieu- en groene taken door omgevingsdiensten. Uit diverse raads- en coalitieakkoorden van onze deelnemers blijkt een gezamenlijke focus op duurzaamheid, energietransitie en regionale samenwerking, met specifieke aandachtspunten per deelnemer. Onze dienstverlening voor deze extra taken richt zich op het versterken van lokale afweging en sturing. Hierbij ligt de nadruk op het benutten van innovatieruimte om onze deelnemers optimaal te ondersteunen. Werken aan een toekomstbestendige regio Het gebied van de dienst kenmerkt zich door uitersten: enerzijds stedelijke gebieden met grote ruimtelijke dynamiek, anderzijds landelijke gebieden, soms van grote natuurwaarde. Enerzijds de voelbare economische motor van Schiphol, anderzijds grote druk op de kwaliteit van de leefomgeving als gevolg van geluid en matige luchtkwaliteit. Over dit alles ligt ook nog eens een kennisinfrastructuur van
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
5 wetenschapsinstituten in regio (universiteit Leiden, LUMC, Naturalis, Drone Valley, ESA/Estec). In dit gebied ruimtelijke of andere afwegingen maken is een complexe opgave. Door Holland Rijnland is daarvoor een Regionale investeringsagenda (RIA) opgesteld als gebiedsgerichte uitwerking van de prioriteiten geformuleerd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de Groeiagenda Zuid-Holland. Al die uitersten brengen ook met zich mee dat juist in dit gebied overlap is van 3 verschillende NOVEX-programma’s: NOVEX Groene Hart, NOVEX Verstedelijkingsgebied Zuidelijke Randstad en NOVEX Schipholregio. De Regionale omgevingsagenda, opgesteld door Holland Rijnland, is de visie op hoofdlijnen hoe op integrale wijze alle ruimte-vragende functies een plek in de regio kunnen krijgen en de keuzes die daarbij moeten worden gemaakt. In toenemende mate zoeken en vinden we de samenwerking met Holland Rijnland Bij de uitvoering van alle complexe ambities. Werken aan landelijk gebied Wat betreft het landelijk gebied staat het Nationaal Programma Landelijk Gebied centraal. Om het landelijk gebied toekomstbestendig te ontwikkelen zijn in het kader van dit programma stikstof-, klimaat-, water- en natuurdoelen ruimtelijk uitgewerkt en vastgelegd in een gebiedsplan. Deze aanpak moet de verslechtering van Natura 2000-gebieden tegengaan en de natuur in goede staat krijgen én houden.
De maatregelen die uit deze aanpak voortvloeien zullen effect hebben op onze werkzaamheden in het kader van bestemmingsplannen en op onze bouw- en milieutaken. Diverse uitspraken van de Raad van State hebben dat overigens nu al. Het natuuraspect in ons werk neemt toe in omvang en belang. Werken aan de planstructuur Omgevingswet De drie NOVEX-en en de Regionale Omgevingsagenda van Holland Rijnland moeten worden opgenomen in de nieuwe planstructuur van de Omgevingswet. Gemeenten hebben tot 2029 om beleidskeuzes te maken, wat resulteert in beslissingen op verschillende bestuurlijke niveaus met betrekking tot opgaven zoals: o de regionale woningbouwopgave o de verduurzaming van aanwezige bedrijvigheid o de transities in de landbouw o de versterking van het energienet o de verbetering van de leefbaarheid van de woonomgeving verhoogde zorg rond natuurbehoud en herstel van, onder andere, kwetsbare duingebieden Terwijl de Omgevingswet in meer lokale afwegingsruimte moet voorzien, passend bij lokaal beleid, zal deze afwegingsruimte met name via verschillende (bovenlokale) Uitvoeringsagenda’s inkleuring gaan krijgen. Werken aan ondermijning Ondermijning is de laatste jaren een belangrijk bestuurlijk thema vanwege de impact op de samenleving. Binnen verschillende taakgebieden van de dienst kunnen medewerkers situaties tegenkomen die verband houden met ondermijning.
De dienst zet in op het signaleren van dergelijke omstandigheden en het doorgeven daarvan aan relevante partijen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met onder andere het Haags Economisch Interventie Team (HEIT), het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (RIEC), het Bestuurlijk Ondersteuningsteam (BOT), politie, Veiligheidsregio, Liander en gemeenten.
2026 De inzet vanuit onze dienst en daarmee de producten die wij leveren, zal van meerwaarde bij de omgevingszorg moeten zijn. Dit vereist niet alleen inzet op innovatie, maar ook oriëntatie op hoe het bijdraagt aan versterking van lokale afweging en sturing: o het vanuit de dienst actief betrokken zijn bij de uitwerking van de verschillende Uitvoeringsagenda’s dan wel onze deelnemers vanuit onze expertisegebieden ondersteunen bij Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
6
o
o o
o o
hun inzet op deze agenda’s. Om een sterke inbreng vanuit de regio te kunnen geven, werken we nauw samen met Holland Rijnland en Hecht. het in lijn met de meerjarige strategie het takenpakket van de dienst nader afstemmen op de ontwikkelingen die aan de hand van die Regionale investeringsagenda in gang worden gezet. Daartoe brengen we de maatschappelijke opgaven in het werkgebied in kaart. focus op energiebesparing en -opwekking bij bedrijven, met intensievere samenwerking met Holland Rijnland en het aanpakken van nieuwe thema's. het benutten van de kansen uit de Omgevingswet en de stelselwijzing rond de uitvoering van VTHtaken. Dit door de uitvoering van bouwtaken als adviseur en leverancier van capaciteit op projectmatige basis voor een grotere groep deelnemers aantrekkelijker te maken om af te nemen. voor het behalen van doelen zoekt de omgevingsdienst samenwerking met collegaomgevingsdiensten en onder andere Holland Rijnland en de Veiligheidsregio Hollands Midden. het ondersteunen van gemeenten in hun coördinerende rol bij het uitvoeren van integrale controles in relatie tot ondermijning.
ORGANISATIE Werken aan de arbeidsmarkt Ook voor onze dienst is het lastig vacatures te vervullen en naar verwachting blijft dit zo de komende jaren. De Zuid-Hollandse omgevingsdiensten hebben daarom een gezamenlijke arbeidsmarktbenadering opgezet onder de naam “De Betere Wereldbaan”. Een van de resultaten is het gezamenlijk opstarten van een traineeprogramma. Deze samenwerking is zeer succesvol en wordt voortgezet; er wordt tevens aangesloten bij de landelijke ontwikkelingen op dit gebied bij Omgevingsdienst NL. Werken aan kwaliteitsverbetering De weg naar de robuustheid vereist een hoger budget voor opleidingen: 3% van de totale loonsom. Deze verplichte investering in medewerkers maakt het mogelijk om een stevige kwaliteitsimpuls aan ons personeelsbestand te geven en op overzichtelijke termijn te voldoen aan de vernieuwde kwaliteitscriteria. In combinatie met goed gebruik maken van het onder het IBP VTH gestarte driejaarlijkse visitatietraject, dat de dienst de spiegel voorhoudt en verbeteringen suggereert, kan de dienst zich verder ontwikkelen en verbeteren. Werken aan informatievoorziening en datakwaliteit In 2024 heeft de dienst ingezet op het verbeteren van de datakwaliteit. Dit is van belang voor het kunnen aanleveren van informatie aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet, het kunnen sturen op risico's en het rapporteren over resultaten.
Vanaf 2025 ligt de focus op de verdere doorontwikkeling van de informatievoorziening. In 2026 gaat de bijzondere aandacht gaat uit naar de informatie-infrastructuur voor de altijd actuele digitale vergunning (AADV), de Wet Open Overheid (WOO), Basisregistratie Ondergrond (BRO) en het GEO/Gis-systeem. Deze ontwikkeling bouwt voort op het in 2022 gevestigde en versterkte fundament van de informatievoorziening en de conclusies van de Commissie van Aartsen. Werken aan cybersecurity De digitale dreiging voor gemeenten en dus ook omgevingsdiensten neemt toe. Door de toenemende koppelingen van data wordt deze steeds gevoeliger voor cyberaanvallen. De bedrijfsvoering kan substantieel geschaad worden als knelpunten optreden in de informatievoorziening en/of -bescherming. De dienst zet structureel in op verbeteren van de informatiebeveiliging en zoekt hiertoe de nauwe samenwerking met de andere omgevingsdiensten in de provincie Zuid-Holland. Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
7
Werken aan Innovatie Ook het voor de robuustheid vereiste budget van 1% heeft de dienst sinds 2024 beschikbaar. Innovatieprojecten zal de dienst zowel met de andere omgevingsdiensten in de provincie Zuid-Holland, als eigenstandig ontwikkelen. Doel ook daarvan is uiteraard om te komen tot kwaliteitsverbeteringen, vergroting van efficiency of, bij voorkeur, beide. Een innovatieprogramma wordt voorbereid en is naar verwachting in 2026 operationeel.
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
8 ALGEMENE FINANCIËLE UITGANGSPUNTEN INDEXERING In de nota Planning en Control is vastgelegd dat het uurtarief en de materiële budgetten van de deelnemers jaarlijks worden geïndexeerd volgens de richtlijn van de commissie Financiële Kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden (FKGRHM), tenzij het algemeen bestuur anders besluit. Sinds 2010 gebruiken gemeenten in de regio Hollands-Midden deze FKGRHM-richtlijn voor uniforme afspraken over indexering en algemene taakstellingen bij gemeenschappelijke regelingen. De Provincie Zuid-Holland neemt niet deel aan de commissie FKGRHM en is niet gebonden aan deze kaderstelling. De provincie heeft andere financiële kaders aangegeven voor de gemeenschappelijke regelingen waarin zij deelneemt. De indexering voor 2026 wordt gecorrigeerd voor ontwikkelingen in het jaar 2024 t/m 2025: Onderdeel Loon Materieel
Indexatiepercentage Provincie Zuid-Holland 2,00% 3,00%
Indexatiepercentage FKGRHM 2,10% 2,70%
Verschil 0,1 % -0,3 %
Het verschil tussen beide komt voort uit andere gekozen uitgangspunten die gebaseerd zijn op publicaties van het CPB, en de andere benadering van de commissie FKGRHM. Deze commissie streeft naar een waardevaste indexering, houdt rekening met ontwikkelingen in 2024 en 2025, en verwerkt deze in het uiteindelijke indexeringspercentage. De provincie hanteert een andere wijze van indexering. Het algemeen bestuur beslist in beginsel over het indexeringspercentage. In lijn met voorgaande jaren wordt uitgegaan van het indexeringspercentage zoals vastgesteld door de commissie FKGRHM. De prijsindexatie voor 2026, na correctie voor 2024 en 2025, is 2,10% voor personeelskosten en 2,70% voor materiële kosten. Het gewogen gemiddelde, met 75% op personeelskosten en 25% op materiële kosten, resulteert in een indexeringspercentage van 2,25%. Niet eerder voorgekomen en bijzonder dit jaar is dat het gewogen gemiddelde op basis van de prijsindexatiepercentages van de provincie resulteert in exact hetzelfde indexeringspercentage van 2,25%.
TARIEF 2026 Uurtarief deelnemers In overeenstemming met de aangegeven indexering bedraagt het uurtarief voor 2026 € 116,60 voor alle deelnemers. De ontwikkeling van het uurtarief is: Begroting Uurtarief
2025 € 114,00
Indexering 2,25% € 2,60
2026 € 116,60
Overige tarieven De Omgevingsdienst verstrekt bodeminformatie via het Bodem Informatiepunt (Bip). Hiervoor betalen de afnemers (voornamelijk de makelaars) een vergoeding per aanvraag. Het tarief laat de volgende ontwikkeling zien: Ontwikkeling tarief per aanvraag via Bip: BIP Tarief per aanvraag
2024 € 47,27
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
2025 € 51,64
Indexering 2.25% € 1,16
2026 € 52,80
9
INVULLING ADVIES FKGRHM VOOR BEGROTING 2026 De commissie FKGRHM heeft voor de begroting van 2026 het advies gegeven aan de gemeenten om de gemeenschappelijke regelingen te vragen een bijdrage te leveren aan het zogenaamde “Ravijnjaar” en stellen een begrotingsafname voor van 6% ten opzichte van 2025. Aan de gemeenschappelijke regelingen is gevraagd hiervoor in besturen met voorstellen te komen. Eventuele frictiekosten moeten afzonderlijk worden verantwoord en via een apart besluit aan het algemeen bestuur worden voorgelegd, waarbij incidentele dekking aan gemeenten kan worden gevraagd. De commissie FKGRHM adviseert de ‘taakstelling’ in te vullen op basis van beïnvloedbare lasten, zoals met Berenschot zou zijn geïnventariseerd. Zoals ook met Berenschot is gedeeld ziet de dienst daartoe geen concrete mogelijkheden op korte termijn. Immers, recent heeft de dienst in het kader van de robuustheid ook al een verhoging van opleidingsbudget naar 3% en een innovatiebudget van 1% door herschikking binnen de begroting moeten verwezenlijken, en de marges waren al klein. Dit betekent echter niet dat de dienst de begrotingsafname niet wil doorvoeren, maar wel dat de dienst voorstelt om dit op een geheel andere wijze te realiseren. De begroting met 6% beperken: hoe dan wel? De dienst wil de totale begroting voor 2026 en volgende jaren met 6% verlagen langs drie sporen: 1.
Het inmiddels structureel optredende positieve exploitatieresultaat van om en nabij 3% in een jaar brengen we in de begroting van twee jaar later in. 2. We gaan uit van 3% planningsoptimisme in de werkplannen; omdat de begroting van een jaar gebaseerd is op de werkplannen van het jaar daarvóór, kan de begroting beperkt worden tot 97%. 3. Het combineren van deze twee werkwijzen levert een begrotingsbeperking op van 6% in de eerste twee jaar. Vanaf 2028 is dit zeer waarschijnlijk nog maar 3%: toepassing van spoor 2 maakt dat de voeding van spoor 1 wegvalt. De dienst heeft twee jaar langer de tijd om voor 3% aan structurele bezuinigingen/lastenbeperkingen te realiseren. Ad 1. Dat de dienst aan het eind van het een positief saldo laat zien is inmiddels geen incident meer. Diverse uitgangspunten en werkwijzen zorgen daarvoor: verplichtingen en budgetten niet uitputten, verliezen direct nemen en eventuele winst later, risico’s vermijden, etc. De regels van het BBV maken het niet mogelijk om bijvoorbeeld het ‘projectontwikkelaarsgebruik’ om de winst van het ene project aan te wenden voor de financiering van het volgende project toe te passen. Vertaald naar de dienst zou dat betekenen dat we het resultaat van 2024 zouden gebruiken om de begroting van 2026 sluitend te maken: de jaarcijfers 2024 en de begroting 2026 worden ongeveer gelijktijdig geproduceerd.
Via de algemene reserve kan dit mogelijk wel gerealiseerd worden; wellicht is daarvoor een beleidswijziging nodig. Ad 2. Het is belangrijk voor de deelnemers dat ze minder geld voor de dienst hoeven op te nemen in de begroting; het feitelijk afrekenen van werkelijk gemaakte uren is in de praktijk eigenlijk nooit een probleem, ook omdat er vaak extra inkomsten tegenover staan (leges, grondexploitatie, kostenverhaal). De financiering van de dienst is in grote mate P * Q: uurtarief * hoeveelheid uren. In het uurtarief zit de overhead/exploitatie: de dekking van met name salariskosten en allerlei extra kosten, zoals opleiding. Een reguliere bezuiniging zou een verlaging van het uurtarief (P) met 6% betekenen. Dat kan de dienst niet invullen, in combinatie met het moeten voldoen aan de robuustheidscriteria vanaf 2026. Dit zou leiden tot een structureel niet sluitende begroting voor de dienst, eenvoudigweg omdat de kosten te hoog zijn. De alternatieve bezuiniging die we voorstellen gaat om een verlaging van de hoeveelheid uren (Q), omdat we in de begroting uitgaan van een raming van het realiseren van een aantal uren, maar in de praktijk bij de Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
10 uitvoering van de begroting (10 tot 22 maanden na het opstellen van die begroting) blijkt dat er andere wensen en voorkeuren zijn. Naarmate het werk minder goed vooraf te plannen is, is er ruimte voor afweging van de noodzaak van de uitvoering van de taak, wordt er meer prioriteit gevraagd voor werk waarvoor een andere financiering beschikbaar is, of is er sprake van een combinatie van beide. Als je er zeker van zou willen zijn dat je 100% realiseert, zou je eigenlijk meer dan 100% moeten plannen. Dit heet ook wel planningsoptimisme: met meer rekening houden omdat nooit alles doorgaat, en dan precies uitkomen op wat aan je doelstelling voldoet. Dus plan bijvoorbeeld 103%, om er zeker van te zijn dat je op 100% uitkomt. Of: accepteer dat je met 100% plannen 97% realiseert. Maar dan wel de 97% die het meest nodig en/of nuttig zijn. Blijft natuurlijk nog de grote vraag hoe het komt dat de dienst bij een lagere Q niet in de problemen komt door het wegvallen van een deel van de dekking, maar daar juist een positief exploitatieresultaat mee kan halen. Analyse van de afgelopen jaren laat zien dat er ruwweg een drietal grote oorzaken is: a. Het ontvangen van rente over grote subsidiebedragen b. Consequent alles budgetteren en verplichten leidt tot vrijval later in het jaar c.
Goed sturen op inzet en inhuur en niet tegen elke prijs inhuren, maar dan prioriteren, in overleg met de opdrachtgevers. Kort gezegd: de beste kostenbesparing is dingen niet meer doen. Dit proberen we gericht toe te passen en op een manier die past bij de prioriteiten van de deelnemers. Ad 3. Uiteraard zoeken we ook altijd naar besparingsmogelijkheden. Op de wat langere termijn van twee à drie jaar zien we die vooral op de volgende onderwerpen: - Productiviteitsverhoging en vermindering van inhuur: door optimalisatie van werkprocessen en efficiënter gebruik van middelen wordt de effectiviteit binnen kerntaken verhoogd. Strategische invulling van vacatures via natuurlijk verloop en flexibele inzet van medewerkers vermindert de afhankelijkheid van externe inhuur. Het versterken van de vaste formatie zorgt voor continuïteit en stabiliteit. - Automatisering: door herhalende en tijdrovende taken te automatiseren met nieuwe software en verbeterde systemen, kan meer werk worden gedaan met minder capaciteit. Dit verhoogt de efficiëntie, verlaagt de kosten en maakt processen sneller en eenvoudiger. Dit vraagt nog wel een inspanning van de dienst in de komende jaren. - Samenwerking met andere omgevingsdiensten: door voorzieningen te delen, gezamenlijk in te kopen en expertise uit te wisselen, kunnen kosten worden bespaard en schaalvoordelen gerealiseerd.
Deze samenwerking versterkt innovatie en kennisdeling en draagt bij aan een toekomstbestendige werkwijze. Risico’s Bij deze aanpak zijn nog wel enkele kritische kanttekeningen te maken: 1. Uiteindelijk zullen niet alle deelnemers ook op een bezuiniging van 6% in de resultaatfase eindigen, omdat met en door de deelnemers verschillende afwegingen gemaakt worden. Maar zoals eerder aangegeven zijn er ook alternatieve financieringsbronnen die niet altijd vooraf vaststaan en ingezet kunnen worden. 2. Er is geen rekening gehouden met potentiële tegenvallers, zoals (hoge) cao-aanpassingen die niet (meteen) gecompenseerd worden, of een sterk afnemende rentestand. Mochten deze zich voordoen, dan kan een beroep op frictiekosten/bezuinigingskosten wellicht noodzakelijk zijn, terwijl we daar vooralsnog niet vanuit zijn gegaan. 3. Het recente besluit van de raad van Noordwijk om de bouwtaken per 1 januari 2027 zelf te gaan uitvoeren heeft hoe dan ook financiële consequenties en risico’s, waarmee vooralsnog geen rekening hebben kunnen houden. Voor de robuustheid van de dienst zijn deze taken minder relevant, omdat ze zowel qua omzet als qua inhoudelijke expertise slechts beperkt meetellen.
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)
11
CAO ONTWIKKELINGEN De huidige CAO gemeenten/SGO loopt op 1 april 2025 af. Ten tijde van het opstellen van deze kadernota zijn de onderhandeling voor de nieuwe CAO gemeenten reeds gestart, maar ze stagneren. De uiteindelijke uitkomst van deze CAO kan gevolgen hebben voor het realiseren van de gevraagde taakstelling. Wij houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten en zullen de gevolgen verwerken in de begroting 2026 als dat qua planning mogelijk is of desnoods in een begrotingswijziging.
PRODUCTIVITEITSNORM Voor 2026 geldt een productiviteitsnorm van 1.365 uur per fte per jaar op basis van een 36-urige werkweek. Deze productiviteitsnorm geldt vanaf 2025 en tot nader order.
ONDERTEKENING Vastgesteld door het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst West-Holland op 10 maart 2025,
De voorzitter,
De secretaris,
A.M. North
M.E. Krul-Seen
Agendapunt 5 AB 10 maart 2025: Kadernota 2026 (2025036407)