260728 Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 30 Hart voor Hillegom Herontwikkeling Draka-terrein
Tekst van het document
Schriftelijke vragen van de raad Van: | C.J. Cornet Aan: | Het college van de gemeente Hillegom Zaaknummer: | Z-26-523623 Onderwerp: | Herontwikkeling Draka-terrein Ingediend op: | 28-07-2026 Wijze van beantwoording: | schriftelijk Doorgezonden aan college/ | 28-07-2026 Overige raadsleden op: Uiterste datum beantwoording: | 27-08-2026 Inhoud schriftelijke vraag: Door middel van raadsbrief DB11 heeft het college de raad geïnformeerd over de tussentijdse stand van zaken rondom de ontwikkeling van het Draka-terrein tot woningbouwlocatie. Het college benoemt dit project als één van onze prioriteiten. Daarnaast vindt de gemeente (naar wij aannemen het college) het belangrijk om voldoende regie te houden op de ontwikkeling. Het vorige college heeft in maart een vervolggesprek gehad met de initiatiefnemer. Hierbij ging het vooral over de thema’s Dorps wonen, en groen. Ook werd er gesproken over het indienen van een principeverzoek en het aangaan van een intentieovereenkomst. Hoewel Hart voor Hillegom de importantie begrijpt ontstaan er wel een aantal vragen. Deze vragen vindt u bijgevoegd en zien wij graag schriftelijk beantwoord. 1.
| Hoe | beoordeelt | het | college | de | kans | dat | de | herontwikkeling | van | het | Draka-terrein daadwerkelijk doorgang kan vinden, nu de provincie volgens de raadsbrief van mening is dat deze ontwikkeling niet past binnen haar beleid voor bedrijventerreinen? 2. | Welke concrete overleggen hebben vanuit de gemeente, college en/ of ambtenaren, inmiddels met de provincie Zuid-Holland plaatsgevonden over de herontwikkeling van het Draka-terrein, welke standpunten zijn daarbij over en weer ingenomen en welke conclusies verbindt het college daaraan? 3. | Welke feiten en verwachtingen rechtvaardigen volgens het college het vragen van een voorbereidingskrediet aan de gemeenteraad, terwijl het college tegelijkertijd aangeeft dat de provincie de voorgenomen ontwikkeling strijdig acht met haar eigen beleid? 4. | Hoe weegt het college het financiële risico af dat de gemeente voorbereidingskosten maakt voor een ontwikkeling die uiteindelijk mogelijk niet uitvoerbaar blijkt vanwege provinciaal beleid? 5. | Welke voorbereidingskosten verwacht het college te maken, hoe zijn deze opgebouwd en op welke wijze worden deze kosten verhaald indien de ontwikkeling uiteindelijk geen doorgang vindt? 6.
| Hoe beoordeelt het college de juridische stelling van de initiatiefnemer dat woningbouw op het Draka-terrein mogelijk is als een binnenplanse Omgevingsplanactiviteit en welke juridische onderbouwing ligt aan dat oordeel ten grondslag? 7. | Waarom | worden | beleidsregels | en | een | nadere | invulling | van | de | open | normen | in | het Omgevingsplan pas opgesteld nadat een principeverzoek is ingediend, en hoe verhoudt deze werkwijze | zich | tot | de | uitgangspunten | van | rechtszekerheid | en | gelijke | behandeling | van initiatiefnemers? 8. Welke planologische, juridische en bestuurlijke belemmeringen ziet het college op dit moment nog voor de herontwikkeling van het Draka -terrein en op welke wijze worden deze één voor één opgelost? 9. Welke betekenis kent het college toe aan de herontwikkeling van het Draka -terrein binnen de totale Hillegomse woningbouwopgave en hoe beïnvloedt deze ontwikkeling de noodzaak om woningbouw op andere locaties, waaronder buiten stedelijke zoekgebieden, te realiseren? 10. Welke afweging heeft het college gemaakt tussen het behoud van een bedrijventerrein en de wens om op deze locatie woningbouw mogelijk te maken, en welke beleidsmatige argumenten hebben daarbij de doorslag gegeven? 11.
Hoe ziet het college de verdere besluitvormingsvolgorde voor zich, welke besluiten verwacht het achtereenvolgens van de provincie, het college en de gemeenteraad en welke momenten zijn daarbij bepalend voor het al dan niet voortzetten van het project? 12. Welke feiten en verwachtingen rechtvaardigen volgens het college het vragen van een voorbereidingskrediet aan de gemeenteraad, terwijl het college tegelijkertijd aangeeft dat de provincie de voorgenomen ontwikkeling strijdig acht met haar eigen beleid? Datum antwoordbesluit college: 18 augustus 2026 Antwoord college: 1. Hoe beoordeelt het college de kans dat de herontwikkeling van het Draka-terrein daadwerkelijk doorgang kan vinden, nu de provincie volgens de raadsbrief van mening is dat deze ontwikkeling niet past binnen haar beleid voor bedrijventerreinen? De provincie heeft zich vooralsnog terughoudend opgesteld ten aanzien van de transformatie van het Draka-terrein. Afstemming met de provincie is een expliciet onderdeel van de projectopdracht. Zowel ambtelijk als bestuurlijk wordt er constructief overleg gevoerd met de provincie. Hoewel de herontwikkeling van het Draka-terrein complex is, ziet het college voldoende kansen voor ontwikkeling. 2.
Welke concrete overleggen hebben vanuit de gemeente, college en/ of ambtenaren, inmiddels met de provincie Zuid-Holland plaatsgevonden over de herontwikkeling van het Draka-terrein, welke standpunten zijn daarbij over en weer ingenomen en welke conclusies verbindt het college daaraan? Ambtelijk vindt er maandelijks (regulier)overleg plaats tussen de provincie en de gemeente Hillegom waarbij ook het project Draka besproken wordt. De formele, inhoudelijke afstemming over dit project maakt onderdeel uit van een nog vast te stellen projectopdracht. De afstemming moet nog grotendeels plaatsvinden. Het is op dit moment niet in het belang van de gemeente, noch in het belang van de herontwikkeling om gedetailleerd inzage te geven in de standpunten. Zeker omdat nu nog hard gewerkt wordt aan de onderbouwing van de standpunten, waardoor standpunten nog kunnen veranderen. Daarom kunnen er op dit moment nog geen conclusies aan verbonden worden. 3. Welke feiten en verwachtingen rechtvaardigen volgens het college het vragen van een voorbereidingskrediet aan de gemeenteraad, terwijl het college tegelijkertijd aangeeft dat de provincie de voorgenomen ontwikkeling strijdig acht met haar eigen beleid? Het college verwacht dat een herontwikkeling kansrijk is, desondanks ziet het college ook een aantal risico’s bij deze herontwikkeling. Om de risico’s goed te beheersen is regie en grip nodig.
Het krediet is nodig om de onderzoeken en onderbouwingen uit te voeren die nodig zijn om tot een weloverwogen, ook juridisch houdbaar, besluit te komen. Dit is wenselijk, ongeacht de uiteindelijke uitkomst. Het krediet financiert dus mede het onderzoek dat nodig is om de haalbaarheid juist te kunnen beoordelen. Het is belangrijk dat de ruimtelijke, technische, planologische, financiële en juridische randvoorwaarden door de gemeente eenduidig worden vastgelegd en vastgesteld worden door de gemeenteraad. 4. Hoe weegt het college het financiële risico af dat de gemeente voorbereidingskosten maakt voor een ontwikkeling die uiteindelijk mogelijk niet uitvoerbaar blijkt vanwege provinciaal beleid? Het college is zich bewust van het risico dat gemaakte voorbereidingskosten niet altijd resulteren in een uitvoerbaar plan. De gemeente kan, zonder enig financiële risico te nemen, geen weloverwogen beslissing maken ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het terrein. Dit risico wordt meegewogen bij het raadsvoorstel voor het voorbereidingskrediet. 5. Welke voorbereidingskosten verwacht het college te maken, hoe zijn deze opgebouwd en op welke wijze worden deze kosten verhaald indien de ontwikkeling uiteindelijk geen doorgang vindt? De precieze opbouw van de voorbereidingskosten wordt uitgewerkt in het raadsvoorstel dat bij de kredietaanvraag hoort; dat voorstel volgt op korte termijn.
6. Hoe beoordeelt het college de juridische stelling van de initiatiefnemer dat woningbouw op het Draka-terrein mogelijk is als een binnenplanse Omgevingsplanactiviteit en welke juridische onderbouwing ligt aan dat oordeel ten grondslag? Het college heeft kennisgenomen van het standpunt van de initiatiefnemer en zijn juridisch adviseur. Deze kwalificatie wordt betrokken bij het onderzoek naar de planologische mogelijkheden dat momenteel samen met een extern bureau wordt uitgevoerd. De keuze voor de betreffende planologische procedure is voor het Draka-terrein een zeer complexe opgave waarbij op zeer verschillende juridisch-planologisch manieren naar de opgave gekeken kan worden. Het college doet daarover nu nog geen zelfstandige juridische uitspraak, omdat dat onderzoek nog niet is afgerond. Het college stelt voor in een dialoogsessie aan de raad uitleg te geven over de complexiteit. 7. Waarom worden beleidsregels en een nadere invulling van de open normen in het Omgevingsplan pas opgesteld nadat een principeverzoek is ingediend, en hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de uitgangspunten van rechtszekerheid en gelijke behandeling van initiatiefnemers? Dit is precies één van de complexe aspecten aan deze opgave.
Zoals bij de vorige vraag beschreven stelt het college voor in een dialoogsessie aan de raad uitleg te geven over de complexiteit en de manier waarop wordt omgegaan met de op deze locatie geldende open normen. 8. Welke planologische, juridische en bestuurlijke belemmeringen ziet het college op dit moment nog voor de herontwikkeling van het Draka-terrein en op welke wijze worden deze één voor één opgelost? De belangrijkste punten zijn de verschillende planologische routes en de mogelijkheden in het provinciale beleid hierbij. Daarnaast zijn inhoudelijke onderzoeken en omgevingsaspecten van belang voor de herontwikkeling van het terrein. De haalbaarheid van het plan moet tenslotte nog aangetoond worden. Tot slot de nog te doorlopen bestuurlijke besluitvorming, waaronder de kredietaanvraag zelf. Deze worden via een projectopdracht stapsgewijs opgepakt, zoals in de raadsbrief van 21 juli 2026 (Z-26-519110) beschreven. 9. Welke betekenis kent het college toe aan de herontwikkeling van het Draka- terrein binnen de totale Hillegomse woningbouwopgave en hoe beïnvloedt deze ontwikkeling de noodzaak om woningbouw op andere locaties, waaronder buiten stedelijke zoekgebieden, te realiseren? Het Draka-terrein kan een relevante bijdrage leveren aan de Hillegomse woningbouwopgave.
Op dit moment is het echter te vroeg om harde uitspraken te doen over de precieze verhouding tot woningbouw op andere (eventueel buitenstedelijke) locaties; dat wordt duidelijker zodra de haalbaarheid en omvang van het project verder zijn uitgekristalliseerd. 10. Welke afweging heeft het college gemaakt tussen het behoud van een bedrijventerrein en de wens om op deze locatie woningbouw mogelijk te maken, en welke beleidsmatige argumenten hebben daarbij de doorslag gegeven? In 2021 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij' vastgesteld. In dit bestemmingsplan is deze afweging door de raad al gemaakt. 11. Hoe ziet het college de verdere besluitvormingsvolgorde voor zich, welke besluiten verwacht het achtereenvolgens van de provincie, het college en de gemeenteraad en welke momenten zijn daarbij bepalend voor het al dan niet voortzetten van het project? Onafhankelijk van de planologische procedure die mogelijk gevoerd gaat worden vindt het college het belangrijk om regie en grip te hebben. Het college vindt de betrokkenheid van de raad hierbij van groot belang. Daarom wordt voorgesteld om de stedenbouwkundige randvoorwaarden en de plan specifieke motivering ter besluitvorming voor te leggen aan de raad.
Het college betrekt de raad op de gebruikelijke besluitvormende momenten en blijft tussentijds informeren, zoals ook met deze raadsbrief is gebeurd. Het college betrekt, gezien het belang van de mogelijke ontwikkeling, de raad bij de besluitvorming. 12. Welke feiten en verwachtingen rechtvaardigen volgens het college het vragen van een voorbereidingskrediet aan de gemeenteraad, terwijl het college tegelijkertijd aangeeft dat de provincie de voorgenomen ontwikkeling strijdig acht met haar eigen beleid? Zie antwoord vraag 3. Bijlagen: geen