5. Regionale Strategie Mobiliteit AB 30 juni 2021.pdf
Tekst van het document
Vooral de inzet voor het verbeteren van knooppunt N11/A12 is een maatregel die sterk samenhangt met de regionale ambities en speerpunten van Holland Rijnland (zie ook hoofdstuk 4). OV In de landelijke gebieden is het huidige OV ontoereikend. Verbindingen sluiten niet goed op elkaar aan en gebruikmaken van het OV is tijdrovend. In het bijzonder zijn zorginstellingen en bedrijventerreinen niet goed bereikbaar met het OV. De praktijk leert dat zeker in kernen in Nieuwkoop en Kaag en Braassem het OV voor veel inwoners al een tijd geen serieuze optie is. Het is daarom - ook met betrekking tot de duurzaamheidsafspraken - de ambitie om het OV te verbeteren door goede aansluitingen te realiseren met snelle verbindingen, als ook goede doorgaande fietsroutes aan te leggen. Zo worden OV of fiets voor veel inwoners op termijn een eerlijk alternatief voor de auto en helpt het de wegen te ontlasten. Het is dus van belang om enerzijds hoogwaardig openbaar vervoer aan te bieden om inwoners een snelle verbinding te geven richting de centrumgemeenten en economische clusters. Anderzijds is ook in de haarvaten openbaar vervoer nodig om voorzieningen te kunnen bereiken. Dit betekent dat langzamere, toegankelijke busverbindingen met korte halteafstanden als basisnetwerk noodzakelijk blijft. Daarnaast wordt de Rijn- en Veenstreek ook steeds aantrekkelijker voor recreanten en toeristen.
De inzet is ook om bezoekers aan de regio te stimuleren zoveel mogelijk met het OV of op de fiets te komen. Dit betekent dat de toeristische
Pagina 23
trekpleisters, inclusief de natuurgebieden, goed bereikbaar moeten zijn met het OV en dat overstappunten op de juiste locaties liggen. Fiets De fiets is, ook in het landelijk deel van de Randstad, vaak een goed alternatief voor de auto en steeds meer ook voor het OV. Ook over langere afstanden, gezien de actieradius van de elektrische fiets. Het ontbreekt in de subregio echter aan snelle, veilige en robuuste fietsverbindingen naar economische clusters en woongebieden. Hier zijn verbeteringen mogelijk waar regionale fietsroutes, (hoogwaardig)openbaar vervoer en wegverbindingen samenkomen. Dit zijn locaties die zich goed lenen voor het realiseren van overstappunten of hubs, zowel utilitair als recreatief. Naast de ring rond Alphen aan den Rijn valt te denken aan locaties bij Leimuiden, Nieuwkoop, Zevenhoven en Hazerswoude-Rijndijk. Water Zoals bij paragraaf 2.4 al aangegeven, ontstaan - vooral in het zomerseizoen als gevolg van lange en frequente burgopeningen – lange wachtrijen op zowel weg als water. Locaties zoals de Leimuiderbrug of de Hefbrug in Boskoop zijn beruchte knelpunten in de weg- en watersystemen van de Rijn- en Veenstreek. Het ingewikkelde aan deze problematiek is dat er verschillende beheerders van de objecten en systemen zijn, ieder met zijn eigen belang. Dit vraagt om een bovenlokale aanpak van deze knelpunten.
Stedenbouw en duurzame mobiliteit Woonwijken worden voor tientallen jaren aangelegd, terwijl bijvoorbeeld binnen twee decennia een groot deel van het wagenpark afhankelijk is van opladen bij oplaadpunten of bij de woning. Deze transitie naar duurzaam vervoer betekent dat er een opgave ligt om hier nu al op te anticiperen bij stedenbouwkundige plannen. Duin- en Bollenstreek Verbindingen en ontbrekende schakels De Duin- en Bollenstreek heeft van oudsher een Noord-Zuid oriëntatie, ontstaan uit een organische ontwikkeling. Het is voor een belangrijk deel het gevolg van de landschappelijke ondergrond waardoor wegen op strandruggen werden gebouwd en dorpen daaromheen. De Duin- en Bollenstreek was als gevolg daarvan vroeger economisch met name gericht op Leiden en Haarlem. Na het inpolderen van de Haarlemmermeer zijn er ook Oost-West wegverbindingen aangelegd, met name in de Haarlemmermeer zelf. De laatste decennia is er ondanks de enorme economische, maatschappelijke en technische ontwikkelingen, nauwelijks nieuwe weginfrastructuur toegevoegd in dit deel van de regio. Dit terwijl de relaties tussen de Duin- en Bollenstreek met de rest van Nederland, en daarmee ook de verplaatsingsbehoefte, enorm zijn toegenomen. De Noord-Zuid oriëntatie is gebleven en de Oost-West oriëntatie is erbij gekomen.
Pagina 24
Concreet betekent dit dat er vooral vanuit Hillegom en Lisse behoefte bestaat aan betere verbindingen naar de Haarlemmermeer en Schiphol. Dit betreft zowel fiets-, OV- als wegverbindingen. In Katwijk bestaat de behoefte aan doorontwikkeling van hoogwaardige OV- en fietsverbindingen richting Leiden. Tegelijkertijd vormen in Katwijk de Oude Rijn en de provinciale wegen barrières voor het fietsverkeer in Noord-Zuidrichting. Voor Noordwijk is door de westelijke ligging een betere bereikbaarheid van de kustplaats en het Space cluster essentieel. Een adequate OostWestverbinding en hoogwaardig openbaar vervoer zijn daarin cruciaal. Teylingen ligt gunstig ten opzichte van het hoofdwegennet (A44), maar deze is ter hoogte van Sassenheim verouderd (verouderd profiel, smalle kunstwerken die als bottleneck werken en korte op- en afritten op onderling korte afstand van elkaar). De afwikkeling van het verkeer is vaak onvoldoende, wat negatief doorwerkt in de bereikbaarheid van Teylingen. Voor Sassenheim geldt dat de regionale verkeersstromen via de N208 en de N443 (Voorhout, Noordwijkerhout en Lisse) via de bebouwde kom lopen en daar zorgen voor aantasting van de leefbaarheid en de verkeersveiligheid. Met de verdere groei van het verkeer door woningbouwontwikkelingen binnen en buiten de Duin- en Bollenstreek zal dit verder onder druk komen te staan.
Voor Warmond geldt dat dat de centrale ontsluitingsweg (Herenweg) ook een functie heeft voor doorgaand verkeer van en naar Oegstgeest en Leiden. Dat leidt ook hier tot impact op de leefbaarheid en de verkeersveiligheid. Gebrekkige of ontbrekende schakels in de infrastructuur, met name op de Oost-West verbindingen, belemmeren de ontwikkeling van nieuwe werklocaties die nodig zijn om het aantal arbeidsplaatsen te laten meegroeien met het aantal inwoners. Voor de meeste Greenportgerelateerde bedrijvigheid is bereikbaarheid over de weg de belangrijkste vestigingsfactor. De ontwikkelingen op de as Katwijk-Leiden spelen hierin een rol. Doorstromingsproblemen In de huidige situatie ontstaan op een aantal wegvakken en kruispunten dagelijks doorstromingsproblemen in de spits. Verkeersmodellen laten zien dat de verkeersafwikkeling in de komende jaren ernstig dreigt te verslechteren. Grootste knelpunten zijn op dit moment de N206 bij Katwijk (aansluitingen Molentuinweg en N441) en de kruising N207-N208. In 2030 dreigt ook aan de zuidkant van Lisse en bij de aansluitingen op de Noordelijke Randweg Voorhout congestie te ontstaan. Als gevolg van de overbelaste kruispunten ontstaat op enkele plekken
Pagina 25
terugslag op het onderliggende wegennet. Dat is vooral het geval in de avondspits rondom de kruispunten van de N206 in Katwijk. Op de A44 ontstaat ook op een aantal wegvakken in de regio congestie. Robuustheid wegennet Los van de problemen met de verkeersafwikkeling op een aantal aansluitingen en wegvakken is de robuustheid van het regionale wegennet als geheel ondermaats. De kwetsbaarheid van het hoofdwegennet is bijna dagelijks zichtbaar. Reistijden lopen in de spits snel op en calamiteiten op de A4 leiden doorgaans tot een compleet vaststaand regionaal netwerk. Als gevolg van deze onbetrouwbaarheid van het regionale wegennet zoekt het verkeer sluiproutes, vaak door bebouwde gebieden. Een voorbeeld daarvan is de Brouwersstraat in Rijnsburg, die een korte verbinding tussen A44 en N206 vormt. In de Duin- en Bollenstreek kan de robuustheid van het netwerk onder andere worden verbeterd door goede Oost-Westverbindingen in het gebied. Extra capaciteit op de Oost-Westverbindingen kan verkeersdruk op het bestaande wegennetwerk binnen het gebied verminderen. Maar ook de Noord-Zuidverbindingen vragen de nodige aandacht. Als gevolg van de nog steeds toenemende mobiliteitsvraag, mede onder invloed van woningbouw net buiten de randen van Holland Rijnland, en de verouderde wegenstructuur rijdt er (te) veel verkeer op wegen die daarvoor ongeschikt zijn.
De inrichting van de wegen past niet bij de functie en het gebruik. De wegen zijn doorgaans ook niet ingericht om grote verkeersstromen te verwerken. Met als direct gevolg: tal van leefbaarheids- en verkeersveiligheidsproblemen. Bovendien wordt de problematiek versterkt door het relatief grote aandeel vrachtverkeer in de Duin- en Bollenstreek. Het vele vrachtverkeer zorgt voor (een gevoel van) verkeersonveiligheid, barrièrewerking en omgevingshinder. Andersom leidt de beperkte doorstroming tot economische schade voor vervoerders. Tenslotte hebben de doorstromingsproblemen effect op de kwaliteit van het openbaar vervoer over de weg. Het verbindende en ontsluitende openbaar vervoer loopt in de huidige situatie vaak vertraging op door congestie op het regionale wegennet. Leefbaarheid en verkeersveiligheid Veel regionale verbindingen lopen door of net langs woonkernen. Noodgedwongen rijdt veel doorgaand verkeer over deze routes. In Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout en De Zilk levert dit knelpunten op wat betreft leefbaarheid en verkeersonveiligheid. Ook een aantal zeer drukke verbindingen, zoals de Van Pallandtlaan in Sassenheim en de N206 in Katwijk leveren zowel verkeersoverlast als milieuknelpunten op. Niet alleen in dorpskernen, maar ook de verbindingen tussen verschillende gemeenten zijn qua vorm en functie niet op het daadwerkelijke gebruik afgestemd.
Dat geldt voor wegen als de N442, N443, N444, delen van de N206, DeIfweg, Stationsweg (Noordwijkerhout- Lisse). De wegen hebben smalle profielen en worden gekenmerkt door veel in- en uitritten, langsparkeren, sloten en smalle fietspaden.
Pagina 26
De Ringvaart is een grote fysieke barrière in het gebied. Er zijn zes Ringvaartbruggen waarvan drie met een regionale functie (A44, N207 en N201). De afstand tussen deze bruggen is groot, daardoor krijgen ook bruggen zonder regionale functie, zoals bij Hillegom en Lisse, veel verkeer te verwerken. Deze bruggen zijn door het smalle wegprofiel en het ontbreken van vrij-liggende fietsvoorzieningen niet in staat de grote hoeveelheid (vracht-)verkeer, dat er noodgedwongen gebruik van moet maken, te verwerken. Bovendien zijn het bruggen die vanwege de Staande Mastroute vaak open moeten en daardoor regelmatig voor congestie en overlast zorgen. De fietsroutes in het gebied lopen veelal over wegen die tevens een belangrijke functie hebben als ontsluitingsroute voor (vracht-) autoverkeer. Dit maakt deze fietsroutes onaantrekkelijk en onveilig. De kernen in de Duin- en Bollenstreek liggen op (elektrische) fietsbare afstanden van elkaar. Door het netwerk van snelfietsroutes verder te ontwikkelen en aan te sluiten op regionaal openbaar vervoer, kan het fietsgebruik nog flink stijgen.
3.4
Kansen
De stand van het huidige mobiliteitssysteem en de verwachte (ruimtelijke) ontwikkelingen, bieden aanknopingspunten voor fiets, OV en verduurzaming. Kansen voor de fiets Veel dagelijkse verplaatsingen in onze regio voor onderwijs, werk of recreatie zijn korter dan 15 km. Dit zijn afstanden die, mede door de opkomst van de elektrische fiets, voor veel mensen per fiets overbrugbaar zijn. Het fietsgebruik kan dus nog aanzienlijk groeien. Voorwaarde is wel dat de fietsinfrastructuur direct, comfortabel, samenhangend en veilig is vormgegeven en dat de stallingsvoorzieningen op de eindbestemming van hoge kwaliteit zijn. Verstedelijking biedt kans voor laag autogebruik In de Regionale Omgevingsagenda wordt uitgegaan van verstedelijking op de assen Leiden– Katwijk en Leiden–Alphen aan den Rijn. Intensiveringen in wonen en werken in deze gebieden bieden door de relatieve nabijheid van bestemmingen kansen voor een groeiend fiets- en OVgebruik. Voorwaarde daarbij is wel dat ruimtelijke ontwikkelingen worden gekoppeld aan vervoervoorzieningen.
Pagina 27
Holland Rijnland kan bijdragen aan verduurzaming mobiliteit Schonere, slimmere en andere mobiliteit draagt bij aan duurzame mobiliteit.
Drie richtingen voor het realiseren van duurzame mobiliteit in Holland Rijnland: schoner, slimmer en anders.
Holland Rijnland en de individuele regiogemeenten zelf kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van mobiliteit. Om dit concreet te maken, zijn zogeheten bouwblokken gevormd. Een bouwblok is een verandering in het mobiliteitssysteem die direct effect heeft op bijvoorbeeld CO2-reductie of energiebesparing. Voorbeelden van bouwblokken zijn meer en verder fietsen, minder passagierskilometers per inwoner of verschuiving van vrachtvervoer van de weg naar het water. Een bouwblok met veel impact is de elektrificatie van personenvervoer. In de onderstaande afbeelding staan een aantal mogelijke bouwblokken en het verwachte effect van deze bouwblokken bij inzet in Holland Rijnland. Het laat zien dat er goede kansen zijn om als regio in te zetten op verduurzaming van mobiliteit. De effectiviteit van een bouwblok heeft te maken met de genomen maatregelen. Maatregelen zijn ingrepen die het effect van een bouwblok beïnvloeden. In dit geval betreft het maatregelen waar gemeenten en Holland Rijnland (in)direct invloed op kunnen uitoefenen. Gemeenten voeren al verschillende maatregelen uit, zoals het faciliteren van stadslogistiek, parkeerregulering of het beschikbaar stellen van vaste parkeerplekken voor (elektrische) deelauto’s. Deze maatregelen hebben effect op de verschillende bouwblokken.
Maatregelen die zorgen voor schonere, slimmere en andere mobiliteit hebben daarnaast vaak nog andere (positieve) neveneffecten. Een voorbeeld is dat meer fietsen en minder autogebruik leidt tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Dit zorgt voor schonere mobiliteit. Daarnaast zorgt het voor meer lichamelijke beweging en draagt daarmee ook bij aan de gezondheid in onze regio. Onderstaand figuur geeft inzicht in een eerste verkenning op welke wijze aan de klimaatdoelstellingen kan worden voldaan in het kader van duurzame mobiliteit.
Pagina 28
Afbeelding : mogelijke bouwblokken voor verduurzaming mobiliteit
Pagina 29
4
Ambitie en speerpunten
De analyse van de ontwikkelingen in onze regio en het bestaande regionale mobiliteitssysteem leiden tot een gedeeld uitgangspunt wat betreft de ambitie voor de Regionale Strategie Mobiliteit. Deze ambitie is uitgewerkt in drie speerpunten waaraan Holland Rijnland wil werken. De drie speerpunten, die in de navolgende alinea’s worden toegelicht, bevatten een mix van modaliteiten en nadrukkelijke aandacht voor ketenmobiliteit.
Het is van belang om de realisatie van speerpunten te zien in samenhang met de opgaven op de terreinen verkeersveiligheid, omgevingsbeleid, verduurzaming en economische ontwikkeling. Deze integrale benadering vormt het vertrekpunt voor de ambities en de opgaven in deze regionale strategie. Zo realiseren we een toekomstbestendig mobiliteitssysteem in Holland Rijnland.
Pagina 30
4.1
Versterken regionale ontwikkelassen rond knooppunt Leiden Centraal
Als we uitgaan van de (gewenste) ruimtelijke ontwikkelingen komende decennia, groeit naar verwachting het aantal inwoners en arbeidsplaatsen fors op de ontwikkelassen Leiden–Katwijk en Leiden– Alphen aan den Rijn. De intensivering op deze assen maakt het mogelijk het omliggende open landschap te behouden en versterkt de positie van Holland Rijnland in de Randstad. Dit is vastgelegd in de concept Regionale Omgevingsagenda 2040. De intensivering op deze assen is alleen te realiseren als het mobiliteitssysteem en de verstedelijking zich in samenhang ontwikkelen.
•
•
Concreet richten we ons op: • Schaalsprong regionaal HOV: de HOV-assen Leiden–Katwijk en Leiden–Alphen aan den Rijn worden doorontwikkeld, waardoor de verwachte mobiliteitsgroei wordt opgevangen door een hoog aantal verplaatsingen per openbaar vervoer. De verdichting op deze assen biedt een uitgelezen kans voor hoogwaardig openbaar vervoer,. Hiermee kan afhankelijk van het tempo en de locaties van de ruimtelijke ontwikkeling ook het OV-systeem meegroeien of juist vooruitlopen op die groei. Knooppunt Leiden Centraal: Leiden Centraal vormt de schakel tussen het regionale netwerk en de (inter-)nationale verbindingen. Het is cruciaal de twee-eenheid van busstation en station Leiden Centraal, als knooppunt van de regio, zowel functioneel als qua capaciteit te versterken. Hierbij is er naast het versterken van de functie van ‘overstapmachine’ ook de opgave om het stationsgebied om te vormen naar een hoogstedelijke woon- en werkomgeving die past bij de 21e eeuw. Gerichte investeringen in fysieke infrastructuur: met name voor de te ontwikkelen werkgelegenheidslocaties in combinatie met woningbouw (kenniseconomie en productiebedrijven/breed MKB) en gelet op een verdere economische groei van de toeristenbranche, zijn gerichte investeringen in de regionale en rijkswegenstructuur randvoorwaardelijk.
Concreet betekent dit een versteviging van de Oost-West-as N11 en de realisatie van een nieuwe regionale aansluiting voor de zuidelijke Duin- en Bollenstreek. Om de kwaliteit van doorfietsroutes op deze assen op een concurrerend niveau te krijgen, zijn investeringen noodzakelijk om barrières, van kruisende infrastructuur (weg, spoor, water), te slechten.
Pagina 31
4.2
Realiseren toekomstbestendige, robuuste netwerken
Holland Rijnland is in de dagelijkse activiteitenpatronen onlosmakelijk verbonden met omliggende regio’s in de Randstad en dan in het bijzonder de metropoolregio’s Amsterdam en RotterdamDen Haag. Het waarborgen van de externe bereikbaarheid van onze regio is daarmee een onmisbare kernopgave voor Holland Rijnland. Dit betreft het versterken van verbindingen met de metropoolregio’s en het garanderen van de doorstroming op de hoofdverbindingen door onze regio. Concreet richten we ons op: • Doorstroming hoofdassen: de bestaande nationale hoofdassen voor weg- en spoorvervoer die onze regio doorkruisen zullen zonder aanpassingen ook in de toekomst capaciteitsknelpunten kennen. Voldoende capaciteit op deze hoofdassen is een belangrijke basisvoorwaarde voor het economisch en maatschappelijk functioneren van de regio. Voorbeelden hiervan zijn de A4, A44, N11 en het spoor. Er is momenteel bij partners aandacht voor de Oude Lijn (Rotterdam-Amsterdam). Ook voor de verbinding Leiden – Utrecht is de komende jaren aandacht nodig. De lijn is van strategisch belang om onze regio te verbinden met de metropoolregio Utrecht. • Rekening houdend met de transitie naar een duurzamer mobiliteitssysteem worden de netwerken waar nodig versterkt.
• Oost-Westverbindingen Duin- en Bollenstreek: de relatie tussen de Duin- en Bollenstreek en de Metropoolregio Amsterdam wordt versterkt door investeringen in weginfrastructuur en aansluiting van de Duin- en Bollenstreek op het HOV-netwerk van de Haarlemmermeer. • Noord-Zuidverbindingen via de Rijn- en Veenstreek: de hoofdassen voor weg en spoor tussen de metropoolregio’s Amsterdam en Rotterdam-Den Haag, die via Leiden lopen, staan onder druk en maken het netwerk kwetsbaar. Versterken/toevoegen van een aanvullende verbinding (weg en openbaar vervoer) tussen Rotterdam en Schiphol, via de Rijn- en Veenstreek naar Schiphol (N207) en Uithoorn (N231), vergroot voor de middellange termijn de robuustheid van het netwerk en maakt ruimte voor de doorontwikkeling van Alphen aan den Rijn tot regionaal knooppunt. • Landbouwverkeer: vracht- en landbouwverkeer rijdt noodgedwongen veelal door dorpskernen en zorgt voor (een gevoel van) verkeersonveiligheid, barrièrewerking en geluidshinder. Tegelijkertijd brengt landbouwverkeer op de verbindende provinciale wegen in sommige gevallen doorstromingsproblemen met zich mee. Dit speelt zowel in de Rijn- en Veenstreek als in de Duin- en Bollenstreek. Door de routes van het landbouwverkeer in kaart te brengen zal in samenwerking met de sector worden gewerkt aan oplossingen die de leefbaarheid, veiligheid en bereikbaarheid verbeteren.
Pagina 32
4.3
Benutten van kansen voor duurzame (keten)mobiliteit
Het waarborgen van robuuste netwerken en het realiseren van hoogwaardige openbaarvervoerverbindingen vormen belangrijke voorwaarden voor een bereikbare, leefbare en verkeersveilige regio. Holland Rijnland zet daarnaast in op ketenverplaatsingen om de volledige potentie voor het verduurzamen van het mobiliteitssysteem te kunnen benutten. Deze activiteiten leveren een bijdrage aan het schoner, slimmer en anders inrichten van het mobiliteitssysteem van Holland Rijnland. Deze maatregelen dragen daarnaast bij aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en het energieverbruik door mobiliteit. Dit sluit aan bij de doelstellingen die hierover zijn opgenomen in de RES 1.0. Concreet richten we ons op: • Doorfietsnetwerk: het regionale doorfietsnetwerk vormt een onmisbare schakel in ketenverplaatsingen. Veel ketenreizen beginnen per fiets. De kwaliteit en compleetheid van het samenhangende regionale doorfietsnetwerk wordt verder ontwikkeld. • Mobiliteitshubs: het Toekomstbeeld OV 2040 laat zien dat op regionaal schaalniveau de tendens bestaat naar een beperkt aantal hoogwaardige OV-verbindingen en dat het fijnmazige OV wordt ontwikkeld in hoogstedelijke omgevingen waar hoge vervoerwaarde aanwezig is. Meer dan voorheen is het essentieel dat verschillende modaliteiten worden verknoopt.
Er wordt een stelsel van regionale mobiliteitshubs ontwikkeld die hierin voorzien; deze overstappunten kunnen aan de stadsranden liggen of op logische locaties in het landelijk gebied. Dit biedt ook inwoners van kleinere kernen de mogelijkheid om met eigen vervoer het eerste deel van de reis af te leggen, waarna soepel wordt overgestapt op het HOV of ander collectief- of deelvervoer. De mobiliteitshubs kunnen binnen Holland Rijnland op sommige locaties (Keukenhof, stranddagen) ook een belangrijke rol spelen voor het toeristische en recreatieve verkeer. • Ruimte bieden voor slimme mobiliteitsconcepten/SMART-mobility: nieuwe (deel)concepten vergroten de overgang naar schone, slimme en andere mobiliteit. De regiogemeenten bieden ruimte aan marktpartijen voor experimenten die de bereikbaarheid vergroten en een bijdrage leveren aan een duurzaam mobiliteitssysteem. Hierbij is het bijvoorbeeld ook zaak dat weten regelgeving geen hindernissen zijn om nieuwe en vooral duurzame concepten een goede voedingsbodem te geven.
Pagina 33
5
Op weg naar toekomstbestendige mobiliteit
In de voorgaande hoofdstukken zijn de ontwikkelingen, opgaven en uitdagingen beschreven en vervat in de speerpunten van de regionale strategie mobiliteit. Het is nu van belang de speerpunten om te zetten in een slagvaardige realisatiestrategie. We kunnen de ambities als regio en als individuele gemeenten niet realiseren zonder de hulp van partners en externe middelen. In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan de beoogde sleutelprojecten, de programmering en de aanzet voor de beoogde organisatie van de uitvoering van de RSM. Mobiliteit in Nederland moet de komende jaren flink gaan veranderen in het kader van het Klimaatakkoord. Het moet schoner, slimmer en anders, blijkt uit de plannen van de Sectortafel Mobiliteit. En dat kan onder meer worden bereikt door in te zetten op elektrisch personenvervoer, duurzame brandstoffen en meer gebruik van fiets en openbaar vervoer.
5.1
Programmering
Voor de verdere vulling van de agenda zullen projecten voor een belangrijk deel door de dertien gemeenten in Holland Rijnland moeten worden geformuleerd. Na vaststelling van de Regionale strategie vraagt de regio individuele gemeenten projecten aan te dragen die bijdragen aan de realisatie van de speerpunten. Deze projecten worden beoordeeld middels een toetsingskader (zie onder). Na beoordeling worden ze opgenomen in de regionale mobiliteitsagenda. Veel van de projecten bevinden zich nog in de initiatieffase. Voor alle projecten zal een verdere uitwerking nodig zijn rond partners die worden betrokken, rond de organisatie en de middelen die nodig zijn bij deze fase. Leefbaarheid, duurzaamheid en veiligheid zijn onlosmakelijk verbonden met mobiliteit maar hebben ook ieder hun eigen dynamiek. Voor alle drie geldt dat zij onderdeel zullen zijn binnen de projecten die worden beoordeeld. Toetsingskader Voor de effectieve vertaalslag van deze projecten naar een mobiliteitsagenda wordt onderstaand toetsingskader gebruikt waarmee prioritering en planning mogelijk is: •
•
De mate waarin een project bijdraagt aan een verbetering van leefbaarheid, sociale inclusiviteit en/of verkeersveiligheid. Deze aspecten vormen een essentiële rode draad in de afweging en prioritering van projecten. De mate waarin een project bijdraagt aan de ambities van de Regionale Omgevingsagenda en/of het realiseren van de speerpunten, zoals beschreven in hoofdstuk 4.
Pagina 34
•
5.2
De mate waarin een project bijdraagt aan schonere, slimmere of andere mobiliteit, conform de Regionale Energiestrategie. Een transitie naar minder CO2 uitstoot en minder energieverbruik door mobiliteit. Het gaat daarbij onder meer om duurzame en vernieuwende mobiliteitsconcepten, op zowel weg, water als spoor en van woonstraat tot aan de hoofdinfrastructuur. Vanuit de Regionale Energie Strategie 1.0 zijn bouwblokken en maatregelen geïdentificeerd die hieraan een bijdrage kunnen leveren.
Sleutelprojecten en lopende initiatieven
De in het vorige hoofdstuk beschreven speerpunten bieden aanknopingsmogelijkheden voor een uitwerking tot een agenda, waarmee de regio en de individuele gemeenten concrete projecten kunnen realiseren. Sleutelprojecten De regio staat voor een aantal majeure opgaven. De keuzes in de Regionale Omgevingsagenda, de opgaven in de Regionale Energiestrategie en de speerpunten van deze Regionale Strategie Mobiliteit geven aanleiding tot het formuleren van sleutelprojecten, die cruciaal zijn in het verwezenlijken van de ambities. Dit betreft in ieder geval: • Knooppunt Leiden Centraal als door te ontwikkelen OV-knoop om zo bij te dragen aan de doelstellingen die voor de Oude Lijn zijn gesteld, maar ook in relatie tot de doorgroei en benutting van het spoor richting Alphen aan den Rijn en Utrecht. Als ook het toekomstbestendiger maken van de OV-verbinding tussen Katwijk en Leiden. • Verkenning uitrol regionale mobiliteitshubs langs het spoor en op logische auto/OV-locaties in de regio. De haalbaarheid van mobiliteitshubs met een regionale branding wordt onderzocht en er volgt een marktconsultatie naar de realisatie van (mobiliteits-)diensten op deze hubs. • Doorontwikkeling van de N11, inclusief het ongelijkvloers maken van alle kruisingen. • Verwezenlijken van het regionale doorfietsnetwerk, aansluitend op de regio's grenzend aan Holland Rijnland.
• Verbetering van de Noord-Zuidverbindingen, van HOV en weg, bij doorgroei van Alphen aan den Rijn als knoop en centrumgemeente in het oostelijk deel van Holland Rijnland. Dit betreft voornamelijk de N207 en de N231 en op lange termijn de HOV-verbinding tussen Zoetermeer en de Metropoolregio Amsterdam. • Verkenning doorontwikkeling HOV Leiden-Katwijk-Noordwijk. De ruimtelijke ontwikkelingen op de as Leiden-Katwijk vragen nieuwe investeringen in het mobiliteitssysteem. Het HOVsysteem kan met een schaalsprong een centrale drager voor de ruimtelijke ontwikkeling vormen. Dit project betreft verkenning naar de noodzakelijke ingrepen in het mobiliteitssysteem, waarbij tracering van weginfrastructuur fietsroutes en openbaar vervoer integraal worden beschouwd. Een nieuwe regionale aansluiting voor de zuidelijke Duin- en Bollenstreek en een doorfietsroute Leiden–Rijnsburg–Noordwijk maken onderdeel uit van deze verkenning.
Pagina 35
Lopende projecten/initiatieven Voor de volledigheid worden hierbij de belangrijkste majeure initiatieven, dan wel lopende projecten, opgesomd welke een direct relatie hebben met de Regionale Strategie Mobiliteit. De Rijksoverheid werkt samen met andere overheden aan het veilig, bereikbaar en leefbaar houden van Nederland. Dit doen zij door te investeren in betere wegen, het spoor en waterwegen. Alle investeringen hiervoor staan in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Een aantal voorbeelden voor Holland Rijnland zijn: de Bodegravenboog, het spoor Leiden-Utrecht en de verbreding A4. Vanuit de afspraken in BO MIRT / BO Leefomgeving zijn er ook recent nadere afspraken gemaakt over onderzoeken naar de haalbaarheid van station Hazerswoude-Rijndijk en een ongelijkvloerse kruising Zoeterwoude nabij Heineken. •
•
• •
•
• •
Mobiliteitsmaatregelen Noordelijke Duin- en Bollenstreek: De provincie Zuid-Holland heeft samen met Holland Rijnland en de gemeenten Hillegom en Lisse een plan van aanpak opgesteld voor de realisatie van mobiliteitsmaatregelen in de noordelijke Duin- en Bollenstreek. Op het moment van schrijven (maart 2021) zijn de onderzoeken gestart. Naar verwachting worden de eerste ambtelijke resultaten opgeleverd in de tweede helft van 2021. De maatregelen richten zich op het realiseren van Oost-Westverbindingen met de Haarlemmermeer. In de omgeving van Hillegom wordt gezocht naar een verbinding over de Ringvaart en maatregelen die het doorgaande (vracht)verkeer door de kern van Hillegom verminderen. Een belangrijk aandachtspunt binnen deze aanpak heeft de N443 waarbij nadrukkelijk de drukte en de onveiligheid voor overstekend verkeer bij het onderzoek wordt betrokken. Verbreding van de A4 tussen N14 bij Leidschendam en knooppunt Burgerveen (richting Schiphol) Wat voor effecten en kansen dat biedt voor het gebied tussen Leiden en Zoeterwoude en tussen Kaag en Braassem en Alphen aan den Rijn. Meekoppelkansen bieden goede mogelijkheden om zowel binnen als buiten het domein mobiliteit stappen te zetten. Realisatie HOV-trajecten conform de R-netformule: HOV (Noordwijk-)Katwijk-Leiden, LeidenZoetermeer en Noordwijk-Schiphol.
Traject Beter bereikbaar Gouwe in het zuidoostelijk deel van de regio, een integraal proces ter verbetering van de leefbaarheid en bereikbaarheid van de kernen rondom de Gouwe en de Greenport regio Boskoop. Het rapport N206-N209 past bij dit project en maakt tegelijkertijd onderdeel uit van de verbetering van de Noord-Zuidverbinding tussen Zoetermeer en de Metropoolregio Amsterdam. Evaluatie N207 corridor Alphen aan den Rijn-Leimuiden, waarin centraal staan: het verbeteren en doorontwikkelen van de N207, inclusief HOV en het aanwijzen van transferium Alphen Noord/op- en overstappunten. Hierbij zal vanuit Holland Rijnland ook nadrukkelijk de rol van het landbouwverkeer worden betrokken. Rijnlandroute; deze wordt op dit moment gerealiseerd. Traject Beter bereikbaar Gouwe in het zuidoostelijk deel van de regio, een integraal proces ter verbetering van de leefbaarheid en bereikbaarheid van de kernen rondom de Gouwe en de Greenport regio Boskoop (zie ook paragraaf 3.3 Rijn- en veenstreek). Het in 2021
Pagina 36
opgeleverde rapport N206-N209 past bij dit project, maar legt tegelijkertijd de vinger op de zere plek: op de lange termijn is nieuwe infrastructuur (en OV) noodzakelijk om de vervoersknelpunten in het gebied tussen Zoetermeer en de N11 te verminderen, leefbaarheid te verbeteren en de bouwambities te kunnen faciliteren. Hier ligt de relatie met de ambitie om de noord-zuidverbindingen, van HOV en weg te verbeteren, bij doorgroei van Alphen aan den Rijn als knoop en centrumgemeente in het oostelijk deel van Holland Rijnland
5.3
Agenderen van regionale mobiliteit
In de voorgaande paragraaf zijn de activiteiten geformuleerd die onderdeel gaan uitmaken van de mobiliteitsagenda. In deze paragraaf beschrijven we hoe Holland Rijnland dit wil realiseren. Aanvullend onderzoek en uitwerking nodig Om de sleutelprojecten voldoende beargumenteerd te kunnen agenderen, te consolideren en hier middelen en draagvlak voor te vinden bij bedrijfsleven en andere overheden, is (aanvullend) onderzoek nodig. Deze onderzoeken staan onder regie van Holland Rijnland en kunnen eventueel parallel aan elkaar worden uitgevoerd. 1. Onderzoek naar de vervoerswaarde en een bijpassend (H)OV-systeem (groeimodel naar lightrail) in relatie tot de ruimtelijke invulling van Holland Rijnland in 2040 conform ROA. Hieruit de drie meest urgente corridors/routes verder uitwerken met de bijbehorende partners. Daarin onder andere mee te nemen: a. In hoeverre het aanwijzen en gebruiken van mobiliteitshubs/transferia bijdragen aan het bereiken van de ruimtelijke en duurzaamheidsambities; b. Op welke wijze (H)OV of collectief (vraagafhankelijk)vervoer bijdraagt aan het verbeteren van de bereikbaarheid van kleinere kernen, recreatieve hotspots en het vergroten van de sociale inclusiviteit. 2.
Onderzoek naar de benutting van het autonetwerk, gelet op de veranderende modal split, in 2040 en hieruit de drie belangrijkste knelpunten verder uit te werken naar oplossingsrichtingen, samen met de bijbehorende partners. 3. Onderzoek naar de succesfactoren en belemmeringen voor het versneld uitvoeren van het doorfietsnetwerk en de mogelijkheden voor het verkrijgen van externe financiering vanuit provinciale subsidiebronnen en de Nationale Toekomstagenda Fiets. 4. Onderzoek op welke wijze Holland Rijnland de ruimtelijke en economische belangen en ambities van lokale overheden en bedrijfsleven kan verknopen en kan gebruiken voor het smeden van allianties met regionale, nationale en internationale partijen om zodoende urgentie, draagvlak en middelen te verkrijgen voor het uitvoeren van de sleutelprojecten binnen de regio. 5. Verdere uitwerking van de in de RES geïdentificeerde bouwblokken en de beoogde maatregelen gericht op de verdere verduurzaming van mobiliteit in Holland Rijnland. Op basis daarvan kan worden besloten op welke specifieke maatregelen door de regio en de gemeenten (extra) wordt ingezet.
Pagina 37
6. Haalbaarheidsstudie in de tweede helft van het jaar uit voeren naar de mogelijkheden van vervoer over water (personen en goederen) binnen Holland Rijnland.
Organisatie en middelen De inzet van Holland Rijnland is om te komen tot een integraal uitvoeringsprogramma voor het ruimtelijk domein. De kansen en knelpunten van mobiliteit worden in dat uitvoeringsprogramma nader uitgewerkt, in samenhang met andere thema’s (wonen, economie, etc). Binnen het thema mobiliteit geeft de RSM richting aan de mobiliteitsagenda. Deze programmatische aanpak betekent dat het totaal aan vervolgopdrachten een gezamenlijk proces wordt met daaraan verbonden financiële middelen.
Pagina 38
Pagina 39