3.2. Milieukundig bodemrapport Noorder Leidsevaart 26.pdf
Tekst van het document
Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Milieuhygiënisch vooronderzoek Nader en aanvullend bodemonderzoek Verkennend onderzoek asbest Asfaltonderzoek
Kenmerk Datum
: 1908M858/PMU/rap1 : 3 februari 2020
Opdrachtgever : Maatschap van der Linden en Zoon De heer A.C. v/d Linden Noorder Leidsevaart 29 2182 NB HILLEGOM
Goedkeuring
Functie
Datum
Mevrouw P. Mulder (adviseur milieu)
Opsteller, auteur
03-02-2020
De heer J. Keijzer (senior adviseur milieu)
2e lezerschap
03-02-2020
De heer C. Brouwer (projectleider)
Vrijgave
03-02-2020
Handtekening
BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2018
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ................................................................................................................... 3
2. 2.1 2.2 2.3
VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET ....................................................... 6 TERREINBESCHRIJVING ........................................................................................... 6 RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................. 7 ONDERZOEKSOPZET ................................................................................................ 7
3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
VELD- EN LABORATORIUMONDERZOEK .............................................................. 9 ONDERZOEKSSTRATEGIE ....................................................................................... 9 VISUELE INSPECTIE MAAIVELD OP ASBEST ......................................................... 9 UITVOERING VELDONDERZOEK ........................................................................... 11 LABORATORIUMONDERZOEK ............................................................................... 13 BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................... 15 INTERPRETATIE ....................................................................................................... 17
4. 4.1 4.2
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................... 19 CONCLUSIES ............................................................................................................ 19 AANBEVELINGEN ..................................................................................................... 20
5.
BETROUWBAARHEID ............................................................................................. 21
BIJLAGEN
1. 1.1 1.2
kaarten en tekeningen topografische kaart situatietekening met boorpunten
2. 2.1 2.2
vooronderzoek voorgaand verkennend bodemonderzoek APS-Milieu (2019) fotoreportage
3. 3.1 3.2
veldonderzoek formulieren veldonderzoek boorstaten en legenda
4. 4.1 4.2 4.3
laboratoriumonderzoek certificaten grond certificaten asbest certificaat asfalt
5. 5.1
toetsingstabellen toetsingstabellen grond
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 2 van 21
1.
INLEIDING
In opdracht van Maatschap van der Linden en Zoon is door IDDS een nader- en aanvullend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest uitgevoerd. Aanvullend is het asfalt op teerhoudendheid geanalyseerd. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom.
Afbeelding 1: Onderzoekslocatie gelegen aan de Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom (bron: PDOK).
Aanleiding en doelstelling Aanleiding tot het uitvoeren van het nader bodemonderzoek is het aantreffen van een sterk verhoogd gehalte zink in de bovengrond ter plaatse van meetpunt 02 en 12 (aan de westzijde van voornoemde locatie) aangetoond in het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door APS-Milieu (rapport kenmerk R19-B464, versie 2, d.d. juli 2019). Conform de Wet bodembescherming (Wbb) is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de omvang en ernst (en eventueel urgentie, dan wel actuele risico's) noodzakelijk, indien voor de onderzochte parameter de bijbehorende tussenwaarde/interventiewaarde wordt overschreden. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van een bloembollen- en bloemknollenkwekerij is het gebruik van bestrijdingsmiddelen (hierna: OCB’s) niet uitgesloten. In het recent uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek verricht naar OCB’s. In het kader hiervan dient de grond aanvullend te worden onderzocht op OCB’s. Tevens is in voornoemd onderzoek de grond onder de huidige verharding en onder de bebouwing niet onderzocht. De milieuhygiënische kwaliteit is onbekend en derhalve is aanvullend onderzoek verricht naar de kwaliteit van de grond. Daarnaast is in voornoemd onderzoek asbestverdacht materiaal op het maaiveld en plaatselijk zijn puinbijmengingen in de grond aangetroffen.
Dit maakt de locatie asbestverdacht en dient een verkennend asbestonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 3 van 21
Het doel van het onderzoek is meerledig, te weten: De doelstelling van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de omvang van de verontreiniging met zink ter plaatse van meetpunt 02 en 12. Op basis hiervan kan worden nagegaan of ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De doelstelling van het aanvullend milieukundig bodemonderzoek is het bepalen van het gehalte OCB’s in de grond en de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem onder de verharding en onder de bebouwing. De doelstelling van het verkennend onderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en om een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Het indicatief vaststellen van de dikte, opbouw en teerhoudendheid (chemische kwaliteit) van de asfaltverharding, teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende asfalt te bepalen. Verklaring onafhankelijkheid Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn, of in de nabije toekomst te worden, van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Milieuhygiënisch vooronderzoek Het vooronderzoek is recentelijk uitgevoerd in het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door APS-Milieu d.d.
juli 2019 (rapport kenmerk R19-B464, versie 2) en wordt als afdoende beschouwd voor het uitvoeren van het nader en aanvullend bodemonderzoek, en het verkennend asbestonderzoek. Verkennend bodem- en asbestonderzoek/ nader bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NTA 5750;2010 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een nader bodemonderzoek gericht op een vermoedelijk geval van ernstige verontreiniging. Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie wordt een strategie gehanteerd afgeleid van de NEN 5470+A1;2016. Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie ten aanzien van asbest, is de norm NEN 5707+C2;2017 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend en nader onderzoek en de inspectie en monsterneming voor de bepaling van asbest in bodem en partijen grond.
Asfaltonderzoek Ter bepaling van de chemische kwaliteit (teerhoudendheid) van het vrijkomende asfalt binnen de begrenzing van de onderzoekslocaties, is de onderzoeksopzet afgeleid van het VKBprotocol 1003 onderdeel ‘’Indicatief onderzoek voor wegen/terreinverhardingen’’ en de CROWpublicatie 210 ‘’Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’’. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de dikte, opbouw en teerhoudendheid (chemische kwaliteit) van de asfaltverharding, teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende asfalt te bepalen.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 4 van 21
Leeswijzer De voor de locatie bekende gegevens en de opzet van het onderzoek is in hoofdstuk 2 beschreven. Tevens is beknopt een vooronderzoek uitgevoerd. Het veld- en laboratoriumonderzoek, alsmede de onderzoeksresultaten, zijn besproken in hoofdstuk 3. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten is de onderzochte locatie beoordeeld. Deze beoordeling is samen met de eventuele adviezen ondergebracht in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 5 van 21
2.
VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET
2.1
TERREINBESCHRIJVING
De globale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de overzichtskaart die in bijlage 1.1 is opgenomen. In navolgende tabel is een overzicht gegeven van terreingegevens. TABEL 2.2.1: afbakening onderzoeksgebied Onderzoeksvraag Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Uitwerking
Bronnen
Situering
Globale ligging: zie overzichtskaart 1 in bijlage 1. Begrenzing onderzoekslocatie situatietekening 1.2 in bijlage 1.
Adres
Noorder Leidsevaart 26
Plaats
2182 NB Hillegom
Gemeente
Hillegom
Provincie
Zuid-Holland
RD-coördinaten
Omschrijving
globaal middelpunt onderzoekslocatie
X
98.474,34
Y
479.680,81
Hoogte maaiveld
Z
Circa 0,3 m NAP
Kadastraal
Gemeente
Hillegom
Gemeentecode
HLG01
Sectie
A
Nummer
9585
Totaal
Ca. 2.700 m2
Bebouwd
Ca. 1.500 m2
Verharding
Ca. 1.200 m2 (asfalt / stelconplaten)
Belendingen
Alle richtingen
De locatie wordt aan de noord- en zuidzijde begrenst door woningen met tuin, en aan de oostzijde met landbouwgrond. Ten westen is sprake van een sloot met aan de overzijde/aangrenzend de Noorder Leidsevaart.
Afbakening VO
25 meter buiten kadastrale grenzen
Oppervlaktes (m²)
#1
-
Conclusie Afbakening voldoende #1: IDDS Projectenkaart
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 6 van 21
2.2
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is recentelijk een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd voor APS-Milieu, d.d. juli 2019 (rapport kenmerk R19-B464, versie 2). In betreffend onderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. Voor onderhavige onderzoek wordt derhalve volstaan met een samenvatting van de voor het naderen aanvullend bodemonderzoek met asbest relevante gegevens uit voorgaand onderzoek. In betreffend onderzoek wordt geconcludeerd: In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, metselpuin) waargenomen. Op het maaiveld zijn stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tevens is geconstateerd dat het bedrijfspand een asbestverdachte dakbedekking heeft. De bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) ter plaatse van meetpunt 02 en 12 is sterk verontreinigd met zink. De overige bovengrond is licht verontreinigd met zink, kwik, lood en PAK. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met minerale olie. Onder de verharding en onder de bebouwing is de grond niet onderzocht. Tevens is de grond niet onderzocht op bestrijdingsmiddelen (OCB’s). Voornoemd onderzoek is beknopt weergegeven in bijlage 2.
2.3
ONDERZOEKSOPZET
Voor het vaststellen van de omvang en ernst van de aangetoonde bodemverontreiniging wordt, met betrekking tot de te volgen onderzoeksstrategie, aansluiting gezocht bij de wettelijk vastgestelde onderzoeksprotocollen en richtlijnen, te weten NTA 5755, Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, juli 2010. Op basis van de beschikbare gegevens is een conceptueel model opgesteld waarbij de verwachte ligging, omvang, aard en mate van verontreiniging in zijn meegenomen. Het conceptueel model wordt getoetst door middel van veld- en laboratorium onderzoek. Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie wordt een onderzoeksstrategie gehanteerd welke is afgeleid van de norm NEN 5740+A1;2016. Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie ten aanzien van asbest is de norm NEN 5707+C2;2017 gehanteerd. Op basis van de conclusie uit van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie voor een verkennend onderzoek asbest op diffuus belaste locaties met een heterogeen verdeelde asbest-verontreiniging op schaal van de monsterneming gehanteerd. Voor wat betreft het vrijkomende asfalt is het van belang dat wordt beoordeeld of het asfalt al dan niet teerhoudend is, teneinde de verwerkingsmogelijkheden van het materiaal te kunnen bepalen.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 7 van 21
De onderzoeksopzet van het milieukundig onderzoek voor het bepalen van de chemische kwaliteit (teerhoudendheid) van het vrijkomende asfalt is afgeleid van het VKB-protocol 1003 onderdeel “Indicatief Onderzoek voor wegen/terreinverhardingen” en het CROW-publicatie 210 “Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt”. Uitgangspunt daarbij zijn de wettelijke regelingen en het acceptatiebeleid van vergunde acceptanten of verwerkers. De voornoemde protocollen gaan uit van één boring per 500 m 2 met een minimum van twee boringen per te onderscheiden asfaltconstructie. Beknopt conceptueel model Op de projectlocatie (Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom) is in de bodem zeer plaatselijk bodemvreemd materiaal waargenomen. Over het algemeen is de bodem licht verontreinigd met de onderzochte parameters waarbij zich in de bovengrond ter plaatse van meetpunt 02 (02 in onderhavig onderzoek) en 12 (01 in onderhavig onderzoek) een sterke verontreiniging met zink bevindt. De boringen zijn geplaatst in de berm gelegen langs een watergang. De aangetroffen verontreinigingen met zink zijn vermoedelijk veroorzaakt door het meermaals op de kant zetten van slib (schouw). Zink komt in het oppervlaktewater veelal voor en de belangrijkste bronnen van zink in het oppervlaktewater zijn dakgoten, de metaalindustrie en de kunstmestindustrie.
In de woningbouw wordt zink veel gebruikt in dakbedekking, dakgoten en regenpijpen en in de gevelbekleding. Zink wordt gebruikt om het staal van loodsen en hallen en van straatmeubilair te beschermen tegen oxidatie. Door uitloging van bouwzink en straatmeubilair komt het zink, al dan niet via de riolering en waterzuiveringsinstallaties, in de bodem of in het oppervlaktewater terecht. Tevens komt door verkeer en slijtage van autobanden zink in de bodem of in het oppervlaktewater terecht. Onderzoeksvragen Voor uitvoeren van een nader bodemonderzoek is een conceptueel model gebruikt. Om het conceptueel model te toetsen worden onderzoeksvragen geformuleerd en is de bepaalde informatiebehoefte vastgesteld. 1. Is de verontreiniging aan bijmenging met bodemvreemde materialen gerelateerd? 2. Wat is de begrenzing van de verontreiniging met zink? 3. Is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging? Veld- en laboratoriumonderzoek In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de uit te voeren onderzoeksinspanningen.
TABEL 2.3.1: overzicht veld- en laboratoriumonderzoek Onderzoeksopzet Veldonderzoek Bepalen omvang verontreiniging zink 6 x boring tot 1,0 m-mv 2 x boring tot 2,0 m-mv Aanvulling algemene bodemkwaliteit 6 x boring tot 1,5 m-mv uitpandig Aanvulling algemene bodemkwaliteit 5 x boring tot 1,5 m-mv inpandig Bepalen gehalte asbest gehele terrein 13 x inspectie gat 2 x boring tot 2,0 m-mv Bepalen teerhoudendheid asfalt Gecombineerd met aanvulling algemene bodemkwaliteit uitpandig #1: afmeting inspectiegat: 30 cm x 30 cm
Laboratoriumonderzoek 8 x zink incl. organisch stof en lutum 1 x standaard pakket bovengrond + OCB’s 1 x standaard pakket ondergrond 1 x standaard pakket bovengrond + OCB’s 1 x standaard pakket ondergrond 3 x grond cf. NEN 5707 2 x PAK-marker en constructieopbouw 1 x PAK (10 VROM)
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 8 van 21
3.
3.1
VELD- EN LABORATORIUMONDERZOEK
ONDERZOEKSSTRATEGIE
De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1.1. TABEL 3.1.1: voorwaarden maaiveldinspectie Deellocatie Onderzoeksaspect Ter plaatse van meetpunt 01 en 02* Gehalte zink
Onderzoeksstrategie NTA 5755;2010; onderzoeksstrategie bodem – landbodem – Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aarde en omvang van bodemverontreiniging Afgeleid van de NEN 5740+A1;2016
Inpandige en uitpandige terreindelen Algemene bodemkwaliteit incl. (verharde terreindelen) OCB Gehele terrein Asbestonderzoek NEN 5707+C2;2017 Voorterrein Asfaltonderzoek CROW 210 *: boring 01 = 12, boring 02 = 02; verkennend bodemonderzoek APS-Milieu, d.d. juli 2019 (R19-B464, versie 2)
Het grondwater is in 2019 reeds in afdoende mate onderzocht. Aangezien er geen aanleiding is het grondwater nogmaals te onderzoeken wordt het grondwater tijdens onderhavig onderzoek buiten beschouwing gelaten. Naar aanleiding van het aantreffen van een matig verhoogde waarde met PAK in MM04 ter plaatse van het uitpandige terrein, is het mengmonster uitgesplitst en zijn de separate grondmonsters geanalyseerd op PAK.
3.2
VISUELE INSPECTIE MAAIVELD OP ASBEST
Controle voorwaarden maaiveldinspectie Bij de uitvoering van de visuele inspectie van het maaiveld geldt een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn in onderstaande tabel opgenomen. Per voorwaarde is aangegeven of aan deze voorwaarde is voldaan. Als er niet aan voldaan is, is de oorzaak aangegeven.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 9 van 21
TABEL 3.2.1: voorwaarden maaiveldinspectie Voorwaarde Omschrijving
Voldaan
Het maaiveld moet vrij inspecteerbaar zijn
Er moet een zo groot mogelijk deel van het te inspecteren maaiveld vrij zijn van objecten (afdeklagen, verhardingen, opgeslagen goederen, afval enz.). Daarnaast is het noodzakelijk dat de aanwezigheid van vegetatie (gras, struiken, bladeren enz.) geen belemmering vormen voor de maaiveldinspectie. Ook behoort de te inspecteren oppervlakte voldoende representatief te zijn voor de gehele (deel)locatie. Er mag geen groot aaneengesloten deel van de (deel)locatie niet inspecteerbaar zijn. Onvoldoende inspecteerbare delen vallen buiten het inspectiegebied en blijven als asbestverdacht aangemerkt.
Ja
De toplaag moet droog en onbesneeuwd zijn
Grond zal nooit helemaal droog zijn; in dit geval wordt met ‘droog’ bedoeld dat het vochtgehalte dusdanig laag is dat er geen belemmeringen ontstaan voor de visuele inspectie. Het betreft dus veldvochtige grond zonder dat hierop plassen enz. voorkomen. Bij veel neerslag zal het bodemoppervlak na verloop van tijd te nat worden om een goede inspectie uit te voeren.
Ja
Er moet voldoende licht en zicht zijn
De hoeveelheid licht en zicht mag geen beperkende factor zijn voor een optimale visuele inspectie. Dit betekent dat de weersomstandigheden dusdanig behoren te zijn dat er geen belemmeringen optreden voor de visuele inspectie. In algemene zin betekent dit: geen neerslag (regen, hagel, sneeuw), voldoende daglicht en geen hevige mist. Bij onvoldoende daglicht is het gebruik van kunstlicht een goed alternatief.
Ja
Conclusie
Aan de voorwaarden wordt voldaan.
Schatting inspectie-efficiëntie Er zijn vier belangrijke factoren die van invloed zijn op de inspectie-efficiëntie. Deze factoren zijn in onderstaande tabel opgenomen. Per factor is aangegeven of deze de inspectie-efficiëntie heeft beïnvloed. TABEL 3.2.2: voorwaarden maaiveld-inspectie Factor Omschrijving
Efficiëntie
Ervaring en conditie van de desbetreffende inspecteur
De inspectie-efficiëntie wordt voor het grootste deel bepaald door de ervaring en het waarnemingsvermogen van de desbetreffende inspecteur. De inspecteur behoort te beschikken over aantoonbare en relevante ervaring op het gebied van asbestherkenning in en op de bodem.
100%
Type grond
In gele tot lichtbruine zandgrond is de zichtbaarheid en/of herkenbaarheid van stukjes asbestverdacht materiaal groot en zal de inspectie-efficiëntie groter zijn dan 75 %. In donkere grijze/zwarte kleigrond is de zichtbaarheid en/of herkenbaarheid veel minder en zal de inspectie-efficiëntie veel lager liggen: tussen de 50 % – 90 %.
100%
Conditie van de toplaag:
Droge grond is beter te inspecteren dan vochtige grond. Dit is vooral bij kleiachtige grond van belang; vochtige kleigrond is donkerder van kleur en kan de inspectie-efficiëntie met 10 % – 25 % verminderen. Voor losse en vastgereden grond geldt hetzelfde; vastgereden grond is minder goed te inspecteren dan losse grond. Vooral kleiachtige grond is vaak vastgereden waardoor de inspectie-efficiëntie met 10 % – 25 % vermindert.
100%
Conditie van het maaiveld:
Ook vegetatie (voornamelijk gras) en de aanwezigheid van plassen zijn van invloed op de inspectie-efficiëntie. Bij veel vegetatie en plassen (> 50 %) kan het maaiveld niet systematisch worden geïnspecteerd. Bij matige vegetatie is dit in principe wel mogelijk, echter de inspectie-efficiëntie zal hierdoor met 10 % – 25 % verminderen
90%
Conclusie
Inspectie-efficiëntie
90%
Ter plaatse van de verharde terreindelen met asfalt/beton heeft geen maaiveld-inspectie kunnen plaatsvinden. Voor de overige onverharde terreindelen is wel een maaiveld-inspectie uitgevoerd.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 10 van 21
Resultaten visuele inspectie maaiveld Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
3.3
UITVOERING VELDONDERZOEK
Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op situatietekening 1.2 welke is opgenomen in bijlage 1. TABEL 3.3.1: samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode
13 januari 2020
Uitvoerende partij
VeldXpert
BRL SIKB protocol
2000 2001, 2018
Onderzoeksaspect
Meetpunten Type
Codering Diepte [m-mv]
Aantal
Nader bodemonderzoek NTA 5755;2010 Bepalen omvang verontreiniging zink
Boring Boring
1,0 2,0
9 2
03, 04, 05, 06, 07, 08, 09, 10, 101 (ASB-01) 01, 02
Aanvullend bodemonderzoek afgeleid van NEN 5740+A1;2016 Uitpandig terreindeel
Boring Boring
1,5 2,0
5 1
102 (ASB-02), 103 (ASB-03), 104 (ASB-04), 105 (ASB-05), 106 (ASB-06) 101 (ASB-01)
Inpandig terreindeel
Boring
1,5
5
107 (ASB-07), 108 (ASB-08), 109 (ASB-09), 110 (ASB-10), 111 (ASB-11)
Asbestinspectiegat Boring
-
13
ASB-01 t/m ASB-13
2,0
2
ASB-01, ASB-13
Boring
-
2
07, 09
NEN 5707+C2;2017 Gehele terrein
CROW 210 Asfaltverharding voorterrein
#1: afmeting inspectiegat: 30 cm x 30 cm
Vooraf aan het veldwerk zijn de stelconplaten op het achterterrein verwijderd. In verband met het asbestonderzoek zijn in de verharding gaten met een diameter van 35 cm geboord. De veldwerkzaamheden zijn verricht door VeldXpert. Het grondonderzoek is uitgevoerd onder certificaat van de BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2018. Het procescertificaat en de hierbij behorende keurmerken zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 3.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 11 van 21
Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 3. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie, gebaseerd op boorstaten, wordt als volgt omschreven: -
Vanaf het maaiveld tot de geboorde diepte van 2,0 m-mv bestaat de bodem uit zand. Plaatselijk komen klei- en veenlagen voor.
Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden (exclusief asbestverdacht materiaal) Het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het navolgende: -
-
Ter plaatse van het uitpandige terreindeel is plaatselijk tot een diepte ca. 1,0 m-mv sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name zwakke tot matige bijmengingen met baksteen, betongranulaat, slakken en metselpuin. In het inpandige deel is onder de verharding sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft zwakke bijmengingen met baksteen. In de klei en in het veen zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen.
Inspectie grove fractie (asbest) Bij de inspectie van de grove fractie is de vrijgegraven grond uit de inspectiegaten geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal (grove fractie). Hierbij is de vrijgegraven grond gezeefd of uitgeharkt. Indien aanwezig is het asbestverdachte materiaal bemonsterd. Op basis van de inspectie van de grove fractie blijkt het navolgende: -
In het vrijgegraven en geïnspecteerde materiaal van alle inspectiegaten is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn derhalve geen materiaalverzamelmonsters samengesteld.
Monstername fijne fractie (asbest) Op basis van de resultaten van het veldonderzoek zijn drie een mengmonsters samengesteld, te weten: TABEL 3.3.2: overzicht samengestelde grondmengmonsters Monstercode (deel)monsters Traject [m –mv]
Opmerking
ASBMM01
ASB03, ASB04, ASB05, ASB12
0,0 – 0,5
Zand met puinbijmenging
ASBMM02
ASB07, ASB08, ASB09, ASB10, ASB11
0,0 – 0,5
Zand
ASBMM03
ASB01, ASB02, ASB06, ASB13
0,0 – 0,5
Zand
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 12 van 21
Asfalt Voor wat betreft het vrijkomende asfalt is formeel gezien een verplichte kwaliteitsbepaling niet van toepassing indien het opnieuw toepassen van niet teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen betreft. Het voornoemde doelt op het asfalt dat wordt gefreesd en opnieuw warm wordt aangebracht zonder tussenkomst van een asfaltcentrale. Derhalve is het van belang dat wordt beoordeeld of het asfalt al dan niet teerhoudend is, teneinde de verwerkingsmogelijkheden van het materiaal te kunnen bepalen. De onderzoeksopzet van het milieukundig onderzoek voor het bepalen van de chemische kwaliteit (teerhoudendheid) van het vrijkomende asfalt is afgeleid van het VKB-protocol 1003 onderdeel “Indicatief Onderzoek voor wegen/terreinverhardingen” en het CROW-publicatie 210 “Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt”. Uitgangspunt daarbij zijn de wettelijke regelingen en het acceptatiebeleid van vergunde acceptanten of verwerkers. De voornoemde protocollen gaan uit van één boring per 500 m 2 met een minimum van twee boringen per te onderscheiden asfaltconstructie. In tabel 3.3.3 is de gevolgde onderzoeksstrategie aangegeven. Conform de hierboven genoemde protocollen dienen over de asfaltconstructies in totaal twee asfaltboringen te worden geplaatst. De boringen zijn gecombineerd met het aanvullend/nader bodemonderzoek.
TABEL 3.3.3: uitgevoerde onderzoeksinspanningen asfaltonderzoek Onderzoeksaspect Geschatte oppervlakte Aantal boringen Asfaltverharding
3.4
< 500 m2
2
Geschat tonnage
Geplande analyses
249 ton
2 x PAK-marker en constructieopbouw 1 x PAK (10 VROM)
LABORATORIUMONDERZOEK
Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de monsters overgebracht naar een (RvA) geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium. De naam en contactgegevens van het betreffende laboratorium, alsmede de data waarop de monstervoorbehandeling en het analytisch onderzoek is uitgevoerd, zijn aangegeven op de analysecertificaten die in bijlage 4 zijn opgenomen. Analysestrategie Bij de selectie van de grond(meng)monsters is, voor het verkrijgen van een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden met de bodemopbouw en eventuele zintuiglijk waargenomen afwijkingen. Voor het verkrijgen van een ruimtedekkend beeld is eveneens rekening gehouden met de situering van de boringen. In tabel 3.5.1 is een overzicht gegeven van de monsters, waar van toepassing de monstersamenstelling, de monstertrajecten en de uitgevoerde analyses. Samenstelling standaard analysepakketten Grond nader bodemonderzoek Voor het nader bodemonderzoek is de grond geanalyseerd op de parameter zink en zijn voor alle grondmonsters de percentages lutum en organische stof bepaald.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 13 van 21
Grond aanvullend onderzoek Ten behoeve van de toetsing van de analyseresultaten zijn van alle grondmonsters de percentages lutum en/of organische stof bepaald. In het standaard pakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen: - Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). - PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). - Minerale olie (GC). - PCB (PolyChloorBifenylen). Aanvullend is de grond op OCB’s geanalyseerd. Asbest De bepalingen voor het asbestonderzoek betreffen: - Grondmonsters: Asbest grond NEN5898 <17.5kg Asfaltonderzoek Het laboratoriumonderzoek bestaat uit twee onderzoeksfasen, zijnde een bepaling van de laagdikte en de constructieopbouw en een indicatieve PAK-bepaling van alle kernen [fase 1] en een nader analytisch onderzoek [fase 2]. Fase 1 Tijdens deze fase worden de bemonsterde asfaltkernen onderzocht. Hierbij worden de volgende bepalingen uitgevoerd: - Bepaling laagdikte en constructieopbouw; conform RAW 2015 proef 771; - Indicatieve PAK-bepaling; conform RAW 2015 proef 77.2. Het certificaat van de bepaling van de laagdikte en constructieopbouw en de resultaten van de indicatieve PAK-bepaling zijn opgenomen in bijlage 4.3. De resultaten van de indicatieve PAKbepaling zijn opgenomen in tabel 3.5.2a/b.
Ingeval bij de indicatieve PAK-bepaling teerhoudendheid wordt aangetoond, wordt uitgegaan van een gehalte PAK van meer dan 250 mg/kg.ds. Van deze lagen is vastgesteld dat ze teerhoudend zijn, betreffende lagen hoeven niet analytisch te worden onderzocht. Ingeval bij de indicatieve PAK-bepaling geen teerhoudendheid wordt aangetoond, wordt uitgegaan van een gehalte PAK van minder dan 250 mg/kg.ds. Deze kernen zijn als potentieel teervrij aan te merken. Van deze lagen dient het gehalte PAK middels nader analytisch onderzoek te worden vastgesteld. Fase 2 Tijdens deze fase wordt het potentieel teervrij asfalt geanalyseerd teneinde vast te kunnen stellen in hoeverre er sprake is van teerhoudend asfalt. Hiertoe worden de navolgende analyses uitgevoerd. -
Analyse PAK (10) in asfalt.
De voor onderhavig onderzoek geanalyseerde monsters zijn aangegeven in tabel 3.5.2a/b. Het certificaat van de bepaling van de teerhoudendheid is opgenomen in bijlage 4.3. Uitsplitsing In het onderzoek is in MM04 een matige verhoging voor het gehalte PAK aangetoond. Betreffende grondmonster is uitgesplitst, waarbij de betreffende deelmonsters uit MM04 separaat zijn geanalyseerd op de parameter PAK. Dit teneinde inzicht te krijgen in de aard, plaats van voorkomen en de verspreiding van de aangetoonde verhoging met PAK.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 14 van 21
3.5
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven op de analysecertificaten, die in bijlage 4 zijn opgenomen. De analyseresultaten zijn, waar van toepassing, getoetst middels de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 5. Wet bodembescherming (Wbb) Voor de interpretatie van de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters zijn de meetwaarden, conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit, gecorrigeerd voor de gemeten percentages lutum en/of organische stof. De gecorrigeerde meetwaarden zijn vergeleken met het toetsingskader van de Wet bodembescherming. Dit toetsingskader bestaat uit de achtergrondwaarden, zoals opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, en de interventiewaarden, zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant nr. 16675, 27 juni 2013). Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de tussenwaarden, zijnde het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarden voor de betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de tussenwaarde overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging (Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb, versie 7.5 van het SIKB) en is het uitvoeren van nader bodemonderzoek in veel gevallen noodzakelijk.
In tabel 3.5.1 zijn de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek opgenomen alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsingen. <AW >AW >T >I
niet verontreinigd: het gehalte / de concentratie is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde dan wel de rapportagegrens; licht verontreinigd: het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde en is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd; matig verontreinigd: het gehalte overschrijdt de tussenwaarde en is lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; sterk verontreinigd: het gehalte overschrijdt de interventiewaarde.
Asbest De interventiewaarde voor asbest in grond is vastgesteld op 100 mg/kg gewogen (de serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolconcentraties). Indien de interventiewaarde wordt overschreden is ongeacht het bodemvolume sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de interventiewaarde gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek. Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht.
De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 15 van 21
TABEL 3.5.1: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercodes, deelmonsters en bodemlagen (bodemlagen in cm-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
Analyse
Toetsingsresultaten Wbb
Asbest
> AW / > S (licht verhoogd)
>T (matig verhoogd)
>I (sterk verhoogd)
Nader bodemonderzoek NTA 5755;2010 Gehele terrein 01-2 01 (40-70)
Zand, geen bijzonderheden
Zink
-
Zink
-
02-2 02 (50-100)
Klei, geen bijzonderheden
Zink
-
-
-
03-1 03 (20-50)
Zand, zwak baksteenhoudend
Zink
-
Zink
04-1 04 (20-60)
Zand, geen bijzonderheden
Zink
-
-
-
05-2 05 (10-50)
Zand, geen bijzonderheden
Zink
Zink
-
-
06-1 06 (0-50)
Zand, geen bijzonderheden
Zink
-
-
Zink
07-1 07 (20-70)
Zand, geen bijzonderheden
Zink
-
-
-
08-1 08 (0-50)
Zand, geen bijzonderheden
Zink
-
-
Zink
Aanvullend grondonderzoek afgeleid van NEN 5740+A1;2016 Uitpandig terreindeel MM03 Asb01 (12-62) Asb03 (0-50) Asb04 (0-50) Asb06 (17-67)
Zand, matig baksteenhoudend, zwak betongranulaat, metselpuin, matig slakhoudend
Standaardpakket grond OCB
Kobalt Kwik Lood Zink PAK Drins
-
-
MM04 Asb01 (62-100) Asb02 (57-100) Asb04 (50-100) Asb05 (50-100)
Zand, geen bijzonderheden
Standaardpakket grond
Kwik PCB Minerale olie
PAK
-
MM01 Asb08 (13-63) Asb10 (11-61)
Zand, resten baksteen/zwak baksteenhoudend
Standaardpakket grond OCB
Kobalt Kwik PAK
-
-
MM02 Asb07 (62-110) Asb08 (63-110) Asb09 (64-114) Asb10 (61-111) Asb11 (64-114)
Zand, geen bijzonderheden
Standaardpakket grond
Kwik
-
-
Asb01-2 Asb01 (62-100)
Zand, geen bijzonderheden
PAK
-
-
-
Asb02-2 Asb02 (57-100)
Zand, geen bijzonderheden
PAK
PAK
-
-
Asb04-2 Asb04 (50-100)
Zand, geen bijzonderheden
PAK
-
-
-
Asb05-2 Asb05 (50-100)
Zand, geen bijzonderheden
PAK
-
-
-
ASBMM01: Mm1 (0-50)
Zand met puinbijmenging
Asbestbepaling grond
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
<0,6 mg/kg ds
ASBMM02: Mm2 (14-64)
Zand
Asbestbepaling grond
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
<0,3 mg/kg ds
ASBMM03: Mm3 (7-57)
Zand
Asbestbepaling grond
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
1,2 mg/kg ds 1 x cement vlakke plaat (4-8 mm)
Inpandig terreindeel
Uitsplitsing uitpandig terreindeel
Verkennend asbestonderzoek NEN 5707+C2;2017
Blanco: niet geanalyseerd / onderzocht Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 16 van 21
Asfaltonderzoek De asfaltconstructie heeft een gemiddelde dikte van circa 20 cm en bestaat plaatselijk uit Steenslag Asfalt Beton (STAB), Dicht Asfalt Beton (DAB) en Open Asfalt Beton (OAB). Op basis van de eerste meeting is door middel van een indicatief PAK-bepaling met de PAK-detector geen teerhoudend asfalt gemeten (waarnemingsgrens van ca. 250 mg/kg). Toetsing van de resultaten van de chemische analyses heeft plaatsgevonden aan de maximale samenstellingswaarden zoals verwoord in het Besluit bodemkwaliteit. De grens waarboven sprake is van teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) bedraagt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit 75 mg/kg.ds aan PAK. De analyse- en toetsingsresultaten zijn opgenomen in navolgende tabel. TABEL 3.5.2a: samenvatting asfaltonderzoek indicatieve bepaling (PAK-marker tests, fase 1) Onderzoeksaspect Code Soort Gemiddelde Uitslag asfalt dikte asfalt indicatieve bepaling fase 1 ( < / > 250 mg/kg) Voorterrein
ASF01: 09 (0-25)
Voorterrein
ASF02: 07 (0-20)
STAB DAB OAB DAB
24 cm
< 250 mg/kg
-
3 cm
< 250 mg/kg
-
Gehalte PAK (mg/kg)
Wel / niet teerhoudend
18
niet
TABEL 3.5.2b: toetsing analyseresultaten asfalt fase 2 Onderzoeksaspect Monstercode Deelmonster en lagen (mm) Voorterrein
ASFMM01
09
Traject teerhoudende asfaltlaag (indien > 250 mg/kg)
#1: in afwijking van de norm is één enkele analyse ingezet.
3.6
INTERPRETATIE
Bepalen omvang zink verontreiniging Verticale afbakening In ondergrondmonsters van meetpunt 01 (0,4 – 0,7 m-mv) en 02 (0,5 – 1,0 m-mv) is hooguit een matige verhoging aan zink aangetoond. Het voorkomen van de verontreiniging met zink is in het verticale vlak afdoende afgebakend. Horizontale afbakening In de bovengrondmonsters (0,0 – 0,5 m-mv) van meetpunten 06 en 08 is een zink gehalte aangetoond boven de interventiewaarde. Ter plaatse van de overige meetpunten 03, 04, 05, 07 zijn hooguit licht tot matige verhoging met zink aangetoond. In MM03 (waar boring 101 deel vanuit maakt) zijn tevens hooguit lichte verhogingen aangetoond. Het voorkomen van de verontreiniging met zink is ons inziens in het horizontale vlak afdoende afgebakend. Bespreking In het voorgaand onderzoek uitgevoerd door APS-Milieu (rapport kenmerk R19-B464, versie 2, d.d. juli 2019) is ter plaatse van de groenstrook grenzend aan de watergang een sterk verhoogd gehalte zink in de bovengrond aangetoond. Op basis van de onderzoekresultaten van onderhavige onderzoek en voorgaand onderzoek van APS-Milieu (rapport kenmerk R19-B464, versie 2, d.d. juli 2019) is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van zink in de grond in afdoende mate vastgelegd.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 17 van 21
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in de groenstrook grenzend aan de watergang sprake van een sterke verontreiniging met zink in de bovengrond. Naar alle waarschijnlijkheid kan de sterke verontreiniging met zink worden gerelateerd aan het op de kant zetten van bagger uit de watergang. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 7,5 m 3, uitgaande van een oppervlakte van circa 15 m 2 en een laagdikte van 0,5 meter. Op basis van de verzamelde onderzoeksresultaten is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, gezien het volumecriterium van 25 m 3 niet wordt overschreden. Algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit verharde terreindelen Uitpandig terreindeel Vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 1,0 m-mv is sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name zwakke tot matige bijmengingen met baksteen, betongranulaat, slakken en metselpuin. Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten blijkt dat de grond licht verontreinigd is met kobalt, kwik, lood, zink, minerale olie, PCB en drins (OCB). De grond is matig verontreinigd met PAK. Naar aanleiding van de aangetroffen matige verhoging van PAK is MM04 uitgesplitst en zijn de monsters separaat geanalyseerd op de verhoogd aangetoonde parameter. Inpandig terreindeel In het zand onder de betonverharding is plaatselijk sprake van bijmengingen met baksteen.
Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten is de grond licht verontreinigd met kobalt, kwik en PAK. Asbest in grond In de op asbest geïnspecteerde grond is geen asbestverdacht materiaal (grove fractie) aangetroffen. Op basis van de asbestbepalingen (fijne fractie) blijkt in de bodem een minimaal gehalte asbest te zijn aangetoond. Tevens is in het laboratorium door middel van zeven een fractie asbest (cement, plaat materiaal) van 4-8 mm aangetroffen. Aangezien het gewogen gehalte aan asbest lager is dan de helft van de interventiewaarde, zijnde 50 mg/kg ds, is het statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde, zijnde 100 mg/kg ds, ook in een nader onderzoekstraject niet zal worden overschreden. Er is derhalve geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Asfalt voorterrein Het onderzochte asfalt heeft een gemiddelde dikte van 20 cm. Het asfalt bestaat wat betreft samenstelling uit meerdere soorten asfalt, namelijk Steenslag Asfalt Beton (STAB), Dicht Asfalt Beton (DAB) en Open Asfalt Beton (OAB). Op basis van de analyseresultaten is het onderzochte asfalt niet teerhoudend.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 18 van 21
4.
4.1
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
CONCLUSIES
In opdracht van Maatschap van der Linden en Zoon is door IDDS een nader- en aanvullend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest uitgevoerd. Aanvullend is het asfalt op teerhoudendheid geanalyseerd. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom. Aanleiding en doelstelling Aanleiding tot het uitvoeren van het nader bodemonderzoek is het aantreffen van een sterk verhoogd gehalte zink in de bovengrond ter plaatse van meetpunt 02 en 12 (aan de westzijde van voornoemde locatie) aangetoond in het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door APS-Milieu (rapport kenmerk R19-B464, versie 2, d.d. juli 2019). Conform de Wet bodembescherming (Wbb) is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de omvang en ernst (en eventueel urgentie, dan wel actuele risico's) noodzakelijk, indien voor de onderzochte parameter de bijbehorende tussenwaarde/interventiewaarde wordt overschreden. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van een bloembollen- en bloemknollenkwekerij is het gebruik van bestrijdingsmiddelen (hierna: OCB’s) niet uitgesloten. In het recent uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek verricht naar OCB’s. In het kader hiervan dient de grond aanvullend te worden onderzocht op OCB’s. Tevens is in voornoemd onderzoek de grond onder de huidige verharding en onder de bebouwing niet onderzocht.
De milieuhygiënische kwaliteit is onbekend en derhalve is aanvullend onderzoek verricht naar de kwaliteit van de grond. Daarnaast is in voornoemd onderzoek asbestverdacht materiaal op het maaiveld en plaatselijk zijn puinbijmengingen in de grond aangetroffen. Dit maakt de locatie asbestverdacht en dient een verkennend asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is meerledig, te weten: De doelstelling van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de omvang van de verontreiniging met zink ter plaatse van meetpunt 02 en 12. Op basis hiervan kan worden nagegaan of ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De doelstelling van het aanvullend milieukundig bodemonderzoek is het bepalen van het gehalte OCB’s in de grond en de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem onder de verharding en onder de bebouwing. De doelstelling van het verkennend onderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en om een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Het indicatief vaststellen van de dikte, opbouw en teerhoudendheid (chemische kwaliteit) van de asfaltverharding, teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende asfalt te bepalen.
Conclusies bepalen omvang zink verontreiniging Op basis van onderzoeksresultaten van onderhavige onderzoek en voorgaand verkennend bodemonderzoek van APS-Milieu, d.d. juli 2019 (rapport kenmerk R19-B464, versie 2) is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van zink in de grond in afdoende mate vastgelegd. Aan de hand van de verzamelde resultaten van de onderzoeken kan geconcludeerd worden dat de bovengrond ter plaatse van groenstrook naast de watergang sterk is verontreinigd met zink. Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 19 van 21
Vermoedelijk is de sterke verontreiniging met zink veroorzaakt door het op de kant zetten van bagger uit de watergang. De omvang van de verontreiniging in de bovengrond wordt geschat op circa 7,5 m3. Het bodemvolume is lager dan 25 m 3. Er is, ons inziens, derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Conclusies algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit verharde terreindelen Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt geconcludeerd dat de grond ter plaatse van de uit- en inpandige verharde terreindelen licht is verontreinigd met kobalt, kwik, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB. Tevens is in de bovengrond drins (OCB) aangetoond. Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in afdoende mate vastgelegd. De lichte verontreinigingen de grond geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek en vormen ons inziens geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusies asbest in grond Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt geconcludeerd dat in de grond een minimaal gehalte asbest is aangetroffen. Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van asbest in afdoende mate vastgelegd.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond en vormen ons inziens geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Asfalt voorterrein Op basis van de resultaten van het onderhavige onderzoek wordt geconcludeerd dat het asfalt niet teerhoudend is.
4.2
AANBEVELINGEN
Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. Het bodemonderzoek is steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat plaatselijk sprake kan zijn van een afwijkende bodemopbouw. Indien op de locatie graafwerkzaamheden worden uitgevoerd wordt derhalve aanbevolen om alert te blijven op plaatselijke afwijkingen in de bodem die kunnen wijzen op een eventuele bodemverontreiniging.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 20 van 21
5.
BETROUWBAARHEID
Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen geaccepteerde inzichten en methoden. Echter, een bodemonderzoek is gebaseerd op het nemen van een beperkt aantal monsters en chemische analyses. IDDS streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Toch blijft het mogelijk dat lokaal afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit of opbouw van het bodemmateriaal voorkomen, ten opzichte van de in onderhavig rapport beschreven situatie. IDDS acht zich niet aansprakelijk voor eventuele schade die als gevolg van deze afwijkingen zou kunnen ontstaan. Hierbij dient tevens te worden gewezen op het feit dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) zou plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek door, bijvoorbeeld het bouwrijp maken van de locatie, het aanvoeren van grond van elders, toevoeging van bodemvreemde materialen of het naar de onderzoekslocatie verspreiden van verontreinigingen van verder gelegen terreinen via het grondwater. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden.
In veel gevallen hanteren de beoordelende instanties termijnen (doorgaans maximaal 3 jaar voor een bedrijfslocatie en maximaal 5 jaar voor een woonlocatie) waarbinnen de onderzoeksresultaten representatief worden geacht te zijn. Bij het gebruik van de resultaten van dit onderzoek dient het doel van het onderzoek goed in ogenschouw te worden genomen. Zo zullen de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen en/of verspreiding van één specifieke verontreinigende stof geen uitsluitsel bieden omtrent de aanwezigheid aan verhoogde concentraties van overige, niet onderzochte verontreinigende stoffen.
Onderzoekslocatie: Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom Projectkenmerk: 1908M858/PMU/rap1 pagina 21 van 21
BIJLAGE 1 1.1 OVERZICHTSKAART 1.2 SITUATIETEKENING MET BOORPUNTEN
Topografische kaart
Schaal 1:25.000
Legenda Locatie aanduiding
98450
98500
98550
Legenda
479700
479700
479650
479650
Plangebied Boorpunten Boring
Opdrachtgever Maatschap van der Linden en Zoon Projectnummer 1908M858 Akkoord Getekend: Vrijgegeven: Formaat: Schaal: Schaal situatie:
98450
98500
98550
Datum:
PMU COB A3
3-2-2020
Locatie Noorder Leidsevaart 26, Hillegom Omschrijving Nader bodemonderzoek Tekening nr.
Versie nr.
Bijlage nr.
M858-BO-01
1.1
3
98450
98500
98550
Legenda
479700
479700
479650
479650
Plangebied Boorpunten Boring
Opdrachtgever Maatschap van der Linden en Zoon Projectnummer 1908M858 Akkoord Getekend: Vrijgegeven: Formaat: Schaal: Schaal situatie:
98450
98500
98550
Datum:
PMU COB A3
3-2-2020
Locatie Noorder Leidsevaart 26, Hillegom Omschrijving Aanvullend bodemonderzoek Tekening nr.
Versie nr.
Bijlage nr.
M858-BO-01
1.1
3
98450
98500
98550
Legenda
479700
479700
479650
479650
Plangebied Boorpunten Asbestgat Asbestgat met boring
Opdrachtgever Maatschap van der Linden en Zoon Projectnummer 1908M858 Akkoord Getekend: Vrijgegeven: Formaat: Schaal: Schaal situatie:
98450
98500
98550
Datum:
PMU COB A3
16-1-2020
Locatie Noorder Leidsevaart 26, Hillegom Omschrijving Verkennend asbestonderzoek Tekening nr.
Versie nr.
Bijlage nr.
M858-BO-01
1.1
3
BIJLAGE 2.1 VERKENNEND BODEMONDERZOEK APAS-MILIEU (2019)
APS - Milieu B.V.
Tappersweg 12E 2031 ET Haarlem Tel.: (023) 538 51 91 info@apsmilieu.nl www.apsmilieu.nl
Verkennend bodemonderzoek R19-B464 (versie 2) Noorder Leidsevaart 26 Hillegom
Opdrachtgever: Peter Keur Holding B.V. Noorder Leidsevaart 24 2182 NB Hillegom juli 2019 NL52 RABO 0175 8032 77 NL44 INGB 0002 0722 15 KvK Haarlem: 34123303 BTW nr: 815463844B01
APS - Milieu B.V.
Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................. 4 1.1 Doel en opzet van het onderzoek ................................................................................. 5 2 Vooronderzoek ................................................................................................................... 6 2.1 Historie ........................................................................................................................ 6 2.2 Asbest .......................................................................................................................... 7 2.3 Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................ 7 2.4 Hypothese en strategie ................................................................................................. 8 3 Uitvoering ........................................................................................................................... 9 3.1 Veldwerk ..................................................................................................................... 9 3.2 Laboratoriumonderzoek.............................................................................................
11 4 Analyseresultaten.............................................................................................................. 12 5 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................ 13 6 Betrouwbaarheid ............................................................................................................... 14
Bijlage 1. Topografische kaart............................................................................................. 15 Bijlage 2. Kadastrale kaart................................................................................................... 17 Bijlage 3. Locatietekening met boorpunten ......................................................................... 19 Bijlage 4. Boorstaten ........................................................................................................... 21 Bijlage 5. Omgevingsrapportage omgevingsdienst West-Holland ..................................... 26 Bijlage 6. Toetsingskader .................................................................................................... 39 Bijlage 7. Referenties .......................................................................................................... 50 Bijlage 8. Fotorapportage .................................................................................................... 52 Bijlage 9. Analysecertificaten.............................................................................................. 57
2
APS - Milieu B.V.
Samenvatting Soort onderzoek
verkennend bodemonderzoek NEN-5740
Aanleiding tot het onderzoek
transactie
Projectcode
R19-B464 (versie 2)
Opdrachtgever
Peter Keur Holding B.V.
Adres opdrachtgever
Noorder Leidsevaart 24
Woonplaats en postcode
2182 NB Hillegom
Locatiebenaming
Noorder Leidsevaart 26 Hillegom
Locatieadres
Noorder Leidsevaart 26
Locatie plaats en postcode
2182 NB Hillegom
Kadastrale aanduiding
Sectie A, nummer 8918, gemeente Hillegom
Coördinaten
98467 / 479664
Oppervlakte onderzoekslocatie
2700 m2
Te onderscheiden deellocaties
1
Aantal boringen en peilbuizen
12 waarvan 1 is afgewerkt met een peilbuis
Datum veldwerk
03-06-2019
Datum watermonster
13-06-2019
Aantal analyses Aanwijzingen asbest
4, waarvan 1 grondwatermonster Op basis van aantreffen asbestverdacht materiaal asbestverdacht bovengrond o.a. sterk verontreinigd met zink ondergrond niet verontreinigd met de onderzochte parameters grondwater licht verontreinigd met minerale olie - uitvoeren nader bodemonderzoek naar de ernst en omvang van de sterke verontreinigingen met zink in de bovengrond; - indien in de toekomst de verharding wordt verwijderd, wordt aanbevolen een verkennend bodemonderzoek asbest conform NEN 5707 uit te voeren; - uitvoeren aanvullend bodemonderzoek naar bestrijdingsmiddelen in de grond en het grondwater
Aangetroffen verontreinigingen
Conclusies en aanbevelingen
3
APS - Milieu B.V.
1 Inleiding In juni-juli 2019 heeft APS-Milieu in opdracht van Peter Keur Holding B.V. te Hillegom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom. Het onderzoek is uitgevoerd conform BRL SIKB 2000, protocol 2001 plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen en protocol 2002 het nemen van grondwatermonsters. APS-Milieu verklaart dat er geen andere relaties bestaan met de opdrachtgever van het bodemonderzoek anders dan die van opdrachtgever versus opdrachtnemer. Onderstaande verklaren de veld- en/of rapportagewerkzaamheden conform de geldende normen en onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd. Naam: Onderzoeksbureau: Certificaatnummer: Ondertekening:
Dhr. M.S. Duvekot VeldXpert K24252/12
Naam: Onderzoeksbureau: Certificaatnummer: Ondertekening:
Dhr. S.E. Kroon APS-Milieu BV VB-028
Rapportage 2000 Naam: Onderzoeksbureau: Ondertekening:
Ing. T.R.U. Wanders APS Milieu B.V.
Rapportage vrijgegeven door: Naam: Ing. J.J. de Vlieger Onderzoeksbureau: APS Milieu B.V. Certificaatnummer: VB-028 Ondertekening:
4
APS - Milieu B.V.
De aanleiding tot het laten uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen koop of verkoop van het perceel. Het doel van een bodemonderzoek in het kader van een transactie waarbij de kwaliteit van de bodem een rol speelt, is het wegnemen van onzekerheden en het regelen van aansprakelijkheid voor (toekomstige) kosten verband houdend met bodemverontreiniging. Bij een dergelijk onderzoek wordt over het algemeen als een verkennend onderzoek volgens de NEN-5740 uitgevoerd, waarbij het vooronderzoek tenminste aan het verminderd basisniveau volgens de NEN-5725 dient te voldoen. In overleg met de betrokken partijen kan eventueel van deze opzet afgeweken worden. De onderzoekslocatie valt samen met het te kopen of verkopen terrein.
1.1 Doel en opzet van het onderzoek Doel van een verkennend bodemonderzoek is: • Bepalen of er al dan niet van bodemverontreiniging sprake is, conform de Wet Bodembescherming. • Eventueel bepalen of er een nader onderzoek gewenst is naar de ernst van de bodemverontreiniging. • Eventueel verkrijgen van een eerste indicatie van de verspreiding van de verontreiniging, zonodig door heranalyse van afzonderlijke monsters. De opzet van een verkennend onderzoek omvat de volgende fasen: • Vaststellen van het (juridische) kader van het onderzoek. • Verrichten van (historisch) vooronderzoek naar mogelijke verontreiniging. • Verrichten van vooronderzoek naar geohydrologie en bodemopbouw. • Opstellen van hypothese en onderzoeksstrategie voor het bodemonderzoek. • Uitvoering veldwerk (boringen, peilbuizen en bemonsteringen). • Uitvoering laboratoriumanalyses in een erkend RvA geaccrediteerd laboratorium. • Interpretatie van de resultaten van het onderzoek. • Toetsing van hypothese en strategie. • Eventueel herhalen van (enkele van) de voorgaande fasen als de hypothese en strategie niet toereikend blijken te zijn geweest. • Bepalen of er sprake is van bodemverontreiniging, en indicaties geven over de verspreiding ervan. • Eventueel bepalen of nader onderzoek gewenst is. • Rapportage en eindbespreking.
5
APS - Milieu B.V.
2 Vooronderzoek 2.1 Historie De ligging van de locatie is aangegeven op de topografische kaart (bijlage 1) en tevens op een kadastrale tekening (bijlage 2). Ook zijn er foto's gemaakt van het onderzochte terrein (bijlage 8). Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2009, strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. In bijlage 5 is een overzicht van de verkregen gegevens opgenomen. De onderzoekslocatie is gelegen in Hillegom. Het perceel is eigendom van Peter Keur B.V. met het zakelijk recht voor Gemeente Hillegom en staat kadastraal bekend onder de aanduiding Sectie A, nummer 8918 van de gemeente Hillegom. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt 2700 m2. Uit kadastrale gegevens blijkt dat het perceel de bestemming bedrijvigheid (kantoor) terrein (teelt-kweek) heeft. In de omgeving is voornamelijk sprake van agrarisch gebied. Momenteel is het perceel in gebruik als bedrijfsterrein. Op de locatie is een bedrijfspand gevestigd. Rondom het bedrijfspand is de locatie grotendeels verhard met stelconplaten en asfalt. Verder zijn verschillende groenstroken aanwezig. Bij de omgevingsdienst West-Holland zijn gegevens opgevraagd van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie en de ligging van ondergrondse tanks. Ook is het Bodemloket geraadpleegd.