Bijlage 1c Samenwerkingsovereenkomst.pdf
Tekst van het document
Terug naar verwijspagina
Duur
3,3
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | omvang wachtlijst BW aan de start Omvang van de wachtlijst Om een zo getrouw mogelijk beeld te krijgen, hanteren we dezelfde selectiecriteria als bij het aantal cliënten. We kijken dus naar cliënten die geen WLZ indicatie hebben. We maken geen selectie op financieringswijze (pgb/natura). We maken onderscheid tussen cliënten die subregionaal of regionaal worden bekostigd. De cliënten waarvan dat onbekend is, verdelen we weer naar rato over de beide andere categorieën. De cliënten die onder subregio ‘overig’ staan, nemen we ook nu niet mee. Het resultaat ziet er als volgt uit. Subregio
44
Regionaal
Subregionaal
Duin en bollenstreek
17
25
Leidse regio
25
54
Rijnstreek
15
55
Terug naar verwijspagina
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | instroom BW vanuit objectief model (1/2) Het laatste ontbrekende element is het aantal verwachte aanmeldingen voor beschermd wonen in de subregio’s. We bepalen dit in twee stappen, op basis van informatie uit het objectieve model: 1. Hoeveel cliënten je verwacht dat zich jaarlijks melden, op basis van het geraamde objectieve bedrag.
▹ Het geraamde benodigde aantal plekken is daarmee 519.
2. Hoe deze cliënten verdeeld zijn over de subregio’s.
▹ Voor de gemiddelde duur gebruiken we de uitkomst van pagina 45: 3,3 jaar.
1. Verwachte aantal aanmeldingen per jaar ▹ Het verwachte aantal aanmeldingen per jaar is gelijk aan het uiteindelijke aantal benodigde plekken, gedeeld door de gemiddelde duur van een traject in jaren.
▹ Dit geeft een gemiddelde jaarlijkse aantal aanmeldingen in de toekomst van 158 cliënten voor de hele regio.
▹ We kunnen het aantal benodigde plekken uit het objectieve model halen, door het totale objectieve budget dat de regio per jaar gaat ontvangen, te delen door de gemiddelde kosten per plek per jaar. ▹ Dit eerste is gelijk aan € 41.487.687 (zie hier). ▹ Voor dit tweede nemen we de huidige kosten voor een plek en vermenigvuldigen dit met een prijsindexatie om de toekomstige kosten per plek te bepalen. De huidige kosten voor een plek 1. Geraamde uitgaven gedeeld door het aantal plekken. 45
nemen we € 59.455.1 We hanteren een prijsindexatie van 3% (gemiddelde percentages van de OVA over de afgelopen jaren. Dan komen we uit op € 79.902 voor de gemiddelde kosten voor een plek per jaar over 10 jaar.
Terug naar verwijspagina
2. Hoe deze cliënten verdeeld zijn over de subregio’s ▹ We nemen aan dat ook in de toekomst ook zo’n 19% van het aantal plekken regionaal ingekocht blijft.
▹ Voor de subregionaal ingekochte plekken hanteren we de inkomsten uit het objectieve verdeelmodel als verdeelsleutel. Dit is op de volgende pagina weergegeven.
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | instroom BW vanuit objectief model (2/2) Categorie
# plekken (’34) Toelichting
Totaal
519 Zie vorige pagina
Regionaal
100 19% van totaal
Subregionaal
420
Leidse regio
192 45,7% inkomsten uit obj. budget1
Duin- en Bollenstreek
123 29,3%
Rijnstreek
105 25,1%
Bij een gemiddelde duur van 3,3 jaar (zie pagina 43), komt dit overeen met het volgende aantal aanmeldingen per jaar: Categorie
Geraamd aantal aanmeldingen per jaar (’34) o.b.v. gemiddelde trajectduur van 3,3 jaar
Totaal
158
Regionaal
30
Subregionaal
128
Leidse regio
58
Duin- en Bollenstreek
37
Rijnstreek
32
We splitsen deze aantallen uit naar doelgroep op basis van de percentages in de tabel op pagina 44.
1. Bron: Uitwerking overgangsregeling integratie-uitkering Beschermd wonen versie september 2021 inclusief nacalculatie Wlz 46
Terug naar verwijspagina
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | gehanteerde uitgaven per BW-plek Voor de financiële raming vermenigvuldigen we het geraamde aantal plekken in een jaar met de gemiddelde prijs per plek in datzelfde jaar. Voor deze laatste nemen we de gemiddelde uitgaven per plek die we vervolgens indexeren voor komende jaren. Daarbij houden we voor nu een indexatie van 3% per jaar aan.
Aantal plekken in 2023
Gemiddelde uitgaven per plek
Duin- en Bollenstreek
€ 4.200.000
119
€ 35.294
Rijnstreek De gemiddelde prijs per plek verbijzonderen we naar subregio om maximaal aan te sluiten bij hun eigen situatie. We hanteren daarvoor de Leidse regio financiële opgaves van de subregio’s en delen dit door het aantal door hen aangeleverde plekken. Bij de Duin en Bollenstreek is dit inclusief uitvoeringskosten voor BW, bij de Rijnstreek is dit niet het geval. We hogen daarvoor de zorgkosten op met 10%. Zo komen we op de volgende kosten per plek in 2023.
€ 4.257.2651
84
€ 50.682
€ 8.609.000
187
€ 46.037
1. Dit is € 3.870.241met een opslag van 10% voor uitvoeringskosten. 47
Geraamde uitgaven 2023 (incl. uitvoeringskosten)
Terug naar verwijspagina
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | aantal plekken MO aan de start Het op- en afbouwmodel voor MO kent dezelfde structuur en werkwijze als dat voor BW: we kijken naar het benodigde aantal plekken per subregio om de instroom te kunnen accommoderen, gegeven een bepaalde gemiddelde duur van trajecten. Hoewel er in de praktijk geen wachtlijsten kunnen bestaan, gebruiken we weer (virtuele) wachtlijsten als indicator van een tekort of overschot aan plekken.
Subregio
Alleenstaanden Jongeren
Gezinsopvang
Leidse regio
62
15
12
Duin- en Bollenstreek 9
0
3
Rijnstreek
11
4
6
We voeden het model weer met dezelfde type parameters als bij BW. We hanteren daarbij het volgende.
Totaal
82
19
21
Doelgroepen We maken onderscheid tussen gezinnen, alleenstaanden en jongeren. Aantal plekken aan de start We gaan uit van de aantallen plekken per doelgroep en subregio aan de start1 zoals in de tabel rechts weergegeven is. Wachtlijst Er is geen sprake van een (noemenswaardige) wachtlijst aan de start.
48
1. Bron: Pandenlijst locaties 12-07-2022 Opvang Tussenvoorziening naar subregio, hierop zijn enkele kleine bewerkingen uitgevoerd (4 plekken die als voor alleenstaanden geregistreerd staan, zijn voor jongeren bedoeld. Daarnaast hebben we voor gezinnen het aantal plekken (ipv bedden) geteld.) 2. Bron: jaarverslag Binnenvest 2021, tabel pagina 12.
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | instroom van cliënten in de decentrale opvang Gemiddelde kosten per plek We gaan hiervoor uit van de financiële gegevens vanuit de regio. Het totale budget voor de decentrale MO nemen we gelijk aan2 € 3.591.000. Per plek (zie drie pagina’s eerder) komen we dan op gemiddeld € 31.226 wanneer met bovenstaand bedrag ook de tussenvoorziening gefinancierd moet worden. Dit bedrag wordt herkend door de subregio’s.
% Inkomsten
Duin- en Bollenstreek
25,9%
Leidse regio
20,4%
53,8%
We nemen dit als verdeelsleutel om te voorkomen dat eventuele schommelingen in 2021 ten opzichte van het gemiddelde geen onnodig grote impact hebben. Het is echter belangrijk om meerjarig bij te houden of de daadwerkelijke instroom en aandeel in verdeelmodel voldoende met elkaar overeenstemmen. We hanteren deze percentages voor de verdeling van de instroom in de toekomst:
Instroom van cliënten We hanteren hier het totaal van 68 ingestroomde cliënten1 in 2021 als de totale meerjarige instroom. Dit moet nader over doelgroep en subregio verdeeld worden. Voor deze eerste hanteren we1
Subregio
Subregio
Gezinsopvang
Jongeren
Alleenstaanden
Duin- en Bollenstreek
4,3
3,1
6,5
13,8
Totaal (#)
21
15
32
68
Rijnstreek
5,4
3,9
8,3
17,6
Totaal (%)
30,9%
22,1%
47,1%
100%
Leidse regio
11,3
8,1
17,2
36,6
Totaal
21,0
15,0
32,0
68,0
Totaal
Voor de verdeling over subregio’s gaan we uit van de objectieve verdeling voor MO, doorvertaald naar de verschillende subregio’s: 49
Rijnstreek
1. Bron: jaarverslag Binnenvest 2021, tabel pagina 14. Totalen komen niet altijd overeen, omdat cliënten bijv. in verschillende gemeenten gewoond hebben. 2. Bron: Rekenmodel BW en MO versie juni 2022, tabblad ‘verdeelsleutels’, percentages opgeteld per gemeente.
Gezin
Jongeren Alleenstaanden Totaal (#)
Bijlagen
Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | duur van trajecten decentrale opvang Duur van trajecten We bepalen de gemiddelde ‘duur’ van trajecten door het totaal aantal verblijfsdagen1 in ’21 te delen door het aantal ingestroomde cliënten1: Doelgroep
Instroom
Verblijfsdagen Dagen/cliënt Jaar/ (instroom) cliënt
Gezin
21
6.264
298,29
0,82
Jongeren
15
2.555
239,94
0,66
Alleenstaanden
32
7.678
170,33
0,47
Merk op dat deze uitkomsten niet overeenstemmen met de feitelijke duur van trajecten, maar meer rekenkundig van aard is; het is namelijk het aantal verblijfsdagen per ingestroomde cliënt. De werkelijke duur van trajecten overstijgt namelijk vaak de jaargrens en bevat bovendien ook andere voorzieningen dan alleen de decentrale opvang. Dit beïnvloed de uitkomsten van het model echter niet. We veronderstellen voor het model dat deze gemiddelde (rekenkundige) duur in de toekomst hetzelfde blijft. 50
Daarnaast geven we rekenschap aan het feit dat voor MO altijd een bepaalde mate van leegstand nodig is om cliënten met urgentie snel te kunnen plaatsen. We definiëren hierbij een factor die correspondeert met de gemiddelde bezettingsgraad van de bestaande plekken. Dat doen we door het aantal verblijfsdagen per jaar te bepalen1. Doelgroep
# bedden
Verblijfdagen
Bezettingsgraad
Alleenstaanden
82
7.678
25,6%
Gezinnen
21
6.264
81,7%
Jongeren
19
2.555
36,8%
Totaal
122
16.497
37,0%
Ook hiervoor geldt dat dit percentage niet overeenstemt met de werkelijke bezettingsgraad, maar dat dit de uitkomsten niet beïnvloed. We veronderstellen in het model dat deze gemiddelde bezettingsgraad nu en in de toekomst volstaat. We komen tot een gemiddelde rekenkundige duur van trajecten door de duur per cliënt uit de tabel linksboven door dit percentage te delen.
1. Bron: jaarverslag Binnenvest 2021, tabel pagina 6. Dit veronderstelt overigens aaneengesloten trajecten. 2. Bron: Rekenmodel BW en MO, versie juni 2021, tabblad Raming MO.
Bijlagen
Hoofdstuk 3 | Omvang van onderlinge afhankelijkheden BW per doelgroep (1/2) Doelgroep LVB In onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtlijsten voor de verschillende subregio’s met elkaar vergeleken. Er is voor alle subregio’s een wachtlijst. Deze verschilt van regio tot regio enigszins van elkaar, met name tussentijds. Desondanks lijkt de wachtlijst in de Rijnstreek niet zo groot dat er druk op aanbod van de andere regio’s zal ontstaan en bij de Duin- en Bollenstreek niet zo klein dat er sprake zal zijn van leegstand. De risico’s lijken ons dus klein. Wachtlijst LVB per subregio
Doelgroep PL In onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtlijsten voor de verschillende subregio’s met elkaar vergeleken. Deze is relatief gezien groter in de Leidse regio dan in met name de Rijnstreek (en in mindere mate de Duin- en Bollenstreek). Hiervoor geldt bovendien dat de wachttijd voor deze doelgroep relatief kort is, waardoor op- en afbouw snel invloed kunnen hebben op de omvang van de wachtlijst. Daardoor kan het verstandig zijn om voor deze doelgroep in het bijzonder de vinger aan de pols te houden. Wachtlijst PL per subregio
14 15
12 10
10
8 6
5
4 2
0 2023
0 2023
2024
2025
2026
2027
Duin- en Bollenstreek
51
Terug naar verwijspagina
2028
2029
Rijnstreek
2030
2031
Leidse regio
2032
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
-5 Duin- en Bollenstreek
Rijnstreek
Leidse regio
2031
2032
Bijlagen
Hoofdstuk 3 | Omvang van onderlinge afhankelijkheden BW per doelgroep (2/2) Doelgroep JP Ook bij deze doelgroep is de wachtlijst relatief gezien groter in de Leidse regio dan in beide andere subregio’s. Voor deze doelgroep geldt dat het verschil tussen de huidige en beoogde verdeling van aanbod het grootst is, waardoor het belangrijk is dat op- en afbouw gecoördineerd plaatsvinden. Het is dus ook voor deze doelgroep verstandig om in het bijzonder de vinger aan de pols te houden.
Doelgroep ASS In onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtlijsten voor de verschillende subregio’s met elkaar vergeleken. Dit is een relatief grote groep cliënten waarvan het aanbod al redelijk in lijn is met de uiteindelijke situatie. De omvang van de wachtlijsten is in aanvulling daarop voor alle subregio’s ook van enige (maar niet te grote) omvang. We denken dat risico’s voor het aanbod van deze doelgroep klein zijn. Wachtlijst ASS per subregio
Wachtlijst JP per subregio 40
10
35
8
30 25
6
20
4
15 10
2
5
0 -2
2023
2024
2025
2026
2027
Duin- en Bollenstreek
52
Terug naar verwijspagina
2028
2029
Rijnstreek
2030
2031
Leidse regio
2032
0 2023
2024
2025
2026
2027
Duin- en Bollenstreek
2028 Rijnstreek
2029
2030
2031
Leidse regio
2032
Bijlagen
Hoofdstuk 3 | Omvang van onderlinge afhankelijkheden MO Doelgroep MO In onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtlijsten voor de verschillende subregio’s met elkaar vergeleken. De wachtlijst voor deze doelgroep is voor alle subregio’s klein. In de Duin- en Bollenstreek is deze zelfs op enig moment negatief1. Hoewel dit op een risico kan duiden, denken we dat de omvang van dit risico klein is, vanwege de omvang van de wachtlijst voor de beide andere subregio’s.
Wachtlijst MO per subregio 8 7 6
5 4
3 2 1 0 2023
2024
2025
2026
2027
Duin- en Bollenstreek
1. Dit komt voornamelijk voort uit het feit dat er aan de start geen wachtlijst voor deze doelgroep is in de Duin- en Bollenstreek. 53
Terug naar verwijspagina
2028 Rijnstreek
2029
2030
Leidse regio
2031
2032
Meer weten?
(030) 2363030 Andersson Elffers Felix
www.aef.nl Mail@aef.nl 31-8-2022