CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1. Locatiespecifieke onderbouwing Noorder Leidsevaart 26.pdf

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 25: Gewijzigd vaststellen omgevingsplan Noorder Leidsevaart 26, Hillegom3.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

locatiespecifiek onderzoek spuitzonering Noorder Leidsevaart 26 in Hillegom

De Omgevingsjurist Groot Handelsgebouw Rotterdam Business Center Weena 737, 3013 AM Rotterdam T: 010 – 268 0689 www.omgevingsjurist.nl info@omgevingsjurist.nl

Wie is Marian Harberink? Marian Harberink is gespecialiseerd in de juridisch-planologische én milieutechnische doorwerking van milieu in het bestemmingsplan. Eén van haar specialisaties is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten en de hierbij behorende spuitzonering (spuitzones) en afstanden tot woningen. Ze adviseert met name gemeenten, adviesbureaus, projectontwikkelaars en boomkwekers over dit onderwerp. Daarnaast is ze gespecialiseerd in het verkorten van richtafstanden inzake de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Naast ruim 15 jaar praktijkervaring heeft ze hierover gepubliceerd in de juridische vakbladen Milieu & Recht (‘Intensief gewasbeschermingsmiddelengebruik bij open teelten’, M en R 2011/38) en Bulletin RO totaal (‘Spuitzones van boomgaarden en een goede ruimtelijke ordening’ BROT 2010, nr. 6) en het vaktijdschrift De Boomkwekerij (‘Let op de spuitzone rond boomkwekerijpercelen’, 27 mei 2011). Ze heeft onder meer onderbouwingen gemaakt voor de gemeenten Overbetuwe, Nederbetuwe, Houten, Utrecht, Veldhoven, Wijk bij Duurstede, Tilburg, Rheden, Beuningen, Moerdijk, Hulst, Noordwijk, Uden en voor makelaars, projectontwikkelaars, kwekerijen, adviesbureaus en particulieren.

Rapportage: 'Locatiespecifieke onderbouwing spuitzonering Noorder Leidsevaart 26, def. 04072020' Auteur: Marian Harberink

Let op! Op dit advies berusten auteursrechten. De tekst van dit advies mag uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van deze opdracht. Niets uit dit advies mag worden gekopieerd of worden gewijzigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch hetzij mechanisch zonder voorafgaande toestemming van De Omgevingsjurist®. Het aanhalen van tekst uit dit advies is wel geoorloofd, mits de bron en de auteur worden genoemd. U pleegt plagiaat indien u zonder bronvermelding (copy paste) letterlijk tekst overneemt.

© 2020 De Omgevingsjurist®

Gemeente Hillegom College van B&W Postbus 32 2180 AA HILLEGOM

LOCATIESPECIFIEKE ONDERBOUWING SPUITZONERING 3 juli 2020 1. Aanleiding De gemeente Hillegom is voornemens mee te werken aan de sloop van een bedrijfsgebouw van een voormalig bollenteeltbedrijf aan de Noorder Leidsevaart 26 in Hillegom. Het is de bedoeling om op het perceel na de sloop twee woningen met tuinen te realiseren. Voor de planologische procedure is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Met het ruimtelijke besluit moet worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied liggen agrarische percelen voor de teelt van dahlia’s. Ingevolge de geldende agrarische bestemming is dit gebruik toegestaan. Vanwege deze mogelijkheid in het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997, eerste herziening” kan spuitzonering vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een rol spelen. Hierbij moet in beginsel worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de betreffende percelen 1. Deze percelen zijn in eigendom van het dahliateeltbedrijf J. van der Linden & Zoon B.V. aan de Noorder Leidsevaart 29, tevens de initiatiefnemer van het plan. In deze onderbouwing is onderzocht of er ter plaatse van de beoogde woonpercelen al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners.

Tevens is onderzocht of er een teler is die in de bedrijfsvoering kan worden gehinderd door voornoemde ontwikkeling. 2.1 Spuitzones en gevoelige functies De toelating van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland is Europees geregeld en is aan strenge regelgeving onderworpen. In Nederland is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) verantwoordelijk voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen 2. Het Ctgb 3 neemt sinds 2014 bij de toetsing van toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen de blootstelling van toepassers, werkers, omstanders en tevens de blootstelling van omwonenden toetsing mee 4. Daarmee wordt uitgegaan van een worstcasebenadering waarin de gewasbespuiting met het bestrijdingsmiddel dagelijks voor langere tijd plaatsvindt en waar omwonenden langdurig aan worden blootgesteld. De reden hiervoor is dat als een middel veilig is in een worstcase situatie, dan is het ook veilig in situaties waar minder blootstelling plaatsvindt. Er gelden in Nederland echter geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen 5. Vanwege mogelijk 1

ABRS 29 maart 2017, no. 201600689/1/R1. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), ‘Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken’, 2019. 3 https://www.ctgb.nl/ 4 Brief van CTGB d.d. 4 april 2019 aan staatssecretaris van I&W en minister van LNV. 5 ABRS 6 juni 2018, 201704769/1/R1. 2

vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van appel- en perenbomen (in een professionele boomgaard) wordt bij de besluitvorming inzake ruimtelijke ordening (bestemmingsplan en omgevingsvergunning) meestal de vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming of functie. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel en geen wetgeving. Deze richtafstand van 50 meter heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is dus al meer dan 20 jaar oud. Relevant is te vermelden dat in die tijd de regelgeving met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt was en er veel minder sprake was van toepassing van bijvoorbeeld driftreducerende spuitmethoden en spuitdoppen, zoals thans is geregeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer 6. Ook de hiervoor genoemde toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was veel minder streng en door minder regels omgeven dan thans het geval is. De rechtspraak houdt ondanks al deze verbeteringen in beginsel nog steeds vast aan voornoemde richtafstand van ruim 20 jaar geleden. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Woningen met tuinen kunnen als zodanig worden aangemerkt.

Bij de richtafstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de teler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners. Zoals hiervoor staat vermeld is de 50 meter richtafstand echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden, zoals de overheersende windrichting. Drift afkomstig uit bijvoorbeeld een professionele appel- of perenboomgaard is door de aard van de bespuitingen, met name op- en zijwaarts gericht machinaal (onder hoge druk) spuiten en hoge spuitfrequentie veel intensiever dan bijvoorbeeld bij bespuitingen in de lage bomenteelt of rode bessenteelt. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht 7. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering 8. 2.2 Beoogde planlocatie De locatie van de beoogde woonpercelen ligt in de lintbebouwing van het agrarische gebied van Hillegom. In de omgeving liggen agrarische percelen met bollen- en bloementeelt.

Afbeelding 1: ligging plangebied en omgeving (bron: Google Earth Pro) 6 Zie de artikelen 3.78 e.v. van Activiteitenbesluit milieubeheer.

7

Artikel 3:2 juncto artikel 3:4 Awb en artikel 3.1.6 Bro en ABRS 31 augustus 2011, no. 200909137/1/R3, ABRS 18 mei 2011, no. 201001510/1/R1. 8 ABRS 6 juni 2018, no. 201704769/1/R1, r.o. 11.1

2

Afbeelding 2: uitzicht op voorzijde van het te slopen bedrijfsgebouw (vanaf Noorder Leidsevaart)

Afbeelding 3: achterzijde perceel te slopen bedrijfsgebouw en gedeelte agrarisch perceel voor dahliateelt

3

3.1 Onderzoek omvang spuitzone Zoals hiervoor staat weergegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief en willekeurig. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake kan zijn van een goede ruimtelijke ordening. Omdat elk geval anders is, dient dit per dossier te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en onderzoek komen de volgende aandachtspunten naar voren: 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en geldende bestemming(en); 2. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; 3. wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen of maatregelen; 4. overheersende windrichting. Aan de hand van bovengenoemde stappen wordt onderbouwd waarom in dit dossier al dan niet een kleinere spuitzone kan worden aangehouden dan 50 meter in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Stap 1 Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en geldende bestemming(en) Geldende en beoogde bestemming(en) Voor het beoogde plangebied geldt het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997, eerste herziening”. Voor het perceel geldt de bestemming ‘Agrarisch Handels- en Exportbedrijf’.

De omliggende agrarische percelen hebben de bestemming ‘Agrarische doeleinden’ met de subbestemming ‘Bollencultuur’. Ingevolge de geldende agrarische bestemming is de uitoefening van akkerbouw, bollenteelt en tuinbouwbedrijven toegestaan, alsmede gemengde tuinbouwbedrijven. Deze percelen zijn in eigendom van de initiatiefnemer.

Afbeelding 4: plankaart geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijke onderbouwing IDDS)

4

Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen een gevoelige functie en een agrarisch perceel waar open teelten zijn toegelaten, dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin toelaat. Hierbij wordt in beginsel uitgegaan van een maximale invulling van de planologische mogelijkheden van de betreffende agrarische percelen. Indien het bestemmingsvlak open teelten tot aan de perceelsgrens toelaat, dan dient te worden gemeten vanaf de perceelsgrens (is meestal ook de rand van het bestemmingsvlak) 9. Ter relativering van dat uitgangspunt wordt opgemerkt dat er bij het bepalen van een verantwoorde afstand geen rekening hoeft te worden gehouden met de omzetting van bestaand gebruik van een agrarisch bedrijf en/of de agrarische gronden naar geheel nieuw agrarisch gebruik in de toekomst, tenzij er een concreet initiatief is ingediend bij de gemeente 10. Stap 2 Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en wanneer Zoals eerder vermeld is op grond van het geldende bestemmingsplan de uitoefening van akkerbouw, bollenteelt en (gemengde) tuinbouwbedrijven toegestaan op de omliggende agrarische percelen. Van de bollenteelt is bekend dat dit een vorm van teelt is waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het meest intensief is van alle gewassen die neerwaarts worden bespoten.

In dit geval is zowel op de noordelijk en (zuid)oostelijk gelegen agrarische percelen in planologischjuridisch opzicht bollenteelt toegestaan. Het teeltbedrijf ter plaatse heeft zo’n 40 hectare voor dahliateelt en bloembollen in gebruik. Bij bloembollen wordt intensief, maar neerwaarts gespoten 11. Deze spuittechniek (naar beneden spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht dan opwaartse of zijwaartse machinale bespuitingen. In deze onderbouwing wordt uitgegaan van voornoemde teelt en de daarbij meest gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. In de bollenteelt worden zowel schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden), onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden) als insectenbestrijdingsmiddelen (insecticiden) gebruikt. Hoewel er geen specifieke middelen voor de bollenteelt zijn ontwikkeld – de markt is daarvoor te klein en de ontwikkelingskosten te hoog - zijn veel gebruikte middelen in gewasbeschermingsmiddelen asulam, chloorprofam, prochloraz, tebuconazool en carbendazim 12. Een teler maakt een keus op basis van wat op een zeker moment het meest effectief is. Dat is afhankelijk van de periode van het jaar, de ziektedruk en de voorkeur van de teler. Asulam dat hiervoor wordt genoemd was via een tijdelijke vrijstelling toegelaten. De toelating voor het middel is op 24 augustus 2019 vervallen.

Om niet tot de doelsoorten behorende planten te beschermen was toepassing van het middel uitsluitend toegestaan indien op het gehele perceel gebruik wordt gemaakt van een driftreducerende techniek uit tenminste de klasse DRT95 13. Die laatste zijn doppen met een driftreductie van tenminste 95%. Het toegelaten gebruik staat per gewasbeschermingsmiddel aangegeven in de wettelijke gebruiksvoorschriften die te vinden zijn in de toelatingendatabank van het Ctgb 14.

9 ABRS 24 juli 2002, no. 200103400/1.

10

ABRS 26 september 2018, no. 201800884/1/R6.

Onder meer RIVM ‘Bestrijdingsmiddelen en omwonenden’, Rapport 2019-0052, 2019. Volgens RIVM (2019). 13 Zie ‘Tijdelijke vrijstelling ter bescherming van de onbedekte bollenteelt van hyacint, [...] spinazie en de spinaziezaadteelt tegen onkruid, 2019’, www.wetten.nl (geraadpleegd op 10 augustus 2019). 14 https://toelatingen.ctgb.nl/toelating. 11 12

5

Stap 3 Wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen 3.1.1 Algemeen Uit onderzoeken van de Wageningen UR blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden met name liggen bij opname van stoffen door de huid (dermaal risico) 15. Door drift (verwaaiing van spuitvloeistof) kan de mens ongewenst in contact komen met gewasbeschermingsmiddelen. In het algemeen neemt de drift af naarmate de afstand toeneemt 16. In de onderzoeken van de WUR is het maximaal dermale blootstellingseindpunt (AEL) vastgesteld op 100%. Overschrijding van dit eindpunt betekent dat de huidblootstelling van mensen aan bepaalde gewasbeschermingsmiddelen tot schadelijke effecten kan leiden voor de gezondheid. In de winter groenblijvende windhagen aan de rand van een perceel kunnen de hoeveelheid drift aanzienlijk beperken. In 2019 is een omvangrijk onderzoek uitgebracht van een consortium van wetenschappers waarin voor het eerst zo uitgebreid de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in Nederland in kaart is gebracht, specifiek bij omwonenden van bollenvelden.

In het algemeen blijkt uit het onderzoek dat naast opname van de huid en inademing, mensen stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen op hun kleding en schoenen mee kunnen dragen en dat mensen via het eten van groente en fruit uit eigen tuin bestrijdingsmiddelen binnen kunnen krijgen. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het bollenveld na de bespuiting en inname van bestrijdingsmiddelen via huisstof. Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen 17. Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de windrichting bij bespuitingen 18. Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen).

Uit het onderzoek blijkt verder dat de blootstelling aan de onderzochte middelen bij de toelatingsprocedure niet te laag wordt ingeschat door het Ctgb: “In de procedure voor de toelating van bestrijdingsmiddelen wordt beoordeeld of langdurige blootstelling aan een bepaalde concentratie van een bestrijdingsmiddel in de lucht leidt tot overschrijding van een risicogrens voor de gezondheid. Als dit het geval is, wordt het middel niet toegelaten. Voor deze beoordeling wordt, afhankelijk van het bestrijdingsmiddel, uitgegaan van een vaste concentratie van 1 of 15 microgram per kubieke meter lucht. De maximale luchtconcentraties voor alle bestrijdingsmiddelen op de OBO-meetlocaties waren minstens tien keer lager dan de bij de toelating gehanteerde vaste concentratie 19.” In het onderzoek zijn vier blootstellingsroutes voor omwonenden onderzocht: drift, verdamping, neergeslagen residuen bij huis en herbetreding van behandeld gewas 20. Deze routes worden ook meegenomen in het model dat het Ctgb gebruikt bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen bij de toelatingsprocedure. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Drift In het model dat ook door het Ctgb wordt gehanteerd, wordt rekening gehouden met een blootstelling van een persoon aan een vaste hoeveelheid drift op 2 meter afstand van het gewas. Hierbij wordt opname van de huid meegenomen als ook inademing.

Verder blijkt (citaat RIVM 2019, p. 33): “De OBO-meetresultaten werden op dit punt sterk bepaald door de weersomstandigheden tijdens het moment van spuiten. Telers kiezen bij voorkeur een spuitmoment waarbij de wind van de woningen af staat en dat is tijdens dit onderzoek ook zo gedaan. Dit betekende voor het OBO dat drift tijdens het spuiten niet direct bij de omwonenden terechtkwam.”

Onder meer ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaardbespuitingen’, J.C. van der Zande en M. Wenneker, WUR, maart 2015). 16 Onder meer notitie ‘Driftarme doppen voor de teelt van opzetters in de laanbomenteelt’, PRI Wageningen UR en RIVM (2019), p. 23. 15

17

Volgens RIVM (2019), p. 27. Dit praktijkgebruik van telers wordt ook bevestigd in RIVM (2019), p. 33). 19 Volgens RIVM (2019), p. 29. 20 RIVM (2019), p. 32. 18

6

Verdamping In het model dat ook door het Ctgb wordt gehanteerd wordt rekening gehouden met verdamping van middelen (citaat, p. 33): “het EFSA-model gaat uit van een vaste concentratie bestrijdingsmiddel in de lucht (1 of 15 microgram per kubieke meter), die de hele dag aanwezig is. Tijdens de OBO-metingen waren de hoogste luchtconcentraties minstens tien keer lager dan de vaste waarde die bij de toelating wordt gebruikt als daggemiddelde concentratie, voor een toets op langdurige blootstelling.” Ten aanzien van de aspecten ‘neergeslagen residuen bij huis’ en ‘herbetreding van gewas’ is door het RIVM geen onderzoek gedaan. Men adviseert daar vervolgonderzoek naar te doen. Zoals eerder vermeld worden deze aspecten bij de toelatingsprocedure door het Cgtb wel meegenomen. Conclusies RIVM en Ctgb Hoewel nooit alle risico’s kunnen worden uitgesloten – 100% zekerheid bestaat niet - wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhingen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Ook het Ctgb heeft gereageerd op voornoemd onderzoek 21. Hun conclusie luidt: “onderzoeken naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van omwonenden van landbouwgebieden laten zien dat onder realistische gebruiksomstandigheden de veilige grenswaarden niet worden overschreden. Dit betekent dat omwonenden geen gezondheidsrisico’s lopen.

Er is daarom geen reden om in te grijpen in de toegelaten middelen. De onderzoeken bevestigen dat de door het Ctgb gebruikte beoordelingsmethodieken en de daarin gehanteerde Europese modellen voor verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (omwonenden, grond, moestuingewassen) robuust zijn: de feitelijke blootstelling is lager dan de berekende blootstelling bij toelating van de middelen.”

21

Brief van 4 april 2019 aan staatssecretaris van I&W en minister van LNV.

7

3.1.2 Beoordeling en toepassing op situatie In het hierna volgende staat aangegeven wat de huidige en beoogde functies zijn en wat de afstand is tussen de agrarische percelen en de beoogde woonpercelen.

Agrarisch perceel no. 8766 (bollenteelt)

Beoogde woonpercelen no. 9585

Agrarisch perceel no. 9587 (bollenteelt)

Agrarisch perceel no. 8723 (bollenteelt)

Agrarisch perceel no. 9589 (bollenteelt)

Afbeelding 5: overzicht plangebied en afstanden tot agrarisch perceel

De kortste afstand tussen de beoogde woonpercelen en de grenzen van de agrarische percelen is 0 meter (meetbron: ruimtelijkeplannen.nl). De kortste afstand tussen het agrarische perceel met no. 8723 en het woonperceel is 22 meter (zie gele lijn op afb. 5). Deze gele lijn ligt over het woonperceel no. 9588. De kortste afstand tussen het agrarische perceel met no. 9587 en het woonperceel is 0 meter. De kortste afstand tussen het agrarische perceel met no. 8766 en het woonperceel is 0 meter. Voor een groot gedeelte zit er een brede watertoevoerende sloot tussen voornoemd perceel van ongeveer 3,50 meter.

8

Afbeelding 6: foto met uitzicht op watertoevoerende sloot tussen agrarisch percelen no. 9587 en no. 8766

Afbeelding 7: foto met uitzicht op perceel 8766 (dahliateeltbedrijf van initiatiefnemer)

9

Afbeelding 8: uitzicht op perceel no. 9587 vanaf beoogd woonperceel

Afbeelding 9: uitzicht op perceel no. 9587 (links), sloot, en rechts perceel no. 8723

10

3.2 Gewijzigde wetgeving Sinds 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten. Met deze maatregelen wordt onder meer de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (zoals omwonenden) beperkt in plaats van alleen naar het water. Hoewel de meeste telers in de bollenteelt al veelvuldig (verdergaande) driftreducerende spuittechnieken toepassen, zoals spuiten met driftreducerende doppen die een driftreductie teweegbrengen van tenminste 95%, dient er vanaf voornoemde datum verplicht een driftreductie van tenminste 75% te worden bereikt voor het gehele perceel 22. Voor alle open teelten zijn de eisen aan driftreducerende maatregelen verscherpt en op het gehele perceel van toepassing verklaard in plaats van binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam zoals dat voorheen gold. Dit geldt ook voor de bollenteelt. Op grond van het voornoemde dient elke (bollen)teler dus maatregelen te nemen die een driftreductie van tenminste 75% voor het gehele perceel teweegbrengen. Vanwege de watertoevoerende sloten tussen de percelen gebruikt de teler (initiatiefnemer) driftreducerende spuitdoppen van 95%. Stap 4 Overheersende windrichting De meest overheersende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting.

Ook in onderhavige situatie is dit de overheersende windrichting 23. Gezien de westelijke en zuidelijke ligging van de beoogde woonpercelen ten opzichte van de agrarische percelen, is de kans op verwaaiing van eventuele drift richting de woningen en tuinen niet groot. Tevens letten telers vrijwel altijd op de windrichting bij bespuitingen 24 en is het ook van economisch belang is om niet te spuiten bij windrichtingen die van het spuitgebied afwaaien, mede de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen).

Afbeelding 10: ligging planlocatie in relatie tot windrichting, donkerblauwe pijlen: zuidwestelijk 22 Zie artikel 3.78a Activiteitenbesluit milieubeheer.

23 24

Bron: windfinder.com Dit praktijkgebruik van telers wordt ook bevestigd in RIVM (2019), p. 33).

11

4. Een goede ruimtelijke ordening Zoals eerder is vermeld dient bij de besluitvorming inzake een ruimtelijk besluit te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt bij het aspect spuitzonering in dat de bedrijfsvoering van de teler niet mag worden belemmerd door de woningen met tuinen en dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig dient te zijn. Zoals beschreven onder stap 3 blijkt uit het uitgebrachte onderzoek van het RIVM dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Dit is door het Ctgb bevestigd. Dit komt mede omdat telers in de regel niet spuiten bij harde wind of een windrichting richting woningen of andere gevoelige bestemmingen. Om eventuele drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen bij de woningen en tuinen zoveel als mogelijk uit te sluiten wordt geadviseerd om een in de winter groenblijvende haag of andere groenblijvende begroeiing aan te planten aan de oostelijke en noordelijke kant van het plangebied. Ondanks het feit dat er in de bollenteelt neerwaarts wordt gespoten en de hoofdzakelijke windrichting gunstig is, wordt geadviseerd een in de winter groenblijvende haag of beplanting van tenminste twee meter hoogte aan te planten.

Evenals het geval is bij de naastgelegen woning op het adres Noorder Leidsevaart 24 (zie afbeelding 11). Omdat dichte, groene hagen en/of beplanting een driftreducerende werking hebben kan op deze manier (vrijwel) uitgesloten worden dat er gewasbeschermingsmiddelen op de woonpercelen terecht kunnen komen. Geadviseerd wordt om dit als een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de regels van het bestemmingsplan of als voorwaarden bij de omgevingsvergunning. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Afbeelding 11: foto afschermende bestaande afschermende beplanting tussen woonperceel Noorder Leidsevaart 24 en agrarisch perceel 9589

12

• • • •

milieuzonering VNG-brochure en nieuwe stijl spuitzonering vormvrije m.e.r.-beoordelingen omgevingsplan

De Omgevingsjurist Groot Handelsgebouw Rotterdam Business Center Weena 737, 3013 AM Rotterdam T: 010 – 268 0689 www.omgevingsjurist.nl info@omgevingsjurist.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1629/documents/21542